De Middeleeuwen.Het geestelijk drama.De macht en invloed der Katholieke Kerk was in de latere Middeleeuwen bijna onbeperkt, de pracht en grootschheid van haren eeredienst ontzagwekkend. Ik elke stad verhieven schoone kerken en kathedralen, door beroemde bouwmeesters gesticht, hunne torens ten hemel en getuigden van den godsdienstzin van stichters en gemeente. Het aantal geestelijken, die de wereld hadden afgezworen, om zich in ontelbare kloosters aan een godsdienstig leven, aan de opvoeding der jeugd en aan armenzorg te wijden, was zeer groot. Een priestersstand, tot welken adellijke, vermogende en geleerde mannen behoorden, nam in de kerken den dienst waar. Innige vroomheid en het zoeken van troost in eene maatschappij, veel ruwer en nog meer vol onrecht dan in onzen tijd, deed ontwikkelden en eenvoudigen van geest naar de bedehuizen stroomen. Bovendien beheerschte de Kerk het geheele maatschappelijke leven en waren er, buiten haar, zeer weinig zaken, die aan de groote massa belangstelling inboezemden. En de velen, die sloven voor het dagelijksch brood, gevoelen niet alleen de behoefte, zich vol vertrouwen over te geven aan een onwrikbaar geloof, zij waardeeren ook alles, wat afwisseling brengt in hun eentonig leven. Ook aan dat verlangen wist de Kerk te voldoen. Openbare vermakelijkheden en feesten waren er niet, maar de Kerk gaf gelegenheid veel te zien. De eeredienst maakte door zijne pracht en zijne symboliek indruk op allen. De groote kerkelijke feesten werden op schitterende wijze gevierd; de kerken waren versierd en de hooge geestelijken, gedost in het fraaie gewaad, waarvan elk onderdeel eene symbolische beteekenis heeft, namen, bijgestaan door een groot aantal priesters, den dienst waar. Die dienst, uit symbolische ceremoniën bestaande, had altijd een eenigszins dramatisch karakter, dat nog meer uitkwam door verschillende liturgische gebruiken, die langzamerhand in vele kerken in zwang waren gekomen 1) . In den Dom te Utrecht werd b.v. op Goeden Vrijdag de gekruiste Christus (het crucifix) met groote plechtigheid door den |
1) Vgl. voor het volgende, A.W. Wybrands, Het kerkelijk drama der Middeleeuwen in Kalender voor Protestanten in Nederland, VI, 1861, blz. 141-146, en W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de Hervorming, 1869, II, 3, blz. 208, vlgg.
|
|
bisschop begraven. Op Pinksterdag werd in de St. Salvator-kerk te Utrecht vuur uit het kerkgewelf geworpen en werden veelkleurige bloemen gestrooid; op Driekoningen werd er de tocht der drie Wijzen uit het Oosten plastisch voorgesteld en schoot er, gedurende hun omgang door de kerk, eene ster langs het gewelf. Op Palmzondag werd de intocht van Jezus te Jeruzalem vertoond door het Christusbeeld op een ezel door de kerk te laten rijden; de ambtenaar, door het Domkapittel aangesteld, om voor de ster en den ezel zorg te dragen, had den titel van ductor asini et stellae (leider van ezel en ster). In de Lebuinuskerk te Deventer liet men somtijds op Pinksteren duiven door de kerk vliegen. Op Hemelvaartsdag hielden de kanunniken daar eene processie en vervolgens werd een kruis, waaraan waskaarsen waren vastgemaakt, aan een dun koord naar het gewelf van de kerk opgetrokken. Op alle groote feestdagen was de eene of andere dramatische handeling aan den dienst verbonden; zij was echter niet in alle plaatsen en zelfs niet in alle kerken van dezelfde stad dezelfde. I. Het liturgisch drama.De katholieke eeredienst heeft een dramatisch karakter; de mis zelve met hare actie en haar dialoog is een drama. En de dialoog heeft zich in de liturgie steeds meer en meer ontwikkeld. De responsoria, beurtzangen tusschen priester en koor, en de antiphonen, beurtzangen door twee koren, ook inleidende gezangen, meestal uit bijbelverzen bestaande, werden uitgebreid door het aanvullen van den tekst der bijbelsche verhalen. Dat geschiedde vooral bij de groote feesten der kerk en zoo ontstonden korte liturgische drama's 1) . Een handschrift uit de 12de eeuw, een zoogenaamd antiphonarium 2) , door de kanunniken van St. Marie te Utrecht bij hunne nachtdiensten gebruikt, bevat een aantal dergelijke liturgische drama's. Boven den Latijnschen tekst staat de zangmuziek opgeteekend. |
1) Voor dit en de volgende hoofdstukken is veel gebruik gemaakt van het voortreffelijke werk van L. Petit de Julleville, Histoire du théatre en France. Les mystères, Paris, 1880, 2 dln. Over het liturgisch drama handelt ook uitvoerig W. Creizenach in zijn uitstekend boek, Geschichte des neueren Dramas, I, blz. 47-108. Het werk is mij echter eerst ter hand gekomen, toen mijn eerste deel reeds geheel voor de pers gereed was.
2) Dit Hs., getiteld Antiphonale de nocte, bevindt zich in de Universiteits-Bibliotheek te Utrecht; het is No. 406 van den Catalogus der handschriften. Eén en ander uit het Hs. is medegedeeld door Dr. J.H. Galleé, Bijdrage tot de geschiedenis der dramatische vertooningen in de Nederlanden gedurende de Middeleeuwen, Haarlem, 1873, blz. 54-58.
|
|
Eene nocturne van den Kerstnacht in dat handschrift luidt vertaald aldus: ‘Responsorium. Heden heeft de Koning der hemelen zich verwaardigd voor ons uit eene maagd geboren te worden, De nocturne voor den Paaschdag luidt in hetzelfde handschrift aldus 1) : ‘Responsorium. Een Engel des Heeren is van den hemel neergedaald en heeft, toen hij naderde, den steen afgewenteld en heeft er op plaats genomen en tot de vrouwen gezegd: wilt niet vreezen; (want ik weet, dat gij Jezus zoekt, die) gekruisigd is. Hij is opgestaan (gelijk hij gezegd heeft), komt en ziet. Alleluja, alleluja. |
1) De tusschen haakjes geplaatste woorden zijn genomen naar Mattheus 28; bij Gallée, blz. 57, staan daar stippeltjes in den Lat. tekst, waarschijnlijk omdat het Hs. onduidelijk was.
|
Engel. Wien zoekt gij in het graf, o Christusvereerders? Op Driekoningendag begon de dienst met een hymne; dan volgen deze woorden, met roode letters tusschen den tekst geschreven, om de handeling aan te wijzen: De koningen uit het eiland Tharsis bieden geschenken aan. En daarna: ‘Responsorium. Uit het Oosten komen de wijzen te Bethlehem om den Heer te aanbidden en, hunne schatten opengedaan hebbende, hebben zij kostbare geschenken aangeboden. Goud als aan den koning, wierook als aan God, maar mirrhe aan zijn graf en den weg. Daarna wordt in een lofzang de reis der Wijzen naar Jeruzalem verhaald. Eene vergelijking van de bovenstaande teksten met de hoofdstukken der Evangeliën, waaraan zij ontleend zijn, maakt in de eerste plaats duidelijk, op welke wijze de feiten, daarin opgeteekend, zijn gedramatiseerd, en verder welke uitbreiding men aan den tekst der bijbelboeken heeft gegeven in deze kleine liturgische drama's. Die drama's hebben zich naar twee zijden ontwikkeld. Vooreerst heeft de tekst zich langzamerhand losgemaakt van dien der bijbelboeken; men begon aan den bijbeltekst iets nieuws, iets individueels toe te voegen, en de Latijnsche versmaten deden hunne intrede in het drama. Het proza verdwijnt meer en meer en het drama verwijdert zich steeds verder van den bijbeltekst. Nu dringt ook langzamerhand de landstaal door; eerst zijn het slechts enkele regels vertaling of verklaring van den Latijnschen tekst, daarna wordt het drama half in het Latijn, half in de landstaal geschreven. Ten slotte wijkt het geheel af van de oorspronkelijke liturgie. Het is onmogelijk, dat verloop aan te toonen uit liturgische drama's, die op Nederlandschen bodem zijn ontstaan, omdat bijna ons geheele geestelijk drama der Middeleeuwen verloren is gegaan. Maar wij mogen voor ons bewijs gebruik maken van de Fransche letterkunde - die op dat gebied zeer rijk is - daar toch een genre van literatuur zich in verschillende landen bijna zonder uitzondering op dezelfde wijze moet ontwikkelen. De eik moge in een ander klimaat eenigszins andere eigenaardigheden vertoonen, zij groeit er toch op dezelfde wijze. Een zeer oud en zeer beroemd liturgisch drama is bekend onder den
titel les Prophètes du Christ 1) ; er treden daarin 13 profeten op, o.a. Virgilius en de Sibylle, dus twee personen, die in een geheel anderen kring te huis behooren. Verder is het drama geschreven in Latijnsche verzen, somtijds zelfs in hexameters. Twee drama's, die de geschiedenis van Daniel in den leeuwenkuil tot onderwerp hebben en die ongeveer uit denzelfden tijd dagteekenen als les Prophètes, nl. uit het begin der 12de eeuw, zijn eveneens in Latijnsche verzen 2) . Maar in één van deze twee stukken, dat gespeeld is te Beauvais, komen op menige plaats Fransche woorden voor. Zoo zingen b.v. de hovelingen: ‘Vir propheta Dei, Daniel, vien al (au) Roi, Veni, desiderat parler à toi’, enz. In de Suscitatio Lazari 3) komen Fransche versregels voor naast de Latijnsche, in de Sponsus 4) , ook wel les Vierges sages et les vierges folles genoemd, wisselen vele Fransche verzen achtereen de Latijnsche af, ook in Les trois Maries 5) volgen Fransche strophen op Latijnsche. In le Jeu sur l'image de saint Nicolas van Hilarius 6) wordt in vele opzichten afgeweken van de legende; o.a. is het niet een Jood, die bestolen wordt, maar een barbaar. Zoo verwijdert zich langzamerhand het drama van de liturgie in taal, vorm, inhoud en voordracht, want ook de muziek neemt in de latere liturgische drama's een ander, meer individueel karakter aan 7) . Aan den anderen kant ontwikkelden zich in het liturgisch drama de actie en de mise en scène. Men zou ook die ontwikkeling het best kunnen aantoonen uit de juist besproken drama's, in Frankrijk geschreven, maar enkele kleine feiten, in ons land opgeteekend 8) , kunnen eveneens tot bewijs van die stelling strekken. O.a. was het de taak van den curator der kapittelschool te Utrecht, om op Paaschmorgen ‘de vertooningen van de opstanding des Heeren, gelijk ook alle andere vertooningen, te regelen’; daartoe behoorde een gesprek tusschen de engelen en vrouwen bij het graf. Dat er iemand voor aangewezen was, om op dit alles toezicht te houden, bewijst, dat die ‘vertooningen’ vrij uitgebreid waren. Op Goeden Vrijdag werd in de Oude Kerk te Amsterdam een crucifix neergelegd en met een witten doek bedekt; daarna namen de priesters den doek weg, hieven het kruis omhoog en |
1) Afgedrukt bij Edélestand du Méril, Origines latines du Théatre moderne, 1843, blz. 179, en bij De Coussemaker, Drames liturgiques du moyen-âge, Rennes, 1860, blz. 11.
