De zestiende eeuw.Het drama der rederijkers.In het begin der 16de eeuw heerschte er groote welvaart in de Nederlanden. De macht van den adel was sterk verminderd, de invloed der geestelijkheid zeer afgenomen, de burgerstand was opgekomen. Handel, nijverheid en landbouw brachten schatten in de handen der ijverige poorters. Nederlandsche schepen voeren in grooten getale naar de havens van Italië en den Levant of doorkruisten de Noordzee voor de haringvangst, die sedert de uitvinding van het haringkaken eene goudmijn was geworden. De fabricage van wol, sedert eeuwen beoefend, had een reusachtigen omvang gekregen en de handel in dat artikel werd steeds grooter. Centra van handel en nijverheid, als Antwerpen en Gent, namen van dag tot dag toe in bevolking, rijkdom en macht. Privileges en keuren, nu eens door den landsheer geschonken, dan weer hem afgedwongen door magistraten, die de koorden der beurs in handen hielden, hadden den grondslag gelegd voor de politieke emancipatie van den burgerstand. Met welvaart en vermeerdering van macht eener opkomende klasse gaat zucht naar beschaving en ontwikkeling onvermijdelijk gepaard. Uit den donkeren achtergrond der groote massa treedt het individu meer en meer naar voren en streeft naar het bezit van kennis, eigen oordeel en zelfstandige levensbeschouwing. In zulk een tijd van verandering en verwording viel de hervorming, die nergens zulk een vruchtbaren bodem vond als hier te lande. De ontzaglijke worsteling tusschen het onbeperkte gezag der moederkerk, gesteund door de absolute monarchie, en vrijheid op staatkundig en godsdienstig gebied heeft plaats gegrepen in deze lage landen aan zee. In de eerste helft der 16de eeuw komt het onweer langzaam op, in het tweede gedeelte woedt het op ontzettende wijze in de Zeventien Provinciën, om daarna langzaam af te trekken. De 16de eeuw is arm geweest aan groote kunstwerken. In een tijd van groote beroering op staatkundig en godsdienstig gebied, wordt de kunst geheel op den achtergrond gedrongen, of zij treedt in den dienst der strijdende partijen. Wij zullen weldra in de gelegenheid zijn op te merken, dat dit ook het geval is geweest met de dramatische kunst der rederijkers. I. Moraliteiten.Met den Roman de la Rose, die ongeveer in 1300 in het Nederlandsch was vertaald, had zich eene nieuwe richting in onze letterkunde baan gebroken en de allegorie hare intrede gehouden. Waarheden op zedelijk gebied en lessen van levenswijsheid werden voortaan meermalen door allegorische beelden uitgedrukt of in den mond gelegd van allegorische personen. Ook in het drama der Middeleeuwen, het misterie, had de allegorie zich eene plaats veroverd. In het Maastrichtsche Paaschspel treden bij het pleidooi ‘Barmhartigheid’ en ‘Waarheid’ op, terwijl ook ‘Ecclesia’ eene rol vervult. In De eerste bliscap van Maria beslaat het pleidooi, waarbij ‘Ontfermicheit’, ‘Gerechticheit’, ‘Waerheit’ en ‘Vrede’ spreken, niet alleen eene belangrijke plaats (450 verzen), maar komen ook nog ‘Bitter ellende’, ‘Innich Gebet’ en ‘Nijt’ voor. Het is dan ook zeer waarschijnlijk, dat de moraliteit zich ontwikkeld heeft uit het pleidooi in de grootere misteries. Het oudste allegorische drama in onze letterkunde is het abel spel vanden Winter ende vanden Somer, maar dat kan zijn ontstaan danken aan oude heidensche gebruiken. Moraliteiten zijn drama's, die eene zedelijke strekking hebben en waarin slechts allegorische figuren optreden. Het woord werd in de 16de eeuw in de Nederlanden zelden gebruikt 1) , evenals vroeger misterie en mirakelspel; men sprak van Spelen van sinne 2) . Die benaming heeft men op verschillende wijze getracht te verklaren. Allereerst door haar af te leiden van het woord sinnekens, waarmede in vele spelen twee personen worden aangeduid. Die verklaring is zonder twijfel onjuist, omdat niet alle personen van een stuk ‘sinnekens’ genoemd worden en deze eigenaardige figuren zelfs in vele zinnespelen worden gemist. Ook schijnt het gewaagd, spel van sinne te verklaren als: ‘spel van verstand, van gedachte’. Waarschijnlijk beteekent spel van sinne een spel, waarvan eene gedachte (zin), in een paar regels uitgedrukt, het onderwerp uitmaakt 3) . Nu werden ook drama's, waarin geene allegorische personen en slechts één of twee sinnekens optreden, meermalen ‘spelen van |
1) In 1450 wordt gesproken van ‘een moraliteit vander Verrisenisse Ons liefs Heeren’ (vgl. Vander Straeten, I, blz. 32, Noot), in 1544 van ‘een gheestelic Morael’ (vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 103).
2) Het woord komt reeds voor in 1448 (zie Vaderlandsch Museum, V, blz. 11.)
3) Zoo leest men: ‘Een spel van sinnen. Die sin is: hoe sommich mens al sijn goet beroeft is ende daerom bijna in desperatie is etc’, (vgl. Dr. G. Kalff, Trou moet blycken, blz. 290.)
|
|
sinne’ genoemd, waarschijnlijk omdat men aan de oorspronkelijke beteekenis van het woord niet meer dacht. Men sprak van het Spel van sinne van Charon de helsche Schippere, zooals men sprak van het esbatement den croenemente dat Ons Heere ghecrust was up den Goeden-Vridach, van het Esbatement vande Zeven Bloetsturtynghen en van het mystère de Troie en het mystère de Griseldis. Aan den anderen kant geeft deze beteekenis van het woord spel van sinne eene aardige verklaring van eene gewoonte, die in de eerste helft der 17de eeuw vrij algemeen was. Op een zeer groot aantal titels van tooneelspelen uit dien tijd leest men nl. achter den naam van het drama de woorden: Op den Regel, of Op het Spreeck-woord, of Op de Spreuck, gevolgd door een tweeregelig versje in het Latijn of het Nederlandsch, of door een enkelen zin proza. Dat versje of die spreuk bevat dan de wijze les, die de dichter met zijn drama wil geven; het is de zin van het stuk. Dat het geestelijk drama in een tijd van nieuwe denkbeelden moest wijken voor een ander genre, is niet meer dan natuurlijk. Het naieve geloof der Middeleeuwen verdween meer en meer; men ging redeneeren en bespiegelingen houden. Eeuwen achtereen had men den inhoud van het O. en N. Testament eenvoudig zien vertoonen; men bewonderde thans meer het menschelijk vernuft, dat op het tooneel redeneerde en wijze lessen gaf. Wat vroeger eene leerschool was geweest voor het geloof en de bijbelsche geschiedenis, werd er thans eene voor de moraal. Goddelijke personen, heiligen en patriarchen vervulden niet langer de belangrijkste rollen, maar de mensch, of liever de menschelijke eigenschappen. Het is dan ook niet te ontkennen, dat de populariteit, waarin het spel van sinne zich heeft mogen verheugen, op vooruitgang en ontwikkeling van de groote massa wijst. Men nam niet langer eenvoudig de traditie aan, maar begon zich van alles rekenschap te geven, in de eerste plaats van eigen doen en denken. Men zocht naar algemeene regelen van zedekunde en predikte die van het tooneel. En aan den anderen kant had de dichter geen aangewezen stof voor zijn kunstwerk, zooals bij het misterie, maar moest hij haar zoeken en zijn vernuft scherpen, om haar in te kleeden. De nieuwe beweging op tooneelgebied dringt snel door en de allegorie bloeit in de Nederlanden krachtiger en langer dan in eenig ander land. Niet alleen ontstaat een nieuw kunstgenre, maar dit werkt ook in op de reeds bestaande vormen, het geestelijk drama en de klucht. Boven werd reeds het spel van de V vroede ende van de V dwaeze maegden besproken, waarin alle veertien maagden de namen van menschelijke eigenschappen en gewaarwordingen dragen en ook een paar duivels allegorische figuren
zijn, evenals in tspel vanden Heiligen Sacramente vander Nyeuwervaert. Zoo komen ook in tspel van Maria Hoedeken van Cornelis Everaerts, dat eigenlijk een mirakelspel is, alleen allegorische personen voor, evenals in tspel vanden Wynghaert van denzelfden dichter. In de bijbelsche spelen worden de duivels vervangen door allegorische personen, de ‘sinnekens’. Zelfs de personen van de klucht worden somtijds allegorisch. In een esbatement van Everaert treden b.v. op ‘Scamel Ghemeente’, ‘Trybulacie’ en ‘de Doot’, in eene klucht, door de rederijkerskamer van Vilvoorden in 1561 te Antwerpen vertoond, ‘Veel volcx’, ‘Wellust des vleesch’, ‘Eyghen sinlijckheyt’ en ‘De vreemde werelt’. De moraliteit beweegt zich niet alleen op godsdienstig, maar ook op maatschappelijk gebied, een bewijs, dat de gezichtskring ruimer was geworden. Zij tracht eene quaestie op te lossen en antwoord te geven op de vragen: wat moet men voor waar houden, naar welke beginselen moet men zijn leven inrichten, wat is het beste, om te doen in de gegeven omstandigheden. En zij beantwoordt die vragen door allegorische personen met elkander te laten redeneeren. De moraliteit is dus didactisch van aard, maar zij wordt dikwijls satirisch, evenals de poezie van Maerlant en zijne navolgers. Want waar men eene nieuwe zienswijze ingang wil doen vinden, moet dikwijls eene andere meening bestreden worden en daartoe leent zich de satire bijzonder goed. Bovendien leverden staat, kerk en maatschappij, in vroeger tijd althans, stof genoeg voor bitteren spot. Men zou de moraliteiten in drie soorten kunnen splitsen, die welke zich aansluiten aan het vroeger geestelijk drama, die welke zich op godsdienstig en zedelijk gebied bewegen en die, waarin zaken van maatschappelijk belang worden behartigd. Maar het schijnt beter, dat onderscheid niet streng door te voeren, ook al, omdat wij uit de groote menigte spelen van sinne slechts hier en daar een greep kunnen doen. Eén der oudste en belangrijkste zinnespelen is Den spyeghel der salicheyt van elckerlijc 1) ; het werd in het laatst der 15de eeuw geschreven en heeft den volgenden inhoud. God ziet ‘wt (s)ijnen throne’, dat de zeven doodzonden machtig zijn op aarde en dat ‘Elckerlijc leeft nu buyten sorghen’. Hij zendt den Dood, om Elckerlijc aan te zeggen, |
1) Er bestaan uitgaven van het einde der 15de en het begin der 16de eeuw (vgl. Dr. H. Logeman, Elckerlijk, a fifteenth century dutch morality .... and Everyman, a nearly contemporary translation. A contribution to the History of the Literary Relations of Holland and England. Gent, 1892, blz. IX-XIV.) In onzen tijd werd het drama uitgegeven door Dr. Logeman, t.a.p., en door Dr. K.H. de Raaf, Groningen, 1897. Dr. G.D.J. Schotel heeft in zijne Geschiedenis der Rederijkers in Nederland, Rotterdam, I, 1862, blz. 30-38, voor het eerst de aandacht op het stuk gevestigd.
|
|
‘dat hi rekeninghe come doen’; deze verschrikt hevig, als hij den naam van den boodschapper hoort, belooft:
maar krijgt zelfs geen dag uitstel; wel mag hij een reismakker meenemen. ‘Elckerlijc’ verzoekt nu zijn vriend ‘Gheselscap’ met hem mede te gaan, maar deze, die hem eerst wil vergezellen, ‘al waert in die helle’, weigert, als hij hoort, wie het bevel heeft overgebracht.
