[p. 357]

II. De tragi-comedie.

Tragi-comedie is eigenlijk een drama, waarin tragische en comische tooneelen elkander afwisselen en waarvan de afloop niet tragisch is. Maar in de 17de eeuw had men eene andere opvatting. Duym spreekt in 1600 van ‘de maniere van een Tragi-comedie, dat is van heerlicke menschen, wiens bedrijf eerst droevich, doch de uytcoemst blijde is’. Er is hier geen sprake van eene mengeling van ernst en boert, maar van een gelukkigen afloop; de tragi-comedie is dus een tegen de verwachting blij-eindend spel, of, zooals men het in de 17de eeuw veelal noemde, een blij-eindend treurspel.

De Esmoreit, Gloriant en Lanseloet zijn voorbeelden van de tragi-comedie in de Middeleeuwen en beantwoorden geheel en al aan de definitie, die Duym geeft van het genre. Nu is het mogelijk, dat onze zeventiende-eeuwsche tragi-comedies zich aansluiten bij de ‘abele spelen’; immers het is denkbaar, dat er in de 16de eeuw drama's zijn geschreven, waarin de vorm der abele spelen werd nagevolgd en aan een later levend geslacht werd overgeleverd. Maar nu zulke drama's ons niet bekend zijn, mogen wij het blij-eindend treurspel der 17de eeuw niet in direct verband brengen met het middeleeuwsche abele spel en moeten wij het ontstaan van het genre op andere wijze verklaren.

Vooraf ga de opmerking, dat er ook in het drama der 16de eeuw, zoowel dat der rederijkers als dat der Latijnsche dichters, een middending is geweest tusschen het tragische en het comische genre, tusschen treurspel en blijspel, om hier die termen te gebruiken, welke eerst later in zwang zijn gekomen. Een groot aantal bijbelsche spelen en schooldrama's toch eindigen niet op tragische wijze, maar hebben de eene of andere gebeurtenis uit het Oude Testament of uit de apocryphe boeken tot onderwerp, waarbij de hoofdpersoon zegevierend uit den strijd komt, of althans gered wordt, zooals Jozef, Esther, Judith, Susanna, enz. Het is dus niet vreemd, dat men later ook andere bronnen dan den Bijbel ter hand nam, om het één of ander niet tragisch voorval te zoeken, dat geschikt was voor het tooneel. Natuurlijk greep men in de eerste plaats naar de classieke schrijvers. Zoo schreef Spieghel

[p. 358]

Numa ofte amptsweijgeringhe 1)  , waarin hij, Plutarchus op den voet volgende 2)  , de handelwijze van den Romeinschen koning dramatiseerde, die slechts met moeite er toe werd overgehaald, zich de kroon op het hoofd te zetten. Hij noemde het drama, dat in 3 bedrijven is verdeeld en geene koren heeft 3)  , een ‘zinspel’ en volgde daarin dus de schrijvers van bijbelsche en classieke spelen. Het stuk is een paar comische tooneeltjes rijk. Maar Spieghel's drama is geene tragi-comedie in den gewonen zin; het is wel blij-eindend, maar het tragische element ontbreekt.

In 1582 verscheen Een Comedia of Speel van Susanna, dat vertaald is naar het Duitsch van Paul Rebhun 4)  , maar door den vorm - het telt 5 bedrijven - zijne afkomst van een Latijnsch schooldrama verraadt. Zacharias Heyns gaf in 1602 in zijn Vriendts-Spieghel eene dramatiseering van eene novelle uit Boccaccio's Decamerone 5)  ; ook dit stuk 6)   is zonder twijfel naar een schooldrama vertaald 7)  . In 1603 haalde de Alkmaarsche predikant Adolphus Venator zich allerlei moeilijkheden op den hals door een Nederlandsch schooldrama, waarvoor hij de stof ontleende aan de brieven van den Griekschen medicus Hippocrates 8)  . Ook de beide laatstgenoemde drama's zijn in 5 bedrijven verdeeld.

Het is waarschijnlijk, dat het Latijnsche schooldrama heeft meegewerkt tot de herleving der tragi-comedie. Want het ontleende zijne stof niet alleen aan den Bijbel en aan de classieke oudheid, maar ook aan de novellen-literatuur, zooals b.v. het geval is met de Grisellis van Eucharius 9)  . En zeker heeft het schooldrama invloed gehad op den vorm van onze vroegste tragi-comedies.

Jacob Duym was de eerste, die aan eenige zijner drama's den naam tragi-comedie gaf en er een vorm voor vaststelde, die later weer verdwenen is. En hij nam zijne onderwerpen, waar het hem goed dacht. Den Spieghel der Eerbaerheyt (1600) is ontleend aan de Histoires Tragiques 1)  

 1)  Het drama berust in Hs. in de Kon. Bibl. te Berlijn; Dr. F.A. Stoett gaf het uit in Tijdschr. v. Nederl. Taal- en Letterk., 1902, blz. 156-172.
 2)  Enkele plaatsen zijn woordelijk vertaald uit Plutarchus' Numa.
 3)  Spieghel, die begonnen is met eene vertaling van de Thyestes van Seneca (de koorzang uit het 2de bedrijf is onder den titel May-lied en met het jaartal 1588 onder zijne gedichten opgenomen), heeft toch den vorm van het classieke treurspel volstrekt niet nagevolgd.
 4)  Vgl. Tijdschr. v. Nederl. Taal- en Letterk., 1901, blz. 29-32.
 5)  X, 8.
 6)  Zie eene inhoudsopgave in Noord en Zuid, XX, 1897, blz. 390-392.
 7)  Misschien naar De Titi et Gisippi firmissima amicitia.Comoedia, die ongeveer in 1550 door den Engelschman Rodolphus Radclif werd uitgegeven.
 8)  Zie over dit drama, Reden-vreucht der Wijsen in haer wel-lust, enz., Tijdschrift, t.a.p., blz. 32-37.
 9)  Zie blz. 202, 203.
 1)  Dl. I, no. 1, van de Nederlandsche vertaling van dien bundel (1650).


[p. 359]

van Belleforest en bevat de geschiedenis van Eduard III van Engeland en de gravin van Salisbury. De bron van Den Spieghel der Liefden (1600) is Valerius Maximus 2)  , het onderwerp de gevangenschap van Cimon, die door zijne dochter Cimona wordt gevoed 3)  . In Den Spieghel der Getrovwicheyt (1600) is het bekende verhaal van de vrouwen van Weinsberg (1140) ten tooneele gebracht; Duym schijnt ééne of meer kronieken als bron gebruikt te hebben. Ook Een Nassavsche Persevs, verlosser van Andromeda, ofte de Nederlantsche Maeght (1600) 4)   heet ‘Tragi-Comedische wijse voor ijdermans ooghen ghestelt’; het is eene zeer vreemde vermenging van Grieksche mythologie en vaderlandsche geschiedenis; Andromeda vertegenwoordigt de Nederlanden, Perseus Willem den Zwijger, enz. De Benovde belegheringhe der stad Leyden .... ende het wonderbaerlijck ontset .... (1606) 5)   heet ‘Comedische wijse in Dichte ghestelt’, maar is uit den aard der zaak, naar Duym's opvatting, eene tragi-comedie, evenals De cloeck-moedighe ende stoute daet, van het innemen des Casteels van Breda en verlossinghe der Stad (1606), dat op dezelfde ‘wijse in Dichte ghestelt’ is.

De tragi-comedies van Duym tellen 5 bedrijven, maar missen, evenals zijne treurspelen, den reizang; zij hebben eene ‘Voor-reden oft Prologhe’, waarin meermalen tot stilte wordt aangemaand, en een ‘Besluyt-reden’, die door den ‘Dicht-stelder’ worden uitgesproken. In Den Spieghel der Eerbaerheyt treden twee ‘sinnekens’ op; in een paar andere der boven genoemde drama's zijn comische tooneeltjes, die overeenkomst hebben met de gesprekken der ‘sinnekens’ en geheel op dezelfde wijze zijn bewerkt als de comische tusschenspelen bij Bredero 6)  .

