Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 340]

Zes en zeventigste brief.
De Heer Jan Edeling aan den Heer Abraham Blankaart.

Heer en vriend!

Ik schryf nooit dan over Negotie; maar nu moet ik u schryven, om dat wy de zaak in eens kort en goed zouden afdoen. Daar heeft myn Zoon Hendrik zin aan uwe Pupil; 't is of de jongen stapel zot is, zo ziet hy er uit; maar ik kan in dat Huwlyk niet stemmen, dat Partytje niet sluiten. Nu, ik heb hem met een paar woorden gezeit, dat hy daar nooit om moet denken, om dat ik eene Lutersche Dochter wil en zal hebben. Ik gebruik niet veel woorden met myn jongens. Ik zeg maar zwyg, zo zal 't zyn, Heren. Want, zo dra wy, Vaders, één woord zeggen, hebben deeze kwanten er wel tien tegen. 't Is of de Duivel de jongens regeert, als zy een meisje in den kop hebben! 't Is my al leed, dat ik my zo ver met hem heb ingelaten; en reden gegeven, waarom ik het niet hebben wou. 't Is dan of men de jongens toestaat ons tegen te spreken, en dat niet; waar-bleef onze Vaderlyke magt, he? U moet

[p. 341]

ik echter reden geven, gy zyt myn Vriend; en ik twyffel niet, of gy keurt dit Huwlyk al zo zeer af als ik, of ik ken Abraham Blankaart niet.

Ik ben rechtzinnig oud Luters. Zo is myn hele geslagt. Myn Stamvader is met den Zaligen Luter nog bevrient geweest; en ik heb nog den Intkoker, die hy, by zekere gelegenheid, [in zyne Dichtreden te vinden,] den Duivel naar den kop smeet, toen die het al te grof maakte. Alle onze Kantoorbedienden, alle onze Booijen zyn Luters; en ik zal nooit dulden, dat deeze Keten van Lutersche Wezens in de war raakt door eene Schoondochter. En wat maakt dat verwenschte buiten de Kerk trouwen een slegt huishouden! Gy weet dat zo goed als ik; zy lezen waaragtig niet eens denzelfden Bybel! Vrouw leest in Bunjan, en Man in Arends Paradyshofje. Genoeg. Nu weet gy myn mening. Ik wil niet met u over het Geloof twisten, maar ik hou 't myne; en ik zeg altyd: ‘ik geef myn geloof aan myne Jongens, als zy in de Waereld komen, en myn geld, als ik uit de Waereld ga.’ Ik heb niets tegen het Meisje, dat wat zeggen wil, en ik heb met haar Grootvader, Pieter Burgerhart, veel Negotie gedaan. 't Was de braafste man van de Beurs; haar Vader was ook zo. Hy is maar te vroeg weg. Zy zal in haar Kerk ook wel

[p. 342]

zalig worden; zo is 't ook nog al niet: doch Hendrik moet maar eene Lutersche Vrouw hebben; dan is alles gevonden. Hy zegt my, dat het Juffertje nog niets van zyne liefde weet: ik heb hem nog nooit op een leugen betrapt; het zal des wel zo zyn. Dies te beter. Als gy nu maar schryft, dat gy het met my eens zyt, is alles afgehandelt. In verwagting daar van, ben ik

 

UwEd. Dienaar en Vriend,

Jan Edeling.