2) Het ééne, van Hilarius, bij Du Méril, t.a.p., blz. 241, het andere bij De Coussemaker, t.a.p., blz. 49.
3) Zie Du Méril, blz. 225.
4) Vgl. L.J.N. Monmerqué et Francisque Michel, Théatre français au moyen-âge publié d'après les manuscrits de la bibliothèque du roi, Paris, 1839, blz. 1.
5) Vgl. De Coussemaker, blz. 256.
6) Vgl. Du Méril, blz. 272.
7) Vgl. De Coussemaker, blz. XI.
8) Vgl. Wybrands, t.a.p.
|
|
plaatsten het onder gezang in eene hooge graftombe, die in het midden van het koor stond en met zwart laken bekleed was. In de Lieve Vrouwe kerk te Maastricht hielden op Paaschdag officianten in eene bepaalde volgorde een optocht naar het opgestelde graf. Daarna ontvingen de Emmausgangers uit de handen van Maria Magdalena den zweetdoek, dien zij, voor het altaar staande, ophieven en den volke toonden als het teeken der opstanding 1) . Te Dendermonde bleven op Hemelvaartdag de kapittelheeren met het koor en de processie buiten de kerk vóór den klokketoren staan en zongen totdat Jezus ‘ten hemel was verheven’ 2) . Te Delft werden op Sacramentsdag de folterwerktuigen, waarmede Jezus gepijnigd was, door jongelieden in de kerk rondgedragen en na dezen omgang hief één der deelhebbers, terwijl hij op de trappen van het koor stond en het kruis in de hand hield, een gezang aan. In dezelfde stad was, althans in 1498, de dienst op Driekoningendag bijzonder indrukwekkend. Drie priesters kwamen te paard met hun gevolg drie verschillende deuren der kerk inrijden, terwijl op het orgel engelen het Gloria in excelsis aanhieven. Onder het orgel lagen herders, die instrumenten bespeelden, en eene ster schoot achter uit de kerk naar het altaar, bleef daar staan en wees aan de drie koningen ‘den nieuwgeboren koning, twelck gemaect was met levendighe personen, upten hogen outaer, daer deze koningen, eensdeels sprekende ende eensdeels singende, haer offeranden deden.’ Op die wijze heeft het liturgische drama zich ontwikkeld en is langzamerhand overgegaan in het misterie. Terwijl het zich eerst nauw aansloot aan den tekst der bijbelboeken, heeft het allerlei bijwerk en legendarische bestanddeelen in zich opgenomen. De taal der kerk heeft meer en meer plaats gemaakt voor de landstaal, omdat de groote massa, die men wilde boeien en stichten, het Latijn niet begreep. Het waren niet langer alleen de geestelijken, die godsdienstige drama's schiepen en uitvoerden, ook de leeken beoefenden de dramatische kunst. De muziek en het gezang verdwenen voor een groot deel uit het drama en maakten plaats voor het gesproken woord. Zelfs de plaats der vertooning veranderde en de kerk werd meestal verwisseld voor het open plein. |
1) Vgl. Aem. W. Wybrands, Opmerkingen over het geestelijk drama hier te lande in de Middeleeuwen in Studiën en Bijdragen op 't gebied der historische theologie, verzameld door W. Moll en J.G. de Hoop Scheffer, Amsterdam, III, 1876, blz. 201.
2) Vgl. Prudens van Duyse, De rederijkkamers in Nederland. Hun invloed op letterkundig, politiek en zedelijk gebied. Uitgegeven op last der Academie door Fr. de Potter en Fl. van Duyse. (Koninkl. Vlaamsche Acad. voor Taal- en Letterk.) Gent, I, 1890, blz. 197, 198.
|
|
Ook na het ontstaan van het misterie is echter het liturgisch drama niet verdwenen; het is blijven bestaan en heeft langer geleefd dan het populaire schouwspel, dat er uit is voortgekomen. II. Het misterie.De naam misterie, die eene bepaalde soort van geestelijke drama's aanwijst, is van vrij jongen datum; onze voorouders spraken gewoonlijk van een ‘spel’. Het woord misterie schijnt niet in verband te staan met het Grieksche μυστηριον en het Latijnsche mysterium, maar moet waarschijnlijk worden afgeleid van ministerium, dat in het middeleeuwsch Latijn verbasterd is tot misterium. Misterium beteekent: verrichting, bedrijf. In het Italiaansch heette een geestelijk drama in de Middeleeuwen funzione, in het Spaansch auto; die woorden hebben dezelfde beteekenis als ons verrichting, bedrijf. Misterium kan ook beteekenen: liturgische dienst. Nu kan zoowel verrichting, bedrijf als dienst worden gebruikt bij de drama's, welke wij thans behandelen; men kan spreken van het bedrijf, den dienst van de Passie, het bedrijf, den dienst van Sinte Gommarus. Daarentegen kan mysterie (godsdienstig geheimenis) slechts gezegd worden van enkele onderwerpen, van de menschwording en de verlossing. Daar echter de uitdrukking de mysterien van den godsdienst sedert lang bekend was, is het niet vreemd, dat men mysterie en misterie met elkander verwarde en het eerste woord ook gebruikte voor een soort van drama. Wij behoeven hier de geschiedens van het woord misterie niet verder te volgen, omdat het in onze letterkunde eerst later verschijnt als de naam voor een bepaald soort van geestelijk drama. Slechts zij hier opgemerkt, dat het woord misterie in Frankrijk gedurende de eerste helft der 15de eeuw alleen voorkomt in de beteekenis van stomme vertooning, terwijl het eerst in de tweede helft dier eeuw gebruikt wordt voor ernstig drama 1) . Wij zullen later zien, dat bij ons het woord spel diezelfde beteekenissen heeft. Geestelijke drama's werden ontleend aan de Heilige Schrift of aan de levens der heiligen; de tooneelspelen, welke een gedeelte van den bijbel tot onderwerp hebben, noemen wij misteries, die, waarin een heilige verheerlijkt wordt, heiligenspelen, en die, waarin een wonder plaats grijpt, mirakelspelen. Over de laatstgenoemde soorten van drama's zal later worden gesproken. |
1) Zie voor het bovenstaande, De Julleville, t.a.p., I, blz. 187-196.
|
|
De misteries zijn dus ontleend aan den bijbel, aan de apocryphe boeken en vooral aan dien grooten kring van legenden, die zich langzamerhand gevormd had rondom de Heilige Schrift. Den bijbel zelf kende men weinig, maar des te beter de legenden aangaande het leven en de geboorte van Maria, de kindsheid van Jezus, en een groot aantal mystieke werken, die uit het Latijn waren vertaald. Aan al zulke boeken werd dezelfde autoriteit toegekend als aan de Heilige Schrift met het naieve vertrouwen en het gebrek aan critischen zin, dat de Middeleeuwen kenmerkt. In sommige misteries werden onderwerpen uit het Oude Testament ten tooneele gebracht, in de meeste echter zijn Jezus en Maria de hoofdpersonen. Er zijn dus twee bepaalde kringen van onderwerpen, die echter, zooals wij dadelijk zullen zien, dikwijls met elkander in verband werden gebracht. In beide groepen vertoonen de afzonderlijk behandelde onderwerpen de neiging, zich aaneen te sluiten tot een groot geheel. Zoo bestaat het mystère du Viel Testament, dat ongeveer 50.000 versregels telt, uit eene aaneenschakeling van zeer vele kleinere misteries, die elk een afzonderlijk deel van het Oude Testament tot onderwerp hebben, afzonderlijk gedicht en van zeer ongelijke grootte zijn. Zoo zijn in eene Passion, die in 1507 werd uitgegeven, twee zeer groote misteries van verschillende schrijvers over hetzelfde thema tot een reusachtig werk van 70.000 verzen samengesmolten 1) . Door het volgen van dezelfde bronnen en door dit aaneensluiten en samensmelten hebben de groote misteries elk individueel karakter verloren; zij gelijken in dit opzicht op sommige cycli van epische gedichten, die alles in zich hebben opgenomen, wat tot denzelfden sagenkring behoorde. Maar ook zijn de onderwerpen van het Oude en Nieuwe Testament in de meeste misteries niet scherp gescheiden; aan die drama's toch, in welke het leven en sterven van Jezus of de lotgevallen van Maria worden behandeld, gaat dikwijls een oud-testamentisch voorspel vooraf. Er waren voor zulk eene dispositie der stof verschillende redenen. Thans nog is in de oogen van zeer velen het Oude Testament slechts de voorbereiding van het Nieuwe en de geschiedenis der eerste menschen en van het Joodsche volk met zijne patriarchen en profeten eene periode, die de komst van den Messias moest voorafgaan. Die meening was in de Middeleeuwen niet alleen algemeen verbreid, maar was ook neergelegd in de liturgie; zoo bestaat o.a. één der oudste liturgische drama's, aangeduid als les Prophètes du Christ en bewerkt naar eene apocryphe leerrede van Augustinus, uit de achtereenvolgende verschijning van |
1) Zie De Julleville, I, blz. 208.
