|
|
|
| |
| | | |
Agt en dertigste brief.
Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan Mejuffrouw Zuzanna Hofland.
Dierbare zannetje!
Wel, hoe kom je nou toch weer aan zo een zwakgelovig Buitje? Wel, 't is of je toch altoos nog zo ietewat van je Zusters werkheiligheid aankleeft. Wel, jy hebt die zwakheedjes nodig, kind, om kleintjes te blyven. Kom aan, waar om zou je recht doen? is het niet om gerust te zyn? en als je nou eens gerust waart, om dat je wel deedt, zogt je dan jou heil niet in jou eigen werken? ô Zannetje, ik hou daar niet van; 't is te gevaarlyk voor vleesch en bloed. Ja, Blankaart is wél een godloos man, maar je mot hem te vriend houden. Laat je trotsch hartje varen, en vind het met hem; want prossedeeren, daar ben ik in dit geval tegen: je weet, hoe de Waereldlyke Rechter handelt, om dat hy alleen op het uitwendige ziet.
Wel, wat ben jy toch ook een geestlyk Treuzeltje, een eenvoudig zieltje! Ontschiet het je waarlyk, dat Sara zo opgeschikt gaat? Wel, my niets ter waereld. De stalen en patronen
| | | |
lagen in haar gruwzaam hart gereed, en de Duivel zag maar naar gelegenheid uit, om die tot daadlykheid te brengen.
Ik kreeg onlangs uit het Rotterdamsche Sion een Brief van eene hele vrome Mevrouw, by gelegenheid dat men daar sprak van ook nog eens een Tente des Satans optebouwen. Die Mevrouw zondt my het afschrift van eene Leerreden, door Broeder vander Kwast in de huisoeffening uitgesproken. Je zult verbaast staan over zyn geheiligt vernuft, over zyn diep en zalig inzien in de dieptens des Satans, of des menschelyken harts, want dat komt al op een uit. Ja, die vander Kwasten zyn Lichten in ons Land. Hy hadt tot stoffe; de zeven gelykenissen, tussen de kleding van een waereldsche Vrouw, en haar bedorven hart. Zie hier, Zusje, zal ik de Leerreden gedeeltelyk overschryven.
‘Het Kapzel van eene onwedergeborene is nu eens allegaar in de hoogte, bestaande uit ettelyke boven elkander gelegde boucles; voorwaar een afbeeldsel van haar hart, dat zich op zyn eigen droggronden zeer verheft, en de eene deugd, reeds door ydlen waan als een ronde boucle opgezwollen, op de andere stapelt, waar door de natuurlyke mismaaktheid nog gruwzamer wordt. Dan kapt zy zich eens allegaar in de breedte; maar een wel doorzient geestlyk oog ontdekt wel
| | | |
rasch de zelfde boosheden. 't Zyn die helsche deugden, die nu in reien geschaart staan, en waaröp het hart zich niet weinig verhovaardigt. Zo eene Vrouw bedient zich van vreemde hairen, van watten, van lange spelden, om zich fraaijer te maken; even zo doet haar hart; nu versiert het zich met vreemde Heidensche deugden eenes Socrates, of de zeden eens Paapschen Fenelons, of met die van een Sociniaansch Godlochenaar, of Armiaanschen Deïst. En alle deeze todden en vodden, al dit vreemt hair, wordt ook onder haar eigen gepropt, besmeert met de pommade van valschen troost, en de poeijer der ydelheid; of laat ik liever zeggen de stof van de Hel; zo dat men haar eigen daden niet onderscheiden kan. Zo eene Vrouw is geheel in 's Duivels Livrey; 't zyn niet dan strikken en linten, een rechte Helsche Galantery-kraam. Daar vindt men de Vuurroode Linten van toorn en drift op de vromen in den lande. Daar waaijen de Witte Linten der ligtzinnigheid, de Groene Linten der zondige hoop, de Gele Linten der dartelheid: alle deeze Linten worden op de Wevery van den Duivel gefabriceert. Zo eene Vrouw versiert zich met fyne Paerlen en Diamanten, met een goud Orloge, om daar op de uuren des vermaaks te kunnen zien.
| | | |
De sieraden, die aan de ketting slingeren, zyn allegaar afbeeldzels van hare zonden. Haar zondig vernuft is als de Paerelsnoer en het stel Juweelen, schitterent, maar nergens goed toe. Zo eene Vrouw draagt zondige witte zyden Koussen, en Engelsche Schoenen, met smalle hoge hielen, waar door zy met moeite gaat, en dikwyls struikelt, ja valt! zo wil haar hart zich ook staande houden op de hoge smalle hielen der Reden en des Oordeels, die veel al uit het Engelsche Land ons gezonden worden. Zo eene Vrouw draagt brede Fransche Gespen, een sprekent bewys van hare zucht voor het Paapsche Vrankryk.’ Zie daar, Zusje, een proefje uit die dierbare Leerreden. Nu, bemoedigt u wat op uw wegje; en denk, dat wy toch wat moeten hebben om ons nedrig te houden. Ik ben in de liefde,
Uwe Zuster,
Cornelia Slimpslamp.
|
|
|