Maar thans laat hij ‘Elckerlijc’ staan, die zijn troost zoekt bij ‘Maghe’ en ‘Neve’. Ook zij willen alles voor hem doen:
doch ook zij verlaten ‘Elckerlijc’, als zij hooren van de ‘pelgrimagie’, die hij moet doen. Als ook ‘Tgoet’ weigert hem te vergezellen, zoekt ‘Elckerlijc’ de ‘Duecht’ op, die ziek is, en smeekt haar:
‘Duecht’ verwijst hem naar hare zuster ‘Kennisse’ en deze brengt hem bij ‘Biechte’ ‘int huys der salicheden’. Hij volgt haar raad, doet ‘penitencie’ en geeselt zich, waardoor ‘Duecht’ herstelt. ‘Kennisse’ trekt hem ‘tcleet van berouwenissen’ aan en beveelt hem zijn
te ontbieden, die bereid gevonden worden hem te vergezellen. Maar als hij, na het sacrament ontvangen te hebben, op zijn tocht wil afdalen
verlaten allen hem, behalve ‘Duecht’ en ‘Kennisse’, die hem tot het laatste oogenblik bijstaan. Een engel zal de ziel uit het lichaam nemen, om haar naar den hemel te voeren, en in de ‘naeprologhe’ wordt de moraal van het drama nog eens in enkele versregels samengevat. De Elckerlijc sluit zich in zeker opzicht bij het misterie aan door het optreden van God en van een engel, maar de allegorie neemt hier een |
1) wijsheid
|
|
veel grooter en belangrijker plaats in dan in het geestelijk drama der Middeleeuwen. En die allegorie was zoo duidelijk en doelde op een zoo algemeen verschijnsel, de vrees voor den dood, dat het drama wel opgang moest maken. Die opgang blijkt uit drie verschillende drukken, die wij thans nog kennen 1) , en uit de vele bewerkingen, die het drama heeft ondergaan. Als dichter van Elckerlijc wordt Peter van Diest genoemd 2) waarschijnlijk dezelfde als Peter Dorland (1454-1507), een schrijver van verschillende mystieke werken 3) . Ongelukkig is het aan twijfel onderhevig, of zijn drama wel oorspronkelijk is. Er bestaat nl. een Engelsch spel van zinne, Everyman getiteld, dat bijna woordelijk met de Elckerlijc overeenkomt 4) , en men heeft de vraag gesteld, aan welk der beide drama's, het Engelsche of het Hollandsche, de prioriteit toekomt. Hoe die vraag ook beantwoord wordt 5) , het is zeker, dat het Hollandsche zinnespel een aantal bewerkingen heeft ondergaan. In 1536 gaf Christiaan Ischyrius (Sterck) eene Latijnsche bewerking van het drama uit met den titel Homulus 6) ; deze werd op hare beurt weer in het Duitsch vertaald door Jaspar van Gennep, in 1539 te Keulen opgevoerd 7) en in het volgende jaar gedrukt. En terwijl de Duitsche vertaling van de Homulus op hare beurt weer in het Nederlandsch werd overgebracht 8) , werkte Macropedius in 1539 het Latijnsche stuk om in zijn drama Hecastus 9) . De twee laatstgenoemde bewerkingen wijken veel af van het oorspronkelijke. Zoowel Ischyrius als Van Gennep hadden eenige tooneelen aan het origineel toegevoegd, die wij in de Nederlandsche vertaling van de Duitsche Homulus terugvinden. En Macropedius, de groote Latijnsche dichter, heeft eene geheel zelfstandige bewerking gegeven en alleen het oorspronkelijke denkbeeld |
1) In 1495, 1501 en 1521. Die jaartallen staan echter niet vast. (Vgl. Logeman, t.a.p., blz. IX-XIV.)
2) In den titel van de Homulus; zie beneden.
3) Vgl. Logeman, blz. XVIII-XXIII; De Raaf, blz. 24, 25.
4) Zie over de uitgaven van de Everyman, Logeman, t.a.p., blz. VI-IX, die in zijne eigene uitgave het Engelsche en het Nederlandsche stuk naast elkander afdrukt.
5) Dr. G. Kalff in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterk., 1890, blz. 18-20, en in Taal en Letteren, IV, blz. 144, vlgg., en Logeman, t.a.p., blz. XXIX, vlgg., houden het Hollandsche drama voor het oorspronkelijke, De Raaf, t.a.p., blz. 3-21, het Engelsche. Het komt mij voor, dat de laatste gelijk heeft.
6) Karl Goedeke, Every-man, Homulus und Hekastus. Ein Beitrag zur internationalen Literaturgeschichte. Hannover, 1865, blz. 210, geeft de uitgaven op.
7) T.a.p., blz. 47. Er zijn uitgaven van 1540, 1548, 1554, 1582, z.j., 1665, 1669 (zie blz. 210, vlgg.)
8) Er zijn uitgaven van 1556, 1633, 1656, 1661, z.j., 1701 (vgl. Goedeke t.a.p., blz. 213), en in onzen tijd een druk, bezorgd door de Maetschappij der Vlaemsche Bibliophilen, 2de Serie, no. VI.
9) Zie daarover beneden.
|
|
behouden, dat hij op geheel andere wijze heeft behandeld. In 1701 is de Nederlandsche Homulus nog herdrukt 1) . Ongeveer uit denzelfden tijd als Elckerlijc is het spel van Nyeuvont, loosheit ende practike: hoe sy vrou Lortse verheffen 2) , maar het is van geheel anderen aard en is vol satire. ‘Vrou Nyeuvont’ besluit, in overleg met Praktijk en Loosheid, om ‘Vrou Lortse’ (bedrog) tot eene ‘nyewe Sanctinne’ te verheffen. Het plan gelukt volkomen, want ‘Meest elc’, ‘Veel volcx’, ‘Die Sulcke’ en ‘Tcommuyn’ laten zich in het gilde der nieuwe heilige inschrijven, die voortaan door ieder geëerd wordt. Het spel is niet alleen gericht tegen allerlei maatschappelijke toestanden, maar spaart ook sommige kerkelijke gebruiken niet. De meeste zinnespelen van Cornelis Everaert daarentegen laten de kerk niet alleen met rust, maar verheerlijken haar. Deze Bruggenaar was volder en verver; hij heeft vele moraliteiten en ook verscheiden aardige kluchten geschreven 3) . In tspel van Maria Hoedeken (1509) treedt ‘Goet Geselscip, een clerc’ op, die dagelijks bloemen plukt, er een ‘hoedeken’ (krans) van vlecht en dit een Mariabeeld op het hoofd drukt. De jonge man komt door zijne makkers ‘Sober Regement’ en ‘Quaet Beleedt’ op den slechten weg; ‘Inwendighe Wroughynghe’ voert hem echter tot ‘Duechdelic Onderwysen’ en op diens raad betert hij zijn leven en gaat in een klooster. Als hij eens wil ‘ghaen plucken crudekin zoet Ende maken eenen hoet’, kan hij, omdat de sneeuw hoog ligt, geen enkele bloem vinden, maar ‘Duechdelic Onderwysen’ deelt hem mee, dat, als hij 50 Ave Maria's en 50 Pater Noster's bidt,
En door een wonder is dan het beeld van Maria bekranst met witte en roode rozen. Intusschen is het ‘Sober Regement’ en ‘Quaet Beleedt’ niet voor den wind gegaan; zij hebben alles opgemaakt en gaan rooven |
1) De titel der uitgave van 1661 luidt: Een Comedia ofte Spel Van Homulus, daer in betoont werdt, wat loon dat de Sonde gheeft, namelijck de Doot, ende hoe den Mensch van alle creaturen verlaten werdt, alleene sijne deucht staet hem daer by. Seer ghenoechlijck ende kortswylich voor allen Menschen, ende seer nuttelijck om te weten. Der sonden loon is de doot. Rom. 1. (Houtsnede.) t' Amstelredam, Ghedruckt by Otto Barentsz. Smient .... 1661.
2) Vgl. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde in de 16de eeuw, Leiden, 1889, dl. I, blz. 253-255, waar het stuk, dat mij niet ter hand is gekomen, ontleed wordt.
3) Al zijne werken zijn thans van wege de Maatsch. v. Nederl. Letterk. uitgegeven onder den titel: Spelen van Cornelis Everaert. Leiden, 1901, door Dr. J.W. Muller en Dr. L. Scharpé.
|
|
in het bosch ‘s Weerels onsekerheyt’. Daar zien zij ‘Goet Geselscip’ rozen plukken en zij meenen ook Maria uit den hemel te zien dalen, om zich den krans op het hoofd te laten zetten. Zij geven hunne moordplannen op en bekeeren zich. Dit spel van zinne nadert dus het mirakelspel. Everaert's spelen van Maria ghecompareirt byde claerheit, byden throon van Salomon, byden scepe en byde stede van Jherusalem zijn samenspraken zonder de minste handeling, alleen opgeluisterd door een paar vertooningen; in het esbatement van den Zeven Bloetsturtynghen treden zelfs maar twee personen op. In tspel vanden Wynghaert (1533) is de gelijkenis uit Mattheus XX gedramatiseerd 1) . Andere zinnespelen van Everaert hebben eene meer algemeene strekking. In het wagenspel Een sanders Welvaren (1511) wordt ‘Meest Elc’, die ‘Eyghen Wasdom’ volgt, door den godsdienst overreed, zijne liefde weer aan de hoofdpersoon van het drama te schenken; in tspel van dOnghelycke Munte (1530) wordt geklaagd over het slechte muntstelsel, waardoor ‘Menichte van Volcke’ en ‘Den Scaemelen Aerbeyder’ allerlei nadeel ondervinden, maar zich moeten troosten met godsdienstige overwegingen, evenals de hoofdpersonen van Groot Labuer ende Sober Wasdom (1530), die te vergeefs pogen ‘Couver (overvloedige) Handelinge’ tot vrouw te krijgen. Het belangrijkste zinnespel van Everaert is wel dat vanden Crych 2) , dat dezen inhoud heeft. ‘De Beroerlicke Weerelt’, gekleed als een kapitein, laat zijn trommelslager ‘Tyts Benaute’ bekend maken:
|
1) De volgende samenspraak komt in het stuk voor:
2) Vroeger reeds uitgegeven door Dr. J. van Vloten met den titel: 's Werelds bestaan. Zinnespel van C. Everaert, naar zijn onuitgegeven eigen handschrift. Amsterdam, (1855), en in De Dietsche Warande, I, 1855, blz. 405.
|
|
Niet alleen ‘Menich Leeck’ laat zich aanwerven, maar ook ‘Dyveerssche Gheleerde’, gekleed ‘als een pape die den crych volcht’, en ‘Gheveynst Bedroch’, terwijl ‘Lueghenachteghe Fraude, als een crychsvrauwe’ gekleed, eveneens mee wil gaan. En nu volgt er een gesprek tusschen die nieuwbakken krijgslieden, waaruit blijkt, dat menschen van allerlei stand meedoen aan den krijg (het krijgen). ‘Trauwe’ en ‘Liefde’, gekleed als een prelaat en als ‘een gheestelicke vrauwe’, klagen er over, dat iedereen hen verlaten heeft, en lezen de krijgsmakkers en vooral ‘Dyveerssche Gheleerde’ duchtig de les. Maar deze verdedigen zich en nu vallen er zeer harde woorden over de geestelijkheid, die juist zoo bijzonder krachtig aan den krijg deelneemt. De vermaningen van ‘Trauwe’ en ‘Liefde’ baten dan ook niet en zij worden zelfs smadelijk weggejaagd. Dan verschijnt de Dood:
Te vergeefs verzoeken allen eenig uitstel, om mee te kunnen nemen wat zij in den krijg verworven hebben, maar de Dood weigert; hij ‘scuuft de gordynen ende thoocht Godt andt cruce,’ waar ook Liefde als Maria en Trouwe als Sint Jan staan. Alleen smeeken om genade.
