|
|
|
| |
| | | |
Vyftiende brief.
Mejuffrouw Sophia Willis aan den Heer Abraham Blankaart.
Ge-eerde heer!
Gy zult zeker van my geen Brief met de Hollandsche Post verwagten: hoewel wy oude kennissen zyn, en ik u wel eens, over ettelyke jaren, by den overledenen Heer Burgerhart, vóór ik nog gehuwt was, ontmoet hebbe. Ik weet, gy goede Heer, houdt niet van Complimenten; ik zal dan maar ter zaak komen, zonder u excuse te vragen voor de moeite, die ik u geef.
Gy zyt Voogd, myn Heer, over een zeer lief en ongelukkig meisje, over Saartje Burgerhart; over haar moet ik u onderhouden. Ja, zy is ongelukkig, en kan het nog meer worden. Vroeg ouderloos, en zeer kwalyk behandelt van hare eenigste bloedvriendin, hare onwaardige Tante, aan wie de stervende Moeder dit lieve Kind betrouwde. Juffrouw Burgerhart
| | | |
hadt zeker nooit zo eenen zonderlingen inval als deeze geweest is.
Gy zult reeds weten, dat zy hare Tante verlaten heeft, en inwoont by eene fatsoenlyke Weduwe, die Dames logeert? Ik ken deeze Vrouw in 't geheel niet, ik zou niets tot haar nadeel kunnen zeggen; en evenwel wenschte ik, dat zy daar niet inwoonde. Meisjes van Saartjes toegevende goedhartigheid, die zo weinig kwaad bedoelen als vermoeden, zo onnozel in het onbetamelyke als een kind, die zelf onberispelyk zyn, en niemand van de slegtste zyde beschouwen, zyn altoos in gevaar om verleit te worden, als zy, die haar willen verleiden, maar niet onvoorzigtig zyn. - Gy begrypt my, myn Heer?
Hoe gaarne zou ik het jonge mensch by my hebben! myne Dochter Naatje bemint uwe Pupil, ik ook; zy is een zoet meisje, en houdt byzonder veel van ons. Myne Dochter is, door hare gesteltheid, wat zwaarmoedig; dat moet niet zyn. En Saartje is voor Naatje zo noodzaaklyk, als die voor hare jonge Vriendin. Maar, ik kan niet besluiten om my zelf dat huisselyk genoegen te bezorgen. Ik ben verpligt u daar, onder ons, reden van te geven. Oordeel of ik de zaak wel begryp!
Ik ken uwe Pupil; nooit zal zy te bewegen zyn, om hier; voor niet, in te wonen; dat
| | | |
weet ik zéér zeker; ik heb daar grond toe: Te minder, om dat zy wel weet, dat ik ordentelyk, maar meer niet, leven kan. Hoe, inwonen by lieden, die minder hebben dan ik, dat nooit: zo denkt Juffrouw Burgerhart. Ik zou geene zwarigheid maken, om die hinderpaal weg te nemen, ter liefde van het meisje, en misschien ook uit zorg voor myne kinderen; maar ik ben niet sterk genoeg, om my te gaan blootgeven aan de lastertongen van kwaadaartige kwezels: Hare Tante kent gy; hoef ik my dan nader te verklaren? Dit is 't niet al! Ik heb een Zoon; die Zoon woont by my, als hy niet voor zyn' Heer buiten's lands is, dat meermaal gebeurt: ik wagt hem t'huis, en hy schryft my, dat hy nu voor eerst denkelyk in de Stad blyft. Die Zoon bemint uwe Pupil, dat weet ik; en ik denk, dat Naatje het ook weet; doch uwe Saartje is er onkundig van, want zy behandelt hem even of het haar Brôer is: dit zou zy niet doen, zo zy dit vermoedde. Ik weet, dat myn Willem geen geld heeft, dat by het hare kan genoemt worden; ééne zwarigheid, en wel eene groote; maar niet de grootste, immers niet by weldenkende menschen! Er is nog iets anders: de kwaadäartige uitleggingen der Waereld niet eens in aanmerking genomen zynde.
Ik zal rondborstig spreken. Nooit kan eene
| | | |
Saartje Burgerhart met eenen Willem Willis gelukkig zyn. Daar ik dit nu voorzie, ben ik immers, als Moeder van myn kind, en als de moederlyke Vriendin uwer Pupil, verpligt, onze jonge lieden geene de minste aanleiding te geven om elkander, dagelyks - huisselyk, te zien. Saartje heeft verstand; veel, voor zo een jong mensch; en, met dat alles, Saartje zal een man moeten hebben, die in staat is om haar te leiden; een man, die niet alleen hare liefde, maar ook hare achting waardig is. Een voortreffelyk man, met één woord, die haar, mag ik het zo noemen, in eenige dingen overschynt; en dan zal zy gelukkig zyn, en yder, die betrekking op haar heeft, zo maken. De moederlyke liefde maakt my omtrent myne kinderen niet blind: ik weet, dat myn Jongen die man niet is, - nooit kan worden. Hy is braaf van gedrag, immers zo verre ik weet, naerstig in zyne affaire, goedäartig, steeds wel te vreden; doch niet in staat om iets te weigeren aan iemand die hy lief heeft. Hy zal, eigenlyk, onder onze goede mannen behoren; en gy weet wie het zyn, die men dien eernaam geeft! Ik zou hier nog meer reden kunnen byvoegen, doch dit zy u genoeg. Nu weet gy, waaröm ik Juffrouw Burgerhart niet by my kan in nemen; hoe zeer Naatje er op aandringt.
Dewyl ik deezen aan een eerlyk man schryf,
| | | |
heb ik niets omtrent het u aanbetrouwde te verzoeken. Ik zal altoos met achting zyn,
Ge-eerde heer,
Uwe Dienares,
Sophia van Zon,
Weduwe G. Willis.
|
|
|