|
|
|
| |
| | | |
Twee en veertigste brief.
De Heer Willem Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.
Hoogstge-eerde vriendin!
Welk een lage Jongen moest dat zyn, die het vertrouwen van een braaf Meisje kon misbruiken, om zich zelf, by een hoop dartle kwanten, het air te geven van iemand, die by zo een Meisje zeer wel stondt! ô Myne Vriendin, gy zyt geheel goedheid... Ik moet u beminnen; dat hangt niet van my af. Hadt gy als een spytig nufje met my gehandelt; hadt gy my als een veel te vrymoedigen knaap gestraft, door een grievent stilzwygen; dan zou de afstand en verstrooijing my mooglyk dienstig zyn kunnen, om u te vergeten; maar nu, nu ontdek ik nieuwe beminlykheden in u. Hoe kan ik my alle hoop laten benemen? Zy is de eenige troost voor my. Laat my dan deeze gelukkigmakende harsenschim! Zy kan u niet beledigen; om dat zy my ten sterksten zal aanzetten, om my uwer vriendschap meer waardig te maken.
Gy zyt myne Vriendin! ô Ik voel al het strelende van die uitdrukking: maar laat de liefde
| | | |
zich immer door de vriendschap belonen? Ik begryp, terwyl ik deezen schryf, dat ik niet redelyk ben, zo ik u lastig val op dit stuk; gy zyt my niets schuldig; myne liefde voor u is, of behoort zo belangeloos te zyn, als die wel zuiver is. Ik weet dit alles; maar is het redelyke dan ooit het onderscheiden kenmerk der Liefde...? Genoeg; ik zou u vervelen; Ik heb u ook iets nieuws te melden. Deezen middag ontmoette my uwe gewezen Meid, Pieternelletje Degelyk. Zy hadt aan ons huis geweest, om eens naar u te vernemen; maar van onze Meiden horende, dat myne Moeder en Zuster te Rotterdam waren, ging zy heen: geen zes huizen van ons af kwam ik haar tegen. Zy sprak my aan, en zeide my, dat zy niemand had t'huis gevonden, maar dat zy zeer verlangde om van hare lieve Juffrouw eens te horen. ‘Wel, Pieternel,’ zei ik, ‘kom in huis;’ want zy was zeer bedroeft en verslagen. Zy deedt dit. Ik bragt haar in de eetkamer, en liet my theegoed brengen. Het goede mensch was zo bedroeft, dat ik haar zei: ‘kom Pieternel, drink jy eerst thee met my, en dan zal ik u alles vertellen.’ ‘Och, myn Heer Willis,’ zei zy ‘wat heb ik daar een droevig nieuws voor my van myne jonge Juffrouw gehoort! zou het waar zyn? wel lieve God, heb ik haar daar voor helpen groot brengen,
| | | |
en zy heeft zulke kostelyke Ouwers gehad!’ Toen schreide zy dat zy snikte; en ik was met het goedhartig mensch zo bewogen, dat my de tranen over de oogen liepen. ‘Myn Heer moet dan weten, dat ik daar zo even by Juffrouw Hofland geweest ben; ik weet het niet, maar 't was of ik er naar toe gejaagt wierd, want ik ben er geen zes maal geweest. De meid kwam voor, en Bregtje, zei ik, kan ik myne jonge Juffrouw niet eens spreken? Jou jonge Juffrouw woont hier niet meer; Zy is weggelopen, en is nou in een goddeloos huis, daar zy alle ondeugentheid doet, en als een openbare Ligtekooi met allerlei Ploerten, en Komedianten zich ophoudt; daar moet jy haar zoeken. Myn Heer, het was of de stenen tegen myn hoofd sprongen! ik moest my aan de deur vasthouwen, zodanig was ik ontstelt. En, zei Bregt, jy komt er fraai mee uit; dat is nou dat braaf meisje, dat verstandig Juffrouwtje, daar je zo hoog meê liep. 't Is een lief peuzeltje! Nou jy kunt haar niet spreken, en myne Juffrouw heeft belet. Toen deedt zy de deur open, en ik ging als een radeloos mensch naar uw Moeder; die ik ook niet t'huis vond; gelukkig, myn Heer, dat ik u ontmoette, want ik ben dispraat zo het waar is, dat Bregt zeide.’
Wees jy maar gerust, Pieternelletje, zei ik;
| | | |
Juffrouw Burgerhart is het braafste, zo wel als liefste jong mensch dat er leeft. Bregt is een kwaadaartige leugenaarster. Juffrouw Burgerhart is, met goedkeuring van myn Heer Blankaart, van hare Tante gegaan, daar zy niet langer kon blyven; en woont nu in by eene zeer fatsoenlyke deugdzame Weduw, met nog drie andere Juffrouwen. Al het overige is leugen, en laster; ik hoef dat niet te weêrleggen. Juffrouw Burgerhart is het lieve kind myner brave Moeder; myne Zuster is hare Vriendin. Toen stondt de brave meid op, en dankte God op haar kniën voor het bericht, dat ik haar gaf. Ik was zeer aangedaan. Zy kwam naar my toe: ‘Ja, myn Heer, ik kon niet wagten om God dus te danken tot ik alleen was: Ik ben nooit zo bedroeft, en nooit zo blyde geweest als nu. Zo het waar geweest was, ik had my dood gehuilt. Je weet niet welk een lief hartje het altoos geweest is; en denk, dat ik haar, mag ik zeggen, van dat de Baker weg was, evenwel alle dagen en nagten zo wel als haar Moeder opgepast heb. Maar nu ben ik gerust. Mag ik myn Heer vragen, waar ik de jonge Juffrouw vinden kan?’ Ik zei het haar, en zy zal, zo dra zy eens weer uit kan, u komen bezoeken. Met duizend dankzeggingen, en met my eene Vrouw toe te wenschen, die my de dierbaarste op de gehele
| | | |
waereld is, (ik durf haar niet noemen,) verliet het goedhartig mensch my.
In plaats van eens te gaan wandelen, begaf ik my naar myn kamer, om u dit alles zo ten eersten te schryven. Ik zal (ô lieve Vriendin, gy vermoogt alles op my!) my naar uwen raad gedragen. Ik ken myne zwakheid. Zou ik afscheid van u kunnen nemen, en bedaart genoeg blyven, om uw gezelschap geene vermoedens te geven die u ongevallig zyn zouden! Binnen agt dagen vertrek ik, maar niet terstond naar Vrankryk. De Patroon vindt goed my Duitschland in te zenden. Eerst ga ik over Rotterdam op Antwerpen. Maar waar praat ik van? Dit kan u zeker weinig schelen! Uw silouette, die myne Zuster my vergunt heeft naar te tekenen, sluit ik by de Wissels in de geheimste afdeling myner Brieventas. Dat dierbaar afbeeldzel zal myn gezelschap zyn, waar ik my ook bevinde. Vaarwel, myne tedergeliefde Vriendin! Denk somtyds eens aan uwen Willem; immers als aan een afwezent Vriend, in wiens lot gy belang neemt; en dien gy met genoegen zult zien weder keren. Geen woorden kunnen uitdrukken, hoe hoog ik u waardeer, hoe dierbaar gy aan myn hart zyt; en hoe ik God bidde om alles wat u gelukkig kan maken. Onveranderlyk ben ik
Uw getrouwste Vriend, en geh. Dienaar,
Willem Willis.
|
|
|