Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 268]

Zestigste brief.
De Heer Hendrik Edeling aan den Heer Abraham Blankaart.

Myn heer!

Het karakter, 't welk gy omtrent de beminlyke Juffrouw Burgerhart bekleedt, doet my de vryheid nemen, om u deezen te schryven. Het kan u niet zeer vreemt voorkomen, als ik u eenvoudig zeg, dat hare bevalligheden my dermate getroffen hebben, dat my niets aangenamers zyn kan, dan myne verkeering met haar voort te zetten, en dus de gelegenheid te krygen van te onderstaan, of zy my met hare goedkeuring zal verëeren.

Myne achting voor, myn vertrouwen in u, verpligten my, om u te vragen, of gy daar iets tegen hebt?

Myne Familie heeft de eer van by u bekent te zyn: ons crediet is onbelemmert, en onze affaires zyn in een zeer goeden staat. Op myn gedrag moogt gy u informeeren; ik durf zeggen, dat dit my niet ongevallig wezen zal.

Myne oogmerken zyn die van een eerlyk man, die de inspraak van zyn eigen hart opvolgt, om

[p. 269]

dat de rede hem in zyne keuze billykt. Liefde en achting zyn het, die my aanzetten om by deeze beminlyke Juffrouw myne bezoeken te vermeerderen. Indien ik de gelukkige man harer eigene vrye verkiezing immer worde, dan, hoop ik, altoos te tonen, hoe zeer zich alle myne daden zullen uitstrekken, om haar met genoegen dit leven te doen doorwandelen: zo ik door haar worde afgewezen, zal het my des te gevoeliger smarten, om dat myn geheel hart voor haar met de tederste liefde vervult is, en ik nog nimmer eene vrouw ontmoette, die my zo beminlyk, zo waarlyk achtingswaardig heeft toegeschenen. Evenwel, ik hoop dat hare keuze niet zal belemmert worden; ofschoon zy, zo als men dat noemt, aan my geen slegte party doen zoude.

Mooglyk zal het u bevreemden, als ik u zeg, dat ik dit myn vooruitzicht nog niet aan mynen Vader hebbe medegedeelt: wat zal ik zeggen, myn Heer; myn Vader is, in weerwil zyns braven karakters, een weinig wonderlyk op sommige punten. En hy heeft ook meermaal verklaart, ‘dat hy nooit zal toestaan dat zyne Zoons buiten hunne Kerk trouwen.’ Daar is by den goeden man geen andere dan Lutersche Rechtzinnigheid. Nu weet hy, dat wylen de Heer Burgerhart, nevens zyne Familie, leden waren der Publique Kerk. Buiten dit,

[p. 270]

myn Heer, zoude hy zeker niet dan met gemoegen zien, dat ik zo eene beminlyke dochter aan hem konde presenteeren.

Daar ik nu nog niet weet, of, en naauwlyks durf hopen, dat ik zo gelukkig zyn zal van niet te worden afgewezen, kan ik immers onnodige moeilykheden vermyden? Te meer daar het my altoos smart, als ik den goeden man ergens over driftig maak; wyl dit zo wel voor zyne jichtkwaal, als voor zyne rust, hoogst nadeelig is.

Maak my, door eene gunstige toestemming, voor altoos aan u verpligt! De lieve Dame weet niets van 't geen ik voor haar gevoel: ik hoop dat gy zulks niet afkeurt? Met de hoogste achting teken ik my

 

Uw ootmoedige Dienaar,

Hendrik Edeling.