Proeve over de opvoeding


auteur: Betje Wolff


editeur: H.C. de Wolf


bron: Betje Wolff, Proeve over de opvoeding (ed. H.C. de Wolf). Boom, Meppel / Amsterdam 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 2]



illustratie

[p. 7]

Inleiding

De proeve over de opvoeding is geschreven door een vrouw voor vrouwen. Het beschrijft een opvatting over de betekenis van de vrouw als moeder. In dat verband wordt uitvoerig uitgeweid over de eigenschappen van kinderen en de wijze waarop met kinderen dient te worden omgegaan. Het gaat dus over onderwerpen die zich tegenwoordig mogen verheugen in een grote belangstelling.

Klassiek

Het boekje is bijna twee eeuwen geleden geschreven. Dat zal de vraag oproepen of het nog lezenswaard is voor mensen die niet een specifiek historische belangstelling hebben. Er zijn verschillende redenen om te veronderstellen dat dat wel het geval is. Ten eerste is het zó eenvoudig dat het nog steeds gemakkelijk leesbaar is. Bovendien kan men niet ten onrechte beweren, dat het geschrift in die zin klassiek is, dat het een omwenteling begeleidde in het denken en handelen in Nederland. Bedoeld is daarmee de opkomst van

[p. 8]

de positieve waardering voor de vrouw, het kind en de opvoeding. Het boekje verwijst voortdurend naar de werkelijkheid die hieraan voorafging en is een verfrissend pleidooi voor een nieuwe praktijk. Dat die praktijk niet onmiddellijk algemeen was, dat met andere woorden de hier voorgestane omwenteling nog lang alleen bestond in bepaalde groepen van de Nederlandse samenleving, staat vast. Het boekje is echter een van de vroegste Nederlandse uitingen van samenhangend denken over zaleen als gezin, ouders, kinderen en opvoeding. Veel van de hier gepresenteerde opvattingen zijn vrij snel door een maatschappelijke bovenlaag als algemeen geldend geaccepteerd. Dat wij nu misschien weer een stap verder zijn, doet aan deze verdienste niets af. Sommigen zullen De Proeve daarom waarderen als een prille uiting van wat men nu nog positief waardeert. Anderen zullen er het verleden in zien, dat nog steeds aanwezig is en dat men zou willen afschudden. Het boekje is ook een voorbeeld van verlichtingsdenken over de maatschappij. Het demonstreert een prille vorm van democratisch denken. Vrijwel iedere Nederlander zal dat nu een minimum of zelfs te weinig vinden. Betje Wolff was de meeste van haar tijdgenoten ermee vooruit. Zij wilde een maatschappij gebouwd op redelijkheid en niet op brute machtsuitoefening. Haar voorzichtige redelijkheid zal sommigen nog steeds aantrekken, anderen zullen zich wellicht gesterkt zien in hun

[p. 9]

overtuiging dat dit geen rechtvaardiger maatschappij oproept.

In zoverre als het boekje een nieuwe fase inluidde in de Nederlandse samenleving en zich duidelijk afzette tegen een toen geldende praktijk zou men het revolutionair kunnen noemen. Niet iedereen zal echter bij de beschrijving van dit boekje voor dit woord kiezen. Zij die het wel zouden willen, doen er goed aan de beperkingen in de betekenis aan te geven. Als hier de benadering van de posities van de vrouw en het kind revolutionair genoemd wordt, vatte men dat niet onmiddellijk op volgens proporties die door latere progressieven werden voorgestaan. Betje Wolff was een ondernemende en voor de begrippen van haar tijd zeer geëmancipeerde vrouw. Zij liet er echter geen misverstand over bestaan, dat ook in haar opvatting de positie van de vrouw ten opzichte van de man een dienende was. Ten aanzien van de maatschappelijke orde stond zij een regeling voor waarin ieder leefde naar zijn eigen stand en rang, zij het dan wel in respect voor mensen uit andere standen. In dit opzicht was zij volstrekt burgerlijk en zelfs ten opzichte van sommige tijdgenoten conservatief. Zij hield niet van het extreme. In alles bleef zij toch ook de brave dominese.

