Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 71]

Agttiende brief.
De Heer Abraham Blankaart aan Mejuffrouw Sophia Willis.

Achtingwaardige vrouw!

Dat is wel waar, ik had geen Brief van u gewagt. Hoe konde ik my verbeelden, dat gy my zo veel eer zoudt aandoen? want het is zeker eene grote eer, voor een braaf man, als hy een brief ontfangt van eene Vrouw als gy zyt.

Ik heb altyd, weet gy, zeer veel genegenheid voor u gehad, maar ik vischte agter 't net, en Gerrit Willis ging met u stryken; dat was myn neus vlak voorby. Zie, ik heb u dit nooit gezegt, want ik ben een vyand van moesjankery; en ook, gy waart veels te braven meisje om my, op zulk gebabbel, iets te antwoorden. Ik heb maar weinig verkeering met u gehouden, ook al om dat ik te laat kwam; en uw Gerrit was zulk een goed slag van een man; 't spyt my maar, dat zyne zaken niet beter gingen. Evenwel, als gy het wel hebt, ben ik te vreden. Gy neemt immers niet kwalyk, dat ik dit zo eens even aanroer.

[p. 72]

Wie weet wat er nog beurt; niet waar, Weeuwtje? Nu, ik stap er af, want wat hadt gy er aan, of ik zo een helen brief volkladde? Wel dan over Saartje. Ja, myn lieve Juffrouw Willis, dat was toch een gekke inval van myns Vriends Weduw, Saartje by dat Wyf, (vergeef het my, dat ik zo van eene vrouw spreek,) in huis te doen. Het arme mensch moet zeker toen haar grootste doorzicht zyn kwyt geweest. De droefheid, zeggen de Doctoren, benevelt het verstand, en wie was, op Gods aardbodem, toch ooit zo bedroeft over den dood haars mans, dan deeze Vrouw? Nu, 't was ook een volmaakt huwlyk, en het vrouwelyke hart is toch maar veel aandoenlyker dan het onze; dat 's maar uit. 't Zyn gemene knapen, die altoos op die zoete Vrouwen liggen te schimpen; ik zeg je, dat ik veel meer degelyke Vrouwen dan mans ken.

Ik ken Saartje; ik ken de ouwe. Ik heb wel gewagt, dat die poppen daar eens aan het dansen zouden raken, en ik weet niet, hoe het lief kind het 'er nog byna drie jaar heeft uitgehouden. Saartje heeft my alles geschreven, en ik geloof haar ook wel. 't Is recht jammer, dat gy haar niet kunt innemen; maar als gy myn oordeel vraagt, en ik alles overweeg, dan moet ik zeggen, hoe gruwelyk het my spyt, dat gy het niet doen kunt. Niet,

[p. 73]

lieve Weduwe, om dat Willem minder pitjes heeft dan onze Saartje: ei, wat? wissewasjes; daar zou ik niet eens om denken, om dat Saartje eene schoone stuiver goeds heeft; en uw Zoon is een beste Jongen, ik heb hem, nog onlangs, hier ontmoet, toen hy, om zyn's Patroons zaken, hier was. Ja, daar zal wat aan zyn. Want ik vroeg hem eens naar Saartje, zo zonder erg of list. ‘Och, myn Heer Blankaart, zeide hy, en hy werdt zo rood als vuur, dat is een Engeltje; ik ken geen liever Juffrouw. Zo je haar nu zaagt! ze is wel een half hoofd groter geworden in deeze twee jaar, en ze is beeldig mooi.’ Zo, zo, dagt ik, dat Heksje heeft al vroeg eene conquête gemaakt. Maar ik hield my of ik niets begreep; was dat niet wel? ik dagt, nu, als ik t'huis kom, moet ìk daar meer van hebben, en ik zou er u ook van gesproken hebben tusschen vier oogen. Doch nu gy my voorkomt.. Is dat zo, dan zeker dienen zy elkander niet; dat 's waar.

Wie zou zo eene vrouw niet hoog achten, die zo edelmoedig, zo voorzigtig, zo braaf handelt, als gy, myne waarde Juffrouw Willis? 't Is waar, uw Jongen is niet geschikt voor myn Sarotje. 't Is een vif platje, en Willem is een goeije slokkert; neen, dat kan niet. Het is voor beide de kinderen haar leven. Gy spreekt wel.

[p. 74]

't Is my lief, dat zo eene verstandige Vrouw even eens over dat Meisje denkt als ik. 't Is een Engel van een Kind, doch zy is zo jong, en heeft buiten u en uwe Naatje niemand; want ik ben meest uitlandig, en ook, wat heeft zy veel aan my, een ouden Vryer, zo als de waarheid is, om er zo alles aan te vertrouwen? 't Is geen kind meer, als toen zy op myn knie zat te spelen; en hoe ouder zy wordt, hoe meer dat zy dit zelf zien zal. Mag ik u bidden, hou uw oog op haar, zo veel gy kunt. 't Is my lief, dat zy by fatsoenlyke menschen is: hoe gaarn ik ook wenschte, dat zy dáár niet woonde.

Ik bedank u hartelyk voor uwe goedheid voor myn meisje. God belone u daar voor in uwe eigen kinderen. Kan ik uw Zoon voorthelpen, ik ben tot uw dienst; de jongen verdient het; en wat zou ik niet doen, om zyne waardige Moeder te doen zien, hoe gaarn ik iets tot haar genoegen deed? Ik had gehoopt in een maand t'huis te zyn; doch 't zal niet lukken: men kan geen geld van de menschen krygen: de tyden zyn niet voordelig; en dewyl ik van tyd tot tyd myne affaires zo wat opkort, om myne volgende dagen in rust door te brengen, wilde ik nu liefst alles afmaken: zie, ik heb gelds genoeg. Laat een ander ook wat winnen. Is dat niet billyk?...

[p. 75]

Daar brengt my myn knegt nog een Brief; en van wie dan van Zuster Hofland. Dat's een Brief! ha, ha! Kom aan, ik zal Zuster zo cito antwoorden. Wat figuur is dat! Is zy dan gek, of razent? wat brief is dat!

Wees gegroet; denk eens aan uwe oude kennis; vooral geloof dat ik ben,

 

Uw oprechte Vriend, en hoog achtende Dienaar,

Abraham Blankaart.