Was het spel van dOngelycke Munte eerst verboden, zoodat de dichter een nieuw schreef, het spel vanden Crych mocht evenmin worden opgevoerd, zooals Everaert zelf getuigt, ‘om dat jc te veil de waerheyt jn noopte’ (trof). Op het landjuweel te Gent in 1539 werden 19 zinnespelen vertoond, die elk een antwoord bevatten op de vraag: ‘Welck den mensche stervende meesten troost es’ 1) . Bij die stukken vergeleken zijn de spelen van |
1) Vgl. Spelen van zinne by den XIX geconfirmeirde Cameren van Rhetorijcken, binnen der stede van Ghendt comparerende, vertooght ... op de questye, Welck den mensche stervende meesten troost es ... den XII Junij int Jaer 1539 ... Gheprentt te Ghendt ... by my Joos Lambrecht.
Een tweede druk zag nog in hetzelfde jaar te Antwerpen het licht, een derde in 1564 te Wezel. |
|
Everaert rijk aan afwisseling. In vele der Gentsche spelen treedt ‘de Mensche’ of ‘de stervende Mensche’ op, die troost zoekt in de redeneeringen van verschillende personen, b.v. van ‘Vercondigher des vreedts’, ‘Schriftuerlijck troost’, ‘Ontfermherticheyt’, ‘Goddelike waerheyt’, enz. Drie of meer personen houden godsdienstige bespiegelingen en geven dan ten slotte antwoord op de gestelde vraag. Enkele ‘tableaux vivants’, aan den bijbel ontleend, luisteren de eentonige samenspraken op. In één der spelen, dat van Brussel, treedt ‘God de Vader’ op en spreekt Christus, terwijl hij aan het kruis genageld is. Wij hebben hier dus eene herinnering aan het misterie. In het spel van Caprijcke vervullen ‘Dwase ionckheyt’ en ‘Vierighe lust’ de rol van een paar duivels, voeren ‘De mensche’ naar de waardin ‘Der sonden voedtsele’ en trachten hem te verleiden. Ook die figuren zijn ontleend aan misterie en mirakelspel, zelfs wat hun onderlingen omgang en hunne woordenkeuze betreft. In een enkel dezer drama's wordt een liedje gezongen. De Gentsche spelen van zinne zijn van geen belang voor de geschiedenis van het drama, maar zij zijn merkwaardig voor die der beschaving, omdat uit vele van hen de geest der hervorming krachtig spreekt, zooals wij later zullen zien. De negen zinnespelen, in 1561 door Noord-Nederlandsche kamers vertoond op het landjuweel te Rotterdam, gaven antwoord op de vraag: ‘Wie den meesten troost oyt quam te baten Die schenen te sijn van Godt verlaten’ 1) . Ook in die drama's worden dus theologische en zedekundige quaesties besproken. In enkele stukken treden naast de allegorische figuren ook andere personen op, in het spel van Noordwijk Christus en de apostelen Thomas en Philippus, in dat van Rijnsburg de Joden Judas en Chananeus, de heidenen Elysa en Tharsis en de apostelen Petrus en Barnabas. Hoe ver de dichters het reeds gebracht hadden in de allegorie, blijkt o.a. hieruit, dat in het laatstgenoemde spel onder de personen voorkomen ‘Gods ordinantie’, ‘Gratie deur Christum’ en ‘Mont der Propheten’, en dat in het spel van Gouda ‘Menschelijck gheslacht’ optreedt ‘met synen gheest, toegemaect als een bruyt Christi’. In alle spelen zijn één of meer vertooningen, aan den bijbel ontleend, in dat van Rijnsburg wordt gezongen en in de meeste drama's treden twee ‘sinnekens’ of ‘neefkens’ op als de slechte elementen. |
1) Vgl. Spelen van Sinne vol schoone allegatien, loflijcke leeringhen ende schriftuerlijcke ondervvijsinghen. Op de vraghe: VVie den meesten troost oyt quam te baten Die schenen te sijn van Godt verlaten. Ghespeelt ende verthoont met octroy der Conincklijcker Ma. binnen die stede van Rotterdam, bijde neghen Cameren van Rhetorijcken, die hen daer ghepresenteert hebben den XX. dach in Julio, Anno 1561. (Vignet.) Tot Antvverpen ... by M. Willem Silvius ... An. M.D.L.XIIII.
|
|
In 1561 werd ook te Antwerpen een landjuweel gehouden, het schitterendste, dat er ooit geweest is. Daar werd in 14 spelen van zinne de vraag beantwoord: ‘Wat den mensch aldermeest tot conste verwect’ 1) ; de dichters bewogen zich dus hier niet zoo zeer op godsdienstig als wel op zedelijk en maatschappelijk terrein en het is niet onaardig te zien, welke antwoorden zij op de gestelde vraag hebben gegeven. Die antwoorden waren nl.: Den gheest Gods, Loflijcke fame midts eerlijck gewin, Den gheest Gods der wijsheyt die door de liefde werct, De liefde, Den loon prijsweerdich, Tis Gods gheest die den mensche tot conste verwect, Natuerlijck verstant door des gheests inspiracie, De liefde, Den Oirboir, Dbevroedsaem aenmercken van d'excellencie der consten, Hope van glorien onsterflijck hemels ende aertsch, Dnatuerlijck ingheven dat tot kennissen strect, Lof eere ende prijs, De waerheyt. Den eersten prijs won de kamer van Leuven met een zinnespel, dat den volgenden inhoud heeft. ‘Tverlanghende herte, een statelijck Man’, is onrustig en tobt over allerlei dingen. ‘Den Gheest der wijsheyt’, in de gedaante van een engel met een Mercurius-staf, komt hem troosten en, als hij antwoord wil hebben op de vraag, wat toch den mensch vooral tot kunst aanspoort, belooft de ‘Gheest’, ‘Ter liefden der Jonckheyt, die noch mach blint zijn’, hem dat ‘figuerlijck (te) toonen’. Nu treden ‘Natuerlijcke inclinatie’ en ‘Begheerte om weten’, twee vrouwen, op, die elkander verwijten doen, immers de eene verleidt de menschheid tot allerlei booze daden en de andere bevordert onrust en eerzucht. Dan maakt ‘Inclinatie’ ‘De Mensche, een Jonghelinck’, die heeft zitten slapen in den stoel der onwetendheid, wakker en spoort hem aan, gebruik te maken van de groote gaven, die de Schepper hem heeft geschonken, terwijl ‘Begheerte’ hem beveelt alles ‘in swerelts ronde’ te onderzoeken. ‘Mensche’ zou wel gaarne alles weten van de sterren, van zon en maan, van kruiden en bloemen, menschen en dieren, zee en stroomen, ‘maer smenschen gedachten, die zijn veel te bot’, en daarom wil hij maar liever geene poging doen, om zich kennis te verwerven. Doch de beide vrouwen |
1) Vgl. Spelen van sinne vol scoone moralisaciën vvtleggingen ende bediedenissen op alle loeflijcke consten vvaer inne men claerlijck ghelijck in eenen spieghel, Figuerlijck, Poetelijck ende Retorijckelijck mach aenschouwen hoe nootsakelijck ende dienstelijck die selue consten allen menschen zijn. Ghespeelt met octroy der Con. Ma. binnen der stadt van Andtwerpen op dLant-Juweel by die veerthien Cameren van Retorijcken die hen daer ghepresenteert hebben den derden dach Augusti int Jaer ons Heeren. M.D.LXI. Op die Questie. VVat den mensch aldermeest tot conste vervvect. Tot groote onderwijsinghe van allen liefhebbers der Poeterie ende Retorijcke gheciert met diuersse schoone Figueren. (Vignet.) Tot Antwerpen by M. Willem Siluius .... An. M.C.C.C.C.C.LXII.
|
|
geven het niet op; eerst moet ‘Mensche’ lezen, schrijven en ‘diversche talen’ leeren, dan kan hij zich later op ernstiger zaken toeleggen.
meent ‘Inclinatie’, en ‘Begheerte’ voegt er aan toe:
‘Tverlanghende herte’, die met ‘Den gheest der wijsheyt’ dat geheele tooneel aanschouwd heeft, is zeer dankbaar voor het genotene. Na eene pauze ziet men ‘Mensche’, die ‘schildert, ende fluyt, ende singt, met een tafel vol instrumenten, violen, herpen, ende fluyten, met Sphera mundi’. ‘Arbeyt, met een spade inde handt’, komt hem aansporen vlijtig te zijn:
‘Mensche’ ziet echter tegen werken op, wil liever ‘als een fray quant gaen nae swerelts behaghen’, laat ‘Arbeyt’ praten en valt in slaap. Zoo wordt hij gevonden door ‘Hope tot hoocheyt’ en ‘Sorge voor schande’, twee vrouwen, die waarschuwen voor luiheid en den lof zingen der wetenschap. Nu komt ‘Mensche’ tot andere gedachten:
en hij wordt in dat voornemen versterkt, als men hem toont ‘Eere, sittende in eenen troon, met een ghelasen werelt ende eenen Scepter in haer handen, by haer sitten de Philosophen, Poeten, Doctoren, Ambassaten, Raetsheeren, en Advocaten, ende andere desgelijcx eerlijcx volcx, lesende ende schrijvende’. Dan treden ‘Tverlanghende herte’ en ‘Den gheest der wijsheyt’ weder op; de eerste is getroost en gerustgesteld, al begrijpt hij nog niet alles, en de andere verklaart, dat ‘Lof, Eere, en Prijs’ ‘den mensch aldermeest tot conste verwect’, daarmede antwoord gevende op de gestelde vraag. Dit spel van zinne, dat den prijs wegdroeg, is wel één der beste van de 14, omdat het eenvoudig is en er niet met geleerdheid in gepronkt wordt. In de meeste stukken toch van dezen bundel worden ontelbare Grieken en Romeinen opgenoemd en doen de dichters het voorkomen, alsof zij de geheele classieke letterkunde volkomen onder de knie hebben. Toch
blijkt uit alles, dat hunne kennis der classieken buitengewoon oppervlakkig was. En dat kon ook niet anders, want dichters en vertooners waren voor het grootste deel zeer eenvoudige lieden, die zich wel een eigen oordeel gevormd konden hebben over godsdienstige en maatschappelijke vraagstukken, maar op wie zeker de renaissanse, de herleving der classieken, nog weinig vat had gehad. Dien invloed bespeurt men wel in den vorm der drama's van Coornhert, doch niet in den inhoud 1) . Zijne Comedie, van Lief en Leedt, die hij in 1567 in de gevangenis schreef, maar eerst in 1582 uitgaf 2) , is een gewoon zinnespel, waarin ‘De Mensche’ de hoofdrol speelt. Deze wordt steeds vergezeld door ‘Quade gewoonte’, die in de hand een koord houdt, dat om het been van den mensch is gebonden. ‘Redelyckonderwys’ geeft hem goede lessen, maar ‘Ghemeen gevoelen, een Doctor in Werelts verstant’, heeft meer invloed op hem. ‘Hope ende Vreese tsamen gecoppelt’ geleiden hem naar het huis van voorspoed, waar hij ‘Tijtlyck Lief’ vindt. Nu gaat ‘Versoeckinghe’ uit het huis van tegenspoed Pest, Honger, Oorlog, Armoede, Ziekte, enz. halen en deze binden ‘de Mensche’ aan ‘Leet’ vast en brengen hem naar hunne woning over. Maar ‘Redelyck-onderwys’ en ‘sGeests verlichtinghe’ geven hem het jongetje ‘Goede Wille’ tot geleider, ‘Hope’ troost hem en nu komt hij in de school van ‘Waerheyt’, waar hij de voorschriften dezer ‘meestersse’ schrijft ‘int Boeck syns Herten’, een geschenk van ‘sGeests verlichtinghe’. Zoo leert hij weerstand bieden aan ‘Versoeckinghe’ en aan ‘Quade Gewoonte’; de laatste tracht telkens hem te doen vallen, maar wordt ernstig door hem gewond. ‘Waerheyt’ houdt hem een spiegel voor ‘ghenaempt ghedenckenisse der voorleden sonden’ en wijst hem den weg ten hemel en het spel eindigt met een gebed. |
1) In zijne voorrede, Coornherts Rymerien aenden Rymlievenden Leser, komt hij tegen quasi classieke geleerdheid in het drama op:
2) Comedie, van Lief en Leedt. D.V. Coornhert. Die Comedie totten Lesere: (zesregelig vers.) Ghedruct Int Jaer ons Heeren M.D.LXXXII.
