|
|
|
| |
| | | |
Dertiende brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan Mejuffrouw Anna Willis.
[Den vorigen Brief nog niet ontfangen hebbende.]
Mejuffrouw!
Weinig dagt ik, dat ik geen het minste antwoord zoude ontfangen hebben op twee Brieven, waar in ik u myn geheel hart deed zien; waar in ik u myn ongelukkig lot mededeelde; waar in ik u myne zwakheden niet verborg; waar in ik u een voornemen toebetrouwde, 't welk ik wist dat gy zoudt afkeuren; my blootgevende aan uwe strenge berisping.
't Is wáár, Mejuffrouw, ik zei dáár in, dat ik uwen raad niet zoude volgen, zo hy tegen myn oogmerk streedt: maar, waarom heb ik dat gezegt? om dat myn hart oprecht is, en my niet toestondt u met eene ydele hoop te vleyen; zynde het toen voor my onmooglyk anders te kiezen. Myne oprechtheid verdiende ten minsten uwen aandagt. Zeide ik óók, dat ik van uwe vertroostingen geen gebruik zoude
| | | |
maken? Zouden die myn hart niet tot rust gebragt hebben? Zou ik hier door buiten de mooglykheid gebleven zyn, om nog te kunnen veranderen?
Welke verkeerde stappen kunt gy toch doen? bemint van de beste, de liefste Moeder; die al haar geluk in uw genoegen stelt. Men bewondert u over eene deugd, die aan uw strak gelaat alleen de verpligting heeft, dat men haar recht doet. Gy zyt geacht by hen, die u, hadt gy myn voorkomen, naauwlyks hunnen aandagt zouden verlenen; buiten de mooglykheid om uwe zwakheden veel naar buiten te doen werken. Uwe houding, de trekken uws gelaats, uw temperament, zyn door de Natuur zó geschikt, dat gy vry gemakkelyk eene Heilige onder de jonge Lieden zyn kunt; en gy zyt voor zo eene gegroet: uwe vyanden van binnen slapen, en hebt gy ook anderen?
Ik ben levendig, vrolyk, zonder zorg; mooglyk ben ik los; maar niet dan omtrent beuzelingen. Ik eerbiedig de Deugd, aanbid mynen Schepper, bemin alle menschen. Ik kan niet streng zyn dan omtrent zaken van aanbelang. De Natuur gaf u alles wat gy behoeft, om de Deugd wel te ontfangen; gy onthaalt haar op geschenken: maar, als zy my een bezoek geeft, is er niets dan een eerlyk goed hart: het onthaal is eenvoudig; doch 't zyn echter vruch-
| | | |
ten, die ik zelf opkweekte. Is 't wonder, dat zy by u schitterender onthaalt wordt? Maar kan ik haar niet even hoog achten als gy? kan zy niet goedgunstig op myne armoedige doch zuivere giften zien, daar zy weet, dat die uit myn eigen hart voortspruiten?
Veinzen, kan - wil ik niet. Ik ben misnoegt op u, verdrietig! Gy moet, als ik aan u schryf, dat weten. Hoor, Naatje, gy zyt my uit de hand gevallen! My dus te verachten! Wel, hadt gy my een scherpen Brief geschreven, - die my door 't hart sneedt, ik zou 't verdragen hebben: Maar geen antwoord! en 't is reeds tien dagen geleden, dat ik schreef. Heb ik u zo veel misdaan, door, met ingewikkelde goedkeuring myns Voogds, (daar, lees zyn Brief,) een huis te verlaten, daar men my zo slegt handelde, voor een verblyf by fatsoendelyke vrouwen, en eene lieve vriendin van my, die zo veel belang in my stelde....
Kon ik myn hart losmaken van zulken, die ik ééns met achting bemind heb; ik zou u geen letter schryven, vóór ik wist waarom gy my dus smadelyk handelt. Ik zou u niet lastig vallen met de blyken myner gevoeligheid. Gy zoudt ondervinden, dat Saartje Burgerhart niet laag zyn kan. Maar, och arm, die zelfde hevige aandoeningen, myner ziel zo eigen, die myne ligtgevoeligheid in sterke woorden doen
| | | |
uitwazemen, houden myn hart bevrydt voor alles wat naar wraak zweemt....
Ik schrei van verdriet. Waarde Willis! hebt gy my zo verlaten? Heb ik u niet zo wel geeerbiedigt als bemint? Heb ik my niet nog altoos door u laten leiden? Hadt gy my dan niet recht lief? Heeft myne onvoorzigtigheid, (gy denkt dat deeze stap zó is,) my dan alles, alles onwaardig gemaakt? Ik poog u te verschonen; hoe kan ik? Gy zyt immers wél? uwe lieve Moeder ook? De Brief zal zeker spoedig bezorgt zyn. Waarom legt gy uwe geheele hand op een hart, dat, op de ligtste aanraking, bloedt? Hoe deugdzaam gy ook zyt, (en dat zyt gy,) nog ver zyt gy van de volmaaktheid. Wel! u met een jong meisje optehouden die hare Tante ontvlugt, en by vreemde Lieden invliegt, kon u van die vleijende goedkeuring ontzetten, die gy niet gaarn zoudt missen. Dit rustpunt heeft uwe deugd nog zeer nodig. Gv ziet, Naatje, dat, hoe los ik ook schyne, ik bedaartheid genoeg heb, om zulke proeven op het menschelyk hart te doen, die men niet van my verhoopte.
Ja, ik heb myne gebreken - yder heeft de zvnen. Ik ben aandoenlyk genoeg voor honnette vermaken. Ik heb eene Vriendin nodig, om altoos zó te doen als ik denk; en ik koos u voor myne Vriendin, om duizend en duizend
| | | |
reden. Wat zegt uwe Moeder, (zy, die vroom is, maar teffens goedertieren!) ‘Saartje maakt myne Dochter gezelliger en zagter; myne Dochter maakt hare jonge Vriendin eenpariger, en achtingwaardiger.’ Nu ziet gy, dat ik in verdriet ben, verlaat gy my, geeft gy my aan my zelf over: Gy stapt statig voor uit, en ziet met eene meerderheid, die u niet bevallig staat, op my te rug, op my, een meisje dat gy voor by zyt.... Wel, het is eene groote verdienste in u, my voor by te treden.
Kunt gy wel geloven, Naatje, dat ik het ben, die deezen schryf? Ik had altoos zo veel eerbied voor u, maar toen dagt ik, dat gy dien verdiende: dat is de zaak. Ik behandel u ten minsten getrouw. Doe ook zo, en gy zult mynen verslagen geest opbeuren. Dit zal ik aanmerken als een teken van vriendschap.
De stap is gedaan. Ik zit reeds in myn nieuw Logement: ik ben 't ontsnapt, en geniet aanvankelyk die vryheid, die, nevens uwe vriendschap, my het dierbaarst is van alle waereldsche genoegens.
Zie daar, al weêr een bewys van myn vertrouwen op u. Zal ik nooit weer een Brief hebben van uwe hand? ô! Ontsier uw karakter toch niet door eene norsheid, die u verlaagt, die ik niet verdien, en nooit hoop te verdienen. Antwoord my ten minsten; zeg dat
| | | |
gy my beklaagt, - dat gy my haat; wat zegt haat by verachting! Veracht te worden - doodlyk denkbeeld! Ik kan het niet dulden; maar, waarom veracht gy my? Ik voel dat ik niet wel ben, zo hebt gy my getroffen. Altoos zal ik uwe goede hoedanigheden recht doen, en blyven,
Mejuffrouw!
Uwe oprechte Vriendin,
Sara Burgerhart.
|
|
|