Als men door de laatste zinnen al afgeschrikt mocht worden van het lezen, dan bedenke men het volgende. Men kan het boekje lezen als een boekje uit een voorbije periode, waarin een om-

[p. 10]

gang tussen man en vrouw, tussen moeder en kinderen wordt voorgestaan die ouderwets te noemen valt. Men kan zich dan echter tegelijk realiseren hoezeer het denken en handelen in deze relaties typisch is geworden voor de Nederlandse samenleving. Daarnaast, naast deze herkenning van wat tot voor kort betrekkelijk algemeen als normgevend werd aanvaard, kan men lezen met waardering voor de kennis van het kinderlijk gedrag die ontstaan is in de liefdevolle omgang met kinderen. Het is geen grote geleerdheid die hier geboden wordt, maar wel een vriendelijke en nuchtere observatie van kinderen. De verteltrant zal voor sommigen langdradig lijken. Als men echter zich toelegt op een wat minder gejaagd leestempo dan nu door televisie en veelschrijverij wordt afgedwongen, zal men ontdekken dat het boekje vol zit met constateringen, die nu nog lezenswaard zijn. Het is nog steeds een fris, aardig en origineel werkje.

De Republiek

Het boekje werd geschreven in de nadagen van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Nederlanders die patriottische gevoelens paren aan een voorliefde voor het curieuze, zouden met trots erop kunnen wijzen dat hun huidige vaderland eens ooit een staatkundig curiosum is geweest. De vaderlandse geschiedenis der schoolboekjes heeft dat misschien te weinig benadrukt.

[p. 11]

Leg nu maar eens uit hoe het huis van Oranje geen koningshuis was, maar een huis van stadhouders. Maak maar eens in enkele zinnen duidelijk dat in de afzonderlijke gewesten de macht in handen was van kleine groepen families die ofwel tot de adel behoorden, ofwel in de meeste gevallen afstamden van rijke kooplieden die door grond- en kapitaalbezit een onaantastbare positie hadden verworven. In sociaal, economisch en politiek opzicht was Nederland letterlijk provinciaals. In ieder gewest was het weer net iets anders. In sommige waren landbouw en veeteelt zozeer de overheersende middelen van bestaan, dat een middenklasse van burgers in enigszins omvangrijke steden bijna ontbrak. In andere waren het handel en scheepvaart die naast landbouw en veeteelt werkgelegenheid boden en de basis waren van de rijkdom van een machtige bovenlaag der burgerij. Samenvattend kan men zeggen dat in de Republiek de volgende standen voorkwamen. De bovenste laag bestond uit de adel. Zij was niet talrijk en niet bijzonder machtig. Ten dele was zij in het bezit van heerlijkheden op het platteland. Ten dele vervulde zij officierstaken in het leger en een nog kleiner deel behoorde tot de groep rond Oranje. Daaronder of daarnaast kwam de gesloten klasse van regenten. Zij hadden het grootste deel van de politieke macht. Door hun rijkdom hadden zij grote invloed, hoewel zij geen werkelijk actieve economische rol speelden. Onder deze kleine kaste

[p. 12]

kwam een middenstand die zeer heterogeen was samengesteld. Economisch en sociaal van groot gewicht speelde zij nog geen politieke rol van betekenis. In deze uit intellectuelen, neringdoenden en ambtenaren bestaande stand ontwikkelde zich een nijver cultuurleven. De boeren op het platteland hadden daaraan geen deel. Nog minder hadden dat de grote massa's van arbeiders en armen. Het onderscheid tussen arbeider-zijn en arm-zijn was dikwijls toevallig, hoewel juist in de tijd waarin Betje Wolff schreef er een stand van armen ontstond die niet alleen tamelijk omvangrijk maar ook constant was. De middenstand zette zich af tegen de bovenlaag en nam tegelijk delen van diens culturele gedrag over. Zij zette zich ook af tegen de onderlaag die zij weer een deel van haar eigen burgerlijke waarden en normen voorhield en trachtte op te leggen.

De positie van de vrouw

De positie van de vrouw werd sterk bepaald door de maatschappelijke geleding waartoe zij behoorde, maar zij was in ieder geval ondergeschikt aan de man. In de hoogste kringen, de adel en ‘de deftigheid’, leidde zij veelal een nogal leeg bestaan. Zij had betekenis als echtgenote en moeder van erfgenamen. In de zorg voor de kinderen en de huishouding speelde zij echter een ondergeschikte rol. Zij voedde meestal de kinderen niet zelf, zij voedde ze nog minder dikwijls zelf op.

[p. 13]

Daarvoor had zij personeel, zoals zij dat ook had voor de huishouding. Zelfs als erotisch object voor haar echtgenoot had zij meestal een beperkte betekenis. De monogamie werd door de mannen uit de bovenste lagen niet altijd strikt opgevat als het hen zelf betrof. De enige mogelijkheid om enige betekenis aan haar leven te geven bestond voor de vrouw in het zich verdiepen in de schone kunsten, of in de wetenschap. Dat was haar dikwijls feitelijk onmogelijk door een gebrekkige opvoeding die haar wel had opgeleid tot de weinige taken die zij had en vooral tot representatie in het gezelligheidsleven, maar niet tot actief geestelijk leven. De weinige vrouwen die hier bovenuit kwamen, beschikten dan ook over een enorme geestkracht.