|
|
Een dergelijk zinnespel is ook het Troerspel Vande Kettersche werelt 1) . De titels der andere drama's van Coornhert doen denken aan bijbelsche spelen, maar toch zijn het spelen van zinne. In de Comedie van de Blinde voor Iericho 2) beweegt de hoofdpersoon zich tusschen allegorieën. Als ‘Waerneminge syns selfs’ tot hem de woorden gericht heeft:
houdt ‘Propheetsch woort’ eene preek. In het laatste gedeelte van het drama treedt Jezus met twee apostelen op. Van de negen personen in Abrahams VVtgang 3) zijn zes allegorieën, maar de drie overigen zijn eigenlijk ook geene menschen, want onder Abraham wordt verstaan ‘Versocht Verstand’, onder Sara ‘Goede wille’, onder Loth ‘Goeden raets navolger’. In de Comedie van Israel 4) dragen de personen wel namen, maar die namen hebben weer eene allegorische beteekenis; o.a. heeten de raadsleden Neregel, Achazib, Amassai en Demophon, en dat ‘betekent’, zegt de schrijver, Onderzoek, Leugen, Vertreding des volks en Dooden des volks. Iets dergelijks vindt men in de Comedie Van de Egypsche vroeyvrouwen. In de Comedie vanden Bruijt Christi 5) treden o.a. Pharao, Mozes, David, Jesaia en Paulus op, maar als ‘Coning der duysternissen’, ‘een Hertoch, een Coning, een Propheet, Ambassadeurs’ en ‘een Apostel’. In de Comedie vande Rijckeman 6) komen tusschen vele allegorieën, waaronder twee ‘neefkens’, Rijckeman, Lazarus, twee engelen en drie duivelen voor. Aan het slot ligt de Rijckeman in de hel, terwijl Abraham is ‘boven sittende met een sielken inden schoot’. |
1) die metten lippen den God des Hemels, maar metter herten t'gheldt; des werelts God; dient ende eert. Ghemaackt eertijdts door D.V.C. Eccles. 10. 19. Alle dinghen zijn t'ghelt ghehoorzaam. Matth. 6. 24. Ghy en kondt Gode niet dienen ende den Mammon. Ter Govde, By Jaspar Tournay. Int Iaer 1590.
2) door Derick Coornhert. (Achtregelig vers.) Ghedruckt int Jaer ons Heeren, 1582. Ook opgenomen in Dirck Volckertsz Coornherts Wercken, Amsterdam, 1630, dl. III, fol.532.
3) door D.V. Coornhert. Nu op nieus ghesuuert van veel groue ghebreken door D.V.C. selve. Haarlem, A. Ketel. Z.j. De eerste druk schijnt verloren te zijn. Ook opgenomen in de Wercken, t.a.p., fol. 521. Het drama is in het Duitsch vertaald; zie Dr. J. Bolte in Tijdschrift v. Nederl. Taal- en Letterk., 1898, blz. 85.
4) Vertonende Israels zonden, straffinghe, belydinghe, ghebedt, beteringhe ende verlossinghe uyt het thiende capit. Judicium: Als een klare spieghele der tegenwoordighen tyden Ghemaackt Anno 1575 door D.V. Coornhert. (4 spreuken uit Job en Jesaia.) Ghedruckt ter Goude, int Iaar 1590. Ook opgenomen in de Wercken, t.a.p., fol. 542.
5) Vgl. Tweeling Vanden Bruydt Christi en d'Egipsche vroeivrouwen Doet dees tweeling twee Comedien aenschouwen. In Rijm slecht claer en onverwert Ghemaect door Dirc Volckherts Coornhert. 'tAemsterdam. Ghedruct by my Harmen ianszoon Muller 1582.
6) Ouer langhe iaren in Rijme gestelt door D.V. Coornhert. Ghedruckt tot Haerlem by Antonis Ketel ... Anno 1582.
|
|
Bij Coornhert is hier en daar een streven, om van het oude pad af te wijken. Daarentegen zijn de Zeven Spelen, van die Wercken der Bermherticheyd 1) , die in 1591 te Amsterdam werden opgevoerd, geheel in ouden trant geschreven. In het vierde spel treedt b.v. op ‘Hoverdye, een Vrouwe costelijck ghecleet’, met haar kamenier ‘Ydel glorie’ en haar bediende ‘Vleyschelijck solaes’, en houdt met hen lange gesprekken o.a. over weelde en over de mode. ‘Meest al de Werelt’ met zijn page ‘Behaghelicken schijn’ is niet veel beter dan ‘Hoverdye’ met hare volgelingen; ‘Broederlijcke liefde’ en ‘Goet onderwijs’, die veel over theologie praten, maken op dat gezelschap geen indruk, maar wel op ‘Cleyn menichte’. In één der spelen van Rijssaert van Spiere, dat vanden Christelijcken Ridder 2) , treedt te midden van allegorische personen - de ridder is nl. ‘Letter yemant of weynigh menschen’ - de duivel zelf op en laat het tooneel weergalmen van zijn ‘borrha, borrha’. Trouwens het tooneel moest voor de drama's van Van Spiere ongeveer zoo zijn ingericht als dat der misteries. In Die Trauwe 3) , een spel van zinne, dat in 1595 te Hasselt werd opgevoerd, spreekt ‘Godtvader, sittende in synen throon’. Zoo vindt men dus telkens in het zinnespel weer eene herinnering aan het misterie, ook nog aan het einde der 16de eeuw. De moraliteit is dan ook, terwijl zij eene eeuw lang op het tooneel is gebleven, bijna niets veranderd. Wanneer men de spelen in 1606 te Haarlem opgevoerd 4) en die, welke in 1617 te Vlaardingen werden vertoond 5) , vergelijkt met |
1) In rijm ghemaeckt, en nu tot Amstelredam opentlijck ghespeelt, Anno 1591. (Houtsnede.) t'Amstelredam, By my Herman Jansz. Muller, Figuersnyder .... Anno 1591.
2) Vgl. Drie Nieu Spelen van Sinnen ghestelt op trouwe gaerde, Door Rijssaert van Spiere van Oudenaerde. Binnen der Goude in Hollandt eerst gecomponeert Daer ick meer dan dertich jaer hebbe geresideert. (6 versregels, die den inhoud der spelen aanwijzen.) Ghedruckt ter Goude, by Jaspar Tournay. 1616 ....
Het derde spel is van 1596 of 1597 (vgl. het begin en het slot) en de anderen waren vroeger geschreven. 3) De Roode Roos. Zinnespelen en andere tooneelstukken der zestiende eeuw, voor het eerst naar het Hasseltsche handschrift uitgegeven door Osc. van den Daele en Fr. van Veerdeghem, Bergen, 1899, blz. 138. Zie ook blz. 21.
4) Vgl. Const-thoonende Ivweel, By de loflijcke stadt Haerlem, ten versoecke van Trou moet blijcken, in 't licht gebracht. Waer inne duydelick verclaert ende verthoont wordt alles wat den Mensche mach wecken om den Armen te troosten, ende zijnen Naesten by te staen. In twaelf Spelen van Sinne, soo veel Intreden, Refereynen ende Liedekens ghestelt in Redenrijck naer de voorgegevene Caerte van 't Speel-korenken. (Houtsnede.) Tot Zwol, By Zacharias Heyns .... 1607. Met privilegie.
5) Vgl. Vlaerdings Redenrijck-bergh, met middelen beplant Die noodigh sijn 't Gemeen en voorderlijck het Landt (Houtsnede.) t' Amsterdam, Gedruckt by Kornelis Fransz.... Anno 1617. Met privilegie.
|
|
de oudste moraliteiten, b.v. met de Elckerlijc, ziet men slechts weinig verschil. Niet alleen worden dezelfde onderwerpen steeds behandeld, maar ook de vorm blijft ongeveer dezelfde. Waar men dat mag vaststellen voor de moraliteiten, die boven werden besproken, daar mag men de gissing maken, dat dat ook het geval zal zijn met de vele zinnespelen, die of alleen in handschrift over zijn, of van welke wij slechts den titel kennen. Eenige daarvan mogen hier worden genoemd, om een denkbeeld te geven van de uitgebreidheid dezer literatuur. In 1496 werd te Antwerpen een landjuweel gehouden, waar 28 kamers in even zoovele spelen van zinne antwoord gaven op de vraag: ‘Welck het meeste misterie ende wonderlijckste werck was, dat God oyt dede tot des menschen salicheidt’ 1) . Te Iperen werd in 1550 in spelen van zinne de vraag beantwoord: ‘Welcke deucht inde Maghet Maria beneden Gode aldermeest behaecht heeft’ 2) . Te Thielt werd in 1498 voor het eerst vertoond de X gheboden Gods, in 1504 't spel van der Consciencie ende Bewijse, in 1511 Een bewijs van den lijdene Ons Heeren voor 's menschelicke gheslachte, in 1512 een spel van goet onderwijs van duechden en in 1522 't Spel vanden goeden zeden 3) . De bewoners van Lier zagen in 1532 opvoeren het spel vanden Naeckten Ridder en Een natuerlijck ende schriftuerlijck bewijs van Den ouden man had een dochterken, in 1544 Van 't verbum Dei, in 1546 het spel van sinnen Het meest minninghe (?), in 1550 de drie spelen van de 7 Doodsonden, in 1554 het spel van sinnen van den tyd die toens was, in 1556 van Vrouwen die in overspel leefden en van Redde rationem villicationis tuae, in 1563 van den sieken man die 30 jaren sieck gelegen hadde voor de Pischine 4) . Te Haarlem werd o.a. gespeeld het spel van sinnen genaempt den Wellustigen Mensch, van de Cranckheijt des vleijsch, Verlaeten kennisse (1601), den Troost der Sondaren, vanden Ghichtigen mensche (1582), hoe goodts ordonancij Elck Mensch een staet stelt om in te leven (1583), vandie sayer die goet saet in sijn acker sayde, enz. 5) . Het aantal zinnespelen, in de 16de eeuw vertoond, |
1) Vgl. Belgisch Museum, I, blz. 150, vlgg., waar ook de antwoorden vermeld staan.
2) Vgl. Vaderlandsch Museum, V, blz. 106.
3) T.a.p., blz. 49, 54, 56, 57, 67.
4) Vgl. Belgisch Museum, VIII, blz. 303-307.
5) Vgl. Kalff, Trou moet blycken, blz. 289-292, waar behalve de bovengenoemde nog eene menigte andere zinnespelen worden opgenoemd, die te Haarlem in Hs. aanwezig zijn. Enkele andere onuitgegeven zinnespelen uit de Zuidelijke Nederlanden, waarvan het Hs. voor het meerendeel aanwezig is in de Kon. Bibl. te Brussel, worden opgenoemd door Kalff, Geschiedenis der Nederl. Letterk. in de 16de eeuw, I, blz. 250-252.
|
|
is ontzaglijk groot geweest, de bewondering van het publiek voor deze soort van dramatische letterkunde onbegrensd. Nadat in het begin van Augustus 1561 het beroemde landjuweel te Antwerpen was gehouden, waar een groot aantal moraliteiten waren vertoond, werden de bewoners der Scheldestad den 24sten van diezelfde maand al weder in de gelegenheid gesteld, bij een haagspel binnen hunne muren een aantal andere spelen van zinne te bewonderen 1) ! De moraliteiten zijn van zeer verschillende grootte; die, welke bij een wedstrijd werden opgevoerd, mochten een zeker aantal versregels niet overschrijden. Zij werden door pauzes in eenige afdeelingen verdeeld; het aantal van die pauzes is zeer verschillend, evenals het aantal personen, dat optrad. Enkele moraliteiten vereischten slechts drie spelers, andere ongeveer twintig. De oudste ons bekende moraliteiten hadden of geen proloog of slechts eene korte voorafspraak; dat is o.a. het geval bij de spelen van Cornelis Everaert. In dien proloog vindt men dikwijls eene korte inhoudsopgave van het spel, een verzoek ‘om audiencie’ en eene waarschuwing, om op zijne hoede te zijn voor zakkenrollers 2) . Ook in de tweede helft der 16de eeuw vindt men vele moraliteiten, die evenmin een proloog hebben als Elckerlijc, b.v. de meeste spelen in 1561 te Rotterdam opgevoerd en de drie, welke ons zijn overgebleven van de kamer te Hasselt 3) . Aan den anderen kant kwam de gewoonte op, den proloog door twee personen van het spel te laten uitspreken. Dat geschiedde o.a. in Everaert's Spel van Sinte Pieter ghecompareirt byder Duve 4) , in eenige der Gentsche spelen (1539) 5) en in twee moraliteiten, die in 1561 te Rotterdam zijn opgevoerd 6) . In een paar der Gentsche spelen wordt de proloog |
1) Zij zijn gedrukt achter die van het landjuweel (vgl. blz. 119).