|
|
dertien profeten, die de komst van Jezus voorspellen. Bovendien bestond er nog eene meer practische reden, om bij sommige onderwerpen uit het Nieuwe Testament, die men wilde dramatiseeren, het Oude Verbond niet op zijde te schuiven, nl. dat de oudere bijbelboeken veel meer dramatische stof bieden dan de nieuwere. De dichter, die b.v. een kerstspel tot onderwerp had gekozen, vond in het verhaal van Jezus' geboorte weinig stof voor een drama, maar kon haar aanvullen door een oud-testamentisch voorspel, nu de kerstliturgie daar aanleiding toe gaf. Die voorspelen van de misteries zijn voortdurend grooter geworden ten gevolge van de eigenaardigheid van dit kunstgenre, om alles in zich op te nemen en tot een reusachtigen omvang uit te dijen. De omvang van enkele misteries is dan ook zoo ontzagwekkend geworden, dat er dagen achtereen noodig waren, om ze ten einde toe te spelen. Maar oorspronkelijk waren de misteries van veel kleinere afmetingen, evenals de liturgische drama's, waaruit zij ontstonden, en hadden zij een enkel feit, bij voorkeur uit het Nieuwe Testament, tot onderwerp. Zij werden opgevoerd bij groote kerkelijke feesten, Kerstmis en Paschen, maar ook wel op Driekoningen, Lichtmis en de feesten ter eere van Maria; zij waren dan toepasselijk op het feest van den dag. Van het zeer groote aantal misteries, die vooral in de Zuidelijke Nederlanden zijn opgevoerd, is ons bijna niets overgebleven. Maar een onderzoek in oude stadsrekeningen heeft althans de titels van vele misteries, die vertoond zijn, aan het licht gebracht en, moge ook al eene opsomming van die titels weinig aanlokkelijks hebben, zij kan althans een indruk geven van de groote liefde, die men in de Middeleeuwen koesterde voor dergelijke voorstellingen, en tevens van de soort van onderwerpen, die in deze drama's werden behandeld. Een Passiespel werd vertoond te Deventer in 1394, 1498, 1499, 1502 en 1529 1) , te Lier in 1428, 1449 en 1536 2) , te Loo zeer dikwijls in de jaren 1428 tot 1561 3) , te Damme in 1433 4) , te Caprycke in 1451 5) , te Thielt in 1465, 1495, 1506, 1510 en 1525 6) , te Diest in |
1) Vgl. Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, uitgegeven door Mr. J.I. van Doorninck en Mr. J. Nanninga Uitterdijk, Zwolle, 1879, V, blz. 58, 61, 62.
2) Vgl. Belgisch Museum voor de Nederduitsche Tael- en Letterkunde en de Geschiedenis des Vaderlands, uitgegeven op last der Maetschappij tot bevordering der Nederduitsche Tael- en Letterkunde, door F.J. Willems, Gent, dl. VIII, 1844, blz. 291, 293, 304.
3) Vgl. Edmond van der Straeten, Le théatre villageois en Flandre, Histoire, littérature, musique, religion, politique, moeurs, d'après des documents entièrement inédits. Deuxième édition .... Bruxelles, 1881, dl. II, blz. 136, 142.
4) T.a.p., I, blz. 29.
5) T.a.p., II, blz. 60.
6) Vgl. Vaderlandsch Museum voor Nederduitsche letterkunde, oudheid en geschiedenis, uitgegeven door G.P. Serrure, Gent, 1863, dl. V, blz. 39, 49, 54, 56, 68.
|
|
1499 1) , te Blankenberghe in 1505 2) , te Oudenaarde in 1505, 1511, 1519, 1527, 1535, 1545 en 1560 3) , te 's-Gravenhage in 1520 4) . Nog meer schijnen de opstandingsspelen, de spelen van ons liefs Heeren verrisenisse, te zijn opgevoerd. Dit had meestal plaats met de Paaschdagen, het christelijke feest bij uitnemendheid. De Verrisenisse werd vertoond te Deinze in 1400, 1431, 1436, 1445, 1448, 1450, 1456, 1462, 1464, 1465, 1471, 1473, 1478, 1479, enz. 5) , in Den Haag in 1401 6) , te Ghistelles in 1407 7) , te Damme in 1411, 1417, 1421, 1433, 1450, 1451, 1452, 1454, 1455 en 1456 8) , te Deventer in 1441 en 1453 9) , te Oudenburg in 1433 10) , te Thielt in 1446, 1460, 1462, 1463, 1464, 1465, 1495, 1496, 1502, 1528 en 1545 11) , te Lier in 1449 12) , te Leuven in 1458 13) , te Oudenaarde in 1502 en 1535 14) , te Rousbrugge-Haringhe in 1519 en 1534 15) , te Maastricht in 1561 16) . Het Laetst Oordeel of de Verrysenis werd in 1478 en 1481 te Kortrijk vertoond 17) . Een derde groep van misteries zijn de kerstspelen, die dus de geboorte van Jezus tot onderwerp hebben. In 1404 werd te Ghistelles de Offerande van de III Koninghen vertoond door ‘de ghesellen van den khore’ 18) ; in 1416 speelden priesters te Geraertsberge vanden messeganghe van Onser Vrouwen ende van Ons Heeren geboorte 19) , in 1418 werd in den Dom te Utrecht, eveneens door geestelijken, een Koninck Herodusspel opgevoerd 20) ; waarschijnlijk waren dit dus eerder liturgische drama's dan misteries. Te Loo werd in 1448 de Gheboorte van Onsen Heere |
1) Vgl. Vaderlandsch Museum, 1861, III, blz. 101.
2) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 51.
3) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 18, 21, 22, 30, 35, 47, 58.
4) Vgl. Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, Leiden, VI, 1886, blz. 74.
5) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz 11.
6) Vgl. H. van Wyn, Historische en letterkundige avondstonden, Amsterdam, I, 1800, blz. 355, 356.
7) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 98.
8) T.a.p., I, blz. 29, 32-34.
9) Vgl. Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, V, blz. 59, 60.
10) Vgl. Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterkunde, 1895, blz. 302.
11) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 30, 34, 70, 105.
12) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 293.
13) Vgl. E. Soens, De rol van het booze beginsel op het middeleeuwsch tooneel, Gent, 1893, blz. 42, Noot.
14) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 17, 35.
15) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 199.
16) Vgl. Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, Ruremonde, VIII, 1871, blz. 310.
17) Vgl. Belgisch Museum, X, blz. 371.
18) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 98.
19) T.a.p., I, blz. 15.
20) Vgl. K. Burman, Utrechtsche Jaarboeken van de XVde eeuw, dl. I, blz. 221, en Mr. W.G.A. van Sorgen, De tooneelspeelkunst in Utrecht en de Utrechtsche Schouwburg, 's Gravenhage, 1885, blz. 10, 11.
|
|
opgevoerd 1) , te Ostende in 1518 een drama met denzelfden titel 2) . Ongeveer in 1444 werd te Brussel Die eerste bliscap van Maria vertoond en de andere zes ‘bliscape’ in den proloog beloofd voor de volgende jaren. De bewoners van Caprycke zagen in 1499 den kercgang van onser Liever Vrouwen opvoeren 3) , die van Oudenaarde in 1552 het leven van Ste Jan Baptiste in de woestijne, metsgaders het doopsel van Onsen Heere 4) , die van Leuven in 1531 Maria Boodschap 5) . In vele misteries was Maria de hoofdpersoon, zooals uit menigen titel blijkt. Te Thielt speelde men in 1429 6) en te Oudenburg in 1463 van der purificacie van onser Vrauwe 7) , te Lier in 1443, 1444, 1447 en 1449 van Onser Liever Vrouwe 8) . In 1472, 1479 en 1480 vertoonden de gezellen van Peteghem een spel van Onser Vrouwen 9) , in 1510 de leden der rederijkerskamer ‘de Ongeachte’ te Antwerpen een misterie met denzelfden titel 10) . Te Oudenaarde werd in 1444 een spel opgevoerd van den VII blommen van Onser Vrouwen 11) . In 1448 speelde men te Brussel de zeven droefheden van Maria 12) , in 1474 te Breda 13) , in 1492 te Antwerpen 14) en in 1508 en 1513 te Thielt van den VII weeën van Maria 15) . Te Leiden werd in 1494 tspul van die zeven ween opgevoerd 16) , te Blankenberghe in 1502 de VII Weeën van Maria Hemelvaert 17) , te Thielt in 1460, 1462, 1463 en 1464 Onser Vrouwen Claghe 18) en in 1515 tspel van Maria Egipciaca 19) , te Lier in 1547 van Sinte Anna ende Joachim 20) . |
1) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 137.
2) T.a.p., I, blz. 15.
3) T.a.p., II, blz. 61.
4) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 55.
5) Vgl. Vaderlandsch Museum, III, blz. 36.
6) T.a.p., V, blz. 27.
7) Vgl. Tijdschr. voor Nederl. Taal- en Letterk., 1895, blz. 302.
8) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 292, 293.
9) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 12.
10) Vgl. Belgisch Museum, I, blz. 154.
11) T.a.p., VI, blz. 389.
12) T.a.p., IX, blz. 46.
13) Vgl. Dr. C.R. Hermans, Geschiedenis der rederijkers in Noordbrabant, 's Hertogenbosch, 1867, II, blz. 254.
14) Vgl. Dr. G.D.J. Schotel, Geschiedenis der rederijkers in Nederland, Rotterdam, 1871, II, blz. 272.
15) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 56, 57.
16) Vgl. Dr. P.J. Blok, Eene Hollandsche stad onder de Bourgondisch-Oostenrijksche heerschappij, 's-Gravenhage, 1884, blz. 253.
17) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 50.
18) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 34, 35, 38.
19) T.a.p., blz. 38.
20) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 305.
|
|
Verder worden genoemd het spel van Missias te Geraertsberge in 1548 1) , van de zeven bloedsturtinghen van Onsen Heere te Oudenaarde in 1524 2) , van Sente Jan-Baptiste te Thielt in 1512 en 1531 3) , die vier spelen van sint Jan Baptist te Lier in 1532 4) , Hoe Lasarus van den doodt verweckt wirt te Lier in 1536 5) , van Lazarus te Deventer in 1552 6) , het spel van zinne van den ryken vrek te Oudenaarde in 1530 7) , van Maria Magdalena te Caprycke in 1536 8) en van de Bekeeringhe van Maria Magdalena te Lier in 1549 9) , van den Verloren Zoon te Oudenaarde in 1547 10) en te Lier in 1548 11) , van den Samaritaen in 1553 en van den Pharisee ende den Publicaen in 1562 in dezelfde stad 12) , van Sente Pieter te Thielt in 1510 13) , van de V vroede ende van de V dwaeze Maegden 14) uit het begin der 16de eeuw, van de Zending des Heiligen Geestes, dat in dienzelfden tijd te Diest in de kerk werd vertoond 15) . In 1445 voerden ‘clercken’ te Zwolle dat spil van antichrist toekoemst op 16) . De meeste der laatstgenoemde drama's zijn zeker van kleiner omvang geweest dan de Passie, de Verrisenisse en andere misteries; juist dergelijke tooneelspelen waren zeer geschikt, om in de grootere te worden opgenomen. Dat was ook het geval met eenige misteries, die aan het Oude Testament zijn ontleend en wier namen bewaard zijn gebleven. In 1433 werd te Damme het spel van den XII geslachte van Israel opgevoerd 17) , in 1466 te Beek bij Maastricht 18) en in 1539 te Lier dat van Abraham 19) , in 1531 te Oudenaarde vanden eersten doetslaghe, ghesciet tusschen Cayn ende Abel 20) en het volgende jaar in dezelfde stad van Joseph den Droomer 21) . Een Leven van Joseph werd in 1538 gespeeld te Caprycke 22) , van Coninck David in 1559 te Lier 23) , waar ook in 1554 van Salomon, in 1557 van Ammon ende Thamar en in 1559 van Job werd opgevoerd 24) . In 1515 bij den intocht van Karel V |
1) Vgl. Van der Straeten, I, blz. 15.
2) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 29.
3) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 56, 72.
4) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 303.
5) T.a.p. blz. 305.
6) Vgl. Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, V, blz. 64.
7) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 33.
8) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 61.
9) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 305.
10) T.a.p., VII, blz. 47.
11) T.a.p., VIII, blz. 305.
12) T.a.p., blz. 306, 308.
13) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 56.
14) Zie beneden, blz. 30.
15) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 95.
16) Volgens vriendelijke mededeeling van Mr. C.P.L. Rutgers, Archivaris van Overijsel.
17) Vgl. Van der Straeten, I, blz. 30.
18) Vgl. Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, t.a.p.
19) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 304.
20) T.a.p., VII, blz. 33.
21) T.a.p.
22) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 61.
23) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 306.
24) T.a.p.
|
|
te Leiden werd David en Abigail ten tooneele gebracht 1) ; was het een waarschuwend voorbeeld voor den jongen vorst? In 1474 speelden kinderen te Deventer van koning Aszwerus, in 1500 en 1501 van David en Golias 2) . In 1547 werd te Dordrecht de dood van Absalon vertoond 3) . Te Oudenaarde werd in 1554 tspel vanden wijngaert ende tsteenen van Naboth den ysraeliet gespeeld, in 1559 de historie vanden coninck Acab ende den profete Elias en de historie van Horam, coninck van Israel, ende de vertroostinghe vanden coninck van Samarien, door den prophete Eliseus 4) . Aan de apocryphe boeken werden ontleend een spel van Suzanna, in 1427 en 1538 te Thielt 5) , van Susanna, in 1547 te Lier 6) , de Historie van Susanna, in 1548 te Oudenaarde 7) , Tobias in 1552 te Mechelen 8) en de oude en de jonge Tobias in 1577 te Caprycke opgevoerd 9) . Eenige van al die misteries, welke werden opgenoemd, waren waarschijnlijk liturgische drama's, andere misschien slechts stomme vertooningen, nog andere, vooral die uit de 16de eeuw, naderen zeker de moraliteit. Daar, op een paar na, al de bovengenoemde drama's verloren zijn gegaan, is het niet mogelijk met eenige zekerheid de rubriek te bepalen, waartoe zij behoord hebben. Van sommigen wordt bericht, dat zij in de kerk of op een plein zijn gespeeld, van anderen, dat priesters of gezellen van der conste de vertooners waren. Maar ook in die mededeelingen vinden wij geen criterium, om de tooneelspelen bij de liturgische drama's of bij de misteries te plaatsen, omdat de eerste zoo geleidelijk in de laatste zijn overgegaan. Het oudste misterie, dat wij bezitten, is een Passiespel 10) , geschreven in het eenigszins Nederduitsche dialect, dat in Limburg wordt gesproken; het stuk schijnt uit de eerste helft der 14de eeuw te dateeren. Het handschrift er van is afkomstig uit een klooster te Maastricht en het drama is bekend geworden als het Maastrichtsche Paaschspel. De korte inhoud is aldus. |
1) Vgl. Blok, t.a.p., blz. 253, 254.
2) Vgl. Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, V, blz. 61.
3) Vgl. Dr. G.D.J. Schotel, Tilburgsche avondstonden, Amsterdam, 1850, blz. 105.
4) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 56.
5) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 26, 73.
6) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 305.
7) T.a.p., blz. 48.
8) Vgl. G.J.J. van Melckebeke, Geschiedkundige aenteekeningen rakende de Sint-Jans-gilde, bygenaemd De Peoene, onder de zinspreuk: In principio erat verbum, Mechelen, 1862, blz. 35.
9) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 61.
10) Het is uitgegeven door Dr. Julius Zacher in Haupt's Zeitschrift für Deutsches Alterthum, II, blz. 302, en door Dr. H.E. Moltzer, Middelnederlandsche dramatische poëzie, Groningen, 1875, blz. 496.
|
Lucifer verzet zich tegen God, maar hij wordt ‘virstosen’; de engelen, die zijne partij kozen, worden in duivelen veranderd en ‘Hie machet unse here die werelt.’ Er volgt een tooneel in het paradijs; Adam en Eva hebben van den appel gegeten en ‘Cherubin, der engel’, verdrijft hen op bevel van God. Nu vraagt de Heer zijne dochter ‘Intfarmeherthigeit’ (barmhartigheid), of de mensch weer in zijn vorigen toestand mag terugkeeren, en zij raadt aan zich te erbarmen over Adam's en Eva's kinderen. Maar de andere dochter, ‘Gerechtigheid’, wil alleen van erbarming hooren, wanneer het mogelijk is, dat eene maagd een kind ter wereld brengt en toch maagd blijft. God besluit Barmhartigheid en Rechtvaardigheid met elkander te verzoenen en, zooals hij vroeger aan Abraham een ram heeft gezonden, nu het lam Christus te zenden, om door zijn dood het menschdom te verlossen. De profeten moeten dat bekend maken. ‘Balam’, ‘Ysaias’ en ‘Virgilis’ voorspellen aan Ecclesia de komst van Jezus. Dan zendt God Gabriël naar Maria en een engel beveelt haar aan in de hoede van Jozef. Een engel verkondigt ook de geboorte van Jezus en de herders verschijnen, spoedig gevolgd door de drie koningen met de ster. Een bode komt aan Herodes berichten, dat er een kind is geboren, door de engelen tot keizer gekozen, en Herodes ontbiedt de drie koningen, om er meer van te hooren. Daarna bieden zij Maria hunne geschenken aan en reizen af. Een ‘riddere’ van Herodes raadt dezen aan, het kind uit den weg te ruimen, en de koning besluit tot den kindermoord. Maar ‘Gabriel kumet zu Marien ende heizit si vlien zu Egipten wert’; de kinderen worden gedood, maar Jozef en Maria hebben Jezus in veiligheid gebracht. Dan spreekt Jezus op twaalfjarigen leeftijd met ‘Cayfas’ in den tempel en laat zich daarna doopen door Johannes den Dooper. Na het gesprek met ‘Sathan’, dat met Petrus en Andreas bij het visschen en het veranderen van water in wijn, treedt Maria Magdalena op. Deze figuur is met bijzondere voorliefde geteekend en haar monoloog, uitgesproken terwijl zij zich opsiert, is terecht bekend geworden.
|
1) einde
2) begin
3) waarachtig
4) verheugt u
|
Terwijl zij zich voor den spiegel tooit, spoort zij ‘beide knapen ende juncvrouwen’ aan, haar voorbeeld te volgen:
Maar hare zuster Martha berispt haar:
en Magdalena besluit haar leven te beteren en zich te bekeeren. Er volgt een gesprek van Jezus met Symon, met Petrus en met Martha. Dan de opstanding van Lazarus, de intocht in Jeruzalem en het verdrijven der wisselaars uit den tempel. Daarna treden ‘Phariseus’, ‘Cayfas’ en Judas op - ‘Der penninche sulden drissich sin’ - en dan volgt het tooneel te Gethsemane met de jongeren, die slapen; Gabriël verschijnt en spreekt woorden van troost. ‘Judas zu den Juden lief’ en zegt:
Het overige gedeelte van het misterie ontbreekt in het handschrift. Dit drama, dat wegens de taal, waarin het geschreven is, te nauwernood |
1) eer iet
2) onbezorgd
|
|
tot onze letterkunde mag worden gerekend, is vooral belangrijk, omdat het den ontwikkelingsgang van het misterie zoo goed illustreert. Het Maastrichtsche Passie-spel sluit zich nauw aan bij het bijbelverhaal; hier en daar is dit zelfs eenvoudig berijmd en meermalen staat de Latijnsche tekst der Vulgata boven de berijmde vertaling. Verder is het spel nog bijna geheel vrij van allerlei bijwerk en toevoegselen, terwijl ook het comische element nog geheel wordt gemist en de ‘duvelrye’ er geene rol van beteekenis in speelt. De uitbreiding, die hier en daar aan den bijbeltekst is gegeven, is niet onverdienstelijk; de tooneeltjes b.v., waarin Maria Magdalena optreedt, zijn aardig en levendig. Er is beweerd, dat dit misterie van Franschen oorsprong zou zijn 1) , maar die veronderstelling is zeker gewaagd, daar toch de geestelijke drama's van verschillende landen groote overeenkomst toonen, omdat zij aan dezelfde bronnen zijn ontleend 2) . Het blijkt uit alles, dat Die eerste bliscap van Maria 3) van jonger datum is dan het Maastrichtsche Passie-spel; het werd ongeveer in 1444 ter eere van Onze Lieve Vrouwe van der Zavel te Brussel vertoond door de kamer ‘’ 4) . Het misterie wordt ingeleid door een proloog, in welken allereerst Maria wordt aangeroepen, dan de inhoud van het drama in het kort wordt medegedeeld en ten slotte de toeschouwers worden aangespoord te luisteren en te zwijgen. De inhoud van Die eerste bliscap is:
Lucifer en ‘Nijt’ treden op - Lucifer's val is volgens den proloog overgeslagen - en besluiten zich op den mensch te wreken. ‘Tempteret dwijf’, zegt Lucifer, ‘Si en es soe vast niet als de man Van wederstane’. ‘Tserpent’ belooft te helpen; het gaat naar het paradijs en spreekt met ‘Yeve’:
|
1) Vgl. F.J. Mone, Schauspiele des Mittelalters. Aus Handschriften herausgegeben und erklärt, Karlsruhe, II, 1852, blz. 164.
