|
|
|
| |
| | | |
Vier en zeventigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan den Heer Abraham Blankaart.
Ge-eerde heer en voogd!
Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen. Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens, behoorlyk rekening zal kunnen doen.
Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat, en zy heeft my laten zeggen: ‘dat zy order van u zelf moet hebben; doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft.’ Ik had echter zo heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar.
En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te be- | | | | antwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt! maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik, overtreffen.
De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte. Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen?
De Heer R..., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk ik, heeft kennis
| | | |
met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten gebruike aangeboden. 't Is toch goed, dat alle Heren geen laffe Jonkertjes zyn; ‘maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te vinden.’ Zo dat wy mogen van geluk spreken.
Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar, op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels. Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er toe in staat ben!
Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde waereld, dáár
| | | |
belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is. Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste achting, en ik ben
Uwe liefhebbende Pupil,
Sara Burgerhart.
PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook.
|
|
|