[p. 193]

Het Latijnsche schooldrama.

Aan vele feesten en plechtigheden van den katholieken eeredienst nam de jeugd een werkzaam aandeel. Bij den omgang, die op sacramentsdag te Amsterdam werd gehouden, traden schoone meisjes op voor Onze Lieve Vrouw, Maria Magdalena, St Barbara, enz. en vormden kinderen, als engelen en duivelen gekleed, verschillende groepen. De engelen, ‘die gulden vleugelen op de schouders droegen’, bespeelden muziekinstrumenten, de duivelen, in bont gewaad gedost, droegen ‘schrikkelijke grijnzen’ en pekstokken, waarmede zij voor den stoet ruim baan maakten 1)  . Op Maria-lichtmis werkten de leerlingen der kapittelschool te Deventer mee tot het opvoeren van een spel, waarin de ontmoeting Onzer Lieve Vrouw met Simeon werd voorgesteld en ‘het kindeke geofferd’ 2)  . In den nacht vóór Paschen namen de schooljongens deel aan eene eigenaardige vertooning in de Oude Kerk te Amsterdam. Ongeveer tegen middernacht nam de pastoor, onder het uitroepen der woorden ‘Christus is opgestaan’, het kruis uit het graf en ging er mede de kerk uit door de torendeur, gevolgd door scholieren en eene groote menigte van belangstellenden. Twee malen ging de processie de kerk om, maar vond telkens de torendeur gesloten. In de kerk, bij de torendeur, die den ingang van de hel moest voorstellen, stond een troep knapen, als duivelen gekleed en met steenen gewapend; de priester verlangde, als hij de deur genaderd was, dat deze zou worden geopend, maar de duivels weigerden en wierpen met ‘ijselijk geschrei’ steenen tegen de deur. Als de priester voor den derden keer bij de torendeur was gekomen, raakte hij haar met het kruis aan; de deur vloog open, de duivels verdwenen onder groot geschreeuw en de processie trad de kerk binnen, waar het kruis vóór het koor werd opgehangen 3)  .

Men mag als zeker aannemen, dat de duivels met groot genoegen deelnamen aan die symbolische voorstelling der afdaling van Christus naar de hel en dat zij hunne rol met ijver en toewijding vervulden.

 1)  Zie Moll, t.a.p., II, 4, blz. 23.
 2)  T.a.p., blz. 269.
 3)  T.a.p., blz. 270.


[p. 194]

Maar er waren andere feesten, die ook een eenigszins dramatisch karakter hadden en zeker nog meer in den smaak vielen van de jeugd. Bij het Bisschopsspel o.a. trad zij nog meer op den voorgrond. Dat feest begon na Kerstmis en duurde 5 of 7 dagen. De lagere geestelijkheid en de koorknapen kozen uit hun midden een bisschop, die, gekleed in het gewaad van een kerkvorst en voorzien van al zijne attributen, alle kerkelijke plechtigheden verrichtte, de mis bediende, aflaten schonk, de leeken zegende, enz. Dat alles had in de kerk plaats en werd afgewisseld door dans en zang, vertooningen en grappen. Hoeveel moeite de geestelijkheid ook heeft gedaan, om dit feest, dat misschien zijn oorsprong dankt aan de Romeinsche Saturnalia, uit te roeien, welke maatregelen de concilies ook namen, het mocht niet gelukken, om aan het feest van den bisschop der gekken of onnoozelen met zijne ‘mommerie en narrerie’ een einde te maken. In 1347, in 1358 en volgende jaren en in 1390 wordt er melding gemaakt van het bisschopsspel te Deventer 1)  . In 1399 verbood het kapittel van St. Salvator te Utrecht, op straffe van wegjagen, aan rector en scholieren, nog langer door dansen en spelen de kerk en de graven der heiligen te ontwijden 2)  . De vastenavondspelen van de jeugd vonden minder tegenwerking; ook meisjes deden er aan mee of traden afzonderlijk op 3)  . Ook het feest van den Meikoning werd te Deventer o.a. in 1345 met eene vertooning gevierd 4)  .

Meestal echter droegen de vertooningen, die door de jeugd ten beste werden gegeven, een ernstig karakter. In 1394 werd op den Brink te Deventer in tegenwoordigheid van Raad en Schepenen door de ‘clercken’, d.i. de leerlingen der Latijnsche school, onse heeren passio vertoond 5)  . Te Arnhem speelden schoolkinderen in 1419 ter eere van een nieuwen burgemeester onzer vrouwe spel 6)  . Misschien waren het leerlingen der Latijnsche school, die in 1436 en 1453 te Deventer Teofilus Spull en in 1441 ons heeren verrisinge speelden 7)  , en in elk geval voerden kinderen in die stad in 1474 Koning Aszwerus, in 1500 en 1501 David en Golias en in 1586 twee ‘Duetsche’ comedies op 8)  . In 1496 speelden te Oudenaarde kinderen van twee verschillende scholen

 1)  Zie Mr. J.I. van Doorninck in Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel, V, 1879, blz. 54.
 2)  Vgl. Moll, t.a.p., blz. 265.
 3)  Vgl. Van Doorninck, blz. 54-58. Reeds in 1339 wordt melding gemaakt van vertooningen door kinderen te Deventer.
 4)  T.a.p., blz. 53.
 5)  T.a.p., blz. 58.
 6)  Vgl. G. van Hasselt, Arnhemsche oudheden, I, 1803, blz. 186.
 7)  Vgl. Van Doorninck, t.a.p., blz. 59, 60.
 8)  T.a.p., blz. 59, 64.


[p. 195]

op Sacramentsdag en in 1499 vertoonden zij na eene processie een esbatement ‘voor Heere ende Wet, vrauwen ende joncvrauwen vander stede’ 1)  . Te Utrecht gaven de ‘clercquen van S. Hieronymus’, dus de leerlingen der Latijnsche school, in 1526 op St. Maria-Magdalena-dag een ‘suverlic batement’ ten beste 2)  . In 1530 speelden in dezelfde stad de ‘kinderen van Marie’ op St. Petersdag komedie 3)  , in 1537 liet de Waalsche schoolmeester er door zijne leerlingen een ‘batement’ vertoonen 4)  , in 1576 voerden ‘ettelyke borgers kinderen’ eene tragi-comedie op, die aan Deuteronomium, 18, ontleend was 5)  . In Augustus 1539 had er eenige dagen achtereen te Antwerpen een tooneelwedstrijd plaats van kinderen 6)  . In 1520, 1524 en 1531 speelden kinderen te 's Gravenhage in de groote zaal van het Hof 7)  . In 1533 liet Philips van Halle, ‘walsche meester’ te Amsterdam, op vastenavond ‘zyn scholieren en discipulen’ ‘een spel in walsch’ spelen 8)  . Een aantal posten uit oude stadsrekeningen bewijzen, dat komediespelen van jongelieden in het openbaar iets zeer gewoons was, dat de geestelijkheid er over het algemeen niet tegen streed en de schoolmeesters het bevorderden door het leiden der vertooningen. In dat alles is geene verandering gekomen, toen de invloed der renaissance zich in de Nederlanden deed gevoelen.

De herleving der classieke oudheid is van zeer groot gewicht geweest voor de ontwikkeling van het drama. De Grieksche en Romeinsche tooneeldichters waren gedurende de Middeleeuwen zoo goed als onbekend gebleven; hunne werken lagen, naast die van andere heroën der letterkunde, bedolven onder het stof van kloosterbibliotheken. Alleen Terentius werd gelezen en de geleerde non Hroswitha van Gandersheim schreef in de 10de eeuw eenige Latijnsche drama's van godsdienstigen inhoud, om de blijspelen van Terentius, die in den smaak vielen van vele vromen, te verdringen 9)  . De Italiaansche humanisten, die, vol ijver en bezieling, honderden handschriften van classieke schrijvers van den ondergang gered en voor ons behouden hebben, waren niet het minst verheugd, toen in 1429 een handschrift met 12 onbekende

 1)  Vgl. Belgisch Museum, VI, blz. 405, 407.
 2)  Vgl. De stadts-kameraers-rekeningen van Utrecht in Dodt van Flensburg's Archief voor kerkelijke en wereldlijke geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, III, 1843, blz. 212.
 3)  T.a.p., blz. 214.
 4)  T.a.p., blz. 218.
 5)  T.a.p., blz. 247.
 6)  Vgl. Belgisch Museum, I, blz. 157, 158.
 7)  Vgl. Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterkunde, VI, blz. 74.
 8)  Volgens eene aanteekening van Mr. N. de Roever.
 9)  Eene halve eeuw na Hroswitha vertaalde Notker, een Benedictijner monnik te St. Gallen, de Andria in het Duitsch (vgl. J.L. Klein, Geschichte des Drama's, III, 1866, blz. 671, 672).


[p. 196]

blijspelen van Plautus in Duitschland gevonden en naar Rome was overgebracht. Hertog Filippo Maria van Milaan, markgraaf Lionello d'Este en Lorenzo de Medici smeekten te gelijk den gelukkigen bezitter van den pas verworven schat, kardinaal Giordano Orsini, om het verlof den codex te doen afschrijven, en alleen door list gelukte het Lorenzo het handschrift eenigen tijd in zijne macht te krijgen 1)  . In 1486, dus ruim eene halve eeuw later, werden aan het hof van Ercole I, hertog van Ferrara, eenige blijspelen van Plautus met groote pracht in het pas gebouwde theater opgevoerd. En die voorstellingen werden telkens herhaald. Toen Paus Paul III in 1543 Ferrara bezocht, speelden de kinderen zelve van den toenmaligen hertog Alfonso d'Este voor hem de Adelphi van Terentius. Ook te Rome werden de Latijnsche blijspeldichters gehuldigd. In 1502 werd de Menaechmi van Plautus voor Paus Sixtus IV in zijne eigen vertrekken ten tooneele gebracht en zijn opvolger Leo X woonde in 1513 eene opvoering van de Poenulus bij 2)  . Sedert dien tijd hebben Italiaansche dichters de Latijnsche comici ijverig nagevolgd.

De renaissance, van Italië naar Duitschland overgebracht, leidde ook daar tot de studie van Plautus en Terentius. Reeds in 1486 zagen Duitsche vertalingen van eenige hunner comedies het licht. In 1518 werd de Eunuchus te Zwickau opgevoerd, in 1537 een ander blijspel van Terentius te Nördlingen, in 1557 twee comedies van Plautus te München, in 1560 de Aulularia te Königsberg, in 1565 de Phormio te Straatsburg 3)  . Het spelen van Latijnsche comedies is vooral in sommige steden gewoonte geworden en die gewoonte is jaren lang in stand gebleven.

De vertooners der blijspelen waren, zoowel in Italië als in Duitschland, meestal jongelieden, die de Latijnsche school bezochten. De docenten toch zagen al spoedig het groote nut van deze voorstellingen in voor het aanleeren eener taal, die zoo algemeen gebruikt werd als het Latijn. Reeds in 1523 bevatte het schoolreglement te Zwickau de bepaling, ‘dass Mitwochs nach geschehener Repetition und Sonntags nach der Kirche eine Komödie aus dem Terentius zur Stärkung des Gedächtnisses und zur Übung in der Aussprache und in der Geschick-lichkeit des Leibes gespielt werden soll’ 4)  . Het schoolreglement te

 1)  Vgl. G. Voigt, Die Wiederbelebung des classischen Alterthums oder das erste Jahrhundert des Humanismus. Berlin, 1859, blz. 140, 141.
 2)  Vgl. Carl von Reinhardstoettner, Plautus. Spätere Bearbeitungen plautinischer Dramen. Leipzig, 1886, blz. 50-53.
 3)  T.a.p., blz. 35-38.
 4)  T.a.p., blz. 36.