2) Vgl. over deze zaak, Moltzer, t.a.p., blz. XXIII-XXV.
3) Uitgegeven door J.F. Willems in Belgisch Museum, IX, blz. 37-138, en door Moltzer, t.a.p., blz. 329-418.
4) Vgl. Moltzer, t.a.p., blz. XXXI, XXXII.
5) strijd
6) 's engels
7) soort, aard
|
|
Eva bezwijkt, overreedt Adam en beiden ‘comen met enen blade gedect.’ God vervloekt de slang en verjaagt het menschenpaar uit het paradijs, waarvoor een gewapende engel als wacht wordt neergezet, die daar ‘blijft staende tot Adams doot.’ Adam en Eva voelen berouw en tijgen aan den arbeid. ‘Nijt’ bericht aan Lucifer, dat het plan gelukt is, en Lucifer is dol van vreugde:
Zij brengen Adam voor God en pleiten voor een veroordeelend vonnis; God spreekt dit ten slotte uit:
‘Nijt’ en Lucifer hebben dus nogmaals reden tot blijdschap:
Adam, die oud en ziek is, zendt Seth naar het paradijs, om den engel te vragen:
‘Cherubin’ geeft Seth een takje van den boom, waardoor Adam gezondigd heeft; hij moet dat onder Adams hoofd planten en er zal een boom uit groeien, die de verlossing zal brengen. |
1) macht
2) drietandige vorken
|
|
Adam is sedert eeuwen in de hel met Abraham, met ‘Melchisedech, den iersten pape’, met Jacob, Jozef, Mozes en o.a. ook met Alexander; men hoort het klagen en kermen ‘van den vaders.’ Velen van hen roepen God aan en ‘Ysayas’ voorspelt:
De profetie brengt troost aan allen. ‘Bitter ellende (op crucken, ermelic gecleet)’ wendt zich tot ‘Innich Gebet’, om voor ‘Die oude vaders, die inder hellen Noch liggen moeten’, hulp te verwerven. ‘Innich Gebet’ begeeft zich naar den hemel en overreedt ‘Ontfermicheit’, om als ‘avecaet’ op te treden voor ‘Bitter ellende’, die in 5200 jaren geene rust heeft gehad. ‘Ontfermicheit’ aan de ééne zijde, ‘Gerechticheit’ aan de andere houden pleidooien voor God en ook ‘Waerheit’ bemoeit zich met de zaak en raadt aan, de engelen te vragen, of één van hen wil sterven, om daardoor de zonden van Adam te boeten. Zij willen wel sterven, als God het verlangt, maar niet uit liefde voor den mensch. Daar ook geen der menschen geschikt is, om ‘tsmenscen sonde metter doot te beteren’, omdat zij allen zelf zondig zijn, raadpleegt God zijn Zoon en den Heiligen Geest. De Zoon zal de menschen verlossen. Thans worden wij gevoerd in de omgeving van Maria's ouders. Priesters weigeren Joachim's offerande, die hij brengt, opdat zijn huwelijk niet langer onvruchtbaar moge zijn, en God zendt een engel, om hem te berichten, dat hem spoedig een kind zal worden geboren. Vreugde van het echtpaar en critiek van de buren op de handelwijze der priesters. Het kind wordt geboren en een engel verkondigt, dat het Maria moet heeten. Als kind en jong meisje helpt zij in den tempel; als zij huwbaar is, gaat zij, tegen haar zin, naar het ouderlijke huis terug. De ‘Bisscop’ verkondigt:
Vele jongelingen gaan naar den tempel, maar een engel heeft verkondigd, dat hij, ‘die sijn rijsken bloyende sal bringen’, dus wiens dorre staf zal gaan bloeien, de bruidegom zal zijn. Dat wonder geschiedt met den staf van den nederigen Jozef en Maria wordt hem tot vrouw toegewezen. |
1) verlossen
2) toeven
|
|
God zendt Gabriël naar Nazareth, om aan Maria te verkondigen:
Gabriël vervult zijne taak en een ‘na prologhe’ besluit het misterie. In die ‘na prologhe’ wordt evenals in den proloog vermeld, dat het volgende jaar de tweede Bliscap zal worden opgevoerd en zoo verder tot de zevende toe. De stad Brussel had tot die opvoeringen last gegeven. Ook in De eerste bliscap heeft men ten onrechte navolging van andere drama's willen zien 1) . Bij groote overeenkomst met het Maastrichtsche misterie vindt men toch belangrijke punten van verschil in De eerste bliscap van Maria. Het Latijn der liturgie is hier geheel verdwenen en de duivelen spelen een veel belangrijker rol, die zelfs hier en daar het comische nadert. Wij zullen later de comische duivels in al hunne kracht zien. De personificaties ‘Bitter ellende’, ‘Innich Gebet’, ‘Ontfermicheit’, enz. zijn verder hier met meer voorliefde behandeld; dat wijst op een later tijdperk van de dramatische poëzie. En over het algemeen sluit het Maastrichtsche Paaschspel zich veel nauwer bij het bijbelverhaal aan dan De eerste bliscap, die wel de Maria-legenden volgt, maar toch veel oorspronkelijks bevat. Beide misteries hebben een oud-testamentisch voorspel. In het Passie-spel bestaat dat uit de schepping der wereld, den opstand en val van Lucifer, de verzoeking in het paradijs en het verdrijven van het eerste menschenpaar, het pleidooi van Barmhartigheid en Rechtvaardigheid en de voorspellingen der profeten. In De eerste bliscap is het voorspel veel uitgebreider 2) ; het bevat: I. Zondenval en straf. (Vóór de Wet.) De verleiding van Eva en Adam door ‘Tserpent’ op bevel van Lucifer en ‘Nijt’, hun aanklagen van Adam bij God, Adam's dood en Seth's tocht naar het paradijs. II. (Onder de Wet.) Het ongeluk der vaders in de hel en hunne profetieën. Het pleidooi in den hemel. Twee gedeelten van die oud-testamentische voorspelen danken hun oorsprong aan de liturgie van den kerstnacht 3) . In de dagen, die aan het kerstfeest voorafgaan, werden in de kerken vele profetieën gelezen aangaande de geboorte van Jezus; dat geschiedde vooral in de tweede nocturn van dien dienst. En de laatste psalm van die nocturn was de 85ste, waarin de woorden voorkomen: de ‘goedertierenheid en waarheid zullen elkander |
1) Vgl. Galleé, t.a.p., blz. 93-103, en de bestrijding bij Wybrands, t.a.p., blz. 226-228.
2) Uitvoerig daarover bij Wybrands, blz. 223, 224.
3) T.a.p., blz. 230, 231.
|
|
ontmoeten, gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.’ Aan het voorlezen der profetieën en het zingen van psalm 85 zijn profeten-spel en pleidooi in den hemel hun oorsprong verschuldigd. Oppervlakkig schijnt het, dat misteries als het Passie-spel en De eerste bliscap uit de meest heterogene bestanddeelen zijn opgebouwd, maar een weinig nadenken brengt tot de overtuiging, dat in hen eene grootsche gedachte gedramatiseerd is, nl. de verlossing van het menschdom uit de ellende, die het zich door eigen schuld heeft berokkend. Niet alle misteries hebben zulk een ruimen grondslag als de twee, die boven werden besproken. De sevenste bliscap van Maria 1) , het laatste misterie van de serie, die te Brussel werd opgevoerd, is veel eenvoudiger van bouw en samenstelling dan De eerste bliscap. Het schijnt, dat beide drama's van denzelfden schrijver zijn 2) ; misschien had hij dus ook de vijf andere Bliscape geschreven. De ‘Naprologhe’ van De sevenste bliscap geeft de onderwerpen van al de zeven misteries op:
Van De sevenste bliscap is de hemelvaart van Maria het onderwerp. Het misterie heeft geen voorspel - waarschijnlijk evenals de vijf er aan |
1) Uitgegeven op last der Kon. Vlaamsche Acad. voor Taal- en Letterk. door K. Stallaert, Gent, 1887.
2) T.a.p., blz. XV.
3) nut, voordeel
4) zoodanig
5) ontstellen
|
|
voorafgaande drama's - en terecht; zondenval, profetenspel, pleidooi, enz. behooren slechts bij het eerste drama van zulk eene serie als deze. De korte inhoud is aldus. Sint Jan (de apostel Johannes) bezoekt Maria na den dood van Jezus, troost haar en biedt haar zijn huisje aan bij den berg Sion. Joden klagen, dat Maria door het bezoeken van de plaatsen, waar Jezus heeft geleden, het nieuwe geloof ingang zal doen vinden, maar de ‘potestaet’ wil haar niet lastig vallen. God zendt Gabriël naar Maria, om haar te verkondigen, dat zij binnen drie dagen zal sterven en ten hemel zal worden gevoerd. Johannes predikt het Christendom te Ephesus; twee engelen wikkelen hem in een kleed en voeren hem weg naar Maria, die vóór haar dood de apostelen nog gaarne eens wil zien; de Ephesiërs spreken over de nieuwe leer en verwonderen zich over de plotselinge verdwijning van Johannes. Deze verhaalt Maria, wat met hem gebeurd is, en treft bij hare woning ook de andere apostelen aan, die op dezelfde wijze uit verre landen tot haar zijn gebracht. Lucifer beveelt de duivels de ziel van Maria te halen; zij eischen haar lichaam van Michaël, die eerst met hen redeneert en ze dan wegjaagt. God maakt ‘sinen hemelscen heere’ bekend met de eer, die hij Maria heeft toegedacht. Maria hoort de stem van haren Zoon, neemt afscheid van de apostelen en sterft. Als haar lichaam op de baar geplaatst is, spreken de apostelen er over, waar zij begraven zal worden, maar God wijst zelf de plaats aan. Zij wordt weggedragen onder gezang, ‘ende dinglen in den trone selen oec singen ende orglen’. De Joden zijn boos; zij willen, dat het lijk verbrand zal worden, opdat men er later geene reliquieën van zal toonen; de ‘potestaet’ geeft bevel, dat men zich zal wapenen, verbiedt de apostelen te zingen en wil de kist aanvatten. Maar plotseling worden alle Joden met blindheid geslagen. Na de begrafenis gaan de apostelen naar het graf en vinden het ledig. Zij danken God en gaan terug naar de landen, vanwaar zij gekomen zijn. Uit den inhoud van De sevenste bliscap van Maria blijkt, dat dit misterie in alle opzichten veel eenvoudiger is dan de beide anderen, die boven werden besproken. De handeling wordt niet ingeleid door een voorspel, dat somtijds de helft van het geheele drama inneemt, en de feiten, die hier gedramatiseerd worden, vallen binnen eene tijdruimte van slechts enkele dagen. Verder ontbreekt het comische element geheel. De sevenste bliscap, en waarschijnlijk dus ook de zes vorige misteries, is lang in eere gebleven; in 1559 en 1566 is het nog te Brussel vertoond, maar met vele uitlatingen 1) . Van veel kleiner omvang dan de drie misteries, van welke de inhoud werd |
1) Vgl. Stallaert, blz. IV en V.
