Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 154]

Een en veertigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan Mejuffrouw Anna Willis.

Liefste vriendin!

Hoe vele tranen heb ik, in deeze laatste drie dagen, niet gestort! De waarde Juffrouw Buigzaam werdt onverwagt dodelyk krank; de Doctor deedt haar by herhaling aderlaten, wyl zy zeer klaagde over pyn in de zyde. Hemel, wat heeft die Vrouw uitgestaan, en hoe dodelyk zwak is zy! Letje en ik hebben haar nagt en dag opgepast; maar dagt ik dat er zulke karakters waren, als die Hartog en Rien du Tout! 't Was of het lieve mensch haar geheel vreemt was: de eene zei: ‘Ja, ik kan niet tegen het waken!’ de andre: ‘Ja, ik ben bang van een dood mensch, en wie weet wat er gebeurt!’ - Maar genoeg hier van: zy verdienen niet, dat ik u over haar onderhoude. De Familie bekreunt zich harer niet, en dat juist om dezelfde reden, waarom zy onze hoogachting verdient. Hier van eens méér.

Geen uur heb ik haar verlaten; ik heb haar, als of zy myne eigen Moeder was, bygestaan;

[p. 155]

nict kunnende besluiten om dit waardig mensch aan de zorg van dienstboden toe te betrouwen. Deeze menschen moeten ook den gehelen dag voort; 't is billyk, dat zy des nagts rusten. Ik begreep ook, dat het de lieve Vrouw aangenaam zyn moest, als zy zag, hoe ik voor haar zorgde, die zy waarlyk als hare Dochter bemint. En wat was dat eene vreugd voor my, Naatje, te kunnen tonen, hoe dierbaar zy my is; en hoe ik alles zoude aanwenden om haar te behouden, wat maar mooglyk was! Nooit heb ik zulk een ongemaakte lydzaamheid, zulk eene volkomene onderwerping aan den wil des Hemels in iemand gezien, die zulke stekende smarten uitstondt. Waarlyk, de godsdienstige menschen zyn er toch best aan, en ik geloof, dat ik niets verstandiger doen kan, dan my meer toe te leggen om haar voorbeeld te volgen. Letje en ik hebben hier over zeer vertrouwelyk gesproken, want onzer beider liefde voor deeze brave Vrouw heeft ons nader aan een gehecht. Wy weenden, in elkanders armen, om dezelfde Vrouw; wy smeekten God beiden om dezelfde gunst; en nu, nu 't gevaar voorby schynt, zitten wy beiden in hare kamer, om niets te doen dan haar optepassen; terwyl de Lyderes ons met handen en oogen zegent, zynde zy door hare zwakheid niet in staat om te spreken. Zy slaapt zeer gerust:

[p. 156]

ô, mogt deeze slaap haar ter genezing strekken! Ik neem deeze stilte waar om u te schryven. Letje leest in Boëtius, een Boekje dat zy hier, nevens een Bybel, en een Moulin vrede der ziele, in de kamer vondt. 't Is raar; ik ben zo gezont als een visch, maar de droefheid over deeze krankte heeft my alreeds sterk doen afnemen: ik zie er uit of ik zelf ziek geweest ben. Och! als ik myne Moederlyke Vriendin maar mag behouden. God geve het!

Gy zult zeker de koffer ontfangen hebben; maar wat dunkt u van Willem? Hy heeft my den inleggenden geschreven: het klad van myn antwoord gaat er by, want ik heb thans geen lust om er iets over te zeggen: nu geloof ik evenwel, dat ik het wel gemaakt hebbe? Groet uwe waarde Moeder, en geëerde Tante, voor

 

Uwe Vriendin,

Sara Burgerhart.