[p. 197]

Güstrow, dat in 1552 werd opgesteld, zegt: ‘Es soll auch alle halbe Jahre eine Lateinische Comoedia aus dem Plauto oder Terentio für die Knaben, dass sie gut Latein lernen mögen, von den Schülern in der Schule, jedoch extra habitum, agiret werden’ 1)  . Wel ijverde de geestelijkheid somtijds tegen die voorstellingen, maar de groote hervormers zagen er niet alleen geen kwaad in, maar prezen ze aan. Luther, die Terentius goed kende, prees in de voorrede van zijn werk Judith en Tobias het drama in het algemeen en sprak in zijne Tischreden over het nut van komediespelen voor jongelieden. Niet alleen leeren zij er, volgens zijn oordeel, goed Latijn door, maar door te letten op de verschillende karakters, die in een drama geteekend worden, leeren zij ook de menschen en de wereld kennen. Bovendien zien zij, hoe personen van verschillenden stand zich behooren te gedragen. ‘Zudem werden darin beschrieben und angezeiget, die listigen Anschläge und Betrüge der bösen Bälge. Desgleichen was der Eltern und jungen Knaben Ampt sey.... Und Christen sollen die Comödien nicht ganz und gar fliehen, darumb dass bisweilen grobe Zoten und Bulereien darinnen seyn, da man doch umb dieser willen auch die Bibel nicht dürfte lesen’ 2)  . Melanchthon, die misteries en kluchten afkeurde, ijverde voor het Latijnsche blijspel en liet in zijne school verschillende comedies opvoeren, waarvoor hij zelf prologen schreef 3)  .

Maar het vertoonen der blijspelen van Plautus en Terentius door de schooljeugd had, behalve het beter aanleeren van het Latijn, nog een ander gevolg. De herleving der classieke oudheid deed mannen opstaan, die de ouden navolgden. Een groot aantal Italiaansche schrijvers bootsten de werken der Romeinsche dichters in vloeiende verzen na. En zij beproefden ook hunne krachten aan het drama. Die drama's werden in het Latijn geschreven en behandelden geheel verschillende stof. Alberto Mussato schreef in het begin der 14de eeuw twee Latijnsche treurspelen, de Eccerinis en de Achilleis; het eerste is ontleend aan de geschiedenis van zijn eigen tijd, evenals de Fernandus servatus van Carlo Verardis, het andere aan de oudheid. Leonardo Dati dramatiseerde in de Hiempsal en Baptista Mantuanus in de Attila een historisch onderwerp. Quintinianus Stoa, professor te Padua, bracht in de Theoandrothanatos (1508) het lijden van Christus ten tooneele; het drama gelijkt op een misterie, maar is vol classieke allegorie. In kleine stukjes, meestal in den vorm van dialogen, werden verder anecdotes, aardigheden, voorvallen uit het dagelijksch leven gedramatiseerd; gewoonlijk treden

 1)  T.a.p., blz. 37.
 2)  T.a.p., blz. 32, 33.
 3)  T.a.p., blz. 33, 34.


[p. 198]

er figuren in op, die aan het Latijnsche blijspel ontleend zijn. Dezelfde soort van onderwerpen werd ook in Duitschland behandeld, maar in het land der hervorming nam het schooldrama al spoedig een vijandigen toon aan tegen de kerk. Vooral de klucht stond er hoog; Reuchlin heeft zich in dat genre roem verworven met zijn Heino, die in 1497 te Heidelberg is opgevoerd. Voor dat blijspel, dat in 5 bedrijven is afgedeeld, die elk door een koorzang worden besloten, is op aardige wijze gebruik gemaakt van de beroemde Farce de Maistre Pathelin.

Eigenaardig is het zeker, dat voor schooldrama's, welk onderwerp zij ook behandelden, de vorm der blijspelen van Terentius werd gekozen. Dat men aan zijne comedies de voorkeur gaf boven die van Plautus, is niet vreemd. Terentius was gedurende de Middeleeuwen althans eenigszins bekend geweest, Plautus niet. De taal van Terentius is veel gemakkelijker en staat dichter bij die der meest gelezen Latijnsche schrijvers dan de zegswijze van den ouderen dichter, die zeer archaeïstisch getint is en dus minder geschikt voor het onderwijs. Ten slotte durft Plautus in zijne comedies nog meer toestanden en personen teekenen uit een kring, waar men jongelieden liever niet mede in aanraking brengt. Maar dat men ook voor onderwerpen van ernstigen en tragischen aard den vorm koos van den blijspeldichter Terentius en niet het oog richtte op den eenigen vertegenwoordiger van het Romeinsche treurspel, wiens werken ons zijn overgebleven, is een moeilijk te verklaren feit.

Het is hier niet de plaats, om de ontwikkeling van het schooldrama in Europa te schetsen. In alle beschaafde landen is het een paar eeuwen lang zeer geliefd geweest. Een aantal beroemde mannen, Thomas Morus, Buchanan, Reuchlin, Kirchmaier (Naogeorgos), Frischlin, enz. hebben Latijnsche drama's geschreven. Op de dramatische letterkunde van Duitschland, waar naast het Latijnsche tooneelspel al spoedig drama's in de landstaal door de schooljeugd werden opgevoerd, heeft het Latijnsche schooldrama grooten invloed gehad 1)  . Wat het schooldrama in de Nederlanden beteekend heeft, moge blijken uit het volgende.

In de Zeventien Provincien was het onderwijs vrij goed, sedert de Broeders des Gemeenen levens, die zich bij de groote beweging van het humanisme hadden aangesloten, aan het hoofd van vele scholen stonden. Zij hebben hier te lande veel gedaan voor de studie der classieken, vooral

 1)  Zie over het Latijnsche schooldrama, Dr. Otto Francke, Terenz und die lateinische Schulcomoedie in Deutschland. Weimar, 1877, en over het Duitsche, Jacob Minor, in de Inleiding vóór het Speculum vitae humanae. Ein Drama von Erzherzog Ferdinand II. von Tirol. 1584 (Neudrucke deutscher Literaturwerke des XVI. und XVII. Jahrhunderts. No. 79 u. 80), Halle, 1889.


[p. 199]

van de Romeinsche schrijvers, nieuwe leerboeken ingevoerd en nieuwe methodes aan de hand gedaan 1)  . Het is dan ook niet vreemd, dat juist in de stad, waar hunne orde was ontstaan en waar zij jaren lang grooten invloed hebben gehad, eenige drama's van Latijnsche dichters zijn uitgegeven. Te Deventer zagen nl. bij Albertus Pafraet de Andria (1512, 1523 en 1525) en de Eunuchus (1521) het licht, bij Dirk de Borne ongeveer in denzelfden tijd de Thyestes en de Phoenissae van Seneca 2)  , terwijl in 1556 ook diens Medea verscheen. Deze boekjes waren waarschijnlijk voor schoolgebruik bestemd. De eerste Nederlandsche vertaling van Terentius kwam in 1555 te Antwerpen uit; zij is van de hand van Cornelis van Ghistele.

Evenals elders werd ook hier te lande door paedagogen gebruik gemaakt van den vurigen ijver voor komediespelen, die, zooals wij boven zagen, de jeugd bezielde. Waarom zouden de jongens, die gewoon waren openlijk als tooneelspelers op te treden, geene Latijnsche drama's vertoonen? Het instudeeren zou aan de studie van het Latijn ten goede komen; de leerlingen zouden een rijken woordenschat, kennis van de quantiteit der syllaben en inzicht in maat en rhythmiek verkrijgen. Door het spelen in eene vreemde taal zou niet alleen hunne eerzucht geprikkeld, maar ook de rechtmatige trots der ouders gevleid worden. Een goed paedagoog mag voor zulke dingen het oog niet sluiten, maar moet er gebruik van maken, om zijn doel te bereiken, d.i. de kennis zijner leerlingen uitgebreider en steviger te doen worden. Evenals in Duitschland, waren hier te lande vele schoolmeesters groote voorstanders van het schooldrama 3)   en werden de blijspelen van Terentius en Plautus en

 1)  Zie over de inrichting der scholen en over de vakken, die onderwezen werden, Moll, t.a.p., II, 2, blz. 228-284.
 2)  Deze werkjes bevinden zich in de Deventer Bibliotheek.
 3)  Zoo zegt Macropedius in den proloog van de Andrisca (1538):
 Inter tot interque adeo discrepantia
 Scholaria exercitia, nullum (ut arbitror)
 Maioribus mihi prosequendum laudibus,
 Quam scenicus ludus (modo absit foeditas)
 Actusque comicus. alii versus canant,
 Alii legant scribantue crebro epistolas,
 Alii aliud exercitium honestum tractitent,
 Comoedia una facile praestat omnibus.
 . . . . . . . . . . . .
 Haec schemata grammatico troposque suggerit,
 Haec rhetori administrat arma affectuum,
 Haec disserenti offert locos dialectico.
 Quid tibi parit maiorem ad homines gratiam?
 Quid aeque moribus ornatam adolescentiam?
 Quid quoque rei plus commodum scholasticae?
 Nam si in ea agenda exercearis sedulo,
 Linguae auferes stribliginem ac rubiginem.
 Quia agendo non modo promptitudinem, sed et
 Miram loquendi in concionibus palam
 Populo dabit fidentiam. si eius quoque
 Spectator adsis, non modo oblectaberis,
 Sed et optimis quibusque vitam moribus
 Ornaueris. quid enim per immortalia
 Diuina numina, ecquid est comoedia,
 Nisi totius vitae hominis et clarissimum
 Speculum, et figura amplissima? in qua quid tibi
 Vitandum erit vel actitandum, clarius
 Lumine videbis atque contemplaberis,’ caet.


[p. 200]

somtijds ook de treurspelen van Seneca door de schooljeugd opgevoerd. Dikwijls wordt er in de stadsrekeningen slechts gesproken van een spel in het Latijn en wordt de titel niet genoemd 1)  , maar men mag aannemen, dat in het eerste gedeelte der 16de eeuw classieke drama's ten tooneele zijn gebracht, want het moderne Latijnsche drama begint hier te lande eerst ongeveer in 1530. Reeds in 1508 voerden studenten te Leuven de Aulularia en kort daarna de Miles op 2)  , in 1527 speelden scholieren te Haarlem de Andria 3)  , in 1530 studenten te Leuven de Adelphi 4)  , in 1544 de leerlingen te Deventer Seneca's Hercules furens 5)  , in 1575 de jongelui der Hieronymusschool te Utrecht de Medea 6)  . Den 15den Sept. 1591 voerden studenten of gymnasiasten te Leiden de Agamemnon van Seneca op 7)  , den 2den en 3den Jan. 1592 zelfs de Ajax van Sophocles en de Rhesus van Euripides 8)  , den 7den, 8sten en 9den Juni 1595 de Plutus van Aristophanes, de Troades van Seneca en de Miles van
 1)  Te Haarlem werd in 1521 ‘een spel in 't Latijn’, in 1523 ‘eene materie in Griecsche sprake’, in 1524 een Latijnsch stuk, in 1526 de Hecuba van Euripides vertoond. (Vgl. Dr. A.H. Garrer, Schonaeus. Bijdrage tot de geschiedenis der Latijnsche school te Haarlem. Haarlem, 1889, blz. 69.)
Van de opvoeringen der leerlingen van de Hieronymusschool te Utrecht wordt niet eens vermeld, of zij in het Latijn of in het Nederlandsch plaats hadden (vgl. Dodt van Flensburg, t.a.p., blz. 218, 226, 233, 237, 247, 248, 271), en evenmin van die der scholieren van de fraters te 's Hertogenbosch (vgl. Dr. C.R. Hermans, Geschiedenis der rederijkers in Noordbrabant, 's Hertogenbosch, II, 1867, blz. 162-167).
 2)  Vgl. Félix Neve, Mémoire historique et littéraire sur le collége des Trois Langues à l'université de Louvain (in Mémoires couronnés .... publiés par l'Académie royale des sciences .... de Belgique. Bruxelles, XXVIII, 1856, blz. 118, 119).
 3)  Vgl. Garrer, t.a.p
 4)  Vgl. Reinhardstoettner, t.a.p., blz. 36.
 5)  Vgl. van Doorninck, t.a.p., blz. 63.
 6)  Vgl. Dodt van Flensburg, t.a.p., blz. 247.
 7)  Vgl. Diarium Everardi Bronckorstii (in Werken uitgeg. door het Hist. Gen., 3de serie, No. 12), 1898, blz. 23.
 8)  T.a.p., blz. 29.