|
|
meegedeeld, is Het spel van de V vroede ende van de V dwaeze maegden 1) , in het begin der 16de eeuw geschreven en ontleend aan Mattheus, XXV, 1 - 14. Het handschrift werd gevonden in een klooster te Oudenaarde en het drama is zeker in die stad opgevoerd. Na den proloog, die aldus begint:
treden de vijf vroede maagden, Vreese, Hope, Caritate, Gheloove en Ootmoedicheit op, getuigen van hare nederigheid en godsvrucht, ‘keeren (sich) ten devoten ghebeden’ en maken plaats voor Tytverlies, Roeckeloose, Hoverdie, Ydelglorie en Zottecollacie, de dwaze maagden. Deze komen wafelen eten bij Tytverlies, ‘maken goede chiere’, praten over kleeren en zingen liedjes. Na haar vertrek steken de vroede maagden hare lampen aan en gaan slapen vóór haar huis; ‘die dwase maeghden bringhen lampten met cleene lichte’; ook zij gaan slapen ‘neffens de vroede ende haer lampten falgieren’ 3) . Zij worden wakker door een luid gerucht en eene stem, die zegt:
De dwaze maagden wenden zich tot de vroede om olie, maar deze weigeren, ‘gaen den brudegoem teghen’ en knielen. Hij heft ze op, zet haar een kroon op het hoofd, ‘steect haer een vingherlinc an de hant’ en, nadat eenige kerkliederen gezongen zijn, ‘gaen de vroede voer den brudegoem zitten op et bancsken’ vóór den hemel. Lucifer en Scerponderzouc verheugen zich over de vangst, die zij zullen doen. De dwaze maagden hebben olie gekocht en keeren met brandende lampen terug; zij knielen ‘voer hemelryc’ en wenschen binnengelaten te worden, maar de bruidegom wijst ze een voor een af. Terwijl zij klagen en jammeren, komen de duivels, Lucifer, Scerponderzouc, Quadenraet en Pelsabuic en sleepen ze weg, steeds dreigende met de afschuwelijke straffen, die haar te wachten staan. Na de ‘Conclusie’, die eene verontschuldiging bevat voor ‘de simpelheden onser spelen’ en den raad:
|
1) Naer een Handschrift van het begin der XVe eeuw. (Maetschappy der Vlaemsche bibliophilen. 2e serie. - No. 6). Gent, z.j.
2) missen
3) bezwijken, uitgaan
4) verghevere?
5) u
|
|
‘gaen zy met vreughde huut: Onsen Heere voren metten inghelen ende Maria daer naer metten maeghden, ende men draeght haren mantel.’ Het tooneel met de duivels, zoo weinig in overeenstemming met de laatste woorden der gelijkenis, hoorde van oudsher thuis in de drama's over dit onderwerp. In het oudst bekende liturgische drama, de Sponsus, dat uit de 16de eeuw dagteekent en deels in het Latijn, deels in oud Provencaalsch is geschreven, leest men aan het slot de tooneelaanwijzing: ‘Nu moeten de Duivelen haar vatten en haar in de hel werpen’ 1) . Wanneer men die kleine aanwijzing vergelijkt met het uitvoerige tooneel, waarin de half comische, half afschuwelijke duivels in ons ‘spel’ de de dwaze maagden dreigen en wegsleuren, bespeurt men weer, op welke wijze het misterie gegroeid is uit het liturgisch drama. Met Het spel van de V vroede ende van de V dwaeze maegden staan wij reeds aan het begin der 16de eeuw, dus eigenlijk in een nieuw tijdperk. Uit dienzelfden tijd zijn nog enkele misteries te bespreken; dat kan echter met een enkel woord geschieden. In een Spel van sinnen van Lazarus doot ende hoe dat Christus hem opwekte, dat uit de eerste helft der 16de eeuw dagteekent, vindt men reeds toespelingen op de hervorming 2) ; het stuk is niet uitgegeven, evenmin als Van Sint Jans onthoofdinghe, dat van eenige jaren later dateert 3) . Beide misteries zijn geschreven door leden van Amsterdamsche rederijkerskamers en schijnen van weinig belang te zijn. Dat is alles, wat ons van het groote aantal misteries, in de Nederlanden opgevoerd, is overgebleven. Dat aantal is zonder eenigen twijfel verbazingwekkend geweest. De Verrisenisse, die in 1479 te Deinze werd vertoond, zal wel hetzelfde misterie zijn als dat, hetwelk daar in 1400 is opgevoerd, alleen grooter en meer uitgewerkt, maar het drama was natuurlijk weer zeer verschillend van De Verrisenisse, die in 1411 en volgende jaren te Damme ten tooneele werd gebracht. Men mag gerust aannemen, dat elke stad en elk dorp van beteekenis, althans in de Zuidelijke Nederlanden, zijne eigen misteries bezat voor de groote kerkelijke feesten. En nu zijn slechts van enkele plaatsen de stadsrekeningen uit de 14de en 15de eeuw bewaard gebleven; o.a. missen wij de bescheiden uit al de groote Vlaamsche steden en moeten ons tevreden stellen met de enkele opgaven, die boven zijn meegedeeld. Men zou het ons bekende totaalcijfer der vertooningen althans met 100 moeten vermenigvuldigen, |
1) Vgl. De Julleville, I, blz. 35.
2) Vgl. Trou moet blycken. Tooneelstukken der zestiende eeuw, voor het eerst naar de handschriften uitgegeven door Dr. G. Kallf. Groningen, 1889, blz. XIV-XVI.
3) Vgl. Dr. G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde in de 16de eeuw. Leiden, I, 1889, blz. 218.
|
|
om eenigszins een denkbeeld te geven van de liefde voor misteries, die in de latere Middeleeuwen zoowel spelers als toehoorders bezielde. En dat is niet vreemd. De kring van denkbeelden, waarin men leefde, was zeer beperkt, en nu zag men het belangrijkste, dat men geleerd had, op levendige wijze vertoonen met al de pracht, waarover de geestelijkheid, geestelijke broederschappen en andere corporaties konden beschikken. Zoo ooit, dan was bij dit genre van dramatische poëzie het aangename gepaard aan het nuttige. De toehoorders werden gesticht, zij kregen aanschouwelijk onderwijs in de bijbelsche geschiedenis en zij vermaakten zich kostelijk. Het eigenaardige van deze dramatische poëzie is, behalve de bepaalde soort van onderwerpen, het wonderbaarlijke, de dikwijls lange duur der handeling van het drama en het groot aantal plaatsen, waar die handeling speelt 1) . Het wonderbaarlijke en bovennatuurlijke is overal in het misterie en vormt er den grondslag van. Hemel- en helbewoners grijpen voortdurend in bij het leven en de lotgevallen der menschen op aarde. ‘De grond van elk misterie is altijd het lot eener menschelijke ziel, of van het menschdom in zijn geheel, die de duivel aan God betwist.’ Wat den tijd der handeling betreft, omvat het misterie somtijds duizenden jaren; het aantal plaatsen, waar de handeling speelt, is zeer groot; het aantal personen, dat optreedt, somtijds onbeperkt. Naast het wonderbaarlijke en bovennatuurlijke staat dikwijls eene zeer platte schildering van het dagelijksch leven, waarbij het comische volstrekt niet is uitgesloten. De meeste misteries worden ingeleid door een proloog, die eene aanroeping bevat van God, Christus of Maria, de aanleiding meedeelt voor de opvoering en den korten inhoud van het stuk opgeeft. Aan het slot van den proloog vindt men eene aansporing om te zwijgen en te luisteren. De misteries waren niet in bedrijven en tooneelen verdeeld, de grootere echter in dagen. De Passie Ons Liefst Heeren, in 1505 voor het eerst te Oudenaarde vertoond, duurde vier middagen 2) , de zeven bloedsturtinghen van Onsen Heere, in 1524 in dezelfde stad opgevoerd, twee dagen 3) , dhistorie van den eersten doetslaghe, ghesciet tusschen Cayn ende Abel (1531) nam ‘twee achternoenen’ in beslag 4) , Joseph den Droomer (1532) was in twee deelen verdeeld en werd op twee achtereenvolgende dagen gespeeld 5) , enz. Van de zeven bliscape van Maria, die één afgerond geheel vormden, werd er jaarlijks slechts één ten |
1) Zie voor het volgende De Julleville, I, blz. 242, vlgg.
2) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 18.
3) T.a.p., blz. 29.
4) T.a.p., blz. 33.
5) T.a.p.
|
|
tooneele gebracht. Het valt trouwens te betwijfelen, of in de Nederlanden sommige misteries zulk een reusachtigen omvang hebben gekregen als in Frankrijk; van een paar Fransche misteries wordt nl. bericht, dat de opvoering niet minder dan 40 dagen duurde 1) . Het misterie eindigt met een epiloog, in de drie drama's die wij over hebben ‘na prologhe’ of ‘conclusie’ genoemd. Deze bevat eene opwekking tot deugd en meermalen eene ‘captatio benevolentiae’ voor de spelers; het slot is altijd stichtelijk. Dat in vele misteries allegorische figuren voorkomen, zagen wij boven; uit dat feit kan men het ontstaan der moraliteiten verklaren. Bijna al de personen van Het spel van de V vroede ende van de V dwaeze maegden dragen b.v. de namen van menschelijke eigenschappen en gewaarwordingen. Anachronismen zijn niet zeldzaam; Vergilius en een bisschop passen b.v. weinig in de omgeving, waarin zij hier geplaatst zijn. Comische figuren komen in onze misteries weinig voor; alleen de duivels spelen nu en dan de rol van clown met hunne vreemde uitroepen en bokkesprongen. ‘Evenals in het geheele leven der Middeleeuwen deden zij ook hier lachen en maakten zij bang. Men jouwde hen uit en vreesde hen. Het was de eeuwig verwonnene, steeds herboren na zijne schande en zijne nederlaag, om een onbeslisbaren kamp tegen den mensch te hernieuwen. Men wreekte zich, door hem te bespotten, wegens den haat en den angst, die hij inboezemde, maar men lachte om hem, evenals een bang kind, trillend van angst, in de duisternis lacht om spoken. De man uit het volk lachte om hunne afschuwelijke horens, hunne zwarte gezichten, hunne gespleten hoeven, maar hij meende toch achter hen Lucifer te zien, die hem bespiedde en het gunstig oogenblik afwachtte, dat hij eene groote zonde bedreef, om hem in de hel te sleepen’ 2) . De enkele comische tooneeltjes benadeelen echter evenmin den hoogen ernst der misteries als de aardigheden van den zot het tragische in de meesterwerken van Shakespeare. |
1) Vgl. De Julleville, t.a.p., blz. 245, Noot.