In de middenstand was de positie van de vrouw in die zin anders, dat zij een grotere actieve rol speelde in de huishouding en dikwijls ook in de zaken van de man voorzover die zich aan huis voltrokken. Voor alles had zij minder bedienden. Zij voedde naar het schijnt de kinderen vaak zelf. Zij verzorgde ze ook. Zij bestuurde het huishouden. De man voelde zich naar het schijnt ook meer aan haar gebonden. De wat lossere zeden van de deftigheid en de adel ontbraken bij de verlichte maar toch ook streng gelovige middenstanders. De vrouwen hadden echter hier veelal nog minder opvoeding dan in de bovenste laag. Hun diensten werden bovendien in die zin laag gewaardeerd, dat zij gezien werden als plichten die de

[p. 14]

vrouw nu eenmaal had en waarover verder weinig gesproken of gedacht hoefde te worden. Vrouwenwerk was niet interessant. Relatief gezien waren de vrouwen uit deze stand er misschien het best aan toe. Zij hadden materiële zekerheid. Zij leefden bovendien in een milieu waarin zij als moeder en huisvrouw een betekenis hadden die zowel affectief als effectief zeer groot kon zijn.

Onder boeren en arbeiders is de plaats van de vrouw weer veel ongunstiger geweest. De onderlaag van de bevolking in de steden leidde een leven dat door fatsoenlijke burgers dikwijls werd aangeduid als zedeloos. Dat betekende onder andere dat de vrouw maar moest hopen dat zij een vaste man en beschermer hield. Hier was het baren van kinderen nog riskanter dan in de hogere standen waar tenminste iets van hygiëne en medische zorg bekend was. Op het boerenland was de vrouw naast moeder en huishoudster ook nog dikwijls goedkope arbeidskracht in het bedrijf. Dat was ook zo onder de armen in de steden waar de vrouwen als gedienstigen, als naaisters of als prostituées geld moesten verdienen om zichzelf in leven te houden. De boerenvrouw had tenminste het voordeel dat op het platteland de zeden streng waren en haar een materiële zekerheid boden.

Voor de positie van de vrouwen was weinig begrip. De eerste tekenen van feminisme die zich in heel Europa voordeden werden door de mannen die het voor het zeggen hadden afgedaan

[p. 15]

met diepe verachting. In 1792 schreef bij voorbeeld de Engelse Mary Wollstonecraft A Vindication of the Rights of Women. Hierom en om haar redelijk ijveren voor de rechten van de vrouw werd zij door de staatsman Walpole beschreven als ‘a hyena in petticoats’. Zelfs in de Franse revolutie zou het streven naar gelijkberechtiging van de vrouw slechts een bescheiden rol spelen. Slechts enkelen stonden een maatschappij voor, waarin de gelijkwaardigheid van man en vrouw volstrekt erkend werd. In de Republiek der Verenigde Nederlanden moest men over het algemeen niets van deze dwaasheden hebben.

De positie van het kind

De plaats van de kinderen in de Nederlandse samenleving was niet veel beter. Ten eerste werden er veel kinderen geboren. Geboortenbeperkende middelen werden niet bekend of nauwelijks toegepast. Er stierven echter ook veel kinderen. Vooral in de eerste maanden van hun leven. De kinderen die in leven bleven woonden afhankelijk van hun stand in een bepaalde omgeving. Zij werden al dan niet goed verzorgd door hun moeder en hun min of eventueel bedienend personeel. Veel belangstelling kregen zij meestal niet. Zij mochten ook geen inbreuk maken op het leven van de volwassenen. Op zijn best werden zij opgedirkt tot bepaalde kunstjes in staat geacht, tot vermaak op bruiloften en partijen. Er is wel ge-

[p. 16]

schreven dat kinderen in die tijd gezien werden als kleine volwassenen. Dat lijkt mij in die zin onjuist, dat zij niet de rechten hadden van volwassenen. Zij werden ook in toenemende mate juist in de middenstand opzij gezet, buiten de wereld van de volwassenen gesloten. Het is veel juister om te zeggen dat men geen oog had voor de specifieke groeifasen waar kinderen nu eenmaal doorheen moeten willen zij zelfstandig worden. Die groeifasen waren er misschien ook minder. Zo langzamerhand weten wij wel hoezeer cultuurgebonden de ontwikkeling van het kind is. Wij weten ook iets over de betekenis van het spelen van kinderen. In de achttiende eeuw werd het op zijn best geduld. De ouders of anderen verbonden er geen pedagogische consequenties aan.