[p. 201]

Plautus 1)   en den 2den Aug. de Aulularia 2)  . In Sept. 1595 speelden tien gymnasiasten te Middelburg in tegenwoordigheid van de Staten van Zeeland de Ajax van Sophocles, Seneca's Hercules Furens en Plautus' Captivi 3)  . In 1603 liet Adolphus Venator, predikant te Alkmaar, de Andria bij zich aan huis opvoeren, maar haalde zich daardoor onaangenaamheden met classis en synode op den hals 4)  . In 1614 speelden de leerlingen der Latijnsche school te Dordrecht de Mostellaria en de Hercules Oetaeus 5)  . Leidsche studenten voerden in 1617 bij een bezoek van Engelsche en Zweedsche gezanten aan de academiestad de Troades op 6)  ; datzelfde treurspel werd ook in 1660 door de scholieren te Dordrecht vertoond 7)  , waar dikwijls Seneca's drama's ten tooneele werden gebracht 8)  . In 1657 speelden ‘Latynse Studenten’ in den Amsterdamschen Schouwburg de Andria en in 1658 de Eunuchus, gevolgd door ‘een klucht in 't Griex’ 9)  ; in 1664 werd daar de Medea opgevoerd 10)  . Te Deventer werd in 1671 Seneca's Agamemnon door studenten vertoond 11)  . In de noordelijke provincies van ons land is het schooldrama ten gevolge van de tegenwerking der geestelijkheid niet doorgedrongen; er wordt alleen melding gemaakt van het opvoeren der Andria door de leerlingen der Latijnsche school te Dokkum in 1741 12)  .

Intusschen begon men al spoedig hier te lande, evenals in Italië en Duitschland, de classieke drama's na te volgen. De herleving der classieke letteren had in de Nederlanden een groot aantal Latijnsche dichters doen opstaan; onder hen hebben de Hagenaar Janus Secundus en Nicolaus Grudius van Leuven zich den grootsten roem verworven. En ook het drama vond ijverige beoefenaars. Daar het Latijn de taal der geleerden was geworden, waren er voor Latijnsche dichters en dramatici

 1)  T.a.p., blz. 91.
 2)  Volgens eene aanteekening van Mr. Ch.M. Dozy, aanwezig in het stedelijk Archief van Leiden.
 3)  Vgl. P. de la Ruë, Geletterd Zeeland, 1741, blz. 154, 155.
 4)  Vgl. Dr. G.D.J. Schotel, Tilburgsche avondstonden. Amsterdam, 1850, blz. 307, 308, en Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterk., 1901, blz. 36.
 5)  Vgl. Worp, De invloed van Seneca's treurspelen op ons tooneel. Amsterdam, 1892, blz. 50.
 6)  Vgl. M. Siegenbeek, Geschiedenis der Leidsche Hoogeschool. Leiden, 1829, I, blz. 107.
 7)  Vgl. Schotel, Letter- en Oudheidkundige avondstonden. Dordrecht, 1841, blz. 134.
 8)  Vgl. Schotel, De Illustre School te Dordrecht. Utrecht, 1857, blz. 113.
 9)  Vgl. C.N. Wybrands, Het Amsterdamsche tooneel van 1617-1772. Utrecht, 1873, blz. 93.
 10)  Vgl. Dr. G. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam, Haarlem, 1895, blz. 307.
 11)  Vgl. Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren (voor) 1840, blz. 192, 193.
 12)  Vgl. Schotel, Tilburgsche avondstonden, blz. 312.


[p. 202]

lauweren te behalen, zelfs ver buiten de enge grenzen van hun vaderland. Bovendien is het aantal drama's van Plautus, Terentius en Seneca, dat voor schoollectuur en schooldrama geschikt is, niet bijzonder groot. Men kon gebruik maken van Latijnsche drama's, door Italianen en Duitschers geschreven 1)  , en van Latijnsche vertalingen van Grieksche treurspelen 2)  , maar beter was het in een land als het onze, waar de renaissance zich zoo bijzonder krachtig heeft doen gelden, zelf de hand aan den ploeg te slaan. Dat hebben de Nederlanders der 16de en 17de eeuw dan ook gedaan en zij hebben op dit gebied, evenzeer als op elk ander, lauweren geplukt 3)  .

 1)  Zoo werd in 1516 één der comedies van Reuchlin, de Sergius, te Deventer bij Pafraet nagedrukt.
 2)  In 1570 gaf Georgius Ratallerus van Leeuwarden eene Latijnsche vertaling der treurspelen van Sophocles uit. Erasmus vertaalde de Iphigenia in Aulide (1519) van Euripides, Petreius Tiara van Workum de Medea (1543), Georgius Ratallerus zijne Phoenissae, Hippolytus en Andromache (1581). Adrianus Chilius van Maldeghem vertaalde de Plutus van Aristophanes (1533). Hetzelfde blijspel werd in het Latijn overgebracht door Lambertus Hortensius van Montfoort (1556), die ook de Nebulae (1557), de Equites (1557) en de Ranae (1561) vertaalde.
 3)  Voor het bibliographisch gedeelte van dit onderzoek heb ik veel te danken aan een Hs. van Dr. W.H.D. Suringar, dat zich thans in de Leidsche Bibl. bevindt en tot titel heeft: Onomasticon Dramatum Latinorum Recentiorum. De titels van honderden drama's worden daarin genoemd volgens de alphabetische volgorde van de namen der schrijvers. Die aanteekeningen zijn met groote zorg bijgehouden en zooveel mogelijk geverifieerd.

I. Het schooldrama in de l6de eeuw.

Het oudste schooldrama in de Nederlanden schijnt de Grisellis van Eligius Eucharius of Houcharius te zijn. De schrijver, die in het dagelijksch leven Gilles Hoockaert heette, was schoolmeester in ‘de cleene Roose op den Zandberg’ van zijne geboortestad Gent en heeft Latijnsche werken en Latijnsche verzen in het licht gezonden. In 1511 gaf hij zijn drama en andere gedichten te Parijs uit; het stuk is in 1513 en 1519 te Gent herdrukt. De leerlingen van Hoockaert waren er aan gewoon komedie te spelen; reeds vroeger hadden zij o.a. de Dolotechne (1504) van den Italiaan Bartholomeus Zambertus en de Sergius van Reuchlin opgevoerd 4)  . Den 6den Sept. 1512 werd de Grisellis ten tooneele gebracht

 4)  Die drama's worden genoemd in de opdracht der uitgave van 1519 met nog een paar anderen, waarvan de dichter mij onbekend is.


[p. 203]

in het hof van Gistel 1)  , nadat men de voorstelling eenige keeren wegens het slechte weer had moeten uitstellen; de toehoorders waren niet velen in aantal, maar uitgezocht.

In de Grisellis is de 10de novelle van den 10den dag uit Boccaccio's Decamerone aardig gedramatiseerd. Het verhaal was en is algemeen bekend. Niet alleen had Petrarcha in 1373 de novelle in het Latijn vertaald, maar in vele kloosterbibliotheken vond men Latijnsche handschriften, waarin de geschiedenis was beschreven; er zijn verschillende Nederlandsche bewerkingen uit de 15de eeuw van bekend en reeds omstreeks 1500 zag een volksboek, Die Historie van der goeder Vrouwe, genaemt Griseldis, het licht.

De Grisellis van Hoockaert is in 3 bedrijven verdeeld; proloog en argument gaan aan het stuk vooraf, dat eindigt met een epiloog - hier conclusio genoemd - en eenige versregels van den nar. De maat is afwisselend, maar meestal wordt toch de dactylische hexameter gebruikt; koorzangen of liederen komen niet voor. Naar alle waarschijnlijkheid heeft de dichter voor zijn drama gebruik gemaakt van Petrarcha's vertaling der novelle; dat blijkt o.a. uit enkele eigennamen, die overeenkomen.

Onder de dichters van schooldrama's in de 16de eeuw nemen drie Noord-Nederlanders eene allereerste plaats in, Gnapheus, Macropedius en Schonaeus. Vele anderen zullen worden genoemd, maar op hen behoort het meeste licht te vallen.

Willem Claesz. de Volder of van de Voldersgraft werd in 1493 in Den Haag geboren en daarom ook wel Willem van Haghen of Hagiensis genoemd 2)  . Hij vertaalde later zijn naam in het Grieksch en in het Latijn en noemde zich Guilielmus Gnapheus of Fullonius; onder den laatstgenoemden naam is hij het meest bekend. Gnapheus heeft waarschijnlijk, zooals de meeste zijner landgenooten van dien tijd, die zich in wetenschap en letteren hebben onderscheiden, eerst onderricht gehad van de Broeders des Gemeenen levens. Zijne academische opleiding ontving hij voor een deel te Keulen, waar hij van 26 Mei 1511 tot Nov. 1512 studeerde en den graad van baccalaureus verwief 3)  . Naar Den Haag teruggekeerd, werd hij er rector der Latijnsche school. Maar

 1)  Vgl. F. de Potter, Geschiedkundige Beschrijving der stad Gent, V, blz. 590. De dichter wordt daar Elooi van Houcke genoemd.
 2)  Guicciardini spreekt in zijne Descrittione di tutti i Paesi bassi, 1581, blz. 304, van ‘Guglielmo Hagiense gran' litterato, il quale fu il primo Poeta Comico, che hauesse la Germania inferiore’.
 3)  Zie Gvlielmvs Gnaphevs Acolastvs. Herausgegeben van Johannes Bolte (in Lateinische Litteraturdenkmäler des XV. und XVI. Jahrhunderts), Berlin, 1891, blz. XII.


[p. 204]

hij had er niet het rustige leven van den schoolmeester, die het hoogstens alleen te kwaad heeft met zijne leerlingen. Vele humanisten hier te lande waren bekend geworden met de geschriften der hervormers en plaatsten zich langzamerhand aan het hoofd der godsdienstige beweging in de Nederlanden 1)  . Tot hen behoorde ook Gnapheus. In Aug. 1523 werd hij wegens Lutherij in hechtenis genomen en hij zou met twee anderen naar Gorinchem worden overgebracht, waar de inquisiteur-generaal mr. François van der Hulst hem zou examineeren. Maar er stak in Holland een storm van verontwaardiging op; er moest recht worden gesproken in Den Haag en niet elders; men stond op de handhaving van het jus non evocandi; de Staten van Holland protesteerden; Van der Hulst durfde niet naar Den Haag te gaan 2)   en den 29sten October werd Gnapheus uit de gevangenis ontslagen 3)  . Doch hij mocht de stad zijner inwoning niet verlaten op boete voor ‘mr. Willem Claesz alias Voldersgraft, priester, scoelmeester van den Hage (van) drie hondert ponden van veertich grooten vlaems tpont’ 4)  . Reeds in Mei 1525 werd hij weer gevangen genomen en opgesloten met Jan Janszoon de Bakker of Pistorius 5)  , wiens leven en marteldood hij in 1529 te boek heeft gesteld 6)  . Hij had zich te verantwoorden over zijn troostbrief ‘aen een arme bedroefde weduwe, wier soon de cappe verlaten hadde’, doch hij wist zich er door heen te slaan en werd in September slechts veroordeeld tot het verblijf ‘in een clooster, om aldaer den tyt van dry maenden penitentie te doen te bier en te broode’ 7)  . In 1528 weer aangeklaagd, omdat er in zijn huis tegen het vasten gezondigd was 8)  , besloot hij het land te ruimen. Vóór zijn vertrek heeft hij zijn Acolastus geschreven 9)  , die hem beroemd zou maken.

Het drama behandelt de geschiedenis van den verloren zoon naar Lucas, 15, een geliefd onderwerp voor tooneeldichters. Het eenvoudige verhaal

 1)  Vgl. Dr. J.G. de Hoop Scheffer, Geschiedenis der Kerkhervorming in Nederland van haar ontstaan tot 1531. Amsterdam, 1873, blz. 29.
 2)  T.a.p., blz. 186-190.
 3)  T.a.p., blz. 186, Noot.
 4)  T.a.p., blz. 354.
 5)  T.a.p., blz. 359-361.
 6)  Ioannis Pistorii martyrium. Het boekje beleefde verscheidene drukken. Ook de disputacie tusschen Pistorius en de kettermeesters, in het Nederlandsch geschreven (1525), schijnt door Gnapheus te zijn uitgegeven (t.a.p., blz. 360, Noot).
 7)  T.a.p., blz. 392.
 8)  T.a.p., blz. 538, 539.
 9)  Er is tegenstrijdigheid in de chronologische orde der feiten. Gnapheus bericht in de voorrede van zijn Tobias ende Lazarus (1557), dat hij vervolgd werd dadelijk na het bezetten van Den Haag door Maerten van Rossum (6 Maart 1528). Maar onder den laatsten versregel der eerste uitgave van de Acolastus staan de woorden: ‘Gulielmus FulIonius canebat apud Hagienses suos anno M.D.XXIX’.