Dat de tragi-comedie spoedig vooral stof putte uit de roman- en novellenliteratuur, is waarschijnlijk toe te schrijven aan den invloed der Engelsche tooneelspelers, evenals dat bij het niet-classieke treurspel het geval is geweest 7)  . Vele Engelsche drama's toch der 17de eeuw zijn ontleend aan de novelles der groote Italiaansche schrijvers, Boccaccio, Ser Giovanni, Massuccio, Cinthio, Bandello en anderen. De fantastische

 2)  Lib. V, c. 4.
 3)  Het drama werd reeds in 1596 opgevoerd (vgl. Dr. K. Poll, t.a.p., blz. 45, 46).
 4)  Naar Ovidius' Metamorphosen, IV, vs. 663-739.
 5)  Herdrukt in 1634.
 6)  Zie Poll, t.a.p., blz. 97-109.
 7)  Zie blz. 310. Het woord ‘tragi-comedie’ kwam in Engeland in denzelfden tijd in zwang als hier. Tragi-comedie's heeten b.v. A looking glass for England and London (1598) van Lodge en Green, en Philaster (vóór 1611) van Beaumont en Fletcher. Iets later hebben Webster, Thomas Middleton en Thomas Heywood tragi-comedies geschreven.


[p. 360]

verhalen dezer onovertroffen vertellers waren dan ook bij uitstek geschikt, om in dramatischen vorm overgebracht het schouwburgpubliek te boeien. Het is dus begrijpelijk, dat de Hollandsche tooneeldichters, die zagen, welk een succes de Engelsche tooneelspelers hier te lande met hunne drama's hadden, zooals wij uit een paar gezegden van Bredero weten, zich aangordden, om door dezelfde middelen hunne toehoorders te behagen.

Coster, Wassenburgh, Colm, Bredero, Starter, Rodenburg.

In zeker opzicht kan men Coster's Tijsken vander Schilden (1613) 1)   eene tragi-comedie noemen, omdat ernst en scherts er in gemengd zijn. Een kapitein, die tijdens het bestand is ontslagen, maar gewend is veel geld te verteeren en eene vrouw heeft, die den boel opmaakt, wordt rooverhoofdman en plundert boer en reiziger. Ten slotte loopt hij in den val en, daar zijne vrouw hem in den steek laat, wordt hij gehangen. Het stuk is dus niet ‘bly-eyndend’, maar verreweg de meeste tooneeltjes zijn comisch, daar er het kroegleven van Tijsken en zijne makkers en de huishouding van zijne vrouw in worden geteekend. Coster ontleende het onderwerp aan een oud lied 2)  .

Ongeveer in dezen zelfden tijd 3)   dramatiseerde J.J. van Wassenburgh in zijn Koningh Reynier van Norwegen ende de schoone Langerta eene novelle uit de Tragedische Historien (V, 3) en noemde het stuk een ‘Historiaalspel’. Het drama, dat blij-eindend is, is in tooneelen verdeeld; er treden twee koren in op, ‘een singhende’ en ‘een sprekende’, en er wordt een paar keeren ‘op Instrumenten ghespeelt’. Onder de vele tooneelaanwijzingen, die het stuk heeft, is o.a. deze merkwaardig: ‘Sy gaen binnen, men hoort Trommelen ende Trompetten: Daer na stilte’.

De Battaefsche Vrienden-Spieghel (1615) van Jan Sievertsen Colm speelt te Venetië. De jonge edelman Delio is ‘versot op de lichte schoonheyt van Cinthia’, maar maakt een einde aan zijne verhouding tot haar en verlooft zich met Laurentia. Delio's vriend Laselva, een Franschman, tracht nu bij Cinthia dezelfde plaats in te nemen, maar zij weigert en eischt, dat hij eerst Delio zal dooden. Na een moeilijken tweestrijd tusschen zijne liefde en zijne vriendschap, vertelt hij alles aan

 1)  Herdrukt in 1615 en 1642.
 2)  Zie het Antwerpsche Liedekens-boek van Jan Roelans (1544) en Kollewijn's uitgave, blz. 491.
 3)  De uitgever, Abraham Migoen te Rotterdam, was nl. van 1610-1614 werkzaam.


[p. 361]

Delio en de vrienden besluiten, het gerucht te doen loopen, dat Laselva Delio gedood heeft. Cinthia weigert aan Laselva de belooning voor zijne daad, maar laat hem gevangen nemen wegens moord. Als Laselva voor de rechters gebracht wordt, dringt Delio door de wachters heen, deelt hun de geheele zaak mee en redt zijn leven, waarna ‘T'snel vlieghent Gherucht’ den epiloog uitspreekt van de ‘Trage-Comedie’, die in 5 bedrijven verdeeld is. De stof voor zijn drama ontleende Colm aan de 14de novelle van Der ionghe Dochters Tijt-cortinghe, een bundel verhalen, die in 1591 het licht had gezien.

Bredero's Griane werd in 1612 voor het eerst vertoond, maar eerst vier jaren later gedrukt 1)  . Het drama, dat bijna denzelfden vorm heeft als de Rodd'rick ende Alphonsus - 5 bedrijven, die alle door een koorzang worden gesloten - is aan dezelfde bron ontleend als dat treurspel, nl. aan den roman Palmerijn van Olijve 2)  . De dichter noemde zijn drama, evenmin als één zijner latere stukken, tragi-comedie; toch mogen wij het onder dat genre rangschikken. De Griane heeft den volgenden inhoud. De jonge prins Florendus heeft zooveel gehoord van de schoonheid zijner nicht Griane, dochter des keizers van Constantinopel, dat hij naar het hof van zijn oom is gereisd. Griane beantwoordt de liefde van haren neef, die haar ten huwelijk vraagt, maar keizer Remicklus heeft de hand zijner dochter toegezegd aan prins Tarisius en slaat het aanzoek van Florendus af. De jongelieden hebben 's nachts een onderhoud in den tuin van het paleis en besluiten samen te vluchten; Florendus geeft voor, dat zijn vader hem heeft teruggeroepen, en neemt afscheid van den keizer en van het hof. Maar Tarisius heeft van het plan gehoord; hij gaat met eenige ridders in hinderlaag liggen, valt Florendus en de zijnen aan, als zij op het punt zijn, Griane te schaken, en verhindert de uitvoering van het beraamde plan. De vertoornde Remicklus laat zijne dochter in de gevangenis werpen en belooft Tarisius, haar te zullen dwingen met hem te huwen. Florendus, die zich, toen de aanslag mislukt was, op den vijand had willen storten, om zich te wreken, maar op raad van zijn vriend Frene gevlucht is, ontvangt, als hij zich buiten het gebied van Remicklus bevindt, een brief van Griane, waarin zij hem haar ongelukkig lot meedeelt. Intusschen eischt de keizer, dat Griane Tarisius zal huwen, en zij geeft toe, maar verlangt eenig uitstel. Het kind, dat zij heimelijk ter wereld heeft gebracht, wordt door den getrouwen knecht Kardin te vondeling gelegd en opgenomen door

 1)  Gedrukt in 1616, 1621, 1622, 1638, 1644 en (1678).
 2)  Nl. aan de hoofdstukken 6-10, 89-91, 94-96 en 98 (Vgl. C.H. den Hertog, De bronnen van Breeroos romantische spelen, in De Gids, 1885, I, blz. 511.


