Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 238]

Vier en vyftigste brief.
De Heer Cornelis Edeling aan den Heer Hendrik Edeling.

Waarde Heintje!

Wat is het goed, dat ik aan de Zegekoets van myne Jaantje zo vast gekluistert ben, als verlieft op hare zagte bevalligheden; wat is het goed, dat gy myn Broêr zyt! Get, jongen, wat zou my anders beletten, om eens heenenweer een reisje van vyftig uuren per post afteleggen, met geen ander oogmerk, dan om uw Liefje eens een paar minuten aandagtig te bekyken, en u geluk te wenschen met zo eene kostelykheid?

Hou u nu maar dood stil! Hoe meer dan volmaakt uw Meisje ook wezen mag, ik zou u niet raden, om tegen my te beweren, dat myn Meisje haar, het tienduizendste gedeelte van een ondeelbaar deeltje, moest wyken.

Geluk, myn beste, myn hartvriend, geluk! ken ik u wel, dan is deeze Dame uit alle vrouwen geschikt, het allergeschiktst, om u in het huwlyk gelukkig te maken. Uwe overhelling tot zwaarmoedigheid zal, door hare bekoorly-

[p. 239]

ke levendigheid, in manlyken ernst verbetert worden; en de stoute meid zal met u, zo zy verstands genoeg heeft om uwe waarde te zien, haar geluk bestendig maken.

Nu weet gy, dat haar hart ten minsten vry is. Niets kan u des beletten, om met haar conversatie te zoeken. Dit zal u gelegenheid geven, om haar nader te leren kennen; en gy zult, door u nader te doen kennen, niets verliezen. Stel u echter niet voor, dat het zyn zal: ‘Kip, ik hebje. Visje, spring by’. Neen, myn Vriend, zy zal u zeker een huis vol werk geven; en gy zult door hare kuren moeten lyden als winterkoorn op het veld. Nu zult gy eens geheel in verrukking by haar zitten, over haar hart u verwonderende, met haar geest u vermakende, en hare bevalligheden met langzame teugen door uwe oogen indrinkende; en een oogenblik daar na, zult gy menen reden te hebben om te denken, dat zy u reden tot ongenoegen geeft. Zy zal, terwyl gy haar eenige tedere wissewasjes zoetjes inluistert, aan u vragen: ‘apropos, myn Heer, is er geen nieuws?’ Wapen u, myn Vriend, met den lederen Kolder van geduld! zo het leven een stryd is, dan zeker is het vryende leven een geduurige oorlog. Daar is zelf myn Jaantje, het goedaartigste Schatje dat er ooit op satyne schoentjes dribbelde; en heb ik niet meer uitgestaan,

[p. 240]

dan ik arme Drommel u ooit kan vertellen, 'k laat staan doen geloven? Evenwel, hou moed. Een meisje, dat maar half zo veel waardig is als de onzen zyn, is byget waardig, dat wy er nog veel om uitstaan. Hoe moeilyker stryd, hoe schoonder zegepraal! Zo dra ik tyd heb, zal ik u meerder schryven. Ik mag met Sanche wel zeggen, dat ik bynaar geen tyd heb om myn nagels te knippen: gy weet waar op ik hoop, zo dra ik tot der beide Rechten Doctor gepromoveert ben? Adieu!

 

T.T.

C. Edeling.