[p. 205]

is op meesterlijke wijze gedramatiseerd; de karakters zijn goed geteekend. Voor de beschrijving van het loszinnige leven van den zoon heeft Gnapheus een aantal figuren aan het Latijnsche blijspel ontleend, den klaplooper, den veelvraat, de gemeene deerne, enz. en hij heeft hun allen namen gegeven, die hun aard aanduiden en naar classieke schrijvers, vooral naar Plautus en Terentius, zijn genomen. Aan sommige tooneeltjes van die comediedichters sluit Gnapheus zich verder nauw aan. Ook de bouw van het drama is naar het Latijnsche blijspel gevolgd; de vijf bedrijven, proloog, epiloog en het argumentum zijn overgenomen. Er treedt geen koor op in het stuk, maar wel wordt er een lied voorgedragen of gezongen. Dialoog, taal en metrum van Terentius zijn vooral gevolgd 1)  .

De Acolastus werd in Juli 1529 te Antwerpen gedrukt 2)   en maakte verbazend veel opgang. In het volgende jaar zagen vier uitgaven het licht, twee te Antwerpen, één te Parijs en één te Keulen; in 1585 verscheen het werkje voor het laatst; dit is de 47ste druk 3)  , dien wij kennen. Het drama werd door Georg Binder (1535) 4)  , Wolfgang Schmeltzl (1545) 5)   en J.U. Hankart (1627) 6)   in het Duitsch vertaald - de vertaling van den eerstgenoemden beleefde 6 drukken - en meermalen in die taal opgevoerd; eene Engelsche vertaling dateert van 1540, eene Fransche van 1564 7)  . Op latere dichters van schooldrama's heeft de Acolastus grooten invloed gehad. Want Gnapheus heeft het eerst een onderwerp uit den bijbel behandeld in den aantrekkelijken vorm der Latijnsche comedie, en in een tijd als den zijnen, waarin godsdienstige vragen zich zoozeer op den voorgrond drongen, was zulk eene vereeniging van bijbelsche onderwerpen en humanisme eene openbaring voor velen.

En intusschen zwierf de man, wiens drama men overal nadrukte en

 1)  Zie Bolte, t.a.p., blz. XVI-XXIV.
 2)  De titel der eerste uitgave is: Acolastvs De filio prodigo comoedia Acolasti titulo inscripta, authore Gulielmo Gnapheo, Gymnasiarcha Hagiensi. Godfridvs Dvmaeus Antuerpiae excudebat, Anno M.D.XXIX. Mense Iulio. Cvm Gratia et Priuilegio Imperiali ad triennium.
 3)  Zie Bolte, t.a.p., blz. XXIV-XXVII.
 4)  Vgl. H. Holstein, Das Drama vom Verlornen Sohn. Ein Beitrag zur Geschichte des Dramas. Halle, 1880, blz. 16-21, en Bolte, t.a.p., blz. XIV.
 5)  Vgl. Bolte, t.a.p
 6)  Vgl. Bolte, t.a.p Ook voor andere Duitsche drama's, die de geschiedenis van den verloren zoon behandelen, is de Acolastus gebruikt; zie Holstein, blz. 22, 38. En eveneens voor een Zweedsch stuk van Samuel Petri Brasck; zie E. Wrangel, De betrekkingen tusschen Zweden en de Nederlanden op het gebied van letteren en wetenschap ... Leiden, 1901, blz. 382.
 7)  Vgl. Bolte, blz. XIV-XVI.


[p. 206]

opvoerde, als balling rond. In 1531 kwam hij met andere Nederlandsche protestanten te Elbing, waar hij vier jaren later tot rector der Latijnsche school werd benoemd. Maar de vijandige houding van den bisschop van Ermland, Dantiscus 1)  , dwong hem in 1541 naar Königsberg de wijk te nemen en zich onder de bescherming te stellen van Hertog Albrecht, die hem tot raad der kanselarij benoemde en in 1544 tot rector aanstelde van de paedagogische inrichting, die aan de Universiteit was verbonden. Doch ook daar vond Gnapheus geen rust. De Lutheranen en met name professor Fredericus Staphylus, die eenige jaren later tot de katholieke kerk overging, maakten het hem, den protestant, lastig en hij verliet Königsberg 2)  , om zich in 1547 te Emden te vestigen, waar hij secretaris werd van gravin Anna van Oostfriesland en gouverneur van hare kinderen. Hij genoot het vertrouwen der gravin en nam meermalen politieke zendingen waar. Later bekleedde hij het ambt van rentmeester te Norden, waar hij den 29sten Sept. 1568 is gestorven 3)  .

Gnapheus heeft vele strijdschriften en Latijnsche gedichten geschreven. In 1541 gaf hij verder een eigenaardig werk uit, Triumphus eloquentiae getiteld, dat men dikwijls als een schooldrama vermeld ziet. Het is de beschrijving van een optocht met declamatie en gezang, die den intocht van het humanisme in Elbing voorstelde. Vier en zeventig personen, voor een groot deel te paard of op wagens, spraken één voor één den magistraat vóór het raadhuis toe, terwijl de stoet langzamerhand voorbijtrok. Goden, Muzen, bekende personen uit de oudheid, allegorische figuren als Barbaries 4)  , Ignorantia en Eloquentia maakten deel uit van den stoet. De vertooning had twee malen plaats, den laatsten keer in 1540 5)  . Ook schreef Gnapheus nog een paar schoolcomedies. In de Morosophus (1541) 6)   treedt de fluitspeler Morus als astronoom op en neemt den naam Morosophus aan. Hij leest in de sterren, dat de regen, die zal vallen, allen in dwazen zal veranderen, en sluit zich in zijn huis op. De voorspelling wordt bewaarheid en hij hoopt, als de eenige verstandige, koning van de dwazen te zullen worden. Maar gek geworden

 1)  Zie over zijn verblijf te Elbing, Reusch, Wilhelm Gnapheus, der erste Rector des Elbinger Gymnasiums. (Programma Elbing, 1868 en 1877).
 2)  Zie over zijn verblijf te Königsberg, Dr. H. Roodhuyzen Jr., Het leven van Guilhelmus Gnapheus, een der eerste Hervormers in Nederland. Amsterdam, 1858, blz. 30-66.
 3)  Zie over zijn verblijf te Emden, Dr. H. Babucke, Wilhelm Gnapheus, ein Lehrer aus dem Reformationszeitalter, 1875.
 4)  Waarschijnlijk is dit werk ook wel Misobarbarus genoemd. Men heeft dit gehouden voor den titel eener schoolcomedie, maar deze is nooit gevonden.
 5)  Zie Reusch, II, blz. 4-8.
 6)  Zie den inhoud, t.a.p., blz. 26, 27.


[p. 207]

boeren plagen en mishandelen hem en hij wascht zich ook met regenwater, om als een dwaas onder de dwazen te leven. Ten slotte neemt ‘Sophia’ hem onder hare leerlingen op. In de Hypocrisis (1544) wordt Psyche voor Jupiter gedaagd wegens haar huwelijk met Cupido en laat zich begeleiden door Hypocrisis; de laatste wordt naar de onderwereld gebannen en Psyche gered, doordat zij zich van Cupido doet scheiden en zich tot Berouw wendt. Gnapheus, die het drama schreef, om den weg te wijzen, hoe men ook theologische onderwerpen op comische wijze kon behandelen 1)  , is daarin allerminst geslaagd. De Hypocrisis is een tooneelspel, dat volstrekt niet aantrekt met al zijne allegorische figuren, wier namen verklaard moeten worden, bijv. Psyche is ‘de ziel van den zondigen mensch, die vooral misbruik maakt van zijne kennis’, Cupido ‘wijst de booze harstochten en gebreken van de ziel aan’, enz. De vijf bedrijven van het drama eindigen met een koorzang.

Van al de geschriften van Gnapheus is de Acolastus verreweg het belangrijkst, omdat het den grootsten opgang heeft gemaakt 2)   en een nieuwen weg voor het schooldrama heeft aangewezen. En die weg is door velen betreden.

Nicolaus Barptholomaeus staat met zijn Christus Xylonicus (1531) 3)   geheel op den bodem van het oude kerkelijke drama. Zijne tragedie is een passiespel, waarin meer dan 30 personen optreden, o.a. Alecto. Het drama, dat in 4 bedrijven is afgedeeld, begint met eene alleenspraak van Christus, die 22 bladzijden druk beslaat. Er treden in het treurspel vijf verschillende koren op, die aan het slot en ook wel midden in het bedrijf een zang aanheffen.

In 1533 gaf Jacobus Zovitius in Ruth eene aardige dramatiseering van het bijbelverhaal. De schrijver was een Zeeuw, uit het dorp Dreischor bij Zierikzee, en is rector geweest te Hoogstraten en te Breda 4)   Zijn Ovis perdita (1539) is een drama, waarin niets dan allegorieën optreden, Rechtvaardigheid, Medelijden, Nijd, Ongehoorzaamheid, enz. De Didascalus, die in 1534 werd uitgegeven, was eenigszins van denzelfden aard 5)  . In de drama's van Zovitius treden geene koren op. Van geheel anderen

 1)  Vgl. de Epistola dedicatoria, blz. 6 der uitgave van 1544.
 2)  De Acolastus is o.a. in 1536 te Elbing opgevoerd (vgl. Reusch, I, blz. 36; II, blz. 4). De Hypocrisis is ook te Bazel vertoond (vgl. Creizenach, Geschichte des neueren Dramas, II, 1901, blz. 160, Noot).
 3)  Het drama, dat in 1531 te Parijs het licht zag, is in 1539 te Antwerpen herdrukt.
 4)  In de voorrede van zijn Ovis perdita vertelt hij, dat de Ruth geschreven werd, toen hij nauwelijks 21 jaar was. Uit dezelfde voorrede blijkt, dat hij in 1539 te Breda woonde.
 5)  Het drama is mij niet ter hand gekomen; zie den korten inhoud bij Creizenach, II, blz. 168.


[p. 208]

aard zijn de werkjes van Johannes Placentius (Jean le Plaisant), die geboren werd te Sint Truyen en te Maastricht is gestorven 1)   Zijn Clericus eques (1534) is eene klucht, in proza geschreven. Een arm geestelijke wordt door eene vrouw ondervraagd, waar hij van daan komt. Zijn antwoord ‘van Parijs’ wordt verstaan als ‘van het Paradijs’ en de vrouw vraagt, of haar eerste man daar naakt rondloopt, zooals hij begraven is. De ander geeft een bevestigend antwoord en neemt geld en kleeren aan, om deze aan den doode te brengen. Als echter de tegenwoordige echtgenoot van de vrouw van de zaak hoort, stijgt hij dadelijk te paard, om den geestelijke te achterhalen. Deze bemerkt het, trekt het boerenkleed aan, dat hij van de vrouw heeft gekregen, en doet alsof hij staat te werken. Hij wijst een bosch aan, waarin de geestelijke verdwenen zou zijn. De boer stapt af en gaat het bosch in; de geestelijke bestijgt het ros en rijdt naar Parijs 2)  . Ook de Lucianus aulicus (1534), die in verzen is geschreven, is eene dergelijke klucht; de schrijver noemt het een tafelspel. In de Pisander bombylius (1540) van Arnoldus Madirus maakt een boer, die erg onder de plak van zijne vrouw zit, zich ten strijde gereed, als er eenige soldaten naderen. Hij zet een koperen pot op het hoofd en trekt een oud harnas aan, maar vlucht in het kippenhok, zoodra hij de soldaten ziet. Deze schrikken van zijn geschreeuw, als zij het kippenhok naderen, en gaan op den loop voor het spook, dat zijn kop uit het hok steekt. Het stukje is in proza geschreven.

Cornelius Crocus (of Krook) was een vurig ijveraar voor den katholieken godsdienst en is in een heftigen pennestrijd met Joannes Sartorius, den vriend van Gnapheus, gewikkeld geweest. Beide mannen waren verbonden aan de Latijnsche school van hunne geboortestad Amsterdam, Crocus als rector. Hij was priester en had zulk een goeden naam als geleerde, dat Jan III, koning van Portugal, hem een leerstoel aan de Hoogeschool van Coimbra aanbood. Kort vóór zijn dood reisde hij te voet naar Rome en werd door Loyola in de orde der Jezuïeten opgenomen. In 1550 is hij gestorven 3)  . Van Crocus is één schooldrama bekend, de Joseph, die in 1535 te Amsterdam werd opgevoerd en in 1536 te Antwerpen gedrukt 4)  . Het tooneelspel behandelt Sephira's aanslag

 1)  Zijne Susanna (1534, 1536) is mij niet ter hand gekomen.
 2)  De inhoud der klucht komt overeen met dien van De Barta et marito ejus per studentem Parisiensem deceptis, een gedicht van Reinier de Wael, dat met twee andere verzen van hem in 1509 te Leiden is uitgegeven.
 3)  Zie over zijn leven, Wagenaar, Amsterdam, XI, blz. 197, 198.
 4)  Ik vond uitgaven genoemd van 1537 (2), 1538, 1541, 1542, 1546 (2), 1547, 1548, 1549 en 1595.


