terug  begin  verder
[p. 255]origineel

Negentiende brief.
Mevrouwelizabeth stamhorst, aan dezelfde.

Verwondert gij u niet, lieve Nicht, een' brief van mij te ontvangen? Gij schreeft niet aan mij, 't is waar, doch ik zie daar de reden van, en acht er u om. Gedaane dingen zijn niet te veranderen: U zonder maate daar over te bedroeven, is geheel verkeerd: het kan noch voor u, noch voor ons, eenige nuttige gevolgen hebben. Uw berouw is oprecht, want gij beschuldigt u zelve; ik houde mij verzekerd, dat gij door een deugdzaam gedrag, die zo zwaare fout zult poogen uittewisschen. Nu weet gij bij eigen ondervinding, hoe ongelukkig stijfzinnigheid jonge lieden maakt; gij zult des tegen deezen uwen grootsten vijand, op uwe hoede zijn. Indien de tijding van uws vaders ongelukkigen toestand uw hart niet verbroken had, dan zoude ik niet durven hoopen, u ooit van eenig nut te kunnen zijn: nu is dat zo niet; gij kunt des nog getroffen worden, alles kan nu nog tot uw geluk uitloopen. Hadde u uwe stijfzinnigheid niet vervoerd, gij zoud voor de wereld, misschien ook in uwe eigen oogen, een veel beter mensch gescheenen zijn, dan nu, nu gij met een lichtmis uws vaders huis verlaaten hebt: maar schijn is geen waarheid; hij,

[p. 256]origineel

die zijne fouten niet kent, of ten minsten die niet wil belijden, sluit zig den weg der zelfverbetering; en wat is er van zo een mensch te wachten?

Ik ben het met mijne betje volkomen ééns; de uitdrukkingen gebruikt omtrent uwen vader, zijn onbetamelijk, zijn ijsselijk; doch geen kind kan zijnen vader haaten. Beween uwe zonde, verootmoedig u voor God; geen zo jong mensch, kan eene onvergeevelijke zonde begaan, zo het nog in staat is om berouw te gevoelen.

Indien gij uwe gezondheid verwaarloost, en uwe krachten wegweent, dan maakt gij u schuldig aan ondankbaarheid tegen God, die uw leven wil spaaren, op dat gij den tijd hebben zoudet, om hier u door een deugdzaam en verstandig gedrag, voortebereiden tot het eeuwig leven. Gij geniet een geluk, dat zeer weinige verleide meisjes ten deel valt; het is, als of de Voorzienigheid, die zeer wel weet, hoe verwaarloosd gij werd opgevoed, u meer bijzonder in zijne bescherming name. Er is zo iet niet als men Geval noemt; alles staat in betrekking, doch ons doorzicht is te bekrompen, om die verbintenissen te zien. De beide Heeren moesten daar aankomen; u vinden; ware dit niet gebeurd, wat zoude uw lot geweest zijn? Naar maate gij uw kommer en armoede had zien vermeerderen, en gezien had, hoe onbekwaam gij waart u zelve te helpen, zoude uwe halstarrige onbuigzaamheid u tegen uw lot verhard en verbitterd hebben. Maar genoeg! Kom mijn kind, in de geopende armen uws Ooms,

[p. 257]origineel

uwer Tante, uwer twee jonge vrienden: troost u daarmede, dat uw val heeft moeten dienen, om uw verstand te doen ontwaaken. Ik zal bij u de plaats uwer moeder bekleeden; eene moeder, die met de beste oogmerken, zo veel toebragt tot uw en haar ongeluk. Ik weet dat gij haar, indien uw berouw oprecht is, nog bemint, en ik vleie mij, u nog eens in haare gunst te herstellen.

Vrees hier geene nutlooze moedbreekende verwijtingen. Laat geene verkeerde schaamte u beletten, ons te zien; poog veel meer ons te overtuigen, dat gij recht doet aan onze liefderijke oogmerken. Nu ga ik aan den Heer walter schrijven, en alles met hem schikken, wat betrekking heeft op uwe overkomst. Uw Oom wil deezen ook ondertekenen; gij weet hoe lief en waard' gij hem altoos geweest zijt. Vaar wel, van uwe genegen Oom en Tante,

 

willem stamhorst, en zijne Vrouw.

terug  begin  verder