Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 226]

Twee en vyftigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan den Heer Jacob Brunier.

Vriend Jacob!

Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: ‘of gy u niet mogt vleijen met eenig antwoord op uwe Missive’? Want zo noemt gy dat fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het schynt waarlyk niet al te richtig in uw harssengestel,) u zoudt kunnen gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die Missive, eens een paar woordjes te zeggen.

Ik zeg niet gaarn onaangenaame waarheden, en vooral niet aan zulken, die ik, 't zy dan

[p. 227]

ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt, waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te kunnen krygen.

 

Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my niet; of ik moet u hartlyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje tot beetje aan te tonen, is beneden mynen aandagt. Ditmaal vergeef ik u alles, op deeze voorwaarden: ‘dat gy my hier over nooit meer spreekt; - zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te vragen; en dat gy, is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen.

Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan

[p. 228]

zult gy u moeten laten welgevallen, dat ik u zó, en op dien afstand behandel, als een fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve Vriendin, maar zy zo wel als ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van; en ik zal alles vergeten: want, zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt, zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my eens met meer reden te kunnen noemen

 

Uwe genegene Vriendin,

S.B.