|
|
|
| |
| | | |
Een en tagtigste brief.
De Heer Hendrik Edeling aan den Heer Cornelis Edeling.
Myn beste vriend!
Naauwlyks zult gy mynen Brief, waar in ik u het gesprek met Vader enz. meldde, ontfangen hebben, of ik zend u een tweden. Ik moet schryven, en aan wien kan ik zo alles, alles 't geen er, my betreffende, voorvalt, schryven dan aan u, myn Broeder?
De beminlyke Burgerhart geeft my zo veel blyken van een fraai karakter en leidelyk verstand; zy heeft zo vele schone hoedanigheden, dat ik niet langer myne liefde voor haar konde verbergen. Ik spreek, kunt gy denken, haar nooit alleen: ik moest dan zo eene gelegenheid afwagten, waar in ik haar alleen spreeken kon. 't Geluk diende my. Ons nieuw Koopvaardyschip, de Vriendschap, zou aflopen: ik verzogt de drie Dames, en had Brunier ook verzogt. Het werdt my toegestaan. Zy zag het met veel genoegen; en vroeg my een en ander by die gelegenheid, dat my wel beviel; en toonde hoe zy begreep, dat de Negotie de bron is van
| | | |
's Lands welvaren. Het weêr was schoon, de avond verrukkelyk. Thee gedronken, en het een en ander op den Werf gezien hebbende, stelde ik een klein wandelingtje in de Meer voor. 't Wierdt eenparig toegestemd; en Brunier by zyne Zuster, en de andere Juffrouw geschikt hebbende, verzogt ik aan myne Beminde, om haar te geleiden. Zy stemde het minzaam toe; en myn arm aannemende, ... Keesje! nu gy zyt ook eens verlieft geweest ... Onder het wandelen was zy zo vrolyk, zo spottig aartig, dat ik niet wist, hoe haar ernst een oogenblik optewekken. ‘Apropos, myn Heer, heb ik u al gezegt, dat myn lieve Voogd u zyn vriend noemt, en hartelyk groet?
Ik. Neen, Mejuffrouw, maar beide verheugt my ten hoogsten. De Heer Blankaart...
Zy. Is de beste man, die er leeft: ik bemin hem ook, of hy myn Vader was; hy heeft my ook altoos bemint, of ik zyne Dochter ben.
Ik. Men hoeft de verdienste van dien Heer niet te hebben, om u te beminnen.
Zy. Daar zou, even als van het Uithangbord, waar in de Ridder Coverly geschildert stondt, véél voor en tegen kunnen gezegt worden: mooglyk zou onze Scavante u dit bewys ook al vry moeilyk maken.
Ik. Gy hebt al zo eens gezien, dat ik juist
| | | |
geen proseliet ben van die Dame haar begrippen: maar wat hebben wy met haar te doen? daar gy my kunt zeggen, of gy er iets tegen hebt, als ik u betuig, u te beminnen met eene zo wel hoogachtende als tedere liefde. Mooglyk hebt gy dit wel eens van een ander jong Heer óók gehoort; doch, doe my 't recht van te geloven, dat gy myn geluk of ongeluk in uwe magt hebt. Ik heb nooit bemint dan u: ik beminde u zo als ik u zag, en dewyl ik ondervind, dat myn verstand myn hart toejuicht, moet ik u zeggen, dat ik u bemin.
Zy. Myn Heer, ik heb altoos gelooft, dat de liefde van een achtingwaardig man de glorie eener vrouw is: ik ben boven alle vermomming; ik zal u dan maar eenvoudig zeggen, dat die betuiging myn Eigenliefde wélgevalt; maar ik zeg u met een, dat ik geen de allerminste neiging heb, om van staat te veranderen.
Ik. Mooglyk is er een man, dien gy de voorkeur geeft; en wat kan ik zeggen?...
Zy. Mooglyk zoudt gy mis kunnen hebben. Ik heb nog nimmer zo veel moeite genomen, om eene uitzondering, met opzicht tot my, te maken.
Ik. Wel, indien uw hart dan vry is, vergunt gy my dan de eer, om u, als een man die u bemint te mogen zien?
| | | |
Zy. De Vriend myner dierbare Vriendinne, heeft zeker alle vryheid, om aan haar huis te komen; en zo hy als zódanig, ook met betrekking tot my, komt, dan verzeker ik u, dat ik zyn gezelschap niet zal ontwyken: Is dit niet redelyk gesproken?
Ik. Ik wagte van u niets anders, en ik bedank u ootmoedig voor de gunstige wys, waar mede gy myn verzoek hebt ingewilligt...
Zy. - Aangehoort! meent gy zeker, myn Heer? Ik willig niets in: ik kan niets inwilligen.
Ik. Aangehoort! gy hebt gelyk; ik zou al te gelukkig zyn. Ik beveel my in uw gunstig aandenken.
Toen, merkende dat zy liefst by het gezelschap was, stapte ik wat aan. Het discours werdt algemeen; ik was regt vrolyk. En op wat grond, vraagt gy? Och, dat onderzoek ik zo net niet. Nu wist zy myn groot geheim: en nu moet zy wel om my denken; is dat niet verrukkelyk?
Den eersten nadenmiddag den besten hebben wy een Muziek-Partytje: ik hoop, dat ik haar wat voldoen zal! ik hoop, dat ik my aangenaam zal kunnen maken in de oogen myner Beminde. ô Liefde, hoe zyt gy voor onze Natuur berekent! Nu ik bemin, ontwikkelen zich vermogens in mynen geest, die ik niet eens
| | | |
wist, dat er waren. Gy hebt my dikwyls geplaagt, om dat ik zesentwintig jaar, en nog ongetrouwt was. Ik had haar niet gezien, die ik beminnen kan, en een Huwlyk uit bykomende oogmerken, meer dan uit liefde, daar van was ik altoos hoogst afkerig.
Schryf my toch! Ik omhels u, en ben
Uw gelukkige Broeder,
Hendrik Edeling.
|
|
|