[p. 362]

Bouwen Langh-lijf en Sinnelijcke Nel, een boeren-echtpaar, dat in het drama de comische rollen heeft Dan trouwt Griane, in weerwil van het hevigste zelfverwijt, met Tarisius en Florendus, die naar zijn vaderland is teruggekeerd, hoort van het huwelijk. Nu treedt midden in het 4de bedrijf ‘De Tydt’ op en verkondigt, dat er twintig jaren verloopen zijn sedert het huwelijk van Griane; Tarisius is nu koning evenals Florendus, en Griane's zoon Palmerijn, op het land opgevoed, is door Florendus wegens zijne dappere daden tot ridder geslagen. Daarna begint de handeling weer. Florendus heeft een pelgrimskleed aangetrokken en komt te Buda, de woonplaats van Tarisius en Griane; bij de mis ziet hij de koningin en zij herkennen elkander. Tarisius treedt nader, maar wordt door Florendus gedood, die zich echter gevangen moet geven en met Griane zal terechtstaan voor haar vader, den grijzen Remicklus. De zaak zal door vechten worden uitgemaakt. Palmerijn en één zijner vrienden strijden voor Florendus en Griane; zij verslaan hunne tegenstanders, maar Palmerijn wordt gewond en verpleegd door Griane, die een gouden kruisje herkent, dat zij haar kind, toen het te vondeling zou worden gelegd, heeft omgehangen. Nu komt alles tot een blij einde, ook voor Bouwen, die er trotsch op is thans ‘ien Edel-man’ te zijn geworden 1)  .

Eerst in het allerlaatst van Bredero's leven of even na zijn dood (1618) werd de Stommen Ridder opgevoerd 2)  , welk drama ook weer ontleend is aan de Palmerijn van Olijve 3)  , maar veel minder afwisseling biedt dan de Griane. De comische tooneeltjes zijn vrij talrijk en het koor treedt maar een paar keeren op, doch er zijn verscheidene liedjes in het drama opgenomen. Van geheel anderen aard is de Angeniet 4)  , waarvan Bredero de drie eerste bedrijven heeft geschreven, terwijl Starter het werk heeft voltooid. Het is de geschiedenis van eene coquette ‘Vrijster’, die te gelijk een jongen man en een ouden rijkaard aan het snoer houdt, ten slotte zelfs Mercurius en Neptunus in hare strikken vangt en dan door Jupiter naar de maan wordt verbannen.

Bredero's Lucelle (1616) 5)   is eene vertaling naar een Fransch drama,

 1)  De Heer Den Hertog meent (t.a.p., blz. 528, vlgg.), dat in de Griane in sommige opzichten navolging is van Shakespeare's Winter's Tale, welk drama Bredero door Engelsche tooneelspelers heeft kunnen zien opvoeren. De bewijzen voor die stelling komen mij echter niet afdoende voor.
 2)  Gedrukt in 1619, 1620, 1622, 1633, 1638, 1644, 1645 en (1678).
 3)  Nl. aan hoofdstuk 69-77 (vgl. Den Hertog, t.a.p.). Zie over de wijze, waarop Bredero zijne stof bewerkt heeft, het Brederoo-album van Oud-Holland, 1885, blz. 67-77.
 4)  Uitgegeven in 1623, 1629 en 1638.
 5)  Latere uitgaven zijn van 1619, 1621, 1622, 1632, 1638, 1644 en (1678).


[p. 363]

door Louis le Jars in proza geschreven (1576), en behoeft dus hier niet besproken te worden. Alleen bewijst deze vertaling en die van l'Innocence decouverte, Tragi-Comédie (1609) van Jean Auvray door B.D. van Antwerpen 1)  , dat ‘le théâtre irrégulier’, zooals de Franschen het noemen, eenigen invloed kan hebben gehad op de ontwikkeling der tragi-comedie in de Zeven Provinciën.

Aan de beide tragi-comedies, Griane en Stommen Ridder, heeft Bredero, evenals aan zijn treurspel, een classieke tint trachten te geven door de reizangen, die in uitheemsche tragi-comedies niet worden aangetroffen. Zonder twijfel hebben wij daarin het bewijs te zien, dat de invloed van Hooft en Coster krachtig werkte op den jongen dichter, wiens comisch talent hem opwekte, ook in zijne ernstige drama's eene ruime plaats te geven aan comische tooneeltjes. Daarin volgde hem zijn vriend Starter, maar deze liet terecht de koren weg uit zijne beide tragi-comedies, van welke de Timbre de Cardone ende Fenicie van Messine in 1618 te Leeuwarden is gedrukt 2)  . Het drama, dat 6 bedrijven telt, heeft dezen inhoud.

Graaf Timbre de Cardone heeft zich moedig gedragen in den strijd tegen de Franschen op Sicilië en staat daardoor in hoog aanzien bij zijn vorst. Van den veldtocht teruggekeerd, ziet hij in Messina voor een raam een meisjeskopje, dat hem betoovert; het behoort aan de jeugdige Fenicie, de dochter van Leonato. Timbre wandelt voortdurend het venster der schoone voorbij en tracht haar door middel eener oude vrouw te overreden, hem een onderhoud toe te staan, maar Fenicie, die wel begrijpt, dat de machtige graaf geene eerlijke bedoelingen heeft, laat zich noch door de praatjes der oude vrouw, noch door een brief van Timbre bewegen. En deze maakt, daar hij zijne liefde niet kan bedwingen, nu ernst van de zaak en vraagt Fenicie ten huwelijk. Thans komt Gironde, een edelman, die Fenicie bemint, maar zich eenigen tijd in den vreemde heeft opgehouden, terug, hoort van de verloving en is radeloos. Doch de tafelschuimer Balacco geeft hem een middel aan de hand, om aan de verloving een einde te maken; hij vertelt aan Timbre, dat één zijner vrienden de bevoorrechte minnaar is van Fenicie en dat deze haar dikwijls een nachtelijk bezoek brengt. Timbre gelooft niets van het verhaal, maar laat zich toch overhalen, zelf te komen zien, terwijl hij zijn woord geeft, Ballacco's vriend niet te zullen dooden. Des nachts

 1)  Als De Behouden Onnooselheyt, Tragicomedie, Amsterdam, 1612. Zie de inhoudsopgave in Noord en Zuid, XVIII, 1895, blz. 205, 206.
 2)  Eene uitvoerige inhoudsopgave van het drama bij Dr. H.E. Moltzer, Studiën en Schetsen van Nederlandsche letterkunde, Haarlem, 1881, blz. 157, vlgg.


[p. 364]

klimt een knecht van Gironde, fraai uitgedost, een venster binnen in een onbewoond gedeelte van Leonato's huis; Timbre ziet het, twijfelt niet langer en doet Leonato weten, dat hij zijne dochter niet voor eerbaar houdt en van het huwelijk afziet. De vader is vooral vertoornd, omdat Timbre een blaam op zijne dochter werpt; zij zelve valt in onmacht en men houdt haar langen tijd voor levenloos, totdat eindelijk hare moeder haar weder weet bij te brengen. Men verbreidt echter het gerucht van haar dood, houdt eene plechtige begrafenis en zendt het arme meisje naar bloedverwanten buiten de stad. Vooral Gironde is door het bericht van Fenicie's dood zeer getroffen; zijn knagend geweten doet hem alles aan Timbre openbaren, als zij elkander bij Fenicie's graf ontmoeten. Timbre doodt Gironde niet, maar neemt hem mede naar Leonato; als deze het heuglijke nieuws heeft vernomen, herinnert hij Timbre aan zijn eed, dat hij nooit eene andere zal huwen. Daarna ontslaat hij echter den graaf van zijne belofte en zegt, dat hij hem eene andere bruid zal aanwijzen. Fenicie, die door Timbre niet herkend wordt, en hare zuster verschijnen; het huwelijk heeft plaats; Leonato vertelt den graaf, dat zijne jonge vrouw Fenicie is; Gironde vraagt haar vergiffenis en trouwt met de zuster.

