|
|
|
| |
| | | |
Negen en dertigste brief.
De Heer Willem Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.
Mejuffrouw, hoogst ge-eerde vriendin!
Ik vrees, dat gy op my misnoegt zyt. Nooit waart gy zo, hoe zal ik het zeggen? onvriendelyk, neen, dat is het regte woord niet - minder gemeenzaam, dan toen ik de eere had u aan myn Moeders huis, ter uitvoering harer Commissie, te zien. Ach, myne Moeders tweede dochter, beminnelyk meisje, lieve Vriendin, wat heb ik u misdaan? Ja, ik heb u genoeg gezegt, om u te doen weten, dat ik u bemin; maar, hoe lange heb ik dit geheim gehouden! En hoe moeilyk valt het, een geheim te maken van iets, dat ons, in onze eigen oogen, eere aandoet? Welk een loeris moest ik geweest zyn, om u, by zo eene gunstige gelegenheid, niet eens eindlyk te zeggen: Ik bemin u. Nu gy dit weet, is myn hart ook veel geruster. Wees maar niet misnoegt op my; - meer durf ik niet bidden. Ik weet wel, dat ik geen recht hebbe om iets meer te eischen; maar ik zal my
| | | |
altoos zó gedragen, dat gy over my zult voldaan zyn: gy weet, dat ik geen geestige Jongen ben, maar ik kwel ook nooit iemand met myn vernuft. Ik zie zelf wél, dat er niet veel raêrs aan my is, maar ik laat my op myne welgemaaktheid ook niets voorstaan. Somtyds kan ik byna half wenschen, dat ik u niet beminde, om dat ik niets durf hopen: maar er is echter voor my, - gy weet, ik ben in sommigen opzichte een misselyke Jongen, - iets zeer aangenaams in de overdenking, dat ik zo veel gezont oordeel, en zo veel smaak heb, als men hebben moet om u te beminnen. Hoe lang heb ik met u omgegaan, zonder te vermoeden, dat myne liefde voor u iets anders dan behagen en vriendschap was! Ik ben beter onderricht, zedert ik zeker jong Heer niet meer zo vriendlyk kan ontmoeten, dan voor hy 't geluk hadt, u overal en ten allen tyde te vergezellen. Het bloed vliegt my in 't aangezicht, als gy my, my niet eens ziende, ontmoet aan den arm van een Jongen, dien ik lief zou hebben, zo hy u minder waardig was. 't Is toch spytig, myne lieve Saartje, dat zulke opgeschikte knaapjes, indien zy maar geen buitensporigheden bedryven, altoos de Lievelingen der Dames zyn, terwyl ik en andren, by gebrek van die kleine aangenaamheden, niet eens in aanmerking komen. ‘Hoe, dagt ik voorleden vrydag, by
| | | |
zo eene gelegenheid: ‘Hoe, Willem, als gy uw beste kleed ook aan hebt, en eens fiks gekapt zyt, hoeft zich evenwel dan ook een meisje over u te schamen?’ Maar wy, arme Jongens, moeten ons hart uit het lyf werken op de Kantooren: 't komt, aan ons aangenaam te maken, niet eens toe... Ik vrees u te vervelen, zo ik langer over my zelf schryf. Mogt ik maar weten, dat gy myne vrymoedigheid niet kwalyk hebt opgenomen: dat denkbeeld bedroeft my meer dan ik zeggen kan. De Patroon spreekt van my weêr naar Vrankryk te zenden. Zyn vertrouwen in my verëert myne pogingen om hem wel te dienen, en ik heb altoos het genoegen, dat hy over my voldaan is. Hier ontdek ik ook gunstige vooruitzichten. Wie weet, hoe edelmoedig hy omtrent my zyn zal, wanneer myn tyd om is. Ik durf u niet verzoeken om eenig antwoord. Ik durf zonder uw verlof u niet komen zien. ô Liefde!.. maar waar over klaag ik?... Evenwel, zo gy kost besluiten, om my aanstaanden Zondag na den middag die eere te gunnen! Ik zou zo gaarn afscheid van u nemen. Gy zyt immers myne Vriendin? Gy kent myn hart. Gy weet, dat ik geene dan goede oogmerken hebben kan. Evenwel, het staat geheel aan u; dit is billyk; en ik vind er voor my niets verdienstlyk in,
| | | |
(hoe veel het my kost,) dat ik my in beide opzichten geheel onderwerp aan uwe verkiezing. Ik bevele my in uwe gunstige gedagten, en zal altoos met yver zyn,
Uw ootmoedigste Dienaar en Vriend,
Willem Willis.
|
|
|