2) Zoo in den ‘Prologhe’ van Maria Hoedeken (vgl. blz. 7 der uitgave van Muller en Scharpé):
3) Vgl. Van den Daele en Van Veerdeghem, t.a.p., blz. 80, 130, 200.
4) Vgl. Muller en Scharpé, blz. 345.
5) Nl. in de spelen van Antwerpen, Thielt, Loo en Kortrijk.
6) Door de kamers van Rijnsburg en van Amsterdam.
|
|
door drie, in één zelfs door vier personen uitgesproken 1) , maar in de meeste van al deze stukken is er nauwelijks eene afscheiding tusschen den proloog en het spel zelf, zoodat het den indruk maakt, dat de schrijvers zich alleen door eene traditie gebonden achtten. In de Antwerpsche spelen (1561) staan de prologen volstrekt niet in verband met de moraliteiten zelve, maar worden gespeeld door twee of drie personen, die niet in het stuk voorkomen, en geven antwoord op eene geheel andere vraag dan de spelen zelve; het zijn dus kleine op zich zelf staande zinnespelen. Die manier schijnt echter niet nagevolgd te zijn, althans niet bij moraliteiten; ook in de latere zinnespelen, b.v. die van Haarlem (1606), vindt men of geen proloog, of slechts enkele woorden door één of twee personen uitgesproken. Een epiloog of ‘nae-prologhe’, zooals de Elckerlijc, hebben maar weinige moraliteiten. In twee der Rotterdamsche spelen wordt de ‘Conclusie’ door dezelfde personen uitgesproken als de proloog; twee gelegenheidsstukken van Houwaert hebben een ‘Epilogus oft Conclusie’ 2) . Maar gewoonlijk eindigen de spelen van zinne met enkele vrome versregels, gesproken door één der personen van het stuk, terwijl de naam der kamer of van den schutspatroon niet vergeten wordt. Al het redeneeren en betoogen in spelen met weinig actie was zeker niet geschikt de groote massa te lokken, die gewend was aan het geestelijk drama met al zijne afwisseling. Men wil op het tooneel niet alleen iets hooren, men wil er ook wat zien. En dat zal wel de reden geweest zijn, dat men in de moraliteiten stomme vertooningen is gaan invoegen. Bij Everaert komen er enkelen voor, in sommige Gentsche spelen daarentegen een groot aantal, misschien wel, omdat er in de stukken zelve niets te zien was; in de Antwerpsche en Rotterdamsche spelen zijn zij minder in getal. Die vertooningen of ‘toogen’ waren bijna altijd voorstellingen aan den bijbel ontleend. In het spel van de kamer van Antwerpen b.v., dat in 1539 te Gent den prijs wegdroeg, werd vertoond ‘de eerste belofte ghedaen inden paradyse tegens tserpent’, Christus aan het kruis, ‘Christus verresen zijnde triumpheert over tserpent ende doot’ en ‘die verrijsenisse des vleesches’. Die vertooningen hebben steeds betrekking op woorden in het stuk gesproken; somtijds ook wordt de aandacht van één der spelers er op gevestigd, b.v. door het gezegde:
|
1) Door de kamers van Brugge, Thienen en Meenen.
2) Vgl. Van den Daele en Van Veerdeghem, blz. 268, 272.
|
|
In de Antwerpsche spelen vindt men naast eenige vertooningen uit den bijbel vele andere, voor een deel aan de classieke oudheid ontleend, b.v. de zeven vrije kunsten, een schip, waarvan al de deelen een symbolischen naam hebben en dat drijft in ‘swerelds onrust’ - de afbeelding is er bij - Apollo en de negen Muzen, Plato, Hercules op den tweesprong, enz. In al de Haarlemsche spelen (1606) te zamen komen slechts twee vertooningen voor, in de drie, onlangs uitgegevene, moraraliteiten van ‘De Roode Roos’ te Hasselt geene enkele. Zij zijn dus langzamerhand in onbruik geraakt. In vele moraliteiten werd gezongen, meestal een geestelijk, somtijds ook een wereldlijk lied; de zang werd wel eens door instrumenten begeleid. Over het verschil van inhoud der spelen van zinne, godsdienstig, zedekundig en maatschappelijk, werd boven reeds gesproken, evenals over het feit, dat de toeschouwer somtijds door het meespelen van goddelijke personen en van den duivel aan misterie, heiligen- en mirakelspel herinnerd werd. Dat geschiedde o.a. nog in een paar Haarlemsche spelen (1606). Ook het optreden der ‘sinnekens’ herinnert aan het drama der Middeleeuwen. In een zeer groot aantal moraliteiten komen zij voor, nu eens met den bovengenoemden naam, dan weer als ‘neefkens’ 1) , een enkelen keer als ‘verraders’. Evenals de andere personen van het spel zijn het allegorische figuren. Zij verleiden den mensch tot slechte daden en verheugen zich dan over zijn ongeluk. Dikwijls treden zij reeds in het begin van het spel op en spreken in dezelfde versmaat als in het geestelijk drama der Middeleeuwen, waaraan zij ook den uitroep ‘Borrha, borrha’ ontleenen. En tevens zijn zij het comisch element in de zinnespelen; zij schelden elkander uit, zeggen allerlei aardigheden en zijn zeer ruw in den mond. Kiliaen verklaart den naam ‘sinneken int spel’ dan ook als: potsenmaker. De moraliteit heeft bij een redeneerend volk als het onze, dat langzaam, dikwijls te laat, tot daden overgaat, bijzonder gebloeid. Wij houden van nuttige lessen en practische levenswijsheid. Bovendien was de moraliteit een uiterst geschikte kunstvorm, om in een tijd van overgang op elk gebied vele quaesties aan de orde te stellen en misbruiken te bestrijden; in een later hoofdstuk zullen wij zien, dat zij dikwijls voor dat doel gediend heeft. In het begin der 17de eeuw is het spel van zinne langzamerhand verdwenen, om aan het einde dier zelfde eeuw nog eens te herleven, natuurlijk in eenigszins anderen vorm. En waarschijnlijk zal het later blijken, dat de moraliteit nog niet voor goed veilig en rustig in een museum van oudheden is geborgen. |
1) Het woord is eene vertaling van ‘cousin’, zooals de duivels in de Fransche misteries wel werden genoemd.
|
II. Gelegenheidsstukken.De allegorie leent zich bijzonder goed voor feestelijke gelegenheden, voor het bezoek van een vorst, de geboorte van een prins, het sluiten van een vrede. Er bestaat misschien geen geschikter en duidelijker manier, om iemand of iets te prijzen en te verheerlijken, dan door allegorische personen te laten optreden. Op het tooneel overwint de Deugd de Ondeugd, het Recht het Onrecht, de Rede het Onverstand, de Vrede zegeviert over den Oorlog, enz. En hoeveel gelegenheid biedt de allegorie niet, om een geliefden of gevreesden vorst vleierijen te zeggen! Het is dan ook niet te verwonderen, dat de bijbelsche voorstellingen, waarmede in de 15de eeuw groote feesten opgeluisterd werden, later plaats hebben gemaakt voor allegorische vertooningen. Zij waren voor een deel ‘tableaux vivants’, waarbij de vertooners somtijds enkele woorden spraken, voor een deel spelen van zinne. Tot de eerste soort behoorden waarschijnlijk de voorstellingen bij den intocht van Philips II te Gent in 1548. Een tijdgenoot heeft ze aldus beschreven 1) :
|
1) In de Declaratie van der triumphe bewezen den hooghe gheboren Prince van Spaenjen Philips, des keizers Chaerles van Oostenrijc zone, binnen der stad van Ghend in Vlaender, den 13 july 1549. Ghend, by Cornelius Manilius, in de Scheldestrate, 1549. (Vgl. Belgisch Museum, X, blz. 415.)
|
Meestal echter werden heuglijke gebeurtenissen gevierd met het opvoeren van zinnespelen. Toen in 1501 Karel van Oostenrijk zich verloofde met Claudina, dochter van den Franschen koning, werd te Oudenaarde o.a. een ‘zinspelend ebattement’ opgevoerd. In 1525, na den slag van Pavia, gaven in dezelfde stad twee kamers elk een spel van zinne ten beste; dat geschiedde ook in 1527 bij de geboorte van Philips II 1) . Te Utrecht werd in 1529 ‘tot triumphe vanden Peys’ een ‘batement’ gespeeld 2) . En zoo was het natuurlijk ook in andere steden. Hoezeer het de gewoonte was, bij allerlei gelegenheden spelen van zinne op te voeren, leert ons de thans uitgegeven bundel van Cornelis Everaert. Deze schreef, ‘ter eeren van Kaerle onsen Keyser als den conynck van Vranckerycke ghevanghen wiert voor Pavyen’, tspel vanden Hooghen Wynt ende Zoeten Reyn (regen) 3) , dat den volgenden inhoud heeft. ‘Eenich’, een koopman, en ‘Menich’, een ambachtsman, klagen over den slechten tijd en over den oorlog, die hunne inkomsten heeft doen dalen. ‘Menich’ moet zich thans met bier vergenoegen:
Daar komt ‘Den Hooghen Wynt’ aanstuiven, ‘een persoonage hooghe vp gheblasen scynende’, en roept: ‘Maect plaetse, maect plaetse’. ‘Eenich’ en ‘Menich’ zijn nog niet dadelijk onder den indruk:
|
1) Vgl. Belgisch Museum, VII, blz. 16, 29, 31.
2) Zie Kops, t.a.p., blz. 240.
