|
|
|
| |
| | | |
Vyf en zeventigste brief.
De Heer Hendrik Edeling aan den Heer Cornelis Edeling.
Broerlief!
Zedert uwen laatsten heb ik aan den Heer Blankaart de vryheid verzogt om by zyne Pupil myne opwagtingen te maken: zie hier de Copy van myn Brief, en van zyn ongemeen antwoord. Ik heb er Vader ook al over gesproken, want dit bekoorlyk meisje heeft zich geheel van myn hart verzekert. Ik bemin haar met eene drift, die my zelf verbaast, en u, gemerkt myne natuurlyke geaartheid, niet dan zeer vreemt zal toeschynen. Zo gy haar echter kende! Zo gy haar met myne oogen zaagt! Keesje, Jongen, 't is een Engel. Eergisteren was ik vier uuren lang in haar gezelschap; en het discours, dat er op het tapyt kwam, toonde my, dat zy zo veel oordeel als vernuft bezit. Beide zyn van 't beste soort. Ik zou u gaarn het gesprek mededeelen; doch al wat niet onmiddelyk op haar betrekking heeft, kan my van die lastige verstrooitheid der gedagten niet zo lang te rug houden, als nodig is om het u te melden.
| | | |
Wel dan! Heeft de Heer Blankaart geen gelyk? Ja, zegt gy, volkomen. Ik begryp het ook zo. Ondertusschen daar zit ik in 't naauw! Nooit heb ik met zo veel misnoegen de verdeeltheid der Protestanten beschouwt, dan nu; en geen wonder. Gisteren kwam Vader met my van een extra goede Beursgang. Hy was regt in zyn knopjes; en nog te meer, om dat er door myne bezorging een schone zôô Baars op tafel gezet wierdt. 't Was Zoon voor, en Hendrik na. Toen de knegt uit de kamer was om te gaan eeten, zei Vader: ‘Wat scheelt er aan, Hein? je ziet 'er zo bleek en zo wonderlyk uit; je schynt ook niet graag; ben je ziek? Of heb je een Vryster, die je door 't hoofd maalt?’
Ik. Ik, Vader!
Hy. Ja, jy: wie anders? Kom, als zy my wat aanstaat, zullen wy het goed succes eens drinken.
Ik. [stamelende.] Vader, daar is een Juffrouw, waar op ik verlieft, doodlyk verlieft ben; en die, zo gy haar kende, u zeker zou voldoen. Ze is jong, fraai, verstandig, deugdzaam.....
Hy. Dat spreekt van zelf. Alle meisjes zyn Puikjes, als de jongens die krul in 't hooft hebben: En wie is dat juweeltje toch?
Ik. Juffrouw Burgerhart.
| | | |
Hy. Zeg je dat, Kameraad! Wel, 't meisje is van goejen huize, heeft geld, en ik weet geen kwaad van haar, dan dat zy van haar Tante, een malle kwylbabbe, is heen gebruit, en nu mooi haar plaisiertjes neemt. Doch dat zy zo. Je moet dat Partytje uit je kruin zetten, daar zal niet in gedaan worden: Zy is van de grote Kerk, en geen vreemd goed in myn huis. Wy zyn van Luters tyd af, van Vader tot Zoon, Luters geweest, en nooit trouwden wy, dan aan Lutersche Meisjes: dat deed ik, en dat zult gy en Cornelis ook doen, of Vader legt er, ‘ik verbied het,’ op.
Ik. Maar, Vader, zyn de verschillen dan zo groot? 't Is immers geene Roomsche Juffer.
Hy. Met een Paapsche Meid! Wel, al was zy zo schoon als de Engel Gabriël in eigen persoon, zo als hy dáár staat uitgeschildert; al was zy zo vroom als de Heilige Maagd Maria, ik onterfde u, zo je er aan dorst denken.
Ik. Heer, Vader, ik denk daar immers niet aan! de Calvinisten en wy noemen immers elkander Broeders: 't Zyn immers beide Protestanten.
Hy. Nu ja, dat Broederschap zit er, God beter 't, dik op! en choqueeren zy niet by alle gelegenheden zo weêrgaâs op elkander, dat het der pyne waart is om te horen.
Ik. Dat is zo; maar de verstandigen maken
| | | |
zich hier niet aan schuldig, wat zy ook zelf denken.
Hy. Nu, dat hoopje is zo klein, en ook de hand van Broederschap te geven, bruit nog zo wat heen; maar de hand op trouw te geven is een andere zaak. Zo dat, stel jy Saartje Burgerhart maar uit je zin: Want ik wil ook niet, dat zy verandert: elk moet blyven daar hv is. Ik hoop, dat wy in onze Kerk ook wel aartige Nufjes hebben; ga maar eens op Dingsdag in onze Ouwe Kerk, als er op 't Orgel gespeelt wordt; dan zyn er te kust en te keur, (en mooije dingen ook.) Trouw zo dra je wilt, als je meisje maar een goeje huishoudster en Luters is: anders bedank ik voor de klugt. Myn Huis moet geen Noachs Ark worden. 't Zou mooi zyn; jy een Gereformeerde Vrouw; je Broêr misschien een Remonstrantsche; Neef Klaas een Menniste; en Neef Gerrit een Kwakerinne. Denk jy, dat God weêr een Luter zal zenden, om jou familie nog eens te hervormen?
Ik had gaarn nog wat gezeit, maar Vader hieldt zyn hoed voor de oogen, en dankte. Toen naar 't Kantoor, en zwygen moest ik. Hy was echter nog al vriendlyk.
| | | |
Beklaag my, Kees lief; wat zal ik doen? Myn bezoeken staken? Om niets in de Waereld: ô, als het daar op aan komt, ken ik geen beschroomtheid. Vader handelt in deezen niet billyk. Wat verlang ik naar uwe t'huis komst! Hoe aangenaam is het, een Vriend uit de handen der Natuur ontfangen te hebben? Meldt my eens, hoe neer gy daar gepromoveert wordt? Dan zal ik hopen hem te omhelzen, die my onder alle mannen de dierbaarste is.
T.T.
Hendrik Edeling.
|
|
|