[p. 209]

op Joseph, zijne gevangenschap en verheffing (Genesis, 39, 40). Er treedt geen koor op in het drama, maar de schrijver dichtte een Nederlandsch vers, dat deels gesproken, deels, na het blazen op den hoorn, gezongen moest worden door den ‘wachter’ in de pauze na het 4de bedrijf 1)  . Crocus schreef zijn tooneelspel, om te dienen bij een heiligenfeest, waar de comedies van Plautus en Terentius niet pasten 2)  .

Evenals Gnapheus heeft Georgius Macropedius (Georg van Langveldt) 3)   zich grooten roem verworven als dramatisch schrijver. Deze geIeerde monnik werd ongeveer in 1475 bij Gemert in Noord-Brabant geboren, studeerde waarschijnlijk te Leuven en behoorde tot de Broeders des Gemeenen levens. Nadat hij rector in Den Bosch en in Luik was geweest, bekleedde hij van 1535 tot 1554 dat ambt in Utrecht; toen hij ziekelijk werd, keerde hij naar Den Bosch terug en stierf daar in Juli 1558.

De rector der Hieronymusschool te Utrecht heeft een aantal leerboeken voor verschillende vakken geschreven, werd voor de beste grammaticus van zijn tijd gehouden en heeft vele voortreffelijke leerlingen gevormd 4)  . En deze uitstekende schoolman was tevens een uitstekend dramaticus. Had Gnapheus het eerst eene bijbelsche stof voor het schooldrama gebruikt, Macropedius was in de Nederlanden de eerste, die het Latijnsche blijspel op het tooneel bracht. ‘Want’, roept hij uit in de opdracht der Rebelles en Aluta, ‘wat is geschikter, om jongens tot leeren, jonge menschen tot ernstige studie, ouderen, ja eigenlijk allen tot deugd te brengen, dan een goed blijspel, dat door sommigen te recht een spiegel van het dagelijksch leven, door anderen eene nabootsing van het leven, een spiegel van den omgang, het beeld der waarheid genoemd wordt?’ Hij beroept zich verder op Reuchlin, ‘die, behalve dat hij het eerst het Hebreeuwsch in Duitschland heeft ingevoerd, ook de geheel vervallen kunst van den blijspeldichter het eerst in eere heeft hersteld’. Dat

 1)  Het versje is achter het stuk gedrukt.
 2)  In den Prologus zegt hij van deze blijspelen: Quas esse fictas nostis omnes fabulas, Vanas, prophanas, ludicras, ac lubricas.
 3)  Zie over hem het artikel van Dr. Daniel Jacoby in de Allgemeine Deutsche Biographie, zijn Georg Macropedius. Ein Beitrag zur Literaturgeschichte des sechzehnten Jahrhunderts (Programm des Königstädtischen Gymnasiums. Ostern 1886), Berlin, 1886, Georgivs Macropedivs Rebelles und Alvta. Herausgegeben von Johannes Bolte (in Lateinische Litteraturdenkmäler des XV. und XVI. Jahrhunderts) Berlin, 1897, blz. V, VI, en Dr. I. Hartelust, De dictione Georgii Macropedii, Accedunt Macropedii Petriscus ... Utrecht, 1902.
 4)  Vgl. Dr. A. Ekker, De Hieronymusschool te Utrecht, I, 1863, blz. 25-27.


[p. 210]

de schrijver niet zeker was van het succes dezer nieuwigheid, blijkt uit de opdracht en uit den titel van het boekje 1)  .

In de Rebelles (1535) brengen twee onverstandige moeders hare jongens bij den schoolmeester Aristippus en verzoeken hem hare lievelingen toch vooral zacht te behandelen. Maar de bengels maken het slecht op school; zij leeren niet, dobbelen, vechten samen en krijgen dus van den meester de belooning voor zooveel deugd, een duchtig pak slaag. Zij beklagen zich t'huis over die behandeling en de moeders stappen op hooge beenen naar den meester, schelden hem uit en verwijten hem zijne wreedheid. ‘Ik heb u mijn zoon toevertrouwd, om hem te leeren, niet om hem te verscheuren’, roept de ééne verontwaardigd uit. ‘Ik heb hem gekregen, om hem te verbeteren’, antwoordt de meester, ‘niet om hem te dooden, maar om hem voor de galg te bewaren’. Maar de moeders vertrouwen hare spruiten niet weer aan zulk een kinderbeul toe; zij moeten dan maar voor den koopmansstand worden opgeleid. Met goed gevulde zakken gaan beiden op reis, maar zij landen al spoedig in eene herberg aan, waar zij goede sier maken. Een paar schurken, die aan de jongens beloven de genoegens van Trijntje aan die van Wijntje te zullen toevoegen, berooven hen in de herberg door middel van valsche dobbelsteenen van hun geld en kleeren en jagen de kaal geplukte gansjes de deur uit. Opgewonden en verontwaardigd als zij zijn, bestelen zij een slapenden boer en keeren naar de herberg terug, maar worden al spoedig door een diender gepakt, voor den rechter gebracht en tot hangen veroordeeld. De moeders roepen de hulp van den verachten meester in en deze treedt bij den rechter voor de kwajongens op en eischt, dat zij aan hem worden uitgeleverd, omdat zij onder de hoede van den schoolmeester staan en deze alleen dus het recht heeft hen te straffen. De rechter zwicht voor dat argument; de jongens worden losgelaten met een stevig pak slaag in het vooruitzicht en de moeders vragen den braven Aristippus ten eten. Dat alles heeft plaats ten overstaan van twee duivels - eene herinnering aan het geestelijk drama - die in elk bedrijf uit hun schuilhoek te voorschijn komen, zich er steeds meer en meer over verheugen, dat de jonge

 1)  Die titel luidt: Comicarvm Fabvlarum Georgii Macropedii duae, rudibus adhuc et tenellis Traiectinae scholae auditoribus nuncupatae, quarum altera Rebelles, altera Alvta inscribitur, in quibus puero praeter rem ludicram nonnihil eruditionis tum in literis tum in moribus venari licebit.
Het is opmerkelijk, dat de eerste uitgave (1535) te 's Hertogenbosch uitkwam, terwijl bijna al de schooldrama's van Noord-Nederlanders in dezen tijd het eerst te Antwerpen werden uitgegeven.


[p. 211]

deugnieten hen niet zullen ontgaan, en ten slotte zeer teleurgesteld worden door de kordaatheid van den meester.

In 1553 heeft Macropedius de klucht eenigszins omgewerkt 1)  , maar ook zonder die omwerking is zij zeer populair geworden en in het Duitsch vertaald 2)  . Niet minder opgang maakte de Aluta (1535) 3)  , die den volgenden inhoud heeft. De boerin Aluta uit het visschersdorp Bunschoten is met kippen naar de markt te Utrecht gegaan. Een paar dieven bedriegen de eenvoudige vrouw; de één geeft voor haar neef te zijn en beveelt haar als kooper voor hare waar zijn metgezel aan. De sloof richt zich tot dezen, die de kippen koopt, maar toevallig geen geld bij zich heeft en met de waar weggaat, om geld te halen, terwijl hij aan Aluta den haan als pand achterlaat. De boerin wacht geduldig in de herberg, maar de kooper laat zich zoo lang wachten en zij drinkt zooveel, dat zij eindelijk niet recht meer weet, waar zij is. De herbergierster eischt betaling; Aluta heeft geen geld en geeft dus den haan, dien zij nog over heeft. Op den terugweg valt zij neer en slaapt in. De beide deugnieten, die dat voorzien hebben, zijn in de nabijheid; zij berooven haar van hare kleeren en werpen een net over haar heen. Als Aluta wakker wordt, begrijpt zij niets van de zaak, vraagt: ‘Ben ik nu Aluta van Bunschoten, de vrouw van Heino, of ben ik iemand anders’, en wil naar haar man, om te weten, ‘of Aluta soms t'huis is’. Zij komt met veel moeite t'huis en doet haar man en haar zoontje schrikken door haar onsamenhangend gepraat. De priester wordt gehaald en bezweert den duivel, die in de vrouw is gevaren. Zij herstelt spoedig en hoort, dat de dieven gepakt zijn.

Over de andere kluchten van Macropedius kunnen wij korter zijn, nu, door het meedeelen van den inhoud van Rebelles en Aluta, het genre eenigszins is geschetst. De Petriscus (1536) 4)   is een pendant van de Rebelles; de jonge held van het stuk, die door zijne moeder schandelijk verwend is, geraakt in slecht gezelschap, besteelt zijne ouders en tracht de schuld op een trouwen dienaar te werpen. In de Andrisca (1538) 5)  

 1)  Zie Bolte, t.a.p., blz. XXVI-XXXIV.
 2)  Er zijn uitgaven bekend van 1536, 1539, 1540 (2), z.j. (2), 1546, 1552, 1553, 1558 en 1594. Het drama werd in 1556 en 1557 in het Duitsch vertaald (vgl. Bolte, blz. XXIV, XXV.
 3)  Van de Aluta zijn uitgaven bekend van 1536, 1539, 1540 (2), 1541, z.j. (2), 1543, 1546, 1553, 1557 en 1558; de klucht is in 1556, 1557 en 1598 in het Duitsch vertaald. De laatst genoemde vertaling is van Jacob Ayrer (vgl. Bolte, blz. XXIV, XXV).
 4)  Er zijn uitgaven van 1540, 1541 en 1553. Herdrukt door Hartelust (zie boven, blz. 209). Zij is in het Duitsch nagevolgd door Hayneccius (vgl. Jacoby, t.a.p., blz. 26).
 5)  De klucht is in het Duitsch vertaald (vgl. Bolte, blz. XXV).


[p. 212]

treden twee Bunschoter vrouwen op, van welke de ééne drinkt en de andere het met een priester houdt. De beide echtgenooten besluiten ten slotte hunne vrouwen tot rede te brengen; de één, een boer, vecht met zijne vrouw ‘om de broek’ en overwint haar, de ander, een leerlooier, ranselt de zijne af, wrijft haar lichaam met zout in en stopt haar in eene paardehuid 1)  . In de Bassarus (1540) 2)   steelt een koster eetwaren en wijn van den gierigen schout en van den priester, die hij ten eten heeft genoodigd, en vertelt hun ten slotte, hoe hij gekomen is aan het smakelijke maal, dat hij hun heeft voorgezet..

De blijspelen van Macropedius tellen allen 5 bedrijven, van welke de vier eerste door een kleinen koorzang worden besloten. De muziek dezer koren is in de volledige uitgave der werken van Macropedius (1552) afgedrukt 3)  . De taal der blijspelen herinnert over het algemeen meer aan Plautus dan aan Terentius.

De kluchten van Macropedius zijn van groote comische kracht. Zij zijn goed in elkander gezet en vol aardigheden en gedramatiseerde anecdotes. De vrouw, die, als haar man binnentreedt, haren minnaar verbergt, door met de meid een laken uit te spreiden, en de echtgenoote, die door zijne gade is afgeranseld en bij een nieuwsgierigen buurman zijne tranen aan den rook toeschrijft, zijn bekende figuren. Evenzoo de jongens, die den pastoor bang maken, als hij s'avonds bij onweer op den rug van den koster over het kerkhof wordt gedragen, en de man, die den gehangene toeroept: ‘Hein, leefdi noch?’ en antwoord krijgt van een smid, die onder de galg in slaap is gevallen. De onderwerpen en figuren zijn meestal aan het volksleven ontleend en niet naar classieke voorbeelden gevolgd.

Macropedius had zijne blijspelen ruim 20 jaren in zijn lessenaar bewaard, voordat hij ze uitgaf 4)  . Maar het oudste van zijne ernstige drama's, de Asotus, dateert nog van vroeger tijd, nl. ongeveer uit 1507 5)  . Ook deze tooneelspelen van godsdienstigen aard zijn van beteekenis.