3) Ook uitgegeven door Dr. J. van Vloten in Bijdragen tot de Oudheidkunde en Geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, verzameld door H.G. Jansen en J.H. van Dale. Middelburg, V, 1860, blz. 315.
|
Gelukkig verschijnt nu spoedig ‘Den Zoeten Reyn, een personage jent ghecleet blaeu ofte graeu waterachtich scynende’, en zegt:
Hij sommeert ‘Hooghen Wynt’ zich gevangen te geven en een oogenblik later ligt deze ‘Capeteyn van Eolus’ stil op den grond. ‘Redelicke Verstannesse’ geeft nu aan ‘Eenich’ en ‘Menich’ uitlegging van wat zij hebben gezien:
Dat thema wordt dan op langdradige wijze met vele verwijzingen naar bijbelsche personen en met vele vleierijen voor den Keizer uitgewerkt. Bij dezelfde gelegenheid schreef Everaert nog een ander stuk: tSpel dat ghespeilt was voor de Aragoenoysen. In 1526 volgde, bij het sluiten van den vrede, Tspel van Ghewillich Labuer ende Volc van Neerrynghe. De hoofdpersonen van het drama, van welke de eene geboeid is, hebben erg te lijden onder het bewind van ‘Den Beroerlicken Tyt als een capeteyn van oorloghe int arnasch’. ‘Troostich Confoort’, een zeeman uit Zeeland, komt berichten, dat de vrede gesloten is; daarna maken ‘sHeeren Wille’, gekleed als een heraut, en ‘Pays’ de boeien los en verbannen den verdrukker:
Dan volgen weer godsdienstige beschouwingen. Na het sluiten van de vrede tusschen Karel V en Frans I te Aiguesmortes in 1538 schreef Everaert tspel van den Payse. Maar ook bij gebeurtenissen van veel minder gewicht was hij bereid het feest op te luisteren met een zinnespel, zooals blijkt uit tspel vande Wellecomme vanden Predicaren int Capyttele provinciael (1523), een spel vanden
De gewoonte, om bij belangrijke feesten vertooningen te geven en zinnespelen op te voeren, bleef ook in het tweede gedeelte der 16de eeuw in zwang. Te Gent werd in 1577 vóór het stadhuis door de vereenigde rederijkers een zinnespel vertoond, toen de Prins van Oranje in de stad was, en ook in 1582, toen de hertog van Anjou er zijn intocht hield 1) . Houwaert was beroemd door het arrangeeren van allerlei vertooningen bij zulke intochten; te Brussel luisterde hij dien van Willem van Oranje (1577), van Aartshertog Matthias (1577) en van Ernst van Oostenrijk (1593) op 2) . Zelfs na zijn dood maakte men gebruik van zijne gelegenheidsstukken. Toen den 5den September 1599 Albertus en Isabella hun plechtigen intocht hielden, werden twee drama's van den grooten rederijker ‘publijckelijck verthoont ende ghespelt op de groote merckt der Princelycker stadt Brussele’ 3) , de Tragoedie van der Orloghen en die Comedie van den Peys 4) . Na een proloog, uitgesproken door Philosophus en Mercurius, treedt in het eerste stuk ‘Prince der Hoverdyen’ op, die door zijn heraut ‘Tytverlies’ bekend laat maken, dat hij de droefheid uit zijn rijk heeft verbannen en een schitterend feest zal geven. ‘Meest al de Werelt’ kleedt zich prachtig aan en gaat met zijne bedienden, ‘Planteyt van Goede’ en ‘Wellustich Leven’ naar het hof van den ‘Prince’. Deze wordt spoedig goede vrienden met ‘Meest al de Werelt’, omdat hij de ondeugd boven de deugd verkiest, en ‘Meest al de Werelt’ maakt met goed gevolg het hof aan 's prinsen vrouw, ‘Solaes van Vrouwen’. De zedepreeken van ‘Goddelycke Waerschouwen’ en ‘Vreese des Heeren’ zijn te vergeefsch; zij worden weggejaagd en de ‘Prince’ naar bed gebracht, zoodat zijne vrouw gelegenheid heeft, zich met haar minnaar te vermaken. Nu waarschuwt ‘Invidia’ den prins en deze laat met behulp van Discordia, Mars, Saturnus en de helsche goden ‘Oorlog’ op het land los. Al die goden bewijzen door lange verhalen uit de geschiedenis der oudheid, dat niets erger is dan de oorlog en de Epilogus eindigt met de woorden:
Den inhoud dier comedie zullen wij niet meedeelen. Doch het optreden van Mars, Saturnus en de helsche goden in Houwaert's Tragoedie |
1) Vgl. Belgisch Museum, X, blz. 417, 418.
2) Vgl. Van den Daele en Van Veerdeghem, t.a.p., blz. 256, en de beschrijving van het laatste feest bij Motley, History of the United Netherlands, 1867, III, blz. 270.
3) Vgl. Van den Daele en Van Veerdeghem, blz. 255.
4) Eene ontleding dier beide stukken, t.a.p., blz. 264, vlgg.
|
|
van der Orloghen geeft aanleiding tot eene opmerking. In sommige gelegenheidsstukken treden Grieksche en Romeinsche goden op; o.a. werd het stukje, waarmede de kamer de ‘’ bij het haagspel te Antwerpen in 1561 de feestgenooten verwelkomde, gespeeld door Minerva, Ceres en Vulcanus. Nu zijn vele der classieke goden in den loop der tijden allegorieën geworden en mag men dus drama's als het laatstgenoemde tot de zinnespelen rekenen. En zulke spelen zijn wel een paar eeuwen lang bij allerlei gelegenheden opgevoerd. Niet alleen voor stomme vertooningen en zinnespelen werd de allegorie gebruikt, ook bij optochten kwam zij te pas. Toen Philips II zich in Februari 1556 te Antwerpen bevond, werd ter eere van den wapenstilstand, den 5den van die maand te Vaucelles tusschen Spanje en Frankrijk gesloten, een schitterende optocht gehouden 1) . Het was een soort van wereldlijk processiespel. Eenige personen te paard, andere op versierde wagens en een groot aantal te voet spraken allen enkele versregels uit. De stoet werd geopend door ‘Fame van goede tijdinghe, vrouachtich met vlueghelen, een trompet blasende’, gevolgd door iemand te paard, ‘ghecleet gelijck eenen enghele, genaemt Bestant’, en door een wagen met den zieken Mars, die omringd was door ‘Foortse’, ‘Nijt’, ‘Quaden wille’, de hoplieden ‘Raescop’, ‘Hersseloos’ en ‘Sonder vreese’ en ‘den medecijn Slappen troost’. Dan komen allerlei soort van krijgslieden en menschen, die tot den tros behooren. ‘Der benauder confoort’ wordt gevolgd door vertegenwoordigers van ambachten en neeringen. Vervolgens een wagen met ‘thuys van neringhe’, waarbij ‘Verstandt’, ‘Menichbenoude’ en ‘Redene’. De heraut ‘Gemeenen roep’ gaat aan allerlei ambachtslui vooraf en wordt gevolgd door een ‘personagie genaemt Alle vrolijcke constige gheesten’. Op een wagen, die eene smidse voorstelt, zijn een smid ‘Labuer’ en zijn leerjongen ‘Goetwillich’ bezig van harnassen braadpannen te maken. Volgen vertegenwoordigers van een paar Antwerpsche straten, een kramer met liedjes, een wagen met jongens en ‘noch een wagenken daer sidt een maecht oppe, die heet de Violiere’. Bij dien laatsten wagen wordt een liedeken aangeheven ‘op den voys: Sottekens keert u omme’, en een epiloog van ‘den wageman’ besluit het stuk. |
1) Een Factie oft spel, Voer den Coninck Philippus onsen ghenadigste Lantsheere, met vele andere Edele Heeren, openbaerlijck van den Violieren binnen Antwerpen gespeelt den XXIII feb. M.D.LVI, tot verhueghinghe der ghemeynten, duer de blijde tijdinghe des Bestandts. Geordineert ende in dichte ghestelt duer Peeter de Herpener, ende ter begheerten van vele Heeren, goede vrienden, ende liefhebbers der const ghedruct. Met K.M. Commissaris visiteringhe ende consent, gheprent by Gillis van Diest, Thantwerpen, den XX Meert, An. voers.
Het stukje is herdrukt in Belgisch Museum, II, blz. 240. |
III. Bijbelsche spelen.Dat het geestelijk drama in de 16de eeuw niet geheel en al verdrongen werd door de moraliteit, is vroeger gebleken; een groot aantal toch van zulke spelen werd in de eerste helft der 16de eeuw ten tooneele gebracht 1) . Uit de tweede helft dier eeuw zijn ons enkele bijbelsche spelen in handschrift en enkele titels bekend. In Noord-Nederland werden opgevoerd het spel der Machabeen (1590), van Abrahams Offerande, D' evangelische maeltijt (1592), van sinte Paulus bekeringe, vande menswerdinge Christi, van Paulus ende Barnabas, vanden Propheet Eliseus, van Lazarus doot, van die propheet Jonas, vanden Rycken vrecke ende van Lazarus, vanden Ouden Tobijas, van Jesus onder die Leeraers (1598), van die geboorte Johannes, van de dissipulen hoe sij naer Emaus gingen ende den heer haer ontmoete, van Sacharias ende die geboorte Johannes 2) . Die drama's, waarschijnlijk allen uit de tweede helft der 16de eeuw, werden te Haarlem geschreven of daar althans opgevoerd; zij heeten in het handschrift steeds ‘spelen van sinne’. Uit de Zuidelijke Nederlanden zijn ons de titels bekend der ‘spelen van sinne’, die de beroemde schilder Karel van Mander dichtte 3) en voor een deel in zijne geboorteplaats Meulebeke deed opvoeren. Het zijn de Noah, waarin vertoond werd, ‘hoe hy de Arcke boude, de menschen tot bekeeringen predickten, vande Sontvloet, van 't vergaderen der dieren, het ingaen ter Arcke, het uyt-senden der Duyve, en de Rave, naer 't uytgaen Godt Offerhande doende’; de Nabugodonosor 4) , waarin men zag, ‘hoe die prachtige Prins uyt zyn Koning-rijck verstooten wert, en ter wildernisse met de onredelijcke dieren hoy ende gras at, tot dat hy wel besadicht en wel by zinne zynde, wederomme in zyn rijcke gestelt wert’; de David, die tot inhoud had, ‘hoe David de Koninghlijcke Propheet zynen wel-wysen Sone Salomon in 't rijcke bevestichde, en hem de patroonen tot de opbouwinge des Tempels gaf’. Verder de spelen van Hieram, van Salomoos oordeel, vande Koninghinne van Saba, die ‘om Salomons wijsheit te hooren, en om zyne groote heerlijckheyt te sien gekomen was, ende soo voorts, hoe hy eyndeling door de vreemde Vrouwen hem met Afgoderije besondichde’, de Daniel 5) en de Dina, het eenige van al |
1) Zie boven, blz. 17-21.
2) Vgl. Kalff, Trou moet blycken, blz. 289-292.
3) Vgl. Het leven van Karel van Mander achter zijn Schilderboeck, Amsterdam, 1618.
4) Het spel werd in 1563 te Thielt opgevoerd; zie Vaderlandsch Museum, V, blz. 117.
5) Ook dit drama werd tusschen de jaren 1574 en 1577 te Thielt gespeeld; vgl. Het leven.
|
|
zijne spelen, dat gedrukt schijnt, maar evenals de anderen verloren is gegaan. Wij zullen later zien, op welke schitterende wijze Van Mander zijne drama's deed opvoeren. Toen de Prins van Oranje in 1577 Gent bezocht, werd vóór zijn logies de Historie van Jephte eenige keeren opgevoerd 1) . Te Oudenaarde werden in het laatst der 16de eeuw door schoolkinderen o.a. spelen van Tobias en van de Restauratie van Jerusalem vertoond 2) . Hoe die bijbelsche spelen waren ingericht, blijkt uit de korte inhoudsopgave van eenige stukken, die te Hasselt ten tooneele werden gebracht 3) . In de Balthasar (1591) beveelt de koning een hofmeester en een ridder, een prachtig feest voor te bereiden. ‘Genuchte-Dwaesheyt’ en ‘Eyghen Goetduncken’, twee sinnekens, doen elkander verwijten en schelden elkaar uit; daarna besluiten zij den koning te doen zondigen. De ridder noodigt ‘de Coninghin en de Jonckfrouwen’ uit, aan het feest deel te nemen, en bericht Balthasar haar gunstig antwoord. Na het openschuiven der gordijnen ziet men hen allen aan tafel zitten, terwijl de sinnekens bedienen en aansporen tot drinken en kussen. Balthasar, die ‘versmoort sat’ wordt, zooals de sinnekens zeggen, scheldt op de Joden en op Jeremias, laat de vaten en juweelen der Hebreën halen en schenkt ze aan zijne dienaars. De goden Bel, Mars en Priapus worden geprezen en eene der vrouwen zingt een minnelied. Daar begint plotseling eene hand op den muur te schrijven; de koning en alle anderen verschrikken zeer. ‘Die gordijnen toe’. Balthasar beveelt ‘tovenaers en weechelaers’ te doen komen en belooft hun rijke geschenken. Eén van hen doet Belial verschijnen, die echter geen uitlegging kan geven en wegspringt; een ander roept Belzebub op, die niet gelukkiger is. Nu raadt de koningin aan, Daniel te doen komen, die het geheim wel zal kunnen uitleggen. Na een grappig tooneeltje tusschen de twee sinnekens, waarin de een den ander opsluit, komt de hofmeester bij Daniel; deze gaat mee en verklaart de geheimzinnige woorden. Een wachter hoort wel trommelen en trompetten, maar is te slaperig, om Balthasar te gaan melden, dat er onraad is. De koningen der Perzen en der Meden staan met hun leger voor de stad, overrompelen haar en dooden Balthasar. De sinnekens doen elkander verwijten, willen beide den troon bestijgen, maar vallen en geven dan eene zedepreek ten beste. |
1) Vgl. Belgisch Museum, X, blz. 417.