Starter ontleende de stof voor zijn ‘Blyeyndich-Truyrspel’ aan eene novelle uit de Tragedische ofte klaechlijcke historien 1)   en volgde zijn voorbeeld somtijds op den voet 2)  . Eene Vermaecklijck sotte-clucht van een advocaet en een boer op 't plat Friesch is door het stuk heengeweven.

De Daraide van Starter, die ontleend is aan boek XI en XII van de Amadis 3)  , werd in 1618 te Leeuwarden en in 1621 te Amsterdam gespeeld 4)  ; het drama heeft den volgenden inhoud. Florisel van Griecken heeft zijne vrouw Sidonia, koningin van Guindaye, verlaten; de vertoornde echtgenoote laat hare dochter Diana, als zij volwassen is, in een toren opsluiten en haar portret overal verspreiden, met de belofte, dat hij, die haar Florisel's hoofd brengt, Diana's echtgenoot zal worden. Verscheidene kampvechters worden door Florisel overwonnen. Intusschen besluiten een ‘jonge Prins van Griecken’, Agesilan genaamd, en zijn neef, de prins van Spanje, Arlanges, zich te verkleeden als musiceerende

 1)  Deel III, No. 18 der uitgave van 1650.
 2)  Vgl. Moltzer, t.a.p., blz. 168-171, en De Tijdspiegel, 1887, III, blz. 268-270. Ten onrechte heeft men vroeger verband gezien tusschen de Timbre en Shakespeare's Much ado about nothing.
 3)  Zie Moltzer, t.a.p., blz. 203, vlgg.
 4)  Gedrukt in 1621, 1633 en 1640.


[p. 365]

Amazonen, de namen van Darayde en Garaye aan te nemen en zoo door te dringen tot de schoone Diana. De list gelukt, Sidonia en Diana ontvangen hen vriendelijk, maar de Spaansche prins laat zich spoedig overreden, koningin Cleophile, die Sidonia bezoekt, te volgen en met haar af te reizen. Koning Bruneon, die vroeger door Florisel overwonnen is, en een andere vorst vragen de hand van Diana en van Sidonia zelve; wordt deze geweigerd, dan moet de koningin twee ridders aanwijzen, om hunne afgezanten te bestrijden. Een onechte zoon van Florisel, Florarban genaamd, en Darayde, die immers eene Amazone is, treden voor de koninginnen in het krijt en verslaan de gezanten. Dan verlaat Darayde (Agesilan) het hof van Sidonia, na aan Lardenie, de gezellin van Diana, haar groot geheim te hebben meegedeeld, en doet wonderen van dapperheid. Als hij, nog steeds vermomd, is teruggekeerd, verlangt Sidonia, dat hij haar het hoofd van Florisel zal brengen en dan haar zelve het hoofd zal afslaan. Groote angst van Diana, die vreest voor het leven van haar vader en van haar minnaar; Lardenie heeft nl. het geheim verraden. Darayde reist af, vertelt alles aan Florisel, neemt dezen mee, sluipt met hem Sidonia's paleis binnen en legt hem neer op een bed. Dan voert hij Sidonia bij haren echtgenoot, die haar verlaten heeft, en verlangt, dat zij zelve hem zal dooden. Sidonia laat zich vermurwen en neemt Florisel weer in genade aan, Darayde ontpopt zich als Agesilan en trouwt Diana, terwijl Arlanges Cleophile, die hij van den dood heeft gered, huwt.

In de Daraide, die in 5 bedrijven verdeeld is en met een proloog begint, zijn twee comische tusschenspelen opgenomen, Een advocaet ende een boer en Jan Soetekauw; het laatste werd later uit het drama gelicht en afzonderlijk gespeeld en gedrukt.

Van anderen aard zijn de bly-eynde-spelen van Rodenburg, die gedurende zijn verblijf in Spanje (1611-1614) het Spaansche drama had leeren kennen, later verschillende Spaansche stukken voor ons tooneel bewerkte 1)   en, door meer dan ééne verwikkeling in zijne drama's aan te brengen, voor nog meer afwisseling zorgde dan Bredero en Starter. Aan het Spaansche drama, waarvan wij het karakter later zullen bespreken,

 1)  Nl. Lope de Vega's El Molino als Hertoginne Celia en Grave Prospero, 1617, 1629, 1645 (2), 1666 (vgl. Dr. R.A. Kollewijn in De Gids, 1891, III, blz. 354-357), zijn El Perseguido als Casandra, Hertoginne van Borgonie, en Karel Baldevs, 1617, 1632, 1634, 1642, 1646 (vgl. Dr. H.E. Moltzer in den Feestbundel ... 28 Nov. 1889 aangeboden aan Matthias de Vries ... 1889, blz. 74, 75), zijn La Escolástica zelosa als Jalourse Studenten, 1617 (2), 1644 (vgl. Kollewijn, t.a.p., blz. 345-351) en Venganza honrosa van Gaspar Aguilar als 'TQuaedt Syn Meester loondt, 1618, 1631 (vgl. Oud-Holland, 1895, blz. 160, 161).


[p. 366]

ontleende Rodenburg de balconscènes, duels en verkleedingen, aan het Fransche herdersspel de verwarde toestanden tusschen een groot aantal versmade minnaars en ongelukkige geliefden. Het aantal bedrijven, waarin Rodenburg zijne dikwijls onmetelijk lange drama's, die somtijds uit twee, drie en zelfs vier afzonderlijke deelen bestaan, indeelt, is onbeperkt. Hij maakt geen gebruik van reizangen, maar wel van vertooningen. Comische tooneeltjes worden in zijne drama's niet aangetroffen, maar dikwijls treden er allegorische figuren in op.

In Rodenburg's Batavierse Vryagie-spel (1616) 1)   stoken Celia, ‘een loos meysken’, en Polotheus, ‘een beveynst Iongeling’, twist tusschen verschillende minnende paren. Door hun toedoen komt er een einde aan de vrijerij tusschen Hermilio en Emerentia, Heliodoor en Celestina, Sephalis en Pamphilio, die beide verliefd zijn op Lucia, en worden al die minnende harten bloedig vaneen gereten, terwijl Polotheus aan al de dames het hof maakt. Maar Hermilio verkleedt zich als visscher, spreekt Emerentia en maakt een einde aan het misverstand, en Lucia beluistert, als boerin gekleed, een gesprek tusschen hare beide minnaars en bespeurt, dat zij belasterd zijn. Heliodoor heeft zich als boer uitgedost, maar staat die vermomming af aan Pamphilio, die door een gesprek met Lucia bemerkt, dat zijne geliefde belasterd is. Heliodoor heeft de kleederen van Pamphilio aangetrokken en verzoent zich met Celestina. De laster van Polotheus draagt alleen voor hem zelven slechte vruchten, want hij wordt aan het slot van het stuk door de twee sinnekens ‘Schijn-deught’ en ‘Schoon-praet’, die eerst op zijne hand waren, duchtig onder handen genomen.

In dit drama treedt één der weinige comische figuren van Rodenburg op, nl. Tityr, de knecht van Hermilio, die zijn heer hartelijk uitlacht om zijne wanhoop. De sinnekens maken een vreemd figuur in dit soort van herdersspel, dat geschreven is in den trant der beroemde Bergerie (1601) van Montchrestien.

Van geheel anderen aard is Keyser Otto den derden, en Galdrada (1616-1618) 2)  , dat in drie deelen en in tien bedrijven verdeeld is. De liefde van den keizer voor een schoon Florentijnsch meisje en de ontrouw eener verloofde jonkvrouw zijn de onderwerpen van het drama, waarin verder allerlei geleerdheid over sterrenkunde ten beste wordt gegeven, Cupido en eene menigte allegorieën optreden en vele liedjes worden gezongen.

