|
|
|
| |
| | | |
Zeven en dertigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan Mejuffrouw Anna Willis.
Waarde Willis!
Of ik nog lees? Wel, dat zou ik geloven! Ik ben zelf de Lezeres voor de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje. Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, myn Cootje is nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te regaleeren.
En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er
| | | |
my mede te vermaken, en er myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb, ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden.
Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk Jongman, met my op alle plaatzen komen. ‘Of hy met die vriendschap te vreden is?’ dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet mêe te breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis? Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar wat zedelyke mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne Vriendin, hebt wel
| | | |
andre kruiden, wil ik spreken; zegt Broêr Benjamin.
Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te houden: maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe, als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe viel u dit in gedagten?
Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel, merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn. De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart, en by myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met Salomon uitgeeuwende: ‘ook-dit-alles-was-ydelheid!’ Waan met dit alles niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen, 't is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote zoekster van vygenbladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die
| | | |
reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel smaak het Euangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel doet, wel vindt. En daar mee is dat maar uit.
Ten slotte, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn. Vaarwel! Ik twyffel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen. Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als
| | | |
vrouw en voogd in uw huis te dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen, enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide, dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen geven, zo wél stondt hem dat droevige: maar Willem is geen Coo Brunier. Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my; want schoon ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor
Uwe Vriendin,
Sara Burgerhart.
|
|
|