Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart


auteur: Betje Wolff en Aagje Deken


bron: Betje Wolff en Aagje Deken, Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart. Isaac van Cleef, Den Haag 1782  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 394]

Agt en tagtigste brief.
Mejuffrouw Sara Burgerhart aan Mejuffrouw Aletta Brunier.

Chere Letje!

Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik immers met intrest te rug? Van my hebt gy immers alles geleert; zeide gy zo niet, Hartje lief?

Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconsideert heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk weet gy 't niet; Want weet ik juist zo de geheime historie van uw hart!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken, dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. ‘Daar heb ik u schoon

[p. 395]

beet,’ zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat hy schatert: Nu iets ernstigers!

Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter met de kousjes, die ik onze Klaartje hadt laten Wasschen en opstryken, naar Oom Dirk. 's Middags niet te huis; dat 's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de zaal op. Naauwlyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes, Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breijen, een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes.. Zy presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar de Sçavante bedankte met een hele viese tronie: ‘Ik proef nooit zulk goed.’ Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog zelf lachen moest.

Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt, dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan

[p. 396]

ik gevreest had. Zy verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy vryheid hadt, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde. Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen. Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom spoedig by

 

Uwe tederliefhebbende,

Burgerhart.