 1)  Latere uitgaven zijn van 1622 en 1634.
 2)  De stof is waarschijnlijk ontleend aan de Tragedische Historien, dl. III, No. 6, der uitgave van 1650 (zie Kollewijn, t.a.p., blz. 358).


[p. 367]

De Melibéa (1617, 1618) is op dezelfde wijze ingedeeld als Keyser Otto. De heldin van het drama wordt door zeven jonge mannen bemind, die hunne minneklachten nu en dan respectievelijk uiten in het Fransch, het Italiaansch, Spaansch, Engelsch, Portugeesch en Latijn 1)  . De lastigste van allen is Anchriso, die, als zijne liefdesbetuigingen hem weinig baten, eene betrekking aanknoopt met Dorothea. Die verhouding heeft voor Dorothea treurige gevolgen, daar Anchriso haar heel spoedig weer verlaat, om, evenals vroeger, Melibea na te loopen. Deze heeft groote voorkeur voor één van de zeven, Thoris, en spreekt met hem af, dat hij gemaskerd op eene bruiloftspartij zal komen, om haar te ontmoeten. Ongelukkig lekt het plan uit en komen al de minnaars er achter, in welke kleeding Thoris zich zal vermommen. Anchriso verschijnt het eerst; Melibea meent Thoris te zien, is zeer vertrouwelijk met hem, belooft hem hare hand en laat zich door hem kussen. Thoris, die in dezelfde kleeding als Anchriso op het feest komt, ziet dat en twijfelt aan de trouw van Melibea, terwijl iedereen verbaasd is over de zeven op elkander gelijkende gemaskerden, die na elkander binnenkomen. Anchriso dringt er bij Melibea op aan, dat zij haar woord van trouw aan hem zal houden, wat zij natuurlijk weigert, nu het uitkomt, dat hij Thoris niet is, en deze klaagt bij Melibea, ‘in een boerinne kleed, met een korf met eyeren’, over de ondervonden trouweloosheid van zijne geliefde. In het 2de deel tracht de ongelukkige Dorothea haren trouweloozen minnaar Anchriso te herwinnen; o.a. verkleedt zij zich als visscher en heeft in die vermomming een gesprek met Anchriso, die echter niets van haar weten wil en het Melibea steeds lastig blijft maken. Daarentegen stelt de teleurgestelde Thoris aan Dorothea voor hem te huwen, wat Melibea ongelukkig maakt. De andere minnaars blijven aanhouden; daar Melibea's vader een tuinier is, verschijnt één der vrijers ‘int habijt van een Duynmayer, hebbende op zijn hals een stock met een koppel Conynen’, een ander ‘in delvers habijt’ en Anchriso ‘als een Hovenier’. De laatste treedt bij Melibea's vader in dienst 2)  , zoodat het meisje geen voet buiten de deur kan zetten, of zij moet de betuigingen hunner liefde aanhooren. Nadat in het 3de deel eenige minnaars in eene vermomming aan Melibea eene serenade hebben gebracht en Thoris voor het huis van Dorothea muziek heeft laten maken, schrijft hij op Melibea's deur een ‘pasquil’, waarin hij haar van ontrouw en van nog erger dingen beschuldigt. Hare ouders

 1)  Misschien navolging der Comedia Serafina van Torres Naharro, waarin de personen Spaansch, Valenciaansch, Italiaansch en Latijn spreken.
 2)  Men kan daarmede Lope's Los Ramilletes de Madrid vergelijken.


[p. 368]

lezen het stuk en jagen haar het huis uit. Melibea wil Thoris uitdagen, maar Phillido, één der minnaars, voorkomt haar en zendt den lasteraar eene uitdaging. Ook Anchriso maakt zich gereed, Melibea's eer te verdedigen, en Dorothea, die dat hoort, verkleedt zich als man, om Thoris ter zijde te staan en, zoo mogelijk, door Anchriso gedood te worden. Melibea treedt in manskleeren op en zegt aan hare ouders, die haar niet herkennen, dat zij de eer van hunne dochter wil verdedigen. Thoris, bijgestaan door Dorothea, die evenals hij gewapend is, ziet achtereenvolgens Melibea in volle wapenrusting en al hare minnaars verschijnen 1)  . Maar nu treedt de ‘Tyd’ als scheidsrechter op; Anchriso verklaart, dat zijn onderhoud met Melibea op het bal zeer onschuldig is geweest; ‘Waerheydt, 't Ghemoedt en Onschuld’, die vroeger ook al eens zijn verschenen, bemoeien zich met de zaak en alles komt in orde, behalve dat ‘de zes lievers hun zeer bedroeft betoonen’. Melibea trouwt met Thoris en wordt door hare ouders weer in genade aangenomen en Anchriso, tot wien ‘'t Ghemoedt’ een hartig woordje spreekt, huwt Dorothea.

Ook dit drama heeft evenveel van een herdersspel als van eene tragi-comedie, maar er zijn verschillende motieven in, die aan Spaansche stukken ontleend zijn. De bron van de Melibea is niet aan te wijzen.

In de Alexander (1618), die ‘in vier en veertich uuren is gherymt’, keert de jonge held na eene afwezigheid van eenige jaren naar het huis zijner ouders, ridder Rocabruna en Clavela, terug en verbaast hen door zijne geleerdheid. Als hij echter op hunne vraag, wat hij in het gezang van een nachtegaal hoort, verklaart, dat hij eens groote macht zal verkrijgen en dat zijne ouders hem nog eens bij het wasschen der handen eerbiedig behulpzaam zullen zijn, werpen zij hem in eene put. Hij wordt daaruit gered door een paar Egyptenaars, die hem meenemen naar het hof van hun koning. Deze wordt geplaagd door twee raven, die steeds schreeuwende om hem heen vliegen; hij belooft den man, die hem dat verschijnsel verklaart en hem van de raven bevrijdt, tot zijn schoonzoon en erfgenaam te zullen maken. Alexander helpt den koning, maar daar hij nog te jong is om te trouwen, wordt hij op reis gezonden en komt aan het hof van den keizer, waar hij vriendschap sluit met Lodewyck, ‘Prins van Vranckryck’, die sprekend op hem gelijkt. Lodewyck heeft liefde opgevat voor 's keizers dochter Florentina, die ook bemind wordt door den prins van Spanje, Guydeon, terwijl de prinses van Alexander

 1)  Deze situatie gelijkt op die in de laatste acte van La Enemiga favorable van Francisco Tarréga.


[p. 369]

droomt. Maar Alxander helpt zijn vriend, die door zijne liefde voor Florentina gevaarlijk ziek wordt; hij brengt de prinses geschenken van Lodewyck, doet een goed woord voor hem en weet eindelijk te bewerken, dat er tusschen beiden eene zeer innige verstandhouding ontstaat. Daar komt het bericht, dat de koning van Egypte gestorven is, en Alxander verlaat het hof van den keizer, om de regeering op zich te nemen. Intusschen hoort Guydeon van het geluk van zijn medeminnaar door Don Ieronimo, één zijner edellieden, die des nachts Lodewyck het venster bij Florentina ziet inklimmen. Guydeon vertelt dat aan den keizer; Lodewyck ontkent, maakt daardoor Ieronimo voor een leugenaar uit en neemt eene uitdaging van hem aan. Maar Florentina wil daar niet van hooren; op haar raad vraagt Lodewyck uitstel van den strijd en reist naar Egypte, om Alexander te verzoeken in zijne plaats te duelleeren. Hij vindt dezen op het punt, om gekroond te worden en de Egyptische prinses Thephisna te trouwen; toch is Alexander terstond bereid voor Lodewyck te gaan vechten, als deze intusschen, onder zekere voorwaarden, zijne plaats wil innemen. Zoo wordt Lodewyck gekroond en getrouwd, terwijl Alexander Ieronimo doodt, terstond weer afreist en in Egypte Lodewyck aflost. Thephisna heeft haren echtgenoot zoo koel gevonden, dat zij besluit hem te dooden; Alexander, juist van de reis teruggekeerd, neemt het vergif; hij sterft er echter niet door, maar wordt melaatsch en daarom verbannen. Nu komt hij bij Lodewyck, die intusschen met Florentina is gehuwd, koning van Frankrijk en keizer is geworden; hij wordt in zijne bedelaarskleeding en met de Lazarusklep bij hem toegelaten en maakt zich bekend. De melaatschheid kan worden weggenomen door het bloed van kleine kinderen en Lodewyck aarzelt niet, zijne eigen kinderen op te offeren. Dan trekt hij met Alexander naar Egypte; Alexander wordt weer op den troon geplaatst, Thephisna onthoofd en ten slotte bieden Rocabruna en Clavela hun zoon, dien zij niet herkennen, nederig hunne diensten aan, als hij zijne handen wil wasschen.

