terug  begin  verder
[p. 283]origineel

Twee- en- twintigste brief.
Mevrouw de Weduwewildschut, aan Mevrouwelizabeth stamhorst.

Wel lieve God, Zuster! wat ben ik veraltereerd, en ik heb gekreeten als een hofhond, om mijn allerliefste kind: Mejuffrouw de groot kwam ook zo maar met de deur in 't huis: wel lieve Heer! konde ik denken dat zo een gezond meisje, dat 'er zo uitzag als een beeld, om dat die wat verdriet had en wat zieklijk was, zo schielijk 'er uit zijn zoude? Zie Zuster! neem het mij niet kwalijk, maar ik ben om uw' Broêr niet half zo bedroefd geweest als ik ben over mijn kind: je moet denken ik zag hem zo zelden, en nooit dan met zijn gestoet van vreemde potentaaten: zo dat, men kon nooit eens een woord spreeken, dan laat in den nacht, en dan had ik meer lust in slaapen, dan in praaten, maar met mijn kind ging ik altoos op en neêr, en wij waren als twee goede vrienden, (hoewel zij mij tog lelijk bedrogen heeft.)

Wat ben ik nu blij dat ik het schaap altoos haar' zin gaf; nu heb ik een gerust gemoed, en weet dat ik haar nooit zuur heb aangezien: zo

[p. 284]origineel

was wildschut op 't laatst van zijn leven niet, en die knaaging heeft hem de dood gedaan; dat ik heel wel begrijpen kan.

Mijn God! dat moest haar Vader geweten hebben, dat zij zo bekeerd gestorven is! wat zou hij hoog met haar gelopen hebben, en haar alles gegeven waar zij 's nachts van droomde: en al zijn wij zo rijk niet meer als de Vader van den verloren Zoon, en kunnen geene goude ringen present doen, nu, daar zou zij nu in haar graf niet aan hebben, hij zou ook wel een gemest kalf geslagt hebben: maar nu is zij in Gods rijk en aan de bruiloft des Lams: ik heb het mijn' buurman jordaan ook gantsch niet wèl afgenomen, om dat hij mij belette mijn eenig kind op haar doodbed te bezoeken, en haar nog een troostlijk woord uit de schrift toetespreeken: en ik zei: ô Buurman! ik geloof dat jij den Heiland niet wèl begrijpt, die zou zeker geen Moeder belet hebben haar eenig lief kind te zien, en, zei ik zo, mijne vriendin te Rotterdam mag dan niet bekeerd zijn, doch zij verstaat den Heiland veel beter, en met Zuster denk ik ook dat ik mij maar bij Juffrouw de groot moet houden en bij mijne vriendin ook, want die menschen wilden altoos dat ik mijn kind ging bezoeken, en haar opbeuren zo als het eene Moeder betaamt: hij preutelde hier wel zo wat tegen, doch ik stoor 'er mij niet aan, en ik heb hem gezegd daar het op staat; zo ben ik, weet gij?

[p. 285]origineel

Nu, een mensch moet ééns sterven, en ik hoop dat mijn lief kind, het in den Hemel zo wèl heeft dat zij deeze wereld gemaklijk kan vergeten: en ik kom niet te begraven: ik heb al schrikken en alteraties genoeg gehad, bij de begraavenis van mijn' man zaliger; ik ben wel zo aandoenlijk niet dat ik om alle wisjewasjes in flaauwte val, en azijn moet opsnuiven, maar mijn hart hangt tog over mijn kind - Ik bedank u, Zuster! voor alles wat gij voor mijn kind deed; en ook uw man en kinders, en Juffrouw hofman en klinkert, maar zo als ik zeg, ik hoop dat de Heere het u allen vergelden zal, en als betje in de stad komt woonen, dan zal zij aan mij een Moeder hebben, en ik zal haar alle dag bezoeken, dat zal haar nog wat opbeuren, als zij u mist, daar zij zo krachtig veel van u houdt; betje zal een kostelijk man hebben, nu, zij verdient hem ook, en Oom is heel in zijn schik met dat huwelijk, en mietje is zo blij als of zij zelve de bruid zoude worden: en ik hoor door Juffrouw hofman, dat Neef pieter naar Juffrouw leentje vrijt: wel kind dat doet mij deugd: de vrouw is schat-rijk, en mietje is een zoet nuffeltje; en pieter is een goed kalf, en weet zijn weetje wel, dat beloof ik je: ja Zuster, je bent maar gelukkig met je kinderen: maar dit is ieders deel niet; had het God behaagd, ik zou ook gelukkig met mijn kind geweest zijn; nu, dat heeft zo niet moeten weezen:

[p. 286]origineel

en walter wint geld als water, en naatje zal op een gouwen troon zitten, ziet gij, zo zegent de Heer de braave menschen, en om dat zij zo eene oprechte vriendin was van keetje, zal het haar welgaan: en Mejuffrouw de groot heeft mij gezegd (want zij is heel vrij met mij, en ik met haar,) dat haar Zoon trouwen zal met dat Engelsch meisjen, zodra hij in zijne zaaken en wat ouder is: nu dat 's goed, als 'er niet getrouwd wierd zou Amsterdam gaauw uitsterven; en onze braave frans zal ook wel op zijn voeten neêrkomen, de Heer zal ook voor hem zorgen, om dat hij zo een braaf kind is, en zijn Ouders zo bemint en gehoorzaam is, en om dat hij zo veel van mijn' man hieldt, en zo bedroefd over hem is, dat hij nog niet van hem kan hooren spreken: dat het ondeugend vrouwspersoon dood is, doet mij recht deugd: hoor Zuster! zij was nog tien percent erger dan haar Broêr, die ook dood is, zo als Juffrouw hofman mij verhaald heeft: ja, ja, boontje komt altoos om zijn loontje, en dat zij zich zelve heeft te kort gedaan kan heel wel zijn, want zij geloofde in Hemel noch Hel, en zal gedacht hebben, als ik dood ben kan mijn man mij niet in een Verbeterhuis plakken, dat moet haar tog niet aangestaan hebben, die Caronje! En nu denk ik eens naar Rotterdam te gaan, bij mijne oude, trouwe vriendin; zij zal mij wel een kattebakkes geeven over kee-

[p. 287]origineel

tje, doch dat moet ik verdraagen; zij meent het wèl en zij heeft geen ongelijk: nu, Zuster! groet ik u, en Broêr en uwe kinderen, en ik blijve,

 

Uwe liefhebbende Zuster,

 

francina wildschut, Geborende wind.

terug  begin  verder