Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 194]

Zes en veertigste brief.
Mejuffrouw Anna Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Liefste vriendin!

Ik heb ten minsten op vyf Brieven van u te antwoorden: Nu zal ik deezen dag daar toe besteden. Waar zal ik mede beginnen? Laat ik uwe Brieven nog eens doorlezen, dan zal ik den draad wel opvatten.

Wie, die u kent, en u verdient te kennen, heeft het toch in zyn vermogen om u niet lief te hebben? Onze karakters lopen verbaast uit elkander; en schoon ik al vrywel met my zelf te vreden ben, zo denk ik somwyl met Alexander: Zo ik geen Willis waar, dan zoude ik wenschen Burgerhart te zyn: Gy weet waar op ik doel? Zo ik geen Alexander waar, ik zoude wenschen Diogenes te zyn. Uw brief, die begint: ‘Of ik nog wel lees,’ is zo vol gezont oordeel, en te gelyk zo vol uwer poetzen, dat gy my nu met verwondering vervult; dan weder een onwilligen lach afknarpt. Al noemde gy myne tegenbedenkingen nog maal grommen, ik moet het herhalen. Het smaakt

[p. 195]

my maar in 't geheel niet, dat gy u overal, zo altoos met den Heer Jacob, heen begeeft. Wat moet de Waereld van u denken? Het beste zeker is dit nog, dat gy uwe keuze reeds bepaalt hebt; en zoudt gy wel gaarn hebben, Saartje, dat men u voor zo eene Beuzelaarster hield, als dat meisje zyn moet, dat besluit om zich eens in de magt te stellen van een zo min beduident Jongeling, als alle de Bruniers zyn?

Uw satirique geest geeft my een aartige steek, daar gy spreekt van hem, zo hy eene slegte zyde hadt, aan my, ter zyner herstelling, over te leveren. Gy houdt de leenspreuk goed uit; en dewyl myne Moeder meent, dat ik myne trekken maar t'huis kryg, zwyg ik stil. Vervolgens geeft gy my, (stoute meid!) zo volkomen gelyk, dat ik er niets meer kan bydoen. Uw voornemen om eens huisselyker te leven, en dan met uw bemint Auteur Salomon uit te geeuwen: ‘ook dit alles was ydelheid,’ is uwer pen waardig. Zo is ook het afbeeldzel, dat gy van u zelf maakt. Eéne aanmerking nog. Zie wel toe dat de stroom van zinnelyke vermaken niet te sterk opzet! Een springvloed, Saartje, kan zeer veel schade veroorzaken; en zvt gy verzekert, dat hy u, in zynen bruischenden vaart, niet weg zal slepen van dien grond, waar langs gy zo luchtig heen dribbelt?

De Brieswisseling met Willem smaakt my,

[p. 196]

uw karakter in 't oog houdende, zéér. Ik had ook nooit gelooft, dat hy, buiten zyne affaire, zo wél schryven kon: doch wat zou hy niet leren, als hy maar dorst hopen, dat gy de beloning zyn zoudt? Myne Moeder is zo ingenomen met uw antwoord, en spreekt juist als gy, over eene nadere verbintenis. Ik begryp dat niet; mooglyk is myn oordeel wat belemmert, door dien ik zo vurig wensch u myne Zuster te noemen.

En nu zie ik myne brave gevoelige Vriendin in haar schoonste licht! De achtingwaardige Weduwe heeft zulk een edel karakter, dat ik my zelf de eer moet geven, om nader kennis met haar te maken. ô Myne tedere bekommering voor myne jonge Vriendin! Evenwel, ik heb, hoop ik, deeze uitmuntende Vrouw niet verdagt? Heb ik wel, Saartje? Zo al, dan word ik zeer gevoelig gestraft door het zelfverwyt; en ik hoop voortaan billyker te handelen. Uw Letjes karakter klimt ook sterk by my; en zo gy beide eens huisselyker leeft, dan zal ik nier meer behoeven te vermanen, 'k wil zeggen te grommen! Het geen de brave Dame u uit haar levensloop verhaalt heeft, is volkomen ingericht om u, lieve Meisjes, toch voorzichtig te leren zyn. En zoudt gy, myne Saartje, indien gy eens eene voor u slegte Party deedt, wel immer den troost hebben, die er ligt in de

[p. 197]

overtuiging, dat gy uwen wil aan dien uwer Ouders hadt opgeoffert? Ik heb myne Moeder tweemaal dat verhaalde moeten voorlezen: zy droogde hare oogen af. ‘Op hoe veel onderscheiden wegen kan men ongelukkig worden! zeide zy. Uw Vader, Naatje, was de beste man der Waereld. Ik trouwde hem uit genegenheid; doch zyne eerlyke beginzels stelden hem buiten staat om te zien, dat er schurken waren; schurken die hem bedrogen! Zyn goed hart stortte hem in tegenheden, die my te meer troffen, om dat ik die niet kon verhelpen. Het laatste Bankroet zoude hem arm gemaakt hebben, zo myne Ouders voor myn eigen goed niet gezorgt hadden. Gy weet, kind, dat hy van verdriet storf, ziende dat hy my, en zyne twee jonge kinderen, dus hadt benadeelt? Uw Vader was niet geschikt voor eene Waereld als deeze, en nog veel minder om er een bedryvent Lid van uittemaken. Ik beminde hem om duizend goede hoedanigheden, maar kon nooit op my verkrygen, om zyne zwakheden goed te keuren: 't Is voorby! Ik heb genoeg; en poogde myne kinderen te doen begrypen,

[p. 198]

dat zy óók genoeg zouden hebben, indien zy hunne begeertens vroeg leerden beteugelen. Ik denk niet, dat wy gelukkiger zyn zouden, indien ik in dien staat Weduw gebleven was, waar in de groote winsten uws Vaders my ettelyke jaren deden leven.’

Ik omhelsde myne Moeder, en zeide, dat ik haar altoos zoude pogen te doen zien, dat haar voorbeeld, zo wel als hare lessen, indruk by my hadden... Daar is Willem, gelaarst en gespoort. Hy komt, denk ik, afscheid nemen. Moeder is al by hem. Ik sluit deezen spoedig, en volg haar. Altoos

 

Uwe Vriendin,

A. Willis.