Het drama is ontleend aan het bekende volksboek Van die seven wise mannen van Romen 1)  , waarin de geschiedenis van Alexander eene ruime plaats beslaat. Het ‘treur-bly-eynde-spel’, dat 9 bedrijven telt, biedt verbazend veel afwisseling aan. De plaats der handeling verandert telkens. Na een klein tooneeltje in Egypte wordt het hof van den keizer voorgesteld, waar Lodewyck 10 versregels voordraagt. Dan weer een tooneeltje in Egypte, gevolgd door een liedje van Guydeon aan 's keizers hof, enz. De koning van Egypte, ‘legghende zeer kranck in zyn bedde’,

 1)  Vgl. Dr. F.A. Stoett in Noord en Zuid, XIII, 1890, blz. 216.


[p. 370]

sterft met een gekroond doodshoofd voor zich; Lodewyck verkleedt zich als Broer Hendrick, de biechtvader van Florentina, en hoort hare biecht aan, terwijl hij daarna zijne geheimen toevertrouwt aan Guydeon, die zich op zijne beurt in de kleeding van den biechtvader heeft gestoken, zich woedend maakt over de mededeelingen van zijn medeminnaar en later in dezelfde vermomming Alexander en Florentina uithoort. Het trouwen van Alexander en van Lodewyck wordt in eene vertooning voorgesteld, evenals hunne kroning en het onthoofden van Thephisna, en Ieronimo wordt op het tooneel gedood, waar hem ook het hoofd wordt afgesneden. De balkonscène heeft de dichter van de Spaansche drama's afgekeken. Lodewyck, ‘komende schuyl-wijs door de galerye inde nacht, onder het Venster vande Princesse Florentina’, houdt eene alleenspraak en zingt daarna, op de luit tokkelend, een lied. Florentina verschijnt aan het venster en vraagt, of hij het is. Dan klimt hij ‘het Venster in, en mits komt Don Ieronimo op 't slach’, die de beide gelieven heeft bespied en zich nu eenige opmerkingen over de vrouwen veroorlooft.

Rodenburg's Hertoginne van Savoyen en Don Iuan de Mendossa (1619) is in 4 deelen verdeeld, van welke het eerste ‘Historiael bedryf’, het tweede ‘Treur-spel’, het derde ‘Treur-bly-spel’ en het vierde ‘Bly-spel’ heet 1)  . Het stuk, dat alleen in handschrift over is, is ontleend aan de Tragedische of klaechlycke Historien 2)  . Ook de Aurelia is niet gedrukt 3)  . Mays treur-bly-eynde Spel (1634) is een soort van herdersspel 4)   evenals Sigismund en Manuella 5)  . Vrou Iacoba (1638) heet ‘Historiael-Treur-bly-blyvende’ en is in 4 bedrijven verdeeld.

Nadat Jacoba in eene alleenspraak hare levensgeschiedenis heeft medegedeeld, onvangt zij twee gezanten van hare moeder, die haar een brief en geschenken komen brengen, en beveelt dan haren ‘kamerlingh’ De Bie, den burggraaf van Montfoort geld te leen te vragen, om de gezanten te kunnen beloonen. Maar Jan van Montfoort weigert en De Bie geeft aan de bedroefde gravin den raad, zich tot Frank van Borselen te wenden. Jacoba geeft eindelijk toe en De Bie komt haar berichten, dat Van Borselen niet alleen de som heeft geleend, maar haar ook in elk ander opzicht

 1)  Vgl. Dr. J. Alblas, Bibliographie der Werken van Theodoor Rodenburgh, Utrecht, 1894, blz. 24, 25. Het Hs. is thans in de Universiteits-Bibliotheek te Utrecht.
 2)  Vgl. Alblas, t.a.p. Het is novelle 6 van dl. I in de uitgave van 1650.
 3)  Het Hs. berust in de Haarlemsche Stads-Bibliotheek. Zie den inhoud van het drama in Oud-Holland, 1895, blz. 219, 220.
 4)  Zie den inhoud, t.a.p., blz. 221.
 5)  Het drama, dat in 2 deelen verdeeld is, werd in 1632 geschreven en in 1635 (en 1636) uitgegeven. Zie den inhoud, t.a.p., blz. 218.


[p. 371]

zijne diensten aanbiedt. Nadat de gezanten afscheid hebben genomen, bedankt Jacoba Borselen voor zijne mildheid en zegt, dat zij hem eens hoopt te beloonen, al heeft zij ook niets anders aan te bieden dan zich zelve. Frank geraakt door die woorden geheel in verwarring. In het 2de bedrijf laat Frank, die Jacoba ten zijnent verwacht, de zaal van zijn kasteel versieren ‘met willigen, en tusschen yder will'ghe werd een vergulde D gestelt.’ Nadat de werklieden en daarna eenige Haagsche burgers, gekomen om de gravin te zien, gesprekken hebben gevoerd, treden Jacoba en Frank op; zij vraagt hem, wat de vreemde versiering beteekent, en hij antwoordt: ‘Dyn will'ge dienaer’, om haar dan zijne liefde te verklaren. Jacoba is in tweestrijd; zij bemint Frank, maar denkt aan hare hooge waardigheid en vreest voor haren oom, hertog Philips. Toch neemt zij Frank's liefde aan en wordt - in eene vertooning - heimelijk met hem getrouwd. Het geheim wordt echter bekend; Haagsche burgers spreken er druk over en Philips de Goede, die er van gehoord heeft, beraadslaagt, wat hem te doen staat. Hij verschijnt met een groot gevolg aan het hof van Jacoba en verwijt haar toornig het verbreken van het verdrag en hare lichtzinnigheid; Jacoba geeft hem zijne verwijten met woeker terug. Spoedig hoort zij, dat Borselen gevangen is genomen; zij is bedroefd, maar tevens verontwaardigd, omdat de hertog zich aan zulk eene machtsoverschrijding schuldig heeft gemaakt. Zij zal haren echtgenoot trouw blijven en zich tegen Philips verzetten. Nadat Borselen in de gevangenis gemijmerd heeft over de wisselvalligheid van het lot, geeft de hertog aan zijne raadsheeren het voornemen te kennen, hem te dooden, en hoewel men hem op het onrechtvaardige van zulk eene daad wijst, gelast hij den ‘Casteleyn’ het vonnis te voltrekken. Spoedig wordt dit in Den Haag bekend en burgers en vrouwen zijn woedend. De ‘Casteleyn’ deelt Frank mede, dat hij moet sterven, maar laat zich overreden, nog een tweede bevel af te wachten; hij gaat naar den hertog, die berouw heeft, dat hij zulk een groot onrecht heeft bedreven, en verblijdt hem met het bericht, dat het vonnis niet ten uitvoer is gebracht. Jacoba heeft besloten, liever afstand te doen van hare landen dan van haren echtgenoot en Frank zal in vrijheid worden gesteld. De burgers zijn boos over de dwangmaatregelen van Philips en een afgezant van Delft komt namens die stad hulp bieden, als Jacoba zich wil verzetten; zij verzoekt echter den vrede te bewaren. Dan keert Frank terug en omhelst zijne vrouw; de graaf van Meurs biedt hem namens den hertog het graafschap Oostervant en het Gulden Vlies aan; de ‘Gemeente’ zweert in eene vertooning Jacoba af en belooft trouw aan Philips; het huwelijk heeft nu in het openbaar plaats en de hertog wenscht het paar geluk.