Buiten de grenzen

In de zeventiende en de achttiende eeuw is de positie van het kind anders geworden. Eerst in sommige adellijke kringen in West-Europa. Later in kringen van de burgerij. Dit werd begeleid door een pedagogisch denken dat aan de ene kant expressie was van een zich ontwikkelende praktijk en dat aan de andere kant het verder denken en handelen weer sterk beïnvloed zou kunnen hebben. Reeds Johan Amos Comenius die gedurende de zeventiende eeuw in de Republiek woonde heeft diepzinnige dingen geschreven over de ontwikkelingsfasen van kinderen en de samenhang tussen

[p. 17]

opvoeding en onderwijs. Van meer aanwijsbare betekenis was echter de Engelsman John Locke, die ook al een korte tijd in Amsterdam woonde. In 1693 publiceerde hij anoniem Some Thoughts Concerning Education. Het boek werd gedurende de achttiende eeuw tweemaal in het Nederlands vertaald. Betje Wolff en Aagje Deken beschouwden het als een meesterwerk met diepe waarheden over de opvoeding. In enkele zinnen is het moeilijk samen te vatten. Men zou echter kunnen stellen dat Locke betekenis heeft gehad doordat hij de opvoeding ontdeed van wat er niet bij hoorde. Lichamelijk wilde hij het kind sober verzorgen. Intellectueel werd de enorme betekenis van de ervaring benadrukt. Zedelijk wees hij op de samenhang tussen redelijkheid en zedelijkheid. Het waren juist deze momenten die de dames Wolff en Deken uit zijn werk haalden. Meer dan de wijsgerige achtergronden ervan. Zij gaven hem ook een grotere betekenis dan haar tijdgenoot Jean Jacques Rousseau. Zij kenden diens werk en bewonderden het tot op zekere hoogte. Echter als het erop aan kwam verwierpen zij het als ‘harsenschimmen’. Hoewel Rousseau in latere werken veel meer de sociale betekenis van opvoeding en onderwijs schilderde, tekende hij in zijn Emile een jongetje dat ver buiten de bedorven wereld werd opgevoed door vooral zijn gouverneur. De opvoeding was aanvankelijk in die zin overheersend ‘negatief’ dat de natuurlijke ontwikkelingen van het kind hun kansen kregen.

[p. 18]

Rousseau tekende knap de verschillende ontwikkelingsfasen en is sindsdien gezien als de grondlegger van de ontwikkelingspsychologie. Voor de dames Wolff en Deken en zeker voor de Nederlandse moeders uit het burgermilieu was hij echter een interessante fantast. Dat waren in veel mindere mate Duitse pedagogen die onder de verzamelnaam de ‘Filantropijnen’ internaten en scholen stichtten en boekjes schreven over kinderen en voor kinderen.

Pedagogisch was er dus in de tijd van Betje Wolff en Aagje Deken in Europa heel wat te doen. Ook in de Republiek gebeurde wel het een en ander. Originele Nederlandse pedagogen in de zin van mensen die min of meer zelfstandig nieuwe gedachten ontwikkelden over kinderen en opvoeding waren er niet. Wel waren er mensen die boeken voor kinderen schreven. Dat waren ofwel kindergedichtjes en verhaaltjes, ofwel waren het leerboekjes die vooral voor huisonderwijzers geschreven werden.

Voor de erudiete vrouwen Wolff en Deken lag hier een terrein open waarop heel wat te verrichten viel. Ieder vanuit haar eigen achtergrond hebben zij een reeks opvattingen ontwikkeld over vrouwen en kinderen die zij voor het eerst neerlegden in de Proeve.

