Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 289]

Vier en zestigste brief.
De eerzame Pieternelletje Deegelyk aan Mejuffr. Sara Burgerhart.

Juffrouw Saartje!

Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt an; en dat ik met je zong dat mooi Liedje: ‘Een kindje in 't water, een kindje in 't water.’ Ja, dat was een huur! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik zou nooit men Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok; wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't Vader Ons te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is. Laast nam ik het meê in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig, om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de

[p. 290]

Kerk, en dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is. Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat trouwen, met een Heer, die een Franschen naam het, die ik niet onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof, zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zó raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar, nou ze eens zo vreeslyk van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En nou was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam; wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar zo by men Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader, Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Dooppeet: want ik hiette maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een

[p. 291]

dingsigheid, om ook een van te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je Pieternelletje Deegelyk noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn schoenen nog aan en hy lachte dat hy schudde, om dat ik zo bly was met men van. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers, en ik heb het nu ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe Pieternel niet verlaten; daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor, het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou, ik kom haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een Glazenkasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou

[p. 292]

wel, dat jou Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zo waerelds gekleed gaat? ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is eeu heel braaf mensch, dat weet ik heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleed, zo als alle ryke jonge Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de kleeren, zei ik; nou, zei zy, ‘Kind, je hebt geen Licht.’ Nou Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust wezen! en dat's evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig wierdt, sting styf van 't stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal drinken. Alle mensen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid.

[p. 293]

Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pienel, zo pleeg je te zeggen,

 

Pieternelletje Deegelyk.