2) T.a.p., blz. 271. Uitvoerig handelt over den duivel in misterie en mirakelspel E. Soens, De rol van het booze beginsel op het Middeleeuwsch tooneel, Gent, 1893.
|
III. Heiligenspel en mirakelspel.Naast de misteries kwamen al spoedig de heiligenspelen op. Het aantal heiligen der katholieke kerk had zich allengs zeer uitgebreid; de eerbied, hun bewezen, was groot en het aantal kerkelijke feestdagen, aan hen
gewijd, nam steeds toe. De geschiedenis van hun leven, van hun strijd en lijden voor het geloof was niet alleen in deftig Latijn opgeteekend, maar zij waren ook de helden geworden van allerlei volkslegenden. Het is dus niet vreemd, dat zij, naast Jezus en Maria, ook de helden werden der dramatische poëzie. De drama's, in welke zij de hoofdrol vervulden, werden dikwijls opgevoerd op hun naamdag in of bij de kerk, die aan hen was gewijd. Somtijds ook werden zij vertoond door eene geestelijke broederschap, die den heilige tot patroon had. De titels van verscheidene heiligenspelen zijn ons bekend uit oude stadsrekeningen. In 1409 werd te Thielt De passie van Sente Aechten vertoond, in 1494 de Hystorije van Sente Gommaren, in 1510 het spel van Sente Pieter, in 1519 het Spel van Sente Godelieve, in 1520 het Spel van mijn heere Sente Sebastiaen, in 1524 en 1543 de Legende van Sente Corijn (Quirinus), in 1527 en 1547 de Legende mijns heeren Sente Jooris 1) . In 1441 speelde men te Lier tspel van Sinte Barbelen, in 1442, 1462, 1475, 1479 en 1480 Ste Gommares spel, in 1547 van Emerentiana 2) . Te Oostduinkerken werd in 1451 de Passie van St. Sebastiaen opgevoerd 3) , te Deinze in 1483 van Sente Margrieten 4) , te Leuven in de St. Jacobs-kerk in 1483, 1485 en 1486 een St.-Jacops spel 5) , te Mechelen in 1494 van St. Rombaut 6) , te Oudenburg in 1499 het spel van Sinte Aernout 7) , te Veurne in 1550 de legende en de passie van Sinte Godelieve 8) , enz. Andere drama's hadden een of ander mirakel, meestal van Maria, tot onderwerp. In 1427 werd te Oudenaarde gespeeld van den miracle van Cambroen 9) , in 1450 te Thielt 't spel van den Smet (smid) van Cambroen 10) en in hetzelfde jaar te Eeclo de Miracule van Onser Vrauwen van Cameroene 11) , dat ook in 1561 te Mechelen werd opgevoerd 12) ; in die mirakelspelen werd dus dezelfde stof behandeld. In 1436 voerde men te Deventer een Teofilus Spull op 13) , in 1483 te Deinze het spel van Thehouffelluse 14) . Een Spel van den Helighen Cruce werd in 1505, 1541 |
1) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 24, 49, 56, 63, 66, 67, 103, 69, 105.
2) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 291, 292, 294, 295, 297, 298, 305.
3) Vgl. Van der Straeten, t.a.p., II, blz. 178.
4) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 12.
5) T.a.p., III, blz. 36.
6) Vgl. Van Melckebeke, blz. 20.
7) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 210. - Misschien was ook het spel van Arnoute, in 1431 te Deinze gespeeld (vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 11) een heiligenspel.
8) Vgl. Van der Straeten, I, blz. 144.
9) Vgl. Belgisch Museum, VI, blz. 385.
10) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 32.
11) T.a.p.
12) Vgl. Van Melckebeke, blz. 22.
13) Vgl. Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, V, blz. 59.
14) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 12.
|
|
en 1542 te Thielt 1) en in 1558 te Rousbrugge-Haringhe opgevoerd 2) , een Spel vande Invencio vanden Heleghen Cruce in 1521 te Thielt 3) , misschien hetzelfde als dat van 1505. Ook het aantal heiligen- en mirakelspelen is, evenals dat der misteries, zeer groot geweest, vooral in de Zuidelijke Nederlanden, die tijdens de Middeleeuwen de Noordelijke op elk gebied, ook op dat der letterkunde, ver vooruit waren. Wat er van deze soort van drama's tot ons is gekomen - twee heiligenspelen en twee mirakelspelen - is van vrij jongen datum, maar het geeft ons toch een duidelijk beeld van den bouw en de samenstelling dezer stukken. Een scoon spel van Sanct Jooris is ons overgeleverd in een handschrift uit de eerste helft der 16de eeuw 4) ; óf het spel is ouder, óf het is zeker niet in eene groote stad vertoond, want het is wel heel eenvoudig. Een koning en eene koningin uiten de droevigste klachten; een draak ‘vul van tempeeste’ teistert het land en verslindt de bewoners; door hem hebben ‘meer dan dusent dlijf verlooren’. Er is besloten, ‘dat men daghelicx tlot werpen soude’, wie den draak geofferd zal worden, en nu is dat lot aan de eenige dochter van het vorstenpaar ten deel gevallen. Klagende brengen de ouders hun kind, dat ‘een onnosel lammeken’ meevoert, weg en nemen afscheid van haar, terwijl het meisje hun moed inspreekt. Als de ‘Maghet’ en het lammetje ‘verbeiden die bitter doot’, treedt Sinct Jooris op; hij bidt, ziet het meisje, spreekt haar aan en hoort, waarom zij daar wacht. Wanneer zij ‘Christum diende ende heerde’, dan zou zij wel beschermd worden, zegt Sinct Jooris en vertelt haar iets van het Christendom en van zich zelf. Het meisje roept nu God en Maria aan, Jooris bidt eveneens, overwint den draak en bindt hem met een ‘gordelken’. Nu keeren zij samen terug naar den ‘Coninck’ en de Moeder, die vol vreugde het Christendom omhelzen. Het spel telt slechts 297 versregels. Het Spel van Sint Trudo 5) is tusschen 1533 en 1558 geschreven door Christiaen Fastraets, een monnik, die te Leuven woonde 6) ; het heeft de levensgeschiedenis van een Luikschen edelman uit de 7de eeuw tot |
1) T.a.p., blz. 54, 102, 103.
2) Vgl. Van der Straeten, II, blz. 199.
3) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 66.
4) Het bevindt zich in de Kon. Bibl. te Brussel, no. 16912 en 16913 van den catalogus der Hss. Vgl. over het Hs., Dr. P. Leendertz Jr. in Tijdschr. voor Nederl. Taalen Letterk., 1901, blz. 59-63. Dr. Leendertz, die een afschrift van het spel gemaakt heeft, was zoo vriendelijk mij dit ter inzage te geven.
5) Afgedrukt bij Dr. G. Kalff, Trou moet blycken, blz. 81-211.
6) Vgl. F. Mone, Uebersicht der Niederländischen Volks-Literatur älterer Zeit. Tübingen, 1838, blz. 357, 358.
Het stuk is in 1565 in het Latijn vertaald (vgl. Kalff, t.a.p., blz. IX-XI). |
|
onderwerp. Het spel is in twee deelen verdeeld, die in twee achtereenvolgende jaren werden vertoond. In het eerste deel ziet men het doopen van Trudo, den zoon van Wilboldus, graaf van Haspegouwe, daarna het bouwen van eene kerk door hem in zijne jongelingsjaren, terwijl Iesabel, ‘een quaet wyff’ dat tracht te verhinderen, doch met blindheid gestraft en door een gebed van Trudo weer genezen wordt. Dan beveelt God door een engel Trudo naar Remaclus, den bisschop van Tongeren, te gaan, die hem naar Glodulphus, bisschop van Metz zendt. In die stad doet Trudo afstand van zijn vermogen aan eene kerk en neemt zich voor priester te worden. - De wijding tot priester wordt in het tweede deel zeer uitvoerig vertoond. Vervolgens reist Trudo naar Tongeren en vandaar naar Haspegouwe, ‘daermen d'affgoden noch viert’, om er het Christendom te prediken. Velen laten zich bekeeren en zelfs edellieden trekken het geestelijke kleed aan. Trudo doet wonderen en sterft; de engelen ‘singhende, houden syn ziele tusghen hun handen, dats te wetene een clyn kindeken, ghemaeckt oft levende waer, heel bloet en naeckt’. De duivels Lucifer, Baalberith en Leviathan, vooral de twee laatsten, spelen in het spel eene belangrijke, voor een deel comische, rol. Zij verschijnen telkens ten tooneele, stoken iedereen op tegen Trudo, schelden elkaar uit, vechten samen en geven daardoor eene zeer gewenschte afwisseling van de lange gebeden en plechtigheden. Evenals in de misteries doen ook in deze spelen de duivels hun best, om de belangstelling der toeschouwers levendig te houden. Hetzelfde doel streven zij na in tspel vanden Heiligen Sacramente vander Nyeuwervaert 1) , waar zij ‘Sondich Becoren’ en ‘Belet van dueghden’ heeten. De dichter van het spel, dat o.a. in 1500 op Sint Jan te Breda werd vertoond 2) , heette Smeken; het stuk heeft den volgenden inhoud. Jan Bautoun, die aan het spitten is, vindt onder den grond het sacrament; als hij het opraapt, gaat het bloeden en hij laat het van schrik vallen. Een paar vrouwen, die dat gezien hebben, waarschuwen den ‘Prochiaen’ en deze brengt het naar de dorpskerk. De advokaat Macharius, door den bisschop van Luik gezonden, gelooft niet aan het wonder, maar als hij het sacrament vijf malen met een ‘griffie’ heeft aangeraakt, begint het uit vijf wonden te bloeden. Een Brabantsch ridder, Here Wouter van Kersbeke, wordt met zijn gevolg na hevigen strijd gevangen genomen door de ‘Sarazinen’; zij moeten er met boonen om loten, wie van hen het eerst verbrand zal worden. Heer Wouter |
1) Uitgegeven door Dr. C.R. Hermans, t.a.p., blz. 11-96, door Dr. E. Verwijs, Leeuwarden, 1867, en door Dr. H.E. Moltzer, t.a.p., blz. 419-495.
