Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 119]

Een en dertigste brief.
De Heer Jacob Brunier aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Charmante dame!

De ongeneerde wys, waar op gy my altoos behandelt, geeft my de hardiesse om u eenige regels te schryven; wyl ik u en myne Zuster gaarn deezen nademiddag tot eene wandeling zoude disponeeren. Het zal laat zyn eer ik kan komen, en daaröm vraag ik het per missive; op dat gy u zoudt kunnen gereed maken. Om u maar alles te zeggen, ik heb my verslapen, en myn vriend Edeling kwam met myn Coëffeur te gelyk in. Binnen 't uur was ik gekapt; en nu zit ik, in myn Soubise, deezen te schryven. Dan moet ik nog een paar nieuwe zyden koussen aantrekken, daar loopt ook een half uur mêe door, want ik mag niet zien dat er de minste kreuk in zit. Dan moet ik my nog kleden, comme il faut, om onder het keurig oog van u, ma chere, te verschynen. Dan moet ik voor myne Dames Favorites nog eenige Tonco-Boontjes sorteeren; voor u heb ik vier keurlyke uitgezogt, al snuift gy niet.

[p. 120]

Beminnelyk Meisje, er is toch eene zonderlinge overeenkomst tusschen onzen smaak in het stuk van kleding; zou dit my geen hoop geven om u eens te behagen, zo als gy my behaagt? Waarlyk, ik bemin u meer dan iemand; myn Mietje zelf niet uitgezondert. Liefde verrykt onzen geest met nieuwe kundigheden. Die zich met smaak kleedt, er wel uitziet, en een lief meisje bemint, wordt verstandig zonder dat hy 't weet. Ik heb nog nooit zo een langen Brief geschreven, aan wie ook; maar de stoffe vloeit my zo toe, dat, indien ik my niet moest kleden, ik schreef al voort. Doch 't noodzaaklyke gaat vóór, en ik zie er nog miserabel uit. Adieu, ma chere! groet myne Letje, en geloof dat ik ben

 

Uw Verwonderaar,

Jacob Brunier.