[p. 19]

Levensloop

Elisabeth Wolff werd 24 Juli 1738 in Vlissingen geboren. Haar ouders behoorden tot de gegoede burgerij, echter niet tot de deftigheid. Verwantschappen waren echter zowel van vaders- als van moederszijde wel daarmee, zoals er ook officieren in de familie voorkwamen. Betje werd betrekkelijk vrij opgevoed. Zij had op zestienjarige leeftijd een geruchtmakende doch nog steeds onduidelijke affaire met een vaandrig. Thuis teruggekeerd paste zij zich weer met moeite in in het deugdzame leven van het ongehuwde meisje. Kort daarop trouwde zij met de predikant Adriaan Wolff. Hij was meer dan dertig jaar ouder dan zijn vrouw. Zij woonden op de pastorie in de Beemster. Het zou jaren duren eer dit huwelijk leidde tot een innige vriendschap waarin wederzijds een grote mate van geestelijke vrijheid werd gelaten. In 1763 begon Betje te publiceren. Eerst gedichten, later ook verhandelingen, verhalen en romans. Haar eerste schriftelijk contact met Aagje Deken dateert van 1776. Dominee Wolff overleed in 1777. Aagje trok kort daarop bij Betje in. In 1778 verhuisden zij naar De Rijp. Kort daarop verscheen de Proeve over de Opvoeding. Vanaf die tijd nam hun publicistische arbeid toe. In 1782 verhuisden de dames naar Beverwijk. In 1788 trokken zij naar Frankrijk. Als patriotten voelden zij zich in de door Pruisen bezette Republiek niet veilig. Na de Bataafse revolutie keer-

[p. 20]

den Betje en Aagje berooid naar de Republiek terug. Enkele jaren later, in 1804, stierf Betje. Nog geen week later Aagje.

Agatha Deken was in 1741 in Amstelveen geboren. Zij werd opgevoed in het collegiantenweeshuis d'Oranjeappel in Amsterdam. Betje Wolff spreekt in haar Proeve waarderend over het werk van de godshuizen. Misschien dat zij de ervaringen van Aagje generaliseerde. Aagje was dus van eenvoudiger afkomst dan Betje. Zij heeft echter veel gelegenheid gehad om te leren in betrekkingen die zij vervulde. Ten opzichte van de vinnige Betje was zij de kalme, vriendelijke vrouw.

Het aandeel van Aagje

Het boekje is niet een gezamenlijk werk van Betje Wolff en Aagje Deken zoals andere werkjes dat waren. Het bestaat uit twee delen. Aagje voorziet het werkje van haar vriendin van een berijmd voorwoord. Dat heeft zij wel vaker gedaan. In dit geval was zij niet zo bijzonder gelukkig in de keuze van haar formuleringen. Zelfs naar de begrippen van haar dagen moet de inleiding tamelijk vervelend geweest zijn.

Aagje richt zich tot de Nederlandse moeders als haar leeftijdgenoten en oud-vriendinnen. Zij doet dat vanuit een romantisering van haar jeugd die tegelijk gelezen kan worden als een programma. Zij doet alsof meisjes, tot zij volwassen zijn,

[p. 21]

zorgeloze speelse wezentjes waren die op zijn hoogst de volwassen toestand al naspeelden door bruiloftje te spelen. Nu zij zelf moeder zijn, zijn zij ouder en dus leergieriger. Zij willen, volgens Aagje Deken tenminste, lezen hoe zij met hun kinderen moeten omgaan. Helaas echter zijn er wel boeken over opvoeding, maar die zijn voor hen veel te moeilijk. Moeders kunnen die ingewikkelde dingen niet begrijpen, zij hebben er bovendien geen tijd voor. Als zij te lang stil zitten verwaarlozen zij haar plicht. Volgens Aagje is Betje een verstandige vrouw die in eenvoudige woorden de moeders wijst op de positieve kanten van haar rol en die ze meteen vertelt hoe zij die moeten opvatten. Betje Wolff was zelf weliswaar geen moeder, maar zij heeft wel veel met kinderen omgegaan. Zij heeft ze uren geobserveerd in hun spel. Zij weet dat je ze niet met geweld moet opvoeden, maar in redelijkheid. Aagje zet zich af tegen de rijken die hun kinderen niet zelf opvoeden. Aan de andere kant romantiseert zij de armoede. Zij bemoedigt de eenvoudige arme vrouwen; zij spoort ze aan om de passages die haar betreffen in het volgende werkje van buiten te leren. Tenslotte richt zij zich in opgewonden woorden tot haar gerespecteerde vriendin. Alles bij elkaar een lange inleiding, die eigenlijk ook wel een beetje vervelend is, maar die toch een beeld geeft van wat Betje Wolff met haar boekje bedoeld zou kunnen hebben.

[p. 22]

De visie van Betje

Betje zelf heeft haar werkje gelukkig niet op rijm gezet. Zij heeft er ook verder geen straffe compositie aan gegeven. Een aantal keren komt zij terug op eerder vermelde thema's. Zij keuvelt maar wat aan op een wijze die zij geschikt achtte voor het publiek waarvoor zij schreef. Zij wist daarbij zeer wel wat zij duidelijk wenste te maken.