 1)  Er zijn uitgaven van 1538 (2), 1539, 1540, 1543 en 1553. Zie over die eigenaardige straf en de kluchten, in welke zij voorkomt, J. Bolte und W. Seelmann, Niederdeutsche Schauspiele älterer Zeit (Druck des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, IV), Norden und Leipzig, 1895, blz. *5-*21.
 2)  Er zijn uitgaven van 1541, 1546 en 1553.
 3)  Vgl. over de melodieën der koorzangen van Macropedius' drama's, Jhr. Mr. J.C.M. van Riemsdijk, Het Stads-muziekcollegie te Utrecht. 1631-1881. Eene bijdrage tot de geschiedenis der toonkunst in Nederland. Utrecht, 1881, blz. 51, vlgg.
 4)  Zie de opdracht der Rebelles.
 5)  In de opdracht (1537) zegt de schrijver, dat hij dit drama, zijn eerste werk, ongeveer 30 jaren geleden schreef.


[p. 213]

In de Asotus (1537) 1)   wordt de geschiedenis van den verloren zoon behandeld, maar op geheel andere wijze dan door Gnapheus, al vinden wij hier ook enkele figuren uit de Acolastus terug, den parasiet en de ‘meretrix’. Bij Macropedius viert Asotus met eenige ‘meretrices’ feest in het huis van zijn vader en zeilt later, als hij zijne erfportie heeft opgevraagd, met hetzelfde illustre gezelschap naar Milete. Wij zien hem niet als zwijnenhoeder, maar zijn vader, die iets van hem gehoord heeft door een vreemdeling, wacht aan de haven, of hij soms terug zal komen. In het stuk treden weer een paar duivels op 2)  . Een diepzinnig drama is de Hecastus (1539) 3)  . De moraliteit Elckerlijc van Peter Dorland of Peter van Diest was in 1536 door Christianus Ischyrius in het Latijn vertaald met den titel Homulus. En nu heeft Macropedius die moraliteit van den stervenden mensch op meesterlijke wijze in zijn Hecastus omgewerkt. Bijna al de allegorische figuren van het Nederlandsche drama zijn, met veel beter gevolg dan in de Homulus, in menschen van vleesch en bloed herschapen en de handeling is in het dagelijksch leven verplaatst. De rijke en vroolijke Hecastus, die het leven geniet, wordt door vrienden en verwanten in den steek gelaten, wanneer hij plotseling doodelijk ziek wordt. Deugd en Geloof strijden voor hem tegen Satan en Dood en, als Hecastus zonder angst gestorven is, ten gevolge van de aanwezigheid en den bijstand van Geloof, verkondigt de priester, dat er voor allen hoop is op het eeuwige leven, wanneer zij gelooven, boete doen en hun leven beteren. Het drama is zeer beroemd geworden en dikwijls vertaald en bewerkt 4)  . In de Lazarus mendicus (1541) 5)   is het verhaal uit Lucas, 16, uitvoerig gedramatiseerd. Het weelderige leven van Laemargus, den rijke, en zijne vrienden wordt in verscheidene tooneeltjes voor oogen gesteld; in het eerste bedrijf is hier navolging

 1)  De naam is ontleend aan Aristoteles, Ethica Nicom., IV, 1.
 2)  Er zijn uitgaven van 1540 (2), 1541 (2) en 1553. Het stuk is gebruikt door Nicolaus Risleben voor zijn Duitsche Asotus (1586). Zie Holstein, t.a.p., blz. 31-33.
 3)  Zie over het drama vooral Karl Goedeke, Every-man, Homulus und Hekastus. Ein Beitrag zur internationalen Literaturgeschichte. Hanover, 1865.
 4)  Er zijn uitgaven van 1539 (2), 1540, 1541, 1549, 1551, 1552, 1553, 1571 en 1586. Het drama zag in 6 Duitsche vertalingen het licht, nl. van Hans Sachs (1549), Laur. Rappolt (1552), Cyriakus Spangenberg (1564), H.P. Rebenstock (1568), J. Schreckenberger (1589) en Abr. Saurius (1591). Het is in het Deensch vertaald. Ook in het Zweedsch door Swen Bryngelson Dalius (1681). Zie Goedeke, t.a.p., blz. 73-76, 215-217, en De Düdesche Schlömer. Ein niederdeutsches Drama von Johannes Stricker (1584), herausgegeben von Johannes Bolte (Druck des Vereins für niederdeutsche Sprachforschung, III), Norden und Leipzig, 1889, blz. *24. Over de opvoeringen buiten's lands, zie t.a.p.
 5)  Er zijn uitgaven van 1541 (2), 1542, 1545, 1553, 1557, 1574 en 1589.


[p. 214]

van de eerste acte van de Hecastus. Als Lazarus, die omringd wordt door eenige andere bedelaars, gestorven is, willen twee duivels zijn lijk wegdragen, maar engelen verhinderen het; het lijk van den rijke daarentegen wordt, als hij plotseling sterft, door hen weggesleept. Het slot van het drama, als de rijke met Abraham spreekt, is eene bijna woordelijke vertaling van het bijbelverhaal. In 1544 volgde de Iosephus 1)   die het verblijf van den held in Egypte tot onderwerp heeft, in 1552 de Adamus. In het laatstgenoemde drama wil de dichter voorstellen, hoe de mensch, na de verdrijving uit het paradijs, zonder hulp en troost is gebleven en hoe eerst Christus vergiffenis, heil en genade bracht. Tot dat doel neemt hij personen uit verschillende perioden van de geschiedenis der Israëlieten. In het eerste bedrijf wordt Abel door Cain gedood en treden Adam en Eva op. Maar het eerste menschenpaar speelt ook in al de andere bedrijven eene rol; zij spreken met de overige personen van het drama en vertegenwoordigen dus den mensch in het algemeen, die reikhalst naar genade en verlossing. Het tweede bedrijf geeft o.a. het offeren van Izaak door Abraham te zien, het derde de wetgeving door Mozes, het vierde den strijd van David en Goliath en het optreden der profeten Jesaia, Jeremia, Ezechiel en Daniel. Het vijfde bedrijf voert ons in de omgeving van Maria, Joseph, Zacharias en Elizabeth, kort vóór de geboorte van Jezus (Lucas, 2). Elohim, Gabriel en ‘genii’ komen voor onder de personen van het drama. In de Hypomene (1553) zijn weer eenige allegorische figuren. Geduld en de Schrift, twee zusters, worden van den hemel naar de aarde gezonden en troosten Iob, Lazarus, David, Elia, Tobias, armen en zieken. De koorzangen - en er zijn er vele in het drama, ook midden in een bedrijf en aan het slot der 5de acte - zijn voor het meerendeel naar de Psalmen gevolgd. De proloog wordt niet door een afzonderlijken speler uitgesproken, maar is een samenspraak tusschen Geduld en de Schrift. De Iesus scholasticus (1556), het laatste drama van Macropedius 2)  , mist alle handeling; het verblijf van Christus te Jeruzalem op twaalfjarigen leeftijd wordt er in voorgesteld (Lucas, 2).

Ook als schrijver van ernstige drama's was Macropedius zeer veelzijdig. Naast de tooneelspelen, aan den Bijbel ontleend, die de geschiedenis van één persoon tot onderwerp hebben, zooals de Asotus en de

 1)  Het drama is door Antoine Tiron in het Fransch vertaald als L'Histoire de Joseph, Anvers, 1564.
 2)  Ten onrechte is beweerd, dat Macropedius ook nog eene Susanna en eene Christi Passio heeft gedicht (vgl. Jacoby, blz. 11, 12). Ook de Dimulla is door niemand gevonden.


[p. 215]

Iosephus, staan de Adamus en de Hypomene, die ons telkens in een geheel andere omgeving en in een geheel anderen tijd verplaatsen, terwijl enkele figuren van het drama, Adam en Eva of Geduld en de Schrift, al die tooneeltjes aan elkander verbinden. En de Hecastus heeft weer een geheel ander karakter; het is een allegorisch tooneelspel, waarbij echter, althans in den beginne, de allegorie niet al te zeer doorschemert. Macropedius was er zoozeer van overtuigd, dat hij in zijne drama's het Latijnsche blijspel navolgde, dat hij b.v. zijn Lazarus eene ‘comedie’ noemt en zijn Adamus betitelt als een spel, ‘waarin comisch wordt aangetoond, hoe de gevallen mensch .... gered wordt’. De schrijver wist trouwens ook, dat hij somtijds tegen de wetten van het blijspel zondigde 1)  . Eene eigenaardigheid in de tooneelspelen van Macropedius is wel, dat hij voor de koorzangen zoo dikwijls de viervoetige iambe gebruikt, eene maat, die in ernstige drama's somtijds een niet gewilden comischen indruk maakt. Macropedius is in de 16de eeuw de eerste onzer Latijnsche dramatici, zooals Grotius het was in de 17de.

Petrus Papaeus, die eene school had te Meenen bij Kortrijk, heeft in zijn Samarites (1539) 2)   gebruik gemaakt van de Acolastus van Gnapheus. Hij laat in zijn drama, dat ontleend is aan Lucas, 10, den jongen Aegio wegreizen van zijn aangenomen vader Megadorus. De Diabolus Leno verlokt hem, met behulp van den parasiet Gulo en van den slaaf Hedylogus, tot liefde voor Sarcophilia. Op zijn terugtocht wordt hij beroofd en gewond door de roovers Cupido, Bacchus en de Dood, en geholpen door den Samaritaan. Er zijn geene koorliederen in het drama. Papaeus had een allegorischen zin gelegd in zijn tooneelstuk; dat blijkt niet alleen uit enkele persoonsnamen, maar ook uit eene nadere verklaring van andere. Aegio is nl. de Mensch, de leermeester Eubulus is de Rede, Megadorus is God, de olie van den Samaritaan is de genade van den heiligen geest 3)  . Het is niet te ontkennen, dat de Terentiaansche figuren van het stuk in deze omgeving een vreemden indruk maken.

Petrus Philicinus week in vele opzichten van zijne voorgangers af. Zijne Magdalena evangelica (1544) 4)   is in geheel andere maat geschreven

 1)  Vgl. den proloog van de Lazarus.
 2)  Het drama is in 1614 nageschreven door Lipsius uit Erfurt. (Vgl. Minor, t.a.p., blz. XXIX). In 1542 heeft de Spaansche geleerde Alexius Vanegas te Toledo een commentaar op het stuk uitgegeven.
 3)  Zijne bedoeling heeft Papaeus samengevat in de versregels: Studet diabolus inducere diuortium, Quod ut efficit: perit homo, sed restituitur A Christo.
 4)  Het drama is in 1546 herdrukt. In de voorrede zegt de schrijver, dat Brechtanus (zie beneden) hem geholpen heeft. Ook wordt daar een Isaaccus genoemd, die verloren schijnt.


[p. 216]

dan andere treurspelen 1)   en heeft geen koor. En de Esther die in 1563 werd uitgegeven, maar reeds 18 jaren vroeger voltooid was, sluit zich in vorm veel meer bij Seneca aan dan bij Terentius. Franciscus Goethals, die zich Eucollus of Eutrachelus noemde, schreef eene Hester (1549) en noemde zijn drama eene ‘amphitragoedia’. Trouwens ook in zijn leven week hij van het gewone pad af. Hij beoefende te Brugge de rechtspraktijk en was daarna professor te Leuven en te Douai, maar op lateren leeftijd waren zijne vrouw en zijne elf kinderen voor hem geen beletsel, om zich in het geestelijke kleed te hullen. In zijn Soter gloriosus (1563) wordt de opstanding en hemelvaart van Jezus behandeld; het stuk verschilt hierin van andere drama's, dat het geene koren geeft. Voor het overige volgde Goethals den nu eens aangenomen vorm van het schooldrama.