2) Vgl. Hermans, t.a.p., blz. 199, 200.
|
|
roept het sacrament aan en trekt den witten boon; zijn schildknaap wordt gedood. Spoedig kan hij naar Brabant terugkeeren en het sacrament dank zeggen voor zijne redding. Jonker Jan grave van Nassouwen, krijgt van den bisschop van Luik het verlof ‘te doen halene dat heilich Sacrament’ naar zijne stad Breda, waar het allerlei wonderen doet. De voorstelling van den strijd tusschen den ridder en de Sarracenen met hun voortdurend aanroepen van ‘Mamet’ voert den toeschouwer geheel en al in de ridderlijke omgeving der helden van de abele spelen. Hoe vreemd ook tspel vanden Heiligen Sacramente in elkaar is gezet, toch zal het door de afwisseling van tooneelen en het schilderen van plaatselijke toestanden te Breda zeker zeer zijn toegejuicht. Een tweede mirakelspel is Mariken van Nimmegen, dat ons echter in eene jongere redactie ter hand is gekomen dan het stuk oorspronkelijk had en wel in den vorm van een volksboek uit het begin der 17de eeuw 1) . In dat volksboek is waarschijnlijk één en ander uit het oorspronkelijke stuk weggelaten en is daarvoor proza in de plaats gekomen, dat den indruk maakt van verklaring of tooneelaanwijzing, maar in elk geval is verreweg het grootste gedeelte van den dialoog in verzen bewaard gebleven. Dat die verzen niet al te zeer afwijken van die in het oorspronkelijke spel, daarvoor staat de taaie levenskracht van volksboeken ons borg. De geschiedenis van Mariken speelt ‘in den tijden, dat Hertoch Arent van Gelre te Grave gevanghen wert gheset van sijnen sone, Hertoch Adolf’, dus in 1465 en volgende jaren; het spel zal ongeveer in 1500 zijn gedicht. Heer Gijsbrecht, een devoot priester, die in de buurt van Nymegen woont, zendt zijn nichtje Mariken naar de stad om inkoopen te doen. Als het meisje hare boodschappen heeft gedaan is het avond geworden en te laat om terug te keeren; zij vraagt hare moei, die in de stad woont, of zij bij haar mag overnachten, maar de feeks weigert en scheldt haar uit. Schreiende verlaat Mariken de stad en zinkt wanhopig neer bij eene heg:
|
1) Vgl. Marieken van Nijmegen; eene Nederlandsche volkslegende uit de 16e eeuw; met eene inleiding, woordverklaring, en aanteekeningen. 's Gravenhage, 1854. Dr. J. van Vloten bezorgde de uitgave naar een Utrechtschen druk van 1608, terwijl ook in 1854 Ph. Blommaert het stuk uitgaf naar een Antwerpschen druk van 1615.
Het volksboek zelf heeft den titel: Een schone Historie ende zeer wonderlijke ende waerachtighe Gheschiedenisse van Mariken van Nimmegen; hoe sy, meer dan seven jaren, met den duyvel woonde ende verkeerde. Vgl. over het verschil tusschen den Utrechtschen druk (1608) van het boekje en den Antwerpschen (1615), Van Vloten, t.a.p., blz. IX en de Aanteekeningen. Zie den titel der Engelsche vertaling, t.a.p., blz. XIII. |
|
Natuurlijk wordt die noodkreet gehoord door ‘den Vyant, die altijt zijn stricken ende netten spreyt’; hij spreekt Mariken aan en belooft, als zij met hem gaat, haar te zullen leeren
De duivel noemt zich Moenen en Mariken vreest wel, dat hij ‘de Vyant van der hellen’ is, en heeft er erg veel tegen, haar naam in Emmeken te veranderen en te beloven, dat zij zich niet meer zal ‘segenen’, maar zij gaat toch met Moenen mee naar's Hertogenbosch, ‘daer sy sommige dagen bleven, terende seer rijckelijc’. Heer Gijsbrecht informeert te Nymegen, waar zijn nichtje gebleven is, en wordt onvriendelijk behandeld door zijne zuster. Deze maakt zich vervolgens zoo boos, omdat de oude hertog uit de gevangenis ontslagen is, dat zij zich, op aansporing van den duivel, dien zij aanroept, doodt. Moenen en Mariken reizen naar Antwerpen; in eene herberg, waar zij met anderen zitten te drinken - een aardig tooneeltje - wordt door toedoen van Moenen één der gasten gedood en ook verder wordt er door hem allerlei kwaad bedreven. Zoo gaan er zes jaren voorbij, waarin ‘wtermaten veel quaets door hen geschiede’, en Mariken, die somtijds gewetenswroeging heeft, weet Moenen te overreden, naar Nymegen terug te keeren. Zij komen daar aan op ‘Ommegancx-dach’, terwijl ‘tspel van Mascheroene’, een wagenspel, wordt opgevoerd. Mariken wil, zeer tegen den zin van Moenen, het spel zien; zij ‘wert haer sondich leven bedenckende’ en, als Moenen haar mee wil nemen, weigert zij en blijft luisteren. Dan grijpt hij haar aan, draagt haar in de lucht ver boven de huizen, ‘dattet haren oom ende alle die lieden saghen’, en werpt haar op den grond, om haar te dooden. Menschen komen toeloopen; heer Gijsbrecht herkent zijne nicht en Mariken vertelt hem hare lotgevallen en haar voornemen, om zich te beteren. Gijsbrecht tracht voor haar absolutie te verkrijgen, maar geen priester durft haar die geven; hij reist met Mariken naar Keulen, terwijl Moenen den reizigers allerlei hinderpalen in den weg legt, maar ook de bisschop kan haar niet helpen, ‘want die sonden so onmenschelijc ende groot waren’, en dan wordt de tocht naar Rome aanvaard. Mariken biecht den paus hare zonden en deze zegt tot haren oom: |
1) grootsten
2) stijf
|
Mariken reist terug, wordt non in een klooster te Maastricht en leeft ‘so heylichlijc’, dat een engel haar, terwijl zij slaapt, de ringen afdoet. Mariken van Nimmegen is, zelfs in den verminkten vorm, waarin het tot ons is gekomen, een zeer belangwekkend en zeer onderhoudend mirakelspel, vol levendige tooneeltjes. Het verschilt in zooverre van andere drama's van dien aard, dat de duivel, Moenen, wiens naam misschien van daemon is af te leiden, er eene grootere rol in speelt, al komt ook zijn conversitietoon overeen met dien van Baalberith, Leviathan, ‘Sondich Becoren’ en ‘Belet van dueghden’. In het drama zelf, zooals het ons is overgeleverd, komen geene hemelsche personen voor -waarschijnlijk echter in het oorspronkelijke stuk een engel aan het einde - maar zij treden wel op in het wagenspel, waarvan men een gedeelte ziet vertoonen. Over dit spel van Mascheroene nog een enkel woord. Op twee plaatsen is een fragment er van in het heiligenspel ingelascht en wij hebben hier zeker één der oudste voorbeelden van het vertoonen van een drama in een drama. Masscheroen, ‘Advocaet van Lucifer’, vraagt God (d.i. Christus), waarom deze een misdadig mensch vergiffenis schenkt, wanneer hij berouw heeft, terwijl ‘arme geesten, die noyt en misdaden, Dan met eenen gepeyse cort, Sijn daeromme in den afgront gestort.’ God antwoordt, dat het berouw moet komen vóór den dood. Vroeger was er rechtvaardigheid, meent ‘Lucifers Procureur’, maar nu wordt elke misdaad vergeven. God antwoordt, dat zijn dood daar de oorzaak van is. Maria wil, dat God meer boden van ongeluk zal zenden, maar God zegt, dat de menschen ‘hoe meer sy geplaecht sijn, hoe sy meer wreeden 1) ’. Masscheroen dringt aan op ‘consent’, om de menschen voor hunne misdaden te kastijden, en God denkt er over, dat te geven, terwijl Maria hem er van wil terughouden. Dat is in het kort de inhoud van het tusschenspel. Tot welke rubriek tspel van Mascheroene, dat zijn naam aan een duivel ontleent, behoort, is moeilijk te zeggen. De wetenschap, dat een apel van denzelfden titel in 1475 op den derden Paaschdag te Deinze is vertoond 2) , brengt ons niet veel verder. Wel is Maskaroen - de naam schijnt aan het Italiaansch te zijn ontleend 3) - de procureur van den |
1) boos worden
2) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 11.
3) Mascherone beteekent: groot masker, momaangezicht, groteske figuur als versiering; die laatste beteekenis heeft ook het Fransche mascaron. Het fr. werkwoord maschurer beteekent: bevlekken, bevuilen, zwart maken, het fr. substantief mascarure: masker.
|
|
duivel, één der hoofdpersonen in een paar der vele Satansprocessen, die in middeleeuwsche gedichten zijn beschreven en komt hij o.a. voor in Maerlant's Merlijn 1) . Het heiligenspel en het mirakelspel bewegen zich in een geheel anderen kring dan het misterie. In het misterie worden de lotgevallen en het lijden van Jezus en Maria voorgesteld, grijpt God telkens in als de grootsche macht, die alles bestuurt en regelt, en wordt de toeschouwer door het zien en hooren der bijbelsche figuren uit het Nieuwe en Oude Testament verplaatst in eene wereld, die hem in alle opzichten van heiligen eerbied en ontzag vervult. Maar in mirakel- en heiligenspel treden voor het meerendeel menschen op van vleesch en bloed, menschen van dezelfde beweging en uit dezelfde kringen als de toeschouwers van het spel. Alleen het wonderbaarlijke van het ingrijpen eener goddelijke macht en het moedig lijden der geloofshelden geeft aan deze spelen den stempel van het godsdienstig drama. Maar naast dat belangrijke verschil is er overeenkomst tusschen beide genre's in de wijze van be |