Zij opende met de mededeling dat zij geen poëzie presenteert, ook geen wetenschappelijke verhandeling, maar een gesprek in de stijl van de kinderkamer. Zij richt zich uitdrukkelijk tot de vrouwen uit de ‘Middelstand’.

Zij wil haar taal spreken. Zij wenst daarbij een pleidooi te houden, waarin de moeders uit de eenvoudige burgerklasse hun kinderen simpel en degelijk opvoeden, rekening houdend met de natuurlijke ontwikkelingen en mogelijkheden van haar kinderen. Wat die geaardheid betreft, wijst zij zonder tot ontwikkelingspsychologisch diepzinnige uitspraken te komen erop dat kinderen wispelturig zijn, dat ze nieuwsgierig zijn, dat ze snelle denkertjes zijn. Zij maakt de moeders ermee vertrouwd, dat kinderen je de oren van het hoofd kunnen vragen, dat zij hun trots hebben, dat zij sociaal zijn in die zin dat zij behoefte hebben aan gezelschap en daarmee ook rekening willen houden. Zij wijst op de argeloosheid van kinderen, hun oprechtheid, hun oprechte spijt als ze iets fout gedaan hebben, hun neiging om hun wil-

[p. 23]

letjes door te drijven en onafhankelijk te zijn. Men zou bij ieder van haar uitspraken wel bemerkingen kunnen plaatsen. Belangrijk is dat zij voor het eerst in eenvoudige taal moeders uitnodigt om naar haar kinderen te kijken.

Betje houdt de moeders voor dat zij hun best moeten doen om hun kinderen zo goed mogelijk op te voeden. Voor de jongens geldt dat voor een kortere periode dan voor de meisjes. Die laatsten moeten tot het huwelijk toe door hun moeder worden begeleid. Jongens komen op een bepaald moment in de mannenmaatschappij. En zo hoort het ook volgens Betje. De moeders zijn best in staat kinderen goed op te voeden. Zij hebben er verstand genoeg voor. Zij kunnen immers ook kaartspelen of andere ingewikkelde en onnutte dingen doen. Betje Wolff suggereert daarmee een praktijk te schilderen die vooral in de hogere kringen voorgekomen zal zijn, waarin vrouwen zich bezig hielden met allerlei nutteloze zaken. Betje zegt dat zij nu nuttige dingen moeten gaan lezen en door de zo opgedane kennis gesterkt haar kinderen moeten opvoeden.

De plaats van de vrouw volgens Betje

Zij maakt dan een uitweiding over de positie van de vrouw. Zij heeft volgens haar de tweede plaats in het huiselijk koninkrijk. Betje schildert het gezinsleven en de rol van de vrouw daarin als zeer positief af. Heel voorzichtig wijst zij er zelfs even

[p. 24]

op dat man en vrouw gelijkwaardig zijn. Maar tegelijk, de man heeft grotere verantwoordelijkheden en is de baas. Hij is ook sterker dan de vrouw. Die vrouw kan echter heel wat door de positieve benutting van haar eigen kenmerken. In al deze schilderingen lijkt Betje een bijna idyllisch beeld te schetsen dat niet erg realistisch lijkt. Zij voelt dat zelf ook wel aan. Zij verweert zich echter tegen de beschuldiging dat zij zou romantiseren. Wel geeft zij toe dat wat zij als ideaalbeeld ziet minder voorkomt dan zij wel zou wensen.

Betje blijft dan doorgaan te benadrukken hoezeer de aanleg van de vrouw haar geschikt maakt voor haar moederlijke functie. Bovendien beschrijft zij in alle toonaarden hoeveel vreugde die kan geven. Zij geeft daarbij aan wat men wel en niet moet doen. Kinderen mogen niet gedwongen worden onophoudelijk te blokken. Het is niet goed ze af te snauwen. Je mag ze niet vernederen. Jongens en meisjes moeten overeenkomstig hun aanleg en de plichten die zij later te vervullen krijgen behandeld worden. Jongens mogen echter geen woordenboeken worden. Meisjes geen modepoppen.