In de Euripus (1549) van den Antwerpenaar Livinus Brechtus of Brechtanus, Franciscaner te Leuven, treden slechts allegorieën op. Euripus, een jongeling, is de personificatie van de jeugd, die, onstandvastig en zinnelijk als zij is, zoo licht tot het booze wordt verleid 2)  . Het drama begint met een dialoog tusschen Venus en Cupido, die als duivels gekleed zijn; Euripus is hun ontsnapt, maar zij zullen hem weer in hunne macht zien te krijgen. Thans heeft Euripus zijn vertrouwen aan Vreeze Gods geschonken, die, ‘in het kleed van een doctor of wijsgeer’, den jongen man op zijne reis begeleidt. Maar de weg is lang en moeilijk; Euripus wordt moe en er zijn vele aansporingen noodig, om hem verder te doen gaan. Als hij, geheel afgemat, een oogenblik slaapt, doen Venus en Cupido schoone muziek in zijne ooren klinken. Toch wordt de staf weer opgenomen; maar nu verschijnen Venus en Cupido in schoone menschelijke gedaante, lokken hem door de belofte van velerlei genietingen en bespotten Vreeze Gods. Euripus bezwijkt. Doch als Venus eischt, dat hij nu ook alles zal bewonderen, wat zij onder haar mantel verborgen houdt, echtbreuk, twist, moord, zwelgerij, enz. schrikt hij terug en ijlt weg met ‘den Tijd van Genade, een gevleugeld jongeling, als engel gekleed en met een zandlooper in de hand’. Maar hij komt spoedig tot andere gedachten, keert op zijne schreden terug en geeft zich geheel en al aan Venus en Cupido over. Deze treden nu in het 4de bedrijf weer als duivels op en juichen, wanneer de Pest en de Dood Euripus komen bezoeken, en zij pijnigen na zijn

 1)  Nl. in den dimeter iambicus catalecticus.
 2)  ‘Euripus homo’, zegt Erasmus in zijne Adagia, ‘in inconstantes ac moribus inaequales homines dicetur .... Ducta metaphora a maris Euripi prodigiosa quadam reciprocandi celeritate’.


[p. 217]

dood zijne ziel, door haar op vreeselijke wijze al de straffen van de hel te schilderen 1)  .

Grégoire de Hologne (Holonius), een Luikenaar, heeft geestelijke ambten bekleed, is een tijd lang gouverneur geweest der zonen van Karel, baron van Barlaimont, en heeft zijne Latijnsche drama's aan hen opgedragen. De Laurentias, Catharina en Lambertias kwamen gezamenlijk in 1556 uit; zij behandelen allen het leven van heiligen. Voor de koorzangen in deze treurspelen is de muziek geschreven door Jan Laetrius 2)  .

In 1559 zagen twee treurspelen het licht, die Dido tot titel hadden. Het ééne, geschreven door Gerardus Dalanthus, geneesheer te Heusden, is opgedragen aan Willem van Oranje; de stof is natuurlijk ontleend aan de Aeneis, maar de vorm wijkt niet af van die der schoolcomedies. De Dido van Petrus Ligneus (vanden Houte) 3)  , die te Leuven de rechten heeft gedoceerd en later als advokaat te Antwerpen is opgetreden, sluit zich nader bij het gedicht van Vergilius aan en is zelfs in dezelfde maat, hexameters, geschreven, terwijl in andere schoolcomedies afwisselend metrum en meestal de iambische maat in den dialoog voorkomt. Het koor wordt gevormd door drie vrouwen, die bij afwisseling zingen. Deze nieuwigheid, die Ligneus trachtte in te voeren, is door niemand nagevolgd. In de beide treurspelen spelen de goden eene groote rol, evenals in de Aeneis; het drama van Ligneus vangt aan met eene alleenspraak van Furia.

Laevinus Pontanus, een Gentenaar, die aan de hoogeschool te Douai professor in het Grieksch en Latijn is geweest, behandelde in zijne Moscholatria (1559) de aanbidding van het gouden kalf (Exodus, 32). In het vreemde stuk, waarvan de dialoog in hexameters is geschreven, treden, behalve God, Mozes en Aaron, ook Jupiter, Alecto en Mania op. Eene alleenspraak van den dichter zelf vult de geheele 5de acte, die trouwens zeer klein is.

Cornelius Laurimannus (Lauerman) was de opvolger van Macropedius en heeft van 1554 tot zijn dood in 1573 aan het hoofd gestaan der Hieronymusschool te Utrecht 4)  . Ook hij heeft schooldrama's geschreven. Toen één daarvan, de Esthera (1562), was uitgegeven, beschuldigde men den dichter, dat hij de Hamanus van Naogeorgus had nageschreven 1)  .

 1)  Er worden uitgaven genoemd van de Euripus van 1550, 1555, 1556 en 1568.
 2)  Vgl. de Biographie nationale, in voce. De Catharina van Holonius is in het Fransch vertaald door Léonard Falise.
 3)  Volgens de opdracht was het stuk reeds 9 jaren geleden vertoond.
 4)  Vgl. Ekker, t.a.p., I, blz. 30.
 1)  Zie den proloog van de Exodus. De Esthera is mij niet ter hand gekomen; zij is in 1596 te Straatsburg herdrukt met in het Duitsch vertaalden proloog, epiloog en argument; de Thamar, Tobias en Nabath van Laurimannus schijnen niet gedrukt te zijn.


[p. 218]

De Exodus sive Transitus maris rubri (1562) is eene dramatiseering van Exodus, 1-16; het bijbelverhaal is getrouw gevolgd. Het drama, dat door Laurimannus eene ‘comoedia tragica’ werd genoemd, begint met de verontwaardiging der vroedvrouwen over het bevel van Pharao en met het vinden van Mozes door de dochter des konings. ‘Elohim Deus sive genius’ treedt telkens op in gesprek met Mozes. Geen der plagen van Egypte, geen der conferenties van Mozes en Aaron met den koning wordt ons gespaard en het is met een zucht van verlichting, dat wij aan het slot van het ellenlange drama eindelijk Pharao in de Roode Zee ten onder zien gaan. Ook de Miles Christianus (1565) is van buitengewonen omvang. Sedert het verschijnen van het boekje van Erasmus, Enchiridion militis christiani, was de allegorische figuur van den Christenridder meermalen de hoofdpersoon van een drama geworden 2)  . In het stuk van Laurimannus maakt de Christensoldaat zich vier bedrijven achtereen gereed om, geholpen door zijn raadsman Timotheus en door Trouw, Hoop, Liefde, de Schrift en Geduld, slag te leveren tegen de duivels Sathanas, Planus, Diabolus en Behemothus, die worden bijgestaan door Wereld, Vleesch, Bloed, Ontrouw, Wanhoop, Nijd, Overmoed, Zonde, enz. In het laatste bedrijf heeft eindelijk de slag plaats en overwint de Christenridder. De reizangen aan het slot der vier eerste bedrijven worden gezongen door één of meer personen van het drama. Nog al opmerkelijk is, dat in den tweeden koorzang de Christenridder Latijn zingt en ‘de Schrift’ na elk couplet eene Hollandsche vertaling ten beste geeft.

Naast Gnapheus en Macropedius heeft Cornelius Schonaeus 3)   zich onder de Noord-Nederlanders den grootslen naam verworven als schrijver van schooldrama's. Hij werd in 1540 te Gouda geboren, studeerde te Leuven, vestigde zich te Haarlem en werd daar ongeveer in 1569 aan de Latijnsche school verbonden. In 1580 was hij lid eener commissie, door Prins Willem benoemd, om het gymnasiaal onderwijs in Holland en Zeeland te regelen. In 1575 rector geworden, bekleedde hij dat ambt tot 1610, maar in de laatste jaren meer in naam dan inderdaad. Schonaeus was katholiek gebleven en ondervond dus tegenwerking van kerkelijke zijde, bovendien was zijne gezondheid zeer geschokt; de magistraat van Haarlem heeft hem echter in elk opzicht gesteund en gewaardeerd. In

 2)  Zie de literatuur daarover in De Düdesche Schlömer, blz. *35-*40.
 3)  Zie over hem het bovengenoemde werkje van Dr. A.H. Garrer.


[p. 219]

1611 is de waardige man, die zich door zijne geleerdheid en welwillendheid in alle kringen vrienden had verworven, te Haarlem overleden.

Schonaeus heeft Latijnsche gedichten nagelaten en verscheidene drama's van ernstigen en ook van comischen inhoud. De Tobaeus, Nehemias en Saulus zagen in 1570 het licht. In het eerstgenoemde tooneelspel is het romantische verhaal van Tobias uit de apocryphe boeken gedramatiseerd. De brave Tobaeus, die blind is geworden en een ongelukkig leven leidt, krijgt het gezicht terug, terwijl de engel Raphael zijn zoon Tobias uit allerlei gevaren redt en hem met eene jonge vrouw en groote schatten bij zijne ouders doet terugkeeren. In de Nehemias is de verwoesting en wederopbouw van Jeruzalem (Nehemia) ten tooneele gebracht, in de Saulus de Christenvervolging te Samaria, de reis naar Damascus en de bekeering van den apostel (Handelingen, 9). Eerst in 1592 volgden weer drie drama's. Naar II. Koningen, 5, is de Naaman bewerkt, waarin de held, die melaatsch is geworden, zich op raad van Eliza in den Jordaan baadt en genezen wordt. In de Iosephus, een zeer geliefd onderwerp voor het schooldrama, wegens de zegepraal van den held in zake Potiphar's echtgenoote, is de geheele geschiedenis van den braven jongeling behandeld (Genesis, 37, 39-46). De moord op Holophernes door de schoone weduwe, die daardoor haar volk van den ondergang redt, is het onderwerp van de Juditha; het drama is dus ontleend aan het boek van dien naam.

In deze zes ‘comoediae sacrae’ had Schonaeus de blijspelen van Terentius gevolgd, niet alleen in vorm en maat, maar ook zeer sterk in uitdrukking en woordenkeuze 1)  . Evenmin als bij Terentius vindt men bij Schonaeus een koorzang aan het slot der vier eerste bedrijven, terwijl toch de meeste van zijne voorgangers dit nieuwe element in het schooldrama hadden opgenomen. Maar in zijne prologen trekt hij meermalen tegen het classieke Latijnsche blijspel te velde met zijne ‘lenones et meretriculae’, zijne verliefde jongelingen, die met behulp van looze slaven hunne vaders bedriegen en hunne geliefden schaken, met zijne toestanden en verhoudingen, die niet geschikt zijn voor eerbare jongelieden. Schonaeus was dus tegen het opvoeren der blijspelen van de Latijnsche comici en hij was er niets over gesticht, toen in 1595 zijne zes schooldrama's te Keulen werden nagedrukt onder den titel Terentius Christianus, ook al omdat de titel hem te aanmatigend voorkwam 2)  .

Te Amsterdam zagen in 1600 zes nieuwe ‘comoediae sacrae’ van

 1)  Zie voorbeelden daarvan bij Garrer, blz. 51, 52, 54, 56, en bij Francke, t.a.p., blz. 113, 114.
 2)  Vgl. Garrer, blz. 31.


[p. 220]

Schonaeus het licht. Het eerste onderwerp, dat hij in dien bundel behandelde, de geschiedenis van Susanna, heeft zích in de 16de eeuw in eene buitengewone belangstelling der dramatici mogen verheugen 1)  . De Daniel is ontleend aan het apocryphe boek ‘Bel en de slang’; er wordt dus de ontmaskering in behandeld van de priesters van Bel door den jongen profeet Daniel, den gunsteling van Cyrus. Het is het eenige drama van Schonaeus, waarin een lied voorkomt; het wordt door de priesters gezongen (1ste bedrijf). In de Triumphus Christi is de opstanding van Jezus gedramatiseerd, in de Typhlus de genezing van den blinde van Jericho (Lukas, 18), in de Pentecoste de geschiedenis van het Pinksterfeest (Handelingen, 2-5), in de Ananias de straf van het leugenachtige echtpaar. De vier laatstgenoemde drama's staan ver beneden de vorige stukken van Schonaeus. De schrijver houdt zich streng aan het bijbelverhaal, lascht geene vroolijke of comische gesprekken in, maar moraliseert en sticht uit eerbied voor zijn onderwerp zoozeer, dat er bijna geene handeling in de drama's is.

Meer afwisseling biedt de Baptistes, waarmede de derde bundel van Schonaeus, die in 1603 uitkwam, geopend wordt. Het onderwerp is de dood van Johannes den Dooper (Marcus, 6). De overige drama's uit den bundel, die ook Latijnsche gedichten bevat, zijn kluchten, ‘fabulae ludicrae’, van welke alleen de Dyscoli nieuw was 2)  , terwijl de overigen reeds vroeger gedrukt of gespeeld waren 3)  . De Dyscoli is gevolgd naar de Rebelles van Macropedius; wij treffen er dezelfde twee bengels, dezelfde onverstandige moeders, denzelfden schoolmeester en dezelfde verwikkeling in aan, maar de duivels en de koorzangen ontbreken 4)  . In de Pseudostratiotae loopen een mandenmaker en een smid van hunne vrouwen weg, nadat zij door haar in eene herberg betrapt zijn en een pak slaag hebben gekregen. Zij verkleeden zich als soldaten, dringen bij een boer in huis, waar zij zich te goed doen en schandelijk den baas spelen, maar worden ten slotte door den boer afgeranseld en de deur uitgegooid. Geheel ontmoedigd denken zij aan zelfmoord, maar besluiten liever als berouwvolle zondaars naar hunne vrouwen terug te keeren, die hen na belofte van beterschap weer in

 1)  Vgl. R. Pilger, Die Dramatisierungen der Susanna im 16. Jahrhundert in Zeitschrift für deutsche Philologie, XI, 1880, blz. 129-217.
 2)  Zie de opdracht van den bundel.
 3)  De Pseudostratiotae komt reeds voor in de uitgave van 1592.
 4)  De klucht is door P. Godewyck in het Nederlandsch bewerkt onder den titel: Wittebroods-kinderen of bedorve jongelingen. Bly-eynde spel. Dordrecht, 1641. Dr. Schotel gaf daarvan in 1867 een herdruk.