2) T.a.p., VII, blz. 70.
3) Vgl. Van den Daele en Van Veerdeghem, t.a.p., blz. 29, vlgg. Het is te betreuren, dat de beide uitgevers wel 3 zinnespelen in hun geheel hebben afgedrukt, maar van de 7 bijbelsche drama's slechts een overzicht geven; zinnespelen toch bezitten wij meer dan genoeg.
|
|
Tspel van Josue (1593) wordt voorafgegaan door een langen proloog (418 verzen), die door vier allegorische personen gespeeld wordt en slechts met een zeer lossen band aan het drama zelf is verbonden. Jozua is met zijn leger in de woestijn; Caleph, Ozee en een priester zingen een lied ter eere van God. Twee verspieders, op weg naar den Jordaan, verbergen zich in het huis der waardin Rahab, die de knechten, door den koning afgezonden, misleidt. De verspieders komen bij Jozua, die zich gereed maakt over den Jordaan te trekken. De sinnekens ‘Groot Betrauwen’ uit Jericho en ‘Twyfel der Beloeften’ uit Jozua's leger beschrijven den overtocht, dien zij zien. Jozua dankt God en ziet een gewapend man, den ‘Prince des Heeren heyrs’; deze beveelt hem zijne schoenen te ontbinden. Als Jozua dat gedaan heeft, verschijnt God ‘in den troon’ en beveelt hem, op den zevenden dag zeven maal de stad om te trekken, dan zullen de muren vallen. Jozua komt met zijn leger bij Jericho; dit ‘gaet eens om die stadt; als sy om geweest hebben, soe gaen sy wederomme in haer tenten’. Na den zevenden omgang vallen de muren; de Israëlieten dooden den koning van Jericho en de verspieders brengen Rahab bij Jozua en smeeken hem, haar leven te sparen. In die Belegeringhe van Samariën treden vele personen op, o.a. ook, behalve de sinnekens, een paar comische volkstypen, de bode en de wachter. In de Judith verschijnen twee vroolijke soldaten, Vagart en Snurcart, die half Duitsch, half Vlaamsch spreken, ten tooneele. Evenals de beide laatstgenoemde drama's zijn ook Suzanna, tspel van Hester en Assuerus den Coninck en Amnon en Thamar eerst in de 17de eeuw te Hasselt vertoond, maar waarschijnlijk in het laatst der 16de eeuw geschreven 1) . Rutgert Jansen dramatiseerde in zijn Troost-spel 2) eenige feiten uit het leven van Jezus, o.a. de ontmoeting met de Samaritaansche vrouw. Het drama werd in 1602 te Amsterdam gedrukt; het wordt ingeleid door eene ‘Voor-reden’, waarin drie personen, o.a. ‘Rhetorica’, optreden, en eindigt met een ‘Besluit’ door dezelfden uitgesproken. Het stuk zelf is in vier ‘deelen’ verdeeld. Dat wijst dus op den nieuwen vorm van het drama, maar de ‘sinnekens’ herinneren nog aan eene vroegere periode. Wij kunnen niet goed nagaan, in hoeverre de bijbelsche spelen |
1) T.a.p., blz. 15.
2) Waer in de genade Christi den Gheloovigen toegheseydt, speels-ghewyse voor ooghen ghestelt wort: Wtwysende de Historie: Vant Vrouken by den put, Siet wat 'tgheloof vermach: 'tWordt tol veel menschen nut Ghegheven aenden dach. Door Rutgaert Iansen. (Vignet.) t' Amsterdam by Sacharias Heyns .... 1602.
|
|
van het laatst der 16de eeuw verschilden van die, welke in het begin dier eeuw werden vertoond; wel schijnt het aantal onderwerpen, aan het Oude Testament ontleend, grooter dan vroeger En bovendien treden er zelden goddelijke personen in op. Ook wagenspelen kwamen nog voor, zooals blijkt uit het eigenaardige drama van Jan vanden Kiele, waarin kapittel 1-6 van de Openbaring werden voorgesteld (1581) 1) . ‘Twee Personagien te voete’ gaan voorop en spreken een korten proloog uit. Dan volgt ‘deerste Sle: Iohannes wandelende in een groen Eylandeken ghenaemt Pathmos’; later treedt ‘de Sone des menschen’ op, ‘wandelende achter Ian in het midden van seven gouden candelaeren, met een sonne voor zijn aensicht’, en spreekt met Johannes. Op de tweede slede houdt ‘de Sone des Menschen’, staande en wandelende ‘tusschen de seven gouden candelaren gheaccoutreert als voore’, eene alleenspraak. De derde slede heeft hetzelfde decoratief als de vorige en ‘de Sone des Menschen’ houdt weder eene alleenspraak, terwijl Johannes aan zijne voeten ligt. Op de vierde slede: ‘een stemme seer luyde roepende, ende een duere openghaende antijckelijck verciert, Ian ligghende ter aerden alleene in Pathmos’. Als de gordijnen open gaan, ziet men ‘binnen staende eenen setel, waer in een is sittende, wiens aenschouwen is als Sardis’. De 4 Dieren en de 24 Ouderen spreken collectief. Op de vijfde slede zit God op zijn troon; Johannes, engelen, ‘'t Lam’, ‘Ouderen’ en dieren spreken. De zesde slede heeft weder hetzelfde decoratief als de vijfde. Telkens als ‘'t Lam’ een zegel van het boek losmaakt, komt een ruiter op een wit, rood, zwart of vaal paard ‘van achter de Sle ende voorby passerende rijdt hy weder achter’. Zielen kermen en roepen onder een altaar en ‘de aerde moet gheordineert zijn ter syden den Throon buyten de gordijnen met eenen hemel, Sonne, Mane, Sterren, etc’. De ‘Conclusie’ wordt uitgesproken door ‘twee personagien te voete’. Het is onbekend, of dit wagenspel werkelijk vertoond is; is dat geschied, dan mogen wij aan decorateur en regisseur een woord van lof niet onthouden. Op de ontaarding van het geestelijk drama der Middeleeuwen in veel later tijd werd vroeger reeds gewezen 2) ; hoe de bijbelsche en andere spelen door den invloed van de classieke tragedie en van het school-drama in de 17de eeuw hervormd zijn tot het treurspel, zal later blijken. |
1) Vgl. Den Boomgaert der Belgischer Poëterien, Seer playsant ende oock profijtelijck om lesen, Ghemaeckt by Jan vanden Kiele. Hier zijn noch achter by gheuoeght ses Rethorijckelijcke waghenspelen, besluytende de ses eerste Capittelen van H. Jans Openbaringhe, ghecomponeert by den seluen Autheur. (8regelig vers.) T Hantwerpen Ghedruckt .. . by Jan van Ghelen de Jonghe, Anno. M.D.LXXXI.
2) Zie blz. 69, vlgg.
|
IV. Classieke en andere spelen.Behalve spelen van zinne, gelegenheidsstukken en drama's aan den bijbel ontleend heeft de 16de eeuw nog eenige tooneelspelen opgeleverd, die classieke mythen en verhalen tot onderwerp hebben. Wel was de renaissance nog weinig doorgedrongen tot onze dichters, meestal eenvoudige lieden, die zich niet met studie ophielden en tijd noch gelegenheid hadden, om zich in de schrijvers der oudheid te verdiepen, maar Grieksche en Romeinsche namen, sagen en verhalen waren langzamerhand gemeen goed geworden. Men schrikt van het vertoon van classieke geleerdheid in vele der Antwerpsche spelen van zinne (1561) en van de lange opsommingen van classieke schrijvers en wijsgeeren, die den toehoorders een machtigen indruk moesten geven van de belezenheid der tooneeldichters. Het is dus niet vreemd, dat de oudheid ook voor drama's de stof begon te leveren. Van het spel van Venus Pallas ende Juno, dat reeds in 1494 bij gelegenheid van een tournooi te Antwerpen op de markt gespeeld werd door ‘die van Liere’ 1) , is niets anders bekend dan de titel. Het Meyspel amoreus, daar Pluto Proserpina ontscaect 2) werd te Gent geschreven en in 1519 te Dendermonde, in 1534 te Tholen en in 1551 te Aalst opgevoerd. Na een proloog, die meer dan 700 verzen lang en een zinnespel op zich zelf is, zingt de wachter ‘Weete-van-als’ een liedje op den Mei en op den morgenstond en noodigt ‘Gheestelijck-en-Weerlijck’, die meer van den nacht houdt, uit naar het stuk te kijken, dat men zal gaan vertoonen. Jupiter en Neptunus beroemen zich op hunne macht, maar Pluto deelt hun mede, dat hij niet tevreden is met het deel van de wereld, dat hem is afgestaan. En in elk geval wil hij eene vrouw hebben en wel de dochter van Ceres; als zijne broeders hem niet helpen, dreigt hij alles te vernielen. Daar zij liever niet tegen hem willen vechten, geven zij hem den raad, Proserpina te schaken, als zij uit den toren komt, waarin hare moeder haar heeft opgesloten, en zenden zes godheden, om haar naar buiten te lokken. Die zes goden planten nu bij den toren de meiboomen van ‘Vleeslijke begeerte’, ‘Waereldlijke gheneuchten’ en ‘Vijandige tempteeringe’ en, als daarna |
1) Vgl. Belgisch Museum, I, blz. 149.
2) Men vindt eene ontleding van het stuk bij Kops, blz. 236-240. De schrijver ermeldt niet, waar het Hs. of een gedrukt exemplaar van het drama zich bevindt; ot nu toe is het niemand anders dan hem ter hand gekomen.
|
|
Venus een lied zingt, komt Proserpina naar buiten. Pluto schaakt haar op ruwe wijze, sleept haar, in weerwil van haar kermen, naar de hel en ‘Weete-van-als’ en ‘Gheestelijk-en-weerlijk’ leggen de symbolische beteekenis van het spel uit. De beroemde rederijker Matthijs de Castelein dramatiseerde in zijne Historie van Pyramus ende Thisbe 1) het bekende verhaal uit boek IV der Metamorphosen van Ovidius. Er is twist ontstaan tusschen de verwanten der beide gelieven en nu mogen zij elkander niet meer zien; de moeder van Thisbe laat haar bewaken door eene ‘Cameriere’ en de vader van Pyramus verbiedt dezen:
Pyramus bidt in den tempel van Venus, dat hij de geliefde spoedig mag zien, en Thisbe vindt eene spleet in den muur, die de beide huizen scheidt en aan de beide gelieven gelegenheid geeft met elkander te spreken:
Dan spreken zij af,
Thisbe rust bij de fontein; een leeuw komt op haar af en zij verliest bij hare vlucht haar ‘hooftkleet’, dat de leeuw met ‘syn muylgat van bloede root’ aanvat. Pyramus verschijnt, bemerkt ‘byder Manenschijn’, ‘datter een Leeu korts is ghepasseert’, en vindt den hoofddoek. In wanhoop |
1) speel-wijse ghestelt by wijlent Heer Mathys de Casteleyn, Priester ende excellent Poët. (Portret van den dichter.) Tot Rotterdam, By Felix van Sambix .... Anno M.DC.XII. Andere uitgaven zijn van 1573, 1616 en z.j.