En zo keuvelt Betje verder. Vrouwen praten veel en graag zegt Betje en dat is ook gezond. Doe het dan ook met je kinderen. Praat wat met ze, speel met ze en leer ze al spelend. Doe tegenover hen alsof je niet gelooft dat ze ook maar iets verkeerd gedaan kunnen hebben. Maak ze ook niet

[p. 25]

bang met griezelverhalen. Hiermee verzet Betje zich ook alweer tegen een praktijk die nog lang verbreid zou zijn. De tuchtmiddelen die ten aanzien van kinderen gebruikelijk waren, bevatten volgens moderne begrippen een ontstellende wreedheid. Men leest hoe kinderen met gewichten omhangen werden, werden geslagen of in donkere hokken opgesloten. Bovendien werden zij geterroriseerd met gruwelverhalen. Betje Wolff maakt tegen dit alles bezwaar. Zij vindt dat jongens rustig en zeker van zichzelf moeten zijn en daarom niet met angsten moeten worden opgescheept. Meisjes moeten levendig en vrolijk zijn.

De plaats van het kind volgens Betje

Hierop aansluitend zegt Betje Wolff dat men een kind dat iets redelijks vraagt indien het mogelijk is zijn zin moet geven. Als het echter iets wil dat niet kan maak er dan weinig woorden aan vuil en weiger het eventueel met een korte uitleg. Zij schetst een tiranniek kind dat eerst met geschreeuw en gehuil en vervolgens met lievewoordjes en gebaartjes zijn zin wil doordrijven. Zij adviseert om ook daarvoor niet te bezwijken. Zij adviseert de moeders om altijd de baas te blijven. Stijfhoofdigheid moet met wortel en tak worden uitgeroeid. Jongere kinderen moeten gespaard worden voor verleidingen waaraan zij niet kunnen weerstaan. Oudere kinderen moeten leren begrijpen dat zij niet altijd hun zin kunnen krij-

[p. 26]

gen. Doordrijverijen worden van niemand geduld. Betje Wolff zegt daarbij dat de moeders zo weinig mogelijk moeten weigeren maar ook zo weinig mogelijk moeten bevelen. Dat alles moet in soberheid gebeuren. Verwennerij mag er niet bij zijn. Verwende kinderen worden onuitstaanbare volwassenen. Betje beklaagt de vrouw die trouwt met een man die als kind verwend werd.

Betje leert vervolgens de moeders dat kinderen niet de beheersing van volwassenen kunnen hebben. Zij maakt eenvoudig duidelijk dat een kind niet stout is als het wil spelen en bewegen. Zij beschrijft hoe, als men een kind dwingt om langdurig stil te zitten, het toch op alle mogelijke manieren zal proberen om te bewegen. Vanwege diezelfde beweeglijkheid moet men kinderen altijd in de gaten houden. De permanente aanwezigheid van de moeder wordt in heel het boekje aanbevolen als noodzakelijk voor de ontwikkeling van het kind, maar ook als iets waaraan de moeders een groot genoegen kunnen beleven. Dat maakt ook dat de kinderen niet gezien worden als een stukje speelgoed waarmee de volwassenen zich vermaken als het hen uitkomt, maar als een redelijk wezentje. Kinderen moeten toegesproken worden overeenkomstig hun verstandelijke vermogens. Maar als je dat doet zal men merken dat zij ook heel wat kunnen begrijpen. Daarentegen moet het kind niet wijsneuzig zijn en nog minder een peinzer. Kinderen die te veel in een hoekje zitten te peinzen zijn niet gezond. Nieuws-

[p. 27]

gierigheid is goed, maar te grote wijsheid niet. Je mag een kind intellectueel en lichamelijk niet te zwaar belasten. Daarom moet je het ook laten uitspelen.

Doorbordurend op de permanente relatie tussen moeder en kinderen, waarbij de moeder als opvoedster iedere vraag beantwoordt die zij gesteld krijgt, stelt Betje Wolff zich de vraag of moeders ook iedere vraag kunnen beantwoorden. Daarmee verwijst zij waarschijnlijk naar het probleem van de seksuele opvoeding. Daarin was in de achttiende eeuw voor het eerst een praktijk aan het ontstaan waarin kinderen aan de ene kant niet van jongs af aan vertrouwd waren met alles wat er in de seksualiteit voorkwam maar aan de andere kant wel werden ingeleid in wat toen de geheimen van het leven ging heten. Betje Wolff volgt hierin ook weer de gulden middenweg. Zij vindt dat iedere vraag die het kind uit zichzelf stelt beantwoord moet worden. Echt onschuldige kinderen zijn schitterend. Aan de andere kant: een zedelijk gedrag komt altijd voort uit redelijk inzicht.