[p. 372]

Tusschen dat alles door loopt eene andere verwikkeling. Theantomo, een hoveling, is verliefd op Silla, eene hofdame van Jacoba, die niet ongevoelig is voor zijne liefde, maar er toch ernstig over denkt in een klooster te gaan. De vertrouwde der beide gelieven is een kluizenaar, in wiens kleederen Theantomo zich nu en dan vermomt. Silla stelt ten slotte een echtgenoot boven het klooster.

Rodenburg ontleende de stof voor zijn drama aan D'oude Chronijcke ende Historien van Holland (met West-Vriesland) van Zeeland ende van Vtrecht (1620) van W. van Gouthoeven 1)  .

Bredero, Starter en Rodenburg zijn in het eerste gedeelte der 17de eeuw de voornaamste vertegenwoordigers der tragi-comedie. En tusschen hunne werken is een groot verschil. Bredero en Starter ontleenden hunne stof aan dezelfde bronnen als Rodenburg somtijds deed, maar bij hen wordt het comisch element nooit gemist, bij Rodenburg daarentegen altijd. Er is reden, om te vermoeden, dat de voorstellingen der Engelsche tooneelspelers, in wier drama's bijna altijd vele grappen vertoond werden, Bredero en Starter er toe gebracht hebben, hunne comische ader nog rijker te doen vloeien dan zonder die voorbeelden het geval zou zijn geweest. Bij Rodenburg daarentegen ontbreekt het comische geheel, hoewel toch het Spaansche drama, dat hij meermalen navolgde, vele comische types kan aanwijzen. Maar Rodenburg ontleende, behalve aan het Spaansche drama, ook veel aan het herdersspel, zooals dat door de Franschen hervormd was. En in die herdersspelen is bijna alles diepe ernst; het comische in die drama's is geheel onwillekeurig. In weerwil van de slechte taal, waarin Rodenburg's drama's zijn geschreven, zijn sommige van hen even lang op het tooneel gebleven als Bredero's tragi-comedies, terwijl de werken van Starter spoedig in het vergeetboek zijn geraakt.

 1)  Vgl. Oud-Holland, t.a.p., blz. 227, 228.

Bor, Van der Eembd, J. Beets, Nootmans, Krul, Duirkant, Moor, Van Schaghen, S. Questiers, Struys, Coleveldt, Voskuyl.

In 1617 gaf de bekende historieschrijver Pieter Bor twee tragi-comedies uit, d'Eene van Appollonius Prince van Tyro. Ende d'ander van den zelven, ende van Tarsia syn Dochter 2)  . De schrijver was ‘meer dan vijf-en-twintich Iaren gheleden’ met het werk begonnen, maar liet het plan varen, om de drama's te berijmen; slechts de koorzangen, waarmede de twee spelen eindigen, zijn in versmaat geschreven. Bor heeft dezeIfde stof behandeld als Shakespeare in zijn Pericles; zijne bron was

 2)  Herdrukt in 1634.


[p. 373]

Die Gesten of gheschienissen van Rome (1481) 1)  , eene Nederlandsche vertaling der bekende Gesta Romanorum. Onder de personen komen Fama, ‘Vrientschap’, ‘Blijschap’, ‘Verneem-al’ en ‘Veel-snaps’ voor.

Govert vander Eembd's Haerlemse Belegeringh (1619) verdient evenmin eene uitvoerige bespreking. Tot het groote aantal personen van het drama behooren, behalve de Prins, militairen, burgemeesters, Spaansche bevelhebbers, enz., ook Haarlem, ‘zijnde een Maeght’, ‘Waerheydt’, ‘Tijdt’, de drie wraakgodinnen en ‘'t Geruchte’, in twee verschillende costumes gekleed, naarmate het ‘droevigh ende blijde’ is. Er zijn vele vertooningen in het stuk, dat in sommige opzichten eene navolging is van Hooft's Geeraerdt van Velsen 2)  . Allegorische figuren, Furiën, enz. komen in het geheel niet voor in D'ontsettinghe van Bergen op Zoom, gheschiet in den Jaare 1623, dat in 1624 op de Oude Kamer te Amsterdam werd gespeeld 3)  . Het stuk is in 8 bedrijven verdeeld; er treden zeer vele personen in op en het werd opgeluisterd door een groot aantal vertooningen, die door den ‘Vertoonder’ in zesregelige versjes worden uitgelegd.

De Melissa (1626) 4)   van Johan Beets is een zeer langdradig stuk; een man, die zijn gewonden vriend tracht te helpen, wordt als moordenaar gevat. Ook Nootmans' Slach van Pavyen (1627) zij hier slechts even genoemd; het drama is niet in bedrijven afgedeeld, maar is geheel zonder allegorische figuren.

De meeste drama's van Jan Hermansz. Krul 5)   zijn half herdersspel, half tragi-comedie. De inhoud van zijn Diana (1627) 6)   is als volgt. De prinses Diana, die verbannen is, komt in Griekenland, wordt verleid door prins Florentius en dan door hem verlaten. Zij gaat naar eene ‘Heydensche Kol’, die Pluto oproept; deze verzekert, dat Florentius naar de hand dingt van prinses Cecilia. Diana vermomt zich als kluizenaar en keert naar het Grieksche hof terug. Intusschen vat Cecilia liefde op voor den herder Floriaen en overreedt hem met haar te vluchten; het paartje wordt echter achterhaald en Floriaen ter dood veroordeeld. Nu treedt de vermomde Diana op, verwijt Florentius zijne ontrouw en brengt hem tot berouw; dan maakt zij zich bekend en Floriaen blijkt haar broeder te zijn.

 1)  Vgl. Dr. G. Penon, Bijdragen tot de geschiedenis der Nederl. letterkunde, Groningen, 1881, I, blz. 116, 117.
 2)  Vgl. De invloed van Seneca's treurspelen, blz. 145, 146.
 3)  Gedrukt in 1624 en herdrukt in 1747.
 4)  Eerst in 1669 gedrukt in Mr. Johan Beets Dichtkonst.
 5)  Zie over hem, Dr. G. Morre, Jan Hermansz. Krul. Delft, 1894.
 6)  Herdrukt in (1628), 1634, 1640, 1643, (1644), (1651), 1659, 1681 en z.j. Het stuk is in Febr. 1623 voor het eerst vertoond (vgl. Morre, blz. 78).


[p. 374]

Krul's Helena (1629) 1)   heet een ‘Bly-eyndend-Treur-Spel’. Rogier, ‘een Burgers Zoon’, is verliefd op Helena, ‘een Edelmans dochter’, maar hare ouders willen van geen huwelijk weten en hij neemt afscheid van haar. Helena verlaat nu haar huis en leeft, als kluizenaar gekleed, in een bosch, waar Rogier haar vindt zonder haar te herkennen. Als Rogier vertrokken is, wordt hij gevolgd door Cassandra, die vroeger getracht heeft hem te verleiden; op raad van eene toovenaarster steekt zij zich in manskleeren, maar ontmoet den edelman Karel, die er als een hovenier uitziet en op Rogier gelijkt. Cassandra doet hem heftige verwijten en wordt, als zij hem dreigt, door hem gedood. Hij vertelt dat avontuur aan Elizabeth, zijne geliefde, die hem nu versmaadt. Als hij zich uit wanhoop gedood heeft, verschijnt zijn geest aan Elizabeth, die in een klooster gaat. Nog altijd komt Rogier bij den gewaanden kluizenaar; de geest van Cassandra vertoont zich aan hem, Helena maakt zich aan hem bekend en het paartje is tevreden.

