Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 5]

Tweede brief.
Mejuffrouw Aletta de Brunier aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Mejuffrouw!

Voorleden week by Mademoiselle G.... in den Franschen winkel zynde, kwam daar een jong Juffertje in wippen, die veel hadt, wat den uitwendigen mensch betreft, van een kwakerinnetje, zo fyntjes zo effentjes uitgestreken. Indien de Bienseançe het gepermitteert hadt, ik zou hartig om die vertoning gelachen hebben. Het kwam my echter voor, dat er nog al vry wat op dat hartje zou moeten gerameit worden, voor dat het met dit gewaad harmoniëerde. Naauwlyks waart gy (want gy waart het zelf,) den stoep af, of ik vroeg aan Mademoiselle G...., wie, mag ik u bidden, is dat lieve Fyntje? me dunkt dat haar gelaat my niet vreemt is. Zy gaf my ten antwoord, dat zulks wel zyn konde, en dat gy de Dochter waart van dien vermaarden Theekoper op den Nieuwendyk, Burgvliet, Burghout, of Burg.... Burgerhart viel ik haar in de reden? juist! Burgerhart, zei zy. Wat, zei ik, is dit Saartje Burgerhart?

[p. 6]

Wel dat kan niet zyn. Ja, hernam zy, dat weet ik niet; maar dit weet ik zeer wel, dat dit mooije meisje de eenige dochter is van dien Heer, en dat zy, na haar ouders dood, inwoont by eene Tante, een oud lelyk Portret, die haar dus toetakelt, en dat het arm schaap het daar heel slegt heeft; 't geen ik ook wel geloof, om dat ik de Kwezel ken. Het Juffertje koopt hier nog al dikwyls een wissewasje, handschoenen of zo. Ik stond verbaast. Ik heb, zeide ik, met deeze Juffrouw op ons eerste Fransche school gegaan, doch zedert al dien tyd niets van haar gehoort. Haar Vader won zeer veel geld: mag ik u wel verzoeken om haar, door uw Krisje, indien zy voor eerst niet weêrkwam, een Brief dien ik ga schryven, te laten bezorgen? Dat nam zy aan, en ik schryf aan u. Hoe is het, wilt gy van uwe Tante af? De Juffrouw, die my logeert, is een Vrouw van fatsoen, doch door tegenheden in de noodzakelykheid gebragt, om door het logeeren van Dames een ordentelyk bestaan te hebben. Wy hebben het hier en Prince, charmant! Ma Chere. Het zou u wel voldoen. Er zyn buiten my nog twee Juffrouwen, nog al aartige welopgevoede Dames, die haar gezelschap waardig zyn. Wilt gy blyven? blyf! maar wilt gy van dien kwelgeest afzyn, kom by ons. Vindt gy 't goed, ik zal de Juffrouw daar over spreken; en gy zult zien hoe

[p. 7]

veel belang ik neem in uw onaangenaam lot. Adio cara Mia! ik ben met de grootste affectie uwe ware Vriendin,

 

Aletta de Brunier.

 

PS. Adres by Mademoiselle G...., ik kom er alle daag.