Gezag en godsdienst

In de volgende passages spreekt Betje over de gezagsverhoudingen zoals die zich zowel thuis als in de hele maatschappij voordoen. Zij is tegen macht die autoritair is zonder meer. Zij is niet tegen gezag. Ook in de relatie tussen ouders en

[p. 28]

kinderen vindt zij dat de rede het meest voorkomende gezagsinstrument moet zijn. In de redelijkheid zijn mensen gelijkwaardig, maar begrijpen zij meteen ook de orde van natuur en maatschappij. Kinderen moeten derhalve leren hun ouders te respecteren. Zij moeten ook zien hoe de maatschappij in elkaar zit. Betje Wolff stelt nu dat kinderen uit de middenklasse niet mogen neerzien op hun leeftijdgenoten uit de lagere klassen. Zij acht het fout dat de verschillende standen allemaal vertrouwelijk met elkaar zouden omgaan. Zij acht het evenzeer verkeerd als de hogerstaande verachting zou hebben voor de lagerstaande. En dat moet kinderen zeer vroeg worden bijgebracht.

Ten slotte heeft Betje het ook nog over de godsdienst. Die heeft voor haar een zeer positieve betekenis. Zij wil ook dat kinderen er vroeg vertrouwd mee worden gemaakt. Dan echter wel overeenkomstig hun bevattingsvermogen. Voorlopig moeten zij een religieus gedrag krijgen opgelegd. Geleidelijk moeten zij het belang van de godsdienst zelf leren inzien. Opmerkelijk is dat Betje vooral betekenis hecht aan de zedelijke functie van de godsdienst.

Betje Wolff schreef dit alles voor vrouwen uit de middenklasse. Daarmee was zij het meest vertrouwd. Zij wilde echter de arme vrouwen niet uitsluiten. Als goed burgeres deed zij aan liefdadigheid. Betje had een idyllische voorstelling van het eenvoudige boerengezin. Daarin heerste

[p. 29]

eenvoudige godsvrucht en arbeidzaamheid. In stedelijke armenkringen was het echter helaas zelfs volgens de romantische Betje vaak slechter gesteld. De daar aan te treffen zedeloosheid vermeldt zij echter en verder fantaseert zij over een arm doch gelukkig huisgezin waarin de kinderarbeid tot iets moois wordt verheven. Voor de arme kindertjes bepleit zij terloops scholen. De armen draagt zij meer sympathie toe dan de trotse groten die door rijkdom verwijfd zijn.

Verscheidene drukken

Het boekje had blijkbaar veel succes. Reeds na enkele maanden verscheen een tweede druk. Daaraan was een slothoofdstukje toegevoegd. Daarin behandelde Betje een thema dat aanvankelijk vergeten was. Dat was het probleem van het klikken. Ook daarin heeft zij een nuchtere opstelling. Ten slotte richt zij zich tot de vaders. Blijkbaar waren er wat mensen boos geweest, dat een vrouw geschreven had voor vrouwen en daarmee de mannen buitenspel had gezet. Betje reageert daarop door te stellen dat zij juist de man volstrekt in zijn waarde had gelaten.

Volgens een aantekening van Betje Wolff in haar vertaling van de Opvoedkundige Brieven van Madame de Genlis werd de Proeve in het Frans vertaald. Ruim een eeuw na het eerste verschijnen in 1882 werd het in Nederland opnieuw uitgegeven in de ‘Paedagogische Bibliotheek’

[p. 30]

onder redactie van W. Versluys. Het werd toen voorzien van een zeer korte inleiding, waarin alle opvoedkundige geschriften van Betje Wolff en Aagje Deken werden opgesomd. Verder werd zonder enige voetnoot de druk uit 1780 integraal overgenomen.

Die druk is ook hier gevolgd. Zonder wijziging is de complete tekst opnieuw gezet. Woorden waarvan verwacht zou kunnen worden dat zij nu verkeerd begrepen worden, zijn kort verklaard. Persoonsnamen werden van een aantekening voorzien. Samen met deze inleiding zijn dat ons inziens voldoende handreikingen om het boekje voor belangstellenden toegankelijk te maken.

Enige wetenschappelijke pretentie wordt met deze uitgave niet gevolgd. Voor neerlandici is het werk van Betje Wolff zeker interessant. Zij zullen hier niet meer vinden dan een tekst. Historici en beoefenaren der historische pedagogiek zouden behoefte kunnen hebben aan meer uitvoerig commentaar. Ook daarvan is hier afgezien. Zij kunnen hun heil zoeken bij een grote hoeveelheid vakliteratuur. De bedoeling van deze uitgave is slechts dat velen in staat gesteld worden dit aardige boekje te lezen.

 

H.C. de Wolf