Rosemondt en Raniclis (1632) 2)   is een onbeduidend stukje, waarin twee verliefde paartjes chassez-croisez dansen en zich telkens verkleeden. Cupido treedt er in op en er wordt veel in gezongen.

Terwijl de bron van die drie drama's niet bekend is, is de Alcip en Amarillis (1639) 3)   ontleend aan den beroemden roman l'Astrée (1608-1627) van Honoré d'Urfé 4)  . Alcip leeft op het land als herder en wordt verliefd op de herderin Amarillis, die hem echter aanspoort naar het hof te gaan, omdat hij van adel is. Alcip woont met zijn neef Clindor de inhuldiging bij van vorstin Amasis; de prinses Julia ziet hem en laat hem door hare kamenier naar haar slaapvertrek brengen. Alcip, die volstrekt niet weet, van welke schoone hij de gunsten heeft genoten, vertelt zijn avontuur aan Clindor; op diens aanraden knipt hij den volgenden nacht een stukje uit het bedgordijn en begrijpt daarna, dat zijne geliefde prinses Julia is. Deze komt te weten, dat zij ondekt is door de list van Clindor, en beveelt Marcellus hem uit te dagen; Clindor doodt Marcelles, maar wordt gevangen genomen. Alcip verkleedt zich met eenige anderen als boer, neemt het kasteel in, waar Clindor gevangen zit, en bevrijdt hem, maar wordt nu van het hof verbannen. Daar is intusschen Alphonsus, een ‘Ridder uyt Hispagnie’, verschenen, die iedereen uitdaagt en doodt, o.a. ook Leon, een oom van Amarillis. Zij verzoekt Alcip per brief, haren oom te wreken, en hij keert vermomd

 1)  Herdrukt in 1634, 1635, 1640, (1644) en (1681).
 2)  Herdrukt in 1634, 1640, 1643, (1644) en (1681).
 3)  Herdrukt in 1640, (1644), (1651), 1662, (1672) en (1681).
 4)  Nl. aan dl. I, boek 2 (vgl. Morre, blz. 93).


[p. 375]

naar het hof terug, doodt Alphonsus in het duel en verdwijnt weer. Men zoekt naar den onbekenden ridder en hoort eindelijk, wie hij is; hij wordt naar het hof teruggeroepen en met de grootste eerbewijzingen ontvangen. Maar hij heeft genoeg van het hof, keert naar het land terug, kleedt zich als herder en huwt Amarilles.

In Faustina (1639) 1)   is de hoofdpersoon eene herderin, die bemind wordt door Constantinus, ‘Grieks Koning’, maar zijne trouwbeloften niet vertrouwt en weerstand weet te bieden. Een broeder van Faustina, Ferdinandus, haar onbekend, is vroeger herder geweest, maar leeft nu aan het hof; 's konings zuster Calista is verliefd op hem geworden en heeft hem eindelijk allerlei gunsten toegestaan. Faustina gaat, na den koning afgewezen te hebben, op raad eener heidin in manskleeren naar het hof en treedt als page in dienst bij den koning; deze laat den page een brief overbrengen aan prinses Casterna, die hij thans van plan is te huwen. Maar Casterna wordt zoo doodelijk van den page, dat zij hem tracht te verleiden; als dat niet gelukt, vertelt zij den koning, dat zijn page haar geweld heeft willen aandoen. Faustina wordt ter dood veroordeeld, maar zij toont den koning, dat zij eene vrouw en wel Faustina is; de koning jaagt Casterna weg, trouwt Faustina en geeft verlof tot het huwelijk van Calista met Ferdinandus, die door Faustina als haar broeder herkend wordt.

Er zijn in deze verwikkeling een paar dingen, die herinneren aan de bekende novelle van Bandello 2)  , waaraan Shakespeare zijn Twelfth Night en verscheidene andere Engelsche, Italiaansche en Spaansche schrijvers drama's hebben ontleend, nl. de broeder en zuster, die elkander niet kennen, en de verkleeding als page. De liefde van Casterna voor Faustina doet denken aan de verhouding van Olivia en Viola bij Shakespeare.

Krul's Rosilion en Rosaniere (1641) 3)   is weer aan de Astrée ontleend 4)  . Waarschijnlijk heeft Krul getracht in zijne drama's Rodenburg na te volgen, met wien hij veel ophad. Maar de ridder was bekend met het Spaansche drama en ontleende daaraan allerlei situaties, terwijl Krul zich tevreden moest stellen met de Fransche tooneelpoëzie - hij heeft eenige Fransche stukken vertaald - en den herdersroman. Toch is hij nog één der beste vertegenwoordigers van ons romantisch drama der 17de eeuw.

G.A. Duirkant's Sistiliaen (1628) werd te Tunis geschreven; er

 1)  Herdrukt in 1640, (1644), (1651), 1662, (1672) en (1681).
 2)  Vgl. Tragedische Historien, dl. IV, 9.
 3)  Herdrukt in 1644 en (1681).
 4)  Nl. aan dl. IV, boek 10 (vgl. Morre, blz. 97).


[p. 376]

treden vele Turken in op en eene Grieksche prinses met twee minnaars, er wordt gevochten, gemoord en geduelleerd ‘in onbekende wapenen’ en de prinses, die veroordeeld was, om verbrand te worden, wordt gered. Maar dat is alles kinderwerk in vergelijking van Moor's Hel, en Hemelvaert van Theodore en Constancy (1630). Constancy, de dochter van een ‘Hertoogh in Sparten’, die zich ‘ten dienste van Dianae’ gesteld heeft, jaagt in een betooverd bosch, maar wordt vervolgd door den ridder Floris, die haar geweld wil aandoen. De toovenaar Arbas redt haar en plaatst hen samen in een ‘vyerighe Tent’, waar Floris de jonkvrouw vier jaren lang moet bewaken. Gallas, ‘Koninck van Sparten’, die Constancy bemint, gaat naar het bosch, om Floris te bevechten, maar vindt daar zijn broeder Julius, die met hetzelfde doel gekomen is; zij herkennen elkander niet en vechten samen; als Julius overwonnen is, maakt hij zich bekend en verbergt zich in de buurt, terwijl Gallas Floris uitdaagt. Terwijl zij strijden, komt ‘Theodore Prince van Florence al speelende - op de viool - en verdryft de duysternis, de Ridders dit siende vallen ter aerden in onmacht’. De betoovering wijkt van Constancy, die den schoonen ridder vóór zich ziet en door zijn spel wordt meegesleept; zij zweren elkander trouw en Theodore noodigt haar maar dadelijk uit tot het ‘Minne-spel’. De drie ridders zijn intusschen uit hunne verdooving ontwaakt en vallen Theodore aan, maar Constancy komt hem gewapend te hulp en de vrede wordt gesloten; allen gaan naar het hof van Gallas. Deze doodt onder den maaltijd Theodore, Julius en Floris, maar wordt door Constancy ‘met syn eyghen Poock’ doorstoken; dan doodt zij zich zelve. Nu verschijnt de toovenaar Arbas weer; door allerlei tooverformulieren en na het koken van vele vreemde dingen wekt hij Theodore en Constancy weer op en brengt hen naar het betooverde bosch. ‘Pluto en Proserpyn sittende op een Caros’ nemen afscheid van elkander; Proserpina moet weer voor een half jaar naar den hemel en zij verlangt ook ‘te seer om Moeder eens te spreken’; de wolken dalen en zij stijgt hemelwaarts. Daar ziet Pluto Constancy, die hem eene geschikte plaatsvervangster van Proserpina toeschijnt