|
|
doorsteekt hij zich. Zijn lijk wordt gevonden door Thisbe, die zich nu ook doodt met het zwaard van haar minnaar. De ouders laten de beide gelieven ‘in een sepulture’ leggen en klagen weinig, maar moraliseeren des te meer. Want .... Pyramus beteekent ‘de Passie van Christus’, Thisbe ‘de devote ziele’, de moerbeiboom het kruis, enz. Een ander spel van Pyramus en Thisbe 1) is afkomstig van de Amsterdamsche kamer ‘’. De sinnekens, die al het kwaad brouwen, heeten hier ‘Hertelijcke Lust’ en ‘Sinnelijcke Genegenheijt’, bij Castelein ‘Bedrieghelijc waen’ en ‘Fraudelick schijn’. En ook hier wordt aan het slot eene symbolische uitlegging gegeven, want Pyramus beteekent Christus, Thisbe ‘de beminde bruijt der cantycken’ of ‘smenschen natuere’, enz. Het spel van Charon den helschen Schippere 2) werd door een onbekenden schrijver waarschijnlijk te Antwerpen gedicht 3) en is eene omwerking van den dialoog van Lucianus. In die samenspraak tusschen Charon en Hermes is eene andere ingelascht tusschen Solon en Croesus; voor Solon is in het drama Plato in de plaats getreden. Het eerste gedeelte van Lucianus' dialoog is somtijds vrij getrouw gevolgd 4) . Er treden geene sinnekens op in het stuk, maar wel ‘Nieuloop, een sot’, die al dadelijk op een stokpaardje, ‘en heet Clappage’, komt binnenrijden. Hij vertegenwoordigt het comische element, doet alsof iemand uit het publiek hem dreigt - ‘laet steecken dat sweerdeken’ - en verwondert zich uitermate over alles, wat hij van de overige spelers ziet en hoort, zoodat hij nu en dan door Charon berispt wordt wegens zijne onnoozele opmerkingen. Maar hij helpt ook bij het uitspreken eener zedeles van Charon of Mercurius, dikt haar nog wat aan en werkt haar op zijne manier uit. In Mei 1552 werd te Antwerpen het spel van Aeneas en Dido van Jacob de Mol vertoond 5) . Het drama is in twee deelen verdeeld, die elk den titel van spel voeren. De schrijver volgt Vergilius vrij nauwgezet; vertaalt hier en daar 6) en maakt somtijds van eene kleine beschrijving |
1) Afgedrukt bij Kalff, Trou moet blycken, blz. 27, vlgg.
2) Vgl. Een spel van sinne van Charon de helsche Schippere (1551), uitgegeven door Dr. W.L. de Vreese. Antwerpen, 1895. Het spel is ook gedrukt in de Nederlandsche Dicht- en Kunsthalle, 1895.
3) T.a.p., blz. 8.
4) T.a.p., blz. 14-18.
5) Vgl. Kalff in Tijdschr. voor Nederl. Taal- en Letterkunde, VIII, 1888, blz. 232. Het Hs. berust in de Kon. Bibl. te Brussel.
6) Vgl. b.v. het gesprek van Venus en Aeneas in het begin met Aen., I, vs. 321, vlgg., dat van Sergestus, Cloanthes, Gias en Dido met Aen., I, vs. 522, vlgg., van Venus en Cupido met Aen., I, vs. 664, vlgg., van Dido en Aeneas in het tweede gedeelte met Aen., IV, vs. 305, vlgg., enz. Zie verder Tijdschr. voor Nederl. Taal- en Letterk., 1901, blz. 27-29.
|
|
in de Aeneis een heel tooneeltje. Waar bijv. in eenige versregels van den Latijnschen dichter 1) het bouwen van Carthago wordt beschreven, daar lascht De Mol een tooneeltje in van een ‘Metsere’ en een ‘Gravere’, die aan het werk zijn, zich beklagen, omdat
en
en die eindigen met ‘gaen een pintken tappen doen’ 2) . Evenals in de Aeneis komen in het drama verscheidene goden voor, maar de sinnekens ‘Fame van eeren’ en ‘Ionstich herte’ zijn zoo onclassiek mogelijk. In de drie spelen van Narcissus ende Echo van Colijn Keyaert 3) is heel weinig overgebleven van het aardige verhaal van Ovidius 4) . Naast Narcissus vinden wij ‘Narcissi schoonheyt’, terwijl Echo vergezeld wordt door ‘'t Herte van Echo’. Deze wordt geroofd door ‘Narcissi schoonheyt’ en opgesloten in ‘'t prisoen van minnen’, zoodat Echo bij haar ontwaken zich ‘herteloos vindt’. Het tweede spel wordt voor een groot deel gevuld met de geschiedenis van Actaeon 5) , die in geen verband staat met die van Narcissus. In het derde worden eerst Echo en ‘'t Herte’ en dan Narcissus en zijne ‘schoonheyt’ gezamenlijk door Atropos gehaald. Het verhaaltje is in het drama geheel verknoeid. Misschien hebben de toeschouwers zich zeer vermaakt met de sinnekens, de vele goden, waaronder ‘de Godinne Diana al moedernaect in eender Fonteynen haer hayrken kemmende’ en met het tournooi, dat in het stuk voorkomt. Hue Mars en Venus tsaemen bueleerden is ongeveer van denzelfden tijd en werd gedicht door Smeecken 6) ; dat dit dezelfde zou zijn als de schrijver van het mirakelspel Van den Sacramente van der Nyeuwervaert, is niet waarschijnlijk. In drie spelen is de bekende geschiedenis 7) gedramatiseerd. Er treden natuurlijk vele goden in het stuk op. In het eerste spel is verder een lange dialoog tusschen ‘Gheest van Amoureusheden’, die de liefde, en ‘Aert van Edelheden’, die den wapenhandel prijst, in het tweede een debat tusschen ‘Meer twijffelen dan hopen’ en ‘Meer hopen |
1) Vgl. Aen., I, vs. 423, vlgg.
2) Zoo luiden althans de regels in de latere bewerking; zie blz. 141.
3) Vgl. Kalff, t.a.p., blz. 235. Het Hs. berust in de Kon. Bibl. te Brussel.
4) Metam., III, vs. 339, vlgg.
5) T.a.p., vs. 138.
6) Vgl. Kalff, t.a.p., blz. 233. Het Hs. is in de Kon. Bibl. te Brussel; het heeft het jaartal 1551, maar dat is de tijd, toen het afschrift gemaakt werd.
7) Vgl. de Odyssee, VIII, vs. 267, vlgg.
|
|
dan twijffelen’. De sinnekens ‘Ghepeys van minnen’ en ‘Iolijt van ooghen’ vervullen verder eene belangrijke rol. De drie laatstgenoemde drama's hebben eigenaardige lotgevallen gehad. De handschriften, die er van bestaan, zijn van denzelfden afschrijver 1) . De stukken zijn waarschijnlijk alle te Antwerpen vertoond door de kamer de ; van het spel van Aeneas en Dido is dat zeker 2) . En nu zijn zij, met enkele afwijkingen van het handschrift, in 1621 uitgegeven in één bundel als het werk van Houwaert 3) . De taal is ietwat gemoderniseerd, enkele verzen zijn ingelascht, de spreuk van Houwaert is aan het slot te pas gebracht, mythologische namen zijn weggelaten of verbasterd, de ruwheid der sinnekens is een weinig verzacht 4) . Er is hier dus plagiaat gepleegd 5) . Of Houwaert echter te beschuldigen is, blijft de vraag, omdat de bundel eerst 22 jaren na zijn dood is verschenen en dus het bedrog door een ander kan zijn gepleegd 6) . In elk geval mag men thans te recht twijfelen, of het vierde drama, dat in denzelfden bundel werd opgenomen, wel van Houwaert's hand is. Daarin wordt in vier spelen de geschiedenis van Leander ende Hero behandeld, maar het Grieksche gedicht van Musaeus (6de eeuw na Chr.) is slechts zeer in de verte gevolgd. In het drama treden vele personen op en in elk der spelen twee verschillende allegorische figuren, die wel geen sinnekens genoemd worden, maar toch het slechte element vertegenwoordigen. De taal is dikwijls weinig in overeenstemming met het onderwerp. Als Hero het lijk van haren minnaar ziet, roept zij uit:
en, als Atropos haar gedood heeft, zegt deze:
Het spel Van Jupiter en Yo van Houwaert 7) bestaat uit drie deelen, |
1) Vgl. Dr. W. de Vreese in Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterkunde, XII, 1893, blz. 210, Noot.
2) T.a.p., blz. 211.
3) Den handel der Amoureusheyt Inhoudende Vier Poetische Spelen, 1. Van Aeneas ende Dido. 2. Narcissus ende Echo. 3. Mars ende Venus. 4. Leander ende Hero. Poete-Iijck geinventeert ende Rhetorijckelijck ghecomponeert, Door Heer ende Meester Johan Baptista Houwaert. Tot Rotterdam By Jan van Waesberghe de Jonge op de Koren Merct. Anno 1621.
4) Vgl. Kalff, t.a.p., blz. 232, vlgg., en De Vreese, t.a.p., blz. 211, vlgg.
5) Zij is het eerst aangewezen door Kalff in zijn boven genoemd opstel.
6) Vgl. De Vreese, t.a.p., blz. 220.
7) Opgenomen in den bundel: Den Handel der Amoureusheyt Begrepen in dry Boecken, inhoudende dry excellente, constighe, soet-vloyende, Poetische spelen van sinnen, van Jupiter en Yo, met dry behaeghelijcke ende belachelijcke Dialogen oft disputatien van minnen vuytermaten ghenoechlijck, lustich, ende plaisant om lesen, so wel voor d'amoreuse minnaers als voor die Edele constighe gheesten. Met Priuilegie. Tot Bruessele by Jan van Brecht. 1583. Deze bundel, die tijdens het leven van Houwaert het licht zag, is een geheel andere dan de zoo even genoemde.
|
|
elk met een proloog, evenals de vier drama's uit den anderen bundel 1) . Te Haarlem werd in 1589 opgevoerd van een coninck genaempt Proetus Abantus 2) , dat zeker de bekende geschiedenis uit het 6de boek der Ilias 3) tot onderwerp had. Drama's, die eene romantische stof behandelen en zich nauwer aansluiten aan de abele spelen dan de classieke stukken, zijn in de 16de eeuw zeer zeldzaam. 't Bewijs vanden coninc van Arragon ende zijnder dochter, dat in 1523 te Thielt werd gespeeld 4) , behoorde misschien tot dat genre, maar het kan ook een mirakelspel zijn geweest, zoo iets als le miracle de la fille du roy de Hongrie 5) . Te Loo werd in 1541 6) en te Lier in 1556 een spel van Griseldis vertoond 7) , waarschijnlijk een ander als het drama van dien naam, dat in 1498 door rederijkers van Peteghem te Deinze was opgevoerd 8) . Eén drama heeft eene geschiedenis tot onderwerp, die in de 16de eeuw zelf onder eenvoudige lieden te Middelburg is afgespeeld; het heeft tot titel: Den Spiegel der minnen 9) . De schrijver was Colijn van Rijssele, waarschijnlijk dezelfde als Colijn Keyaert, die het spel van Narcissus ende Echo schreef en ook wel ‘de amoreuse Colijn’ genoemd werd 10) . In den proloog van het eerste der zes spelen van Den Spiegel der minnen worden eenige, ons reeds bekende, classieke drama's opgenoemd en dan de vraag gesteld:
Die vraag wordt beantwoord met de mededeeling, dat er ‘in Zeelant |
1) Er zijn van het werk slechts 2 exemplaren bekend, één in de Kon. Bibl. te Brussel (vgl. De Vreese, t.a.p., blz. 222) en één in het Britsch Museum (t.a.p., blz. 320). Die twee bibliotheken leenen geene boeken uit. Een enkel citaat uit het drama vindt men in Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterkunde, XII, blz. 204.
2) Vgl. Kalff, |