Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 387]

Zes en tagtigste brief.
Mejuffrouw Anna Willis aan Mejuffrouw Sara Burgerhart.

Geliefde vriendin!

De geweldige storm is gaan leggen: myn hart wil, dat ik u dus weder zal noemen; ik volg die inspraak nogmaals. Uw Brief vond ik des avonds, thuis komende, op myn tafel: vol vreugd gaf ik my naaulyks den tyd my te ontkleden. Ik brak hem open; ik las. Hemel! kon ik myne oogen geloven? ik was zo ontstelt, dat ik een glas water moest drinken, en bevond my ook eenige dagen zeer onpaslyk. Ik besloot dien Brief nooit te beantwoorden; my nooit meer te moeijen met iemand, die my zo ongenadig hadt doorgestreken. Ik wist toch, dat myn oogmerk goed en myn beginzel zorgvuldige liefde voor u was; en zag, dat elk in de bekoorlyke zagtheid uws aarts deelde, behalven uwe Vriendin Willis. Saartje, zeide ik, heeft nu vrienden, die beter met haar karakter stroken: Zy denkt ook daarom, dat zy haar meer beminnen dan ik. Toen vouwde ik den Brief toe, en poogde u te vergeten. Den volgenden

[p. 388]

avond las ik hem echter eens weêr, en vond hem toen minder bitter: ik zag, dat eenige remarques gegront, en alle uitdrukkingen niet zo ysselyk sterk waren, als ik eerst dagt. Ik zag er veel meer van het Platje, 't welk vermaak schept in my te kwellen, dan wel vinnige zetten in. 't Besluit bleef echter, my niet meer met u te bemoeijen, maar alles den tyd aan te bevelen. Daarop komen wy in gezelschap eener Geldersche Dame: myne Moeder vraagt haar, of zy eene Juffrouw Buigzaam gekent heeft? 't antwoord was, zeer byzonder; en ik heb zo veel achting voor dat ongelukkig mensch, dat ik expres een reisje naar Amsterdam zal doen, eenig om haar eens, na vele jaren, weder te zien. Hierop deedt zy myne Moeder een verhaal van de gehele Adelyke Familie, en dat hare Ouders de Freule waarlyk gedwongen hadden, om een zeer ryk, doch zeer ondeugent Oostindiesch Heer te trouwen; dat dit Huwlyk zeer rampzalige gevolgen gehad hadt; dat Mevrouw Spilgoed in allen opzichte een voorbeeld van deugd, van zedigheid, van geduld, zo wel in haar Huwlyk, als in haren Weduwstaat, geweest was; en zich thans fatsoenlyk geneerde, door het in den kost houden van ordentlyke Juffrouwen, enz.

Ik wensch, dat ik u de aandoeningen van myn hart op dat oogenblik konde beschryven.

[p. 389]

Ik had de reine Onschuld verdagt, beledigt! Ik voelde dit in al zyne kragt. Waarlyk, was ik toen te Amsterdam geweest, ik zou terstond by u gekomen, en de uitmuntende Vrouw om vergifnis gebeden hebben: ‘Waarom deedt gy dit dan in geen Brief?’ vraagt gy. Om dat ik te veel tyds had my te bedenken. Is 't wel waarschynlyk, vroeg ik, (slapeloos in myn bed liggende,) dat Saartje van myn misdryf iets zal gezegt hebben? Neen! zal ik dan eene vrouw, die niet weet dat ik haar beledigt heb, ontrusten, door haar om vergeving te bidden? Ik kreeg intusschen geen Brief, waar uit ik zoude hebben kunnen opmaken, hoe het inderdaad was, en hoe gy er over dagt.

Ik miste u droevig: ik las en herlas alle uwe Brieven; en ik hoopte telkens op nog een van u. Ik herlas de copyen der Brieven, die ik u geschreven had; ook die des laatsten, en vond, dat hy recht bitter was; ik beschuldigde den styl, niet myn oogmerk, dat is en was zuiver. Er onstonden zo vele en zo strydige aandoeningen in myn ziel, dat ik, in spyt en droefheid, eenige tranen storte, die by grote druppels, even als in een Onweêr, nedervielen. Daar op wat bedaart, vloeiden zy by zagte stromen; en myne onstuimige droef heid wierdt stil en eenparig: de driften zwegen, 't licht der reden brak dóór: toen kon ik in myn hart inzien, en

[p. 390]

ontdekte, dat ik, in u te bestraffen, myn hoofdgebrek te veel had opgevolgt; dat ik streng en zelf onbeschaaft gehandelt had; dat ik meer als eene kribbige bedilster, dan wel als eene minzame vriendin te werk gegaan had; kort gezeit, dat myne Engelachtige Vriendin gelyk hadt. Meer hoefde niet: ik zag nu, dat het myn pligt was aan u te schryven. Weet de brave vrouw iets van 't geen haar betreft? ô, Ik zal haar alle vergoeding doen; al wat gy maar eischt zal ik doen. Meldt my dit toch.

Wat verlang ik nu, dat gy deezen alreeds hadt, dat ik reeds uw antwoord had. Waarom heb ik dus lang met schryven gewagt? Nu, ik lyde er genoeg voor; ik hoor niets van u. Wat hebt gy my bittere waarheden gezegt! het zyn echter waarheden. Ja, zo is het juist by my geweest. ô Gy kenster van myn hart, lieve Burgerhart, zendt my toch spoedig een Brief; al was 't nog zo weinig regels, zendt my toch bericht van u. Laat my toch weten, of gy nog aan my denkt; of gy my nog bemint; of gy wél zyt; of alle uwe vrienden wél zyn? Kortom, meldt my alles wat u betreft. Hemel! ik wist niet, dat ik u zó teder beminde!

Myne Moeder groet u met liefde en achting. Willem heeft haar een fraaijen Brief geschreven, en doet u minlyk groeten. Tante blyft zwak. Myn Vriend Smit is nog hier; hy recommandeert zich in uwe vriendschap. Hy, noch myne

[p. 391]

Moeder, weten iets van 't gebeurde. Spaar my dit maal. Ik hoop, dat gy t' huis zyn zult, als de Geldersche Dame aan uw huis komt: zy is de gulheid en eenvoudigheid zelf; en myne Moeder zegt, dat zy zeer veel verstand en waereldkennis heeft. Groet alle uwe Huisgenoten, voor

 

Uwe oprechte Vriendin,

Anna Willis.