[p. 221]

huis nemen 1)  . Het onderwerp van de Cunae is meer algemeen bekend. Een jonge man trouwt een meisje, dat bekend is door haar slecht humeur en het leven van hare ouders en van haar broer ondragelijk heeft gemaakt. De nieuwbakken echtgenoot heeft eerst geduld met haar, maar als hij bemerkt, dat zijne zachtheid niets anders uitwerkt dan schelden, razen en dreigen, haalt hij eene wieg, werpt zijne wederhelft er in, wiegt haar heen en weer, omdat zij blijkbaar in hare jeugd op dat gebied te kort is gekomen, en laat haar eerst weer los, als zij plechtig beterschap heeft beloofd 2)  . De Vitulus herinnert aan de Aluta van Macropedius. Maar hier is het een boer, die door zijne vrouw naar de markt wordt gezonden, in eene herberg aanlandt en dronken wordt gemaakt. In dien toestand wordt hij in een kalfsvel genaaid en aan een anderen boer verkocht, die den slager laat komen. Deze gaat op de vlucht, als hij het kalf hoort spreken, en de duivelbanner, die nu geroepen wordt, volgt dat voorbeeld. Hij maakt zich dan bekend aan den boer, die het kalf gekocht heeft, en hem nu naar huis geleidt, waar het verhaal, dat hij door dieven uitgeplunderd en half dood geslagen is, zijne vrouw tevreden stelt 3)  .

Van sommige kluchten van Schonaeus zijn Nederlandsche en Duitsche vertalingen en bewerkingen verschenen. Zijne werken zijn meermalen herdrukt 4)   en hebben invloed gehad op het Duitsche drama der 17de eeuw 5)  . De heftige en onbillijke critiek, waaraan in onzen tijd zijn werk heeft blootgestaan 6)  , zal zijn roem weinig afbreuk doen.

Het is te betreuren, dat het Judicium Paridis (1574), dat de Fries Theodorus Euroteles naar Lucianus bewerkt heeft, verloren schijnt; het zou eene niet onaardige afwisseling gebracht hebben bij de vele bijbelsche

 1)  De Pseudostratiotae is in 1607 in het Duitsch vertaald door Balthasar Schnurr (vgl. Bolte-Seelmann, t.a.p.,, blz. *28).
 2)  De Cunae werd in 1661 te Zittau opgevoerd (vgl. Francke, t.a.p., blz. 126). Hetzelfde onderwerp werd behandeld in de Klucht Vande Qua Grieten, 1644, die echter niet naar het Latijnsche stuk bewerkt is.
 3)  De Vitulus is in het Nederlandsch bewerkt als Lacchelicke cluchte van een boer die in een calfs-vel benaeyt was. Amsterdam, z.j. (± 1646), in 1616 in het Nederduitsch als Vitulus (vgl. Bolte-Seelmann, blz. 22-60) en tusschen de jaren 1681 en 1689 in het Zweedsch door Christoph Moraeus (t.a.p., blz. *30).
 4)  Behalve de boven genoemde vond ik uitgaven vermeld van 1591, 1599, 1604, 1620, 1629-39, 1646, 1647, 1652, 1670, 1712 en 1779.
 5)  Vgl. Jacob Minor, t.a.p., blz. VI.
 6)  O.a. die van Pilger, t.a.p., blz. 185-187, die b.v. bewijst, dat Schonaeus plagiaat heeft gepleegd aan de Susanna van Frischlin (1578). Want Frischlin schreef o.a.: Ita me Deus Amet, ut ego hunc ausculto lubens en Schonaeus: Ita me deus amet, ut ego hanc audio lubens Loquentem!!


[p. 222]

treurspelen en allegorische drama's. Tot de laatste soort behoort het Theatrum humanae vitae (1574) van den Luikschen Broeder des Gemeenen levens, Libert Houthem, die door den keizer tot ‘poeta laureatus’ benoemd is, te Bergen professor is geweest en tegen de Calvinisten heeft geschreven. In zijn tooneelspel wil Houthem aantoonen, dat de Mensch, ook als hij Christen is, kan vallen, maar dat hij gered wordt door de goddelijke genade. De Mensch, die steeds vergezeld wordt van Vleesch en Geest, is eerst heiden, maar wil weten, vanwaar hij komt en waarheen hij gaan zal. Nu verkondigt de Genade het heil van den Mensch; Theodidactus, de heraut van het evangelie, wapent den Mensch met het pantser der orthodoxie en geeft aan Geest een zweep, om hem aan te zetten. De duivels van Pluto worden op de vlucht gejaagd, maar de Mensch, die moe wordt en even op Vleesch wil wachten, rust een oogenblik uit. Nu zendt Pluto Pseudochryse (falsa persuasio) en deze neemt den Mensch mede naar zijn paleis; de Geest wordt geblinddoekt, het pantser wordt den Mensch afgenomen en hij zelf wordt na den maaltijd verleid door Acolasia, ééne der dochters van Pseudochryse. Hij is in alle opzichten slecht geworden. Maar ten slotte bekeert hij zich met behulp van Geest en Genade en kondigt de Liefde hem vergiffenis aan 1)  .

Andreas van Hoye (Hoius) van Brugge, die een tijd lang te Douai professor in het Grieksch is geweest, heeft in de Matthaeus (1587) de bekeering van Aethiopië door den apostel en zijn martelaarsschap gedramatiseerd en in de Machabaeus (1587) de standvastigheid der zeven broeders 2)  , volgens het 2de boek der Machabaeën. Gabriel Jansenius, rector der Latijnsche school te Alost, gaf in 1600 vijf treurspelen uit, van welke de Monomachia Davidis cvm Goliath (I. Samuel, 17), de Nabal (I. Samuel, 25), Iudicium Salomonis Regis Israhel (I. Koningen, 3) en Caecus a nativitate aan den Bijbel zijn ontleend, terwijl de Sanctus Martinus het leven van een heilige tot onderwerp heeft. Deze drama's, die meestal merkwaardig klein zijn - het Iudicium Salomonis beslaat slechts 10 bladzijden - zijn van weinig beteekenis. Slechts valt op te merken, dat in de Nabal twee duivels (cacodaemones) voorkomen en dat in de Sanctus Martinus ongeveer 60 personen optreden. De kluchten van Jansenius, nl. Brusquetus circulator Regis Galliae, Philippus fatuus sub stolida matre Prudentia en Nobilis ruralis, die te gelijk met de treurspelen werden uitgegeven, zijn geene onaardige stukjes in één

 1)  De Gedeo (1575) en Salomonis Regis de duabus meretriculis judicium (1581) van Houthem zijn mij niet ter hand gekomen.
 2)  De drama's zijn in 1595 op nieuw uitgegeven.


[p. 223]

bedrijf. Ook over Jean Baptiste Gramaye, een Antwerpenaar, die te Leuven professor in de rechten is geweest en vele historische werken heeft geschreven, behoeft niet lang gesproken te worden. Slechts enkele van zijne vele Latijnsche drama's 1)  , waaronder wij een Pyramus et Thisbe opmerken, zijn gedrukt. Zijne Andromeda Belgica (1600) is een weinig beteekenend gelegenheidsstuk bij de inhuldiging van Albertus en Isabella.

 1)  Zie de lijst bij Fr. Sweertius, Athenae Belgicae, 1628, blz. 390.

II. Het schooldrama in later tijd.

In 1601 gaf Hugo de Groot zijn eerste Latijnsche treurspel, de Adamus exul (Genesis, 3) uit; hij was toen 18 jaren oud. Behalve het eerste menschenpaar treden Satan en een engel in het drama op en wordt de Stem Gods gehoord; de reizangen beslaan eene groote plaats 2)  . Zeven jaren later (1608) verscheen de Christus patiens, waarin een groot aantal personen en twee verschillende koren, van Joodsche vrouwen en van Romeinsche soldaten, optreden 3)  . De Sophompaneas volgde in 1635; het drama heeft het bezoek van Jozef's broeders in Egypte en zijne herkenning tot onderwerp (Genesis, 44, 45) 4)  .

De treurspelen van Grotius zijn geheel gevolgd naar die van Seneca. De bedrijven bestaan slechts uit een paar tooneelen, waarin lange alleenspraken of niet zeer levendige dialogen worden gehouden. Het eerste bedrijf wordt steeds geopend met een monoloog - in de Adamus exul van Satan - gevolgd door een reizang. Aan het slot der vier eerste bedrijven treedt het koor op. In de Christus patiens vervullen twee boden

 2)  In de versmaat der koren is navolging van die in Seneca's Oedipus en Agamemnon.
Vondel heeft de Adamus exul tot voorbeeld genomen voor zijn Adam in ballingschap (1664); de dispositie in beide treurspelen is vrij wel gelijk.
 3)  In 1645 is het treurspel in het Duitsch vertaald door Johann Klaj (Neurenberg) en ongeveer in denzelfden tijd in het Engelsch door Sandesius (vgl. L.R. Tittel, Über den Christus patiens des Hugo Grotius, ein Beitrag zur Geschichte des geistlichen Schauspiels (in Jahresbericht über die Realschule I. Ordnung zu Zwickau), Zwickau, 1883, blz. 24). In 1723 is het door D.W. Triller weder in het Duitsch vertaald. In 1677 schreef de Leipziger geleerde Friedrich Rappolt een Latijnsch werk, waarin hij met de Christus patiens en de Troades van Seneca het oordeel van Aristoteles over het treurspel toelichtte. In hetzelfde jaar verklaarde Prof. S.B. Carpzovius De Groot's drama op zijne colleges. (Zie H. Luden, Hugo de Groot uit zijne lotgevallen en schriften, 1830, blz. 100).
 4)  Vondel vertaalde het drama in 1635 als Huigh de Groots Josef of Sofompaneas. Het Latijnsche treurspel werd ongeveer in 1660 te Dordrecht opgevoerd (vgl. Schotel, De Illustre School te Dordrecht, blz. 112).


[p. 224]

eene belangrijke rol. Ook de maat van Seneca's treurspelen is gevolgd; voor monoloog en dialoog is de zesvoetige iambe, voor reizang en rouwklacht 1)   afwisselend metrum gebruikt.

Grotius is hier te lande de eerste geweest, die godsdienstige onderwerpen in het kleed der Latijnsche tragedie heeft gestoken. Zijne groote voorgangers in het Latijnsche drama, Macropedius en Schonaeus, hinkten op twee gedachten; zij behandelden onderwerpen uit de bijbelsche geschiedenis in den vorm en in de taal der blijspeldichters Plautus en Terentius en noemden hunne drama's zelfs ‘comedies’ of ‘heilige comedies’. De Groot heeft te recht ingezien, dat voor een treurspel in het Latijn geschreven de vorm van de classiek-Romeinsche tragedie paste 2)  .

In zeker opzicht had Grotius een voorganger in één zijner tijdgenooten. Casparus Casparius schreef in 1599 zijn Princeps Avriacus, sive Libertas defensa en droeg het treurspel op aan al de predikanten van Holland en Zeeland, waarvoor de classis van Alkmaar hem eene vereering aanbood 3)  . Het drama is niet bijzonder spannend. Alastor stijgt uit de onderwereld op en geeft zijn voornemen te kennen, om veel kwaad te doen. Tyrannus ontvangt raad van Ahitophel en van Eubulus en is het met den eersten eens. Princeps waarschuwt Tyrannus, maar wordt op last van dezen vermoord, zooals een bode aan het einde van het stuk komt berichten. Er is dus hier en daar navolging van Seneca, maar in de maat van den dialoog volgt Casparius dezen niet voortdurend.

Misschien was dit drama voor Daniel Heinsius de aanleiding tot het schrijven van de