Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 63]

Zestiende brief.
Mejuffrouw Anna Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Myne waarde vriendin!

Wees gerust, ik ben uwe Vriendin; droog uwe tranen af; wees wel gemoed. Ik heb my, om u recht te doen, gestelt in uwe plaats; ik nam uwe geaartheid, uwe zwakheden, uwe deugden over; en ik zag, dat ik dan juist zo zoude gedaan hebben als gy deedt. Ik kon u niet beschuldigen: en ik deed echter niet meer dan billyk. Of ik het u vergeef..? Ja, van harten, indien er iets niet wel mogt gedaan zyn.

Gy zyt reeds verhuist: wy willen daar des geen woord meer van reppen. Uw gezelschap is my zo aangenaam, dat ik immers zo veel als gy lyde door dat nu te missen. Myne Moeder heeft u teder lief, maar 't schynt toch, dat zy redenen heeft die haar beletten u te verzoeken. Eéne bede ontzeg ik u. Ik zal uw' Brief niet verscheuren, maar, ten mynen nutte, bewaren. Die Brief, myne Burgerhart, heeft my gesterkt in de denkbeelden, die ik van uw gezont oordeel hebbe. Maar ik sta verbaast over uwe menschenkennis. Dat noem

[p. 64]

ik ontdekkent preeken! in ettelyke weken hoorde ik zo veel nuts niet.

Zo gy my dien Brief gezonden hadt, toen gy nog zeer over my voldaan waart; zo gy hem in uwen eigen vloeijenden, dartelenden, schertsenden toon geschreven hadt; dan ware hy een dierbaar teken uwer deugdzame vriendschap. 't Is waar, ik vrees, nu gy my aan my zelf nader hebt bekent gemaakt, of k hem dan wel zo terstond, en met zo veele billykheid, zoude gelezen hebben. Ei lieve, los my by gelegenheid eens het volgende op:

‘Wat is toch de reden, dat ware vrienden, indien zy besluiten om elkander hunne fouten te zeggen, op elkander juist te onvreden zyn moeten? - Waaröm heeft de openhartige, de schrandere Burgerhart, dus lange in hare Willis zekere gebreken gezien, zonder haar die aan te tonen? Hoe komt het, dat ik deeze berispingen, door u in drift en moeilykheid gemaakt, veel geduldiger lees, dan ik doen zoude indien gy dit alleen met uwe natuurlyke minzaamheid gedaan hadt? my dus als eene ware vriendin handelende.’

Ik beken, dat ik, zedert uwe proefnemingen op myn hart, niet half zo voldaan meer ben over my zelf, dan voormaals. Ik zie nu, dat ik, zo ik van al het goede, dat ik ooit zeide of deed, alles aftrek, wat my niets kost, er dan bedroeft

[p. 65]

weinig verdienste overblyft. - Hoor, ik ben meer lydelyk dan werkelyk goed. Wat kostte my myne ingetogenheid, myne voorzigtigheid, myne zucht tot onderzoek, waaröm godsdienstige doch strenge menschen my achten? Niets het minste! Ik zou my zelf geweld hebben moeten aandoen, om zo niet te zyn. De Hemel beware my voor beproevingen; ik weet niet, of ik er wel met glans zoude doorkomen. Ik zal u meer zeggen; gy verdient het. Ik heb iets ongemakkelyks in myn aart; ik ben sterk op myne verkiezingen gestelt; ik ben dikwyls onredelyk: By voorbeeld; myn oogmerk was om ergens heen te gaan, en dat wordt belet, hoe ben ik dan? - Lastig; al wat ik doe, doe ik zwygent en met veel deftigheid. Willem vraagt my iets, ‘Ja, neen’; Moeder vraagt my iets, ik ben beleeft; niets meer. Lees ik iets, zit ik te schryven, en zingt onze keukenmeid eens helder op, dan is 't: ‘wel dat's een gelol! een mensch vergaat horen en zien.’ Ontmoet ik haar in dien luim, dan krygt die goede sloof een graauw. 't Is wel wáár, ik voel spoedig, dat ik verkeert doe, en poog het dan weer goed te maken: Willem is: ‘Broêr lief.’ Moeder betoon ik alle liefde. Griet geef ik wat moois; doch is het daar mede zo al wel? Ik denk, neen! zo ziet gy, dat ik uwe gedagten over my goedkeur. Zonder de minste vleijery voeg ik hier dit nog by: zo velen, die

[p. 66]

my menen te kennen, zo als zy u menen te kennen, ons beiden wél kenden, ik geloof dat zy maar te veel reden zouden hebben, om u boven my te achten, zo wel als lief te hebben.

Ik herhaal het: Indien gy my, toen alles wel was tusschen ons, dus geschreven hadt, dan zou ik zeker een hope vygebladen gezogt hebben, om myne gebreken te bedekken, en ik zou u uwe gebreken (scherp genoeg,) hebben aangewezen.

Welk een zonderling wezen is de Mensch; Hy wil zich zelf zien zo als hy is; en hy ontwykt den gedienstigen Spiegel! Hy eerbiedigt de Waarheid, maar bemint zelden hare onwrikbare uitspraken. Daar zyn maar weinige oogenblikken, waarin hy geheel onderworpen, geheel leergierigheid is. Nam de goede Voorzienigheid deeze oogenblikken niet waar, wie zou aan zyne oorsprongelyke bestemming voldoen!

Zo veel van my zelf gezegt hebbende, na u overtuigt te hebben, dat ik my zelf onder de oogen durf zien, hoop ik de vryheid te mogen hebben, om u, myne Saartje, nog eenigen raad aantebieden.

Wat al ontdekkingen hebt gy in deeze drie dagen al gemaakt! Het huis, waar in gy zyt, heeft veel van de Beste Waereld; en moet voor u in uwen toestand allerwenschelykst schynen:

[p. 67]

maar, myne Vriendin, hebt gy reeds grond om te denken, dat gy over deeze lieden juist oordeelt? Kunt gy, nu gy zo geschokt, zo ontrust zyt, nu gy zo veel voorwerpen te gelyk ziet, wél waarnemen? Ik weet, dat gy dóór zien kunt; maar is uw verstand nu wel bedaart genoeg? Laten wy niet beslissen! Laat men u niet wegsleepen! Gy behoeft niets te bedekken; gy hebt niets te verbergen; mits, dat gy in de handen van brave menschen valt: maar alle menschen zyn niet braaf: de ondeugd trekt niet altoos bruine kleêren aan.... Gy moet ook weten, dat gy niet alleen leeft om u te diverteeren. Deugd is stryd; doch die 't gevaar bemint, zal er in omkomen. Dit eenige smeek ik u nog om onzer vriendschaps wille. ‘Leen geen geld van iemand uwer Huisgenoten; hebt gy het terstond nodig, zeg het my, ik zal 't u bezorgen. Toon hier door, dat gy my acht, en u zelf wilt blyven.’ Hier ga ik gerust op af. Niemand doet u meerder recht, dan de voor u tederbezorgde Vriendin, die zich noemt

 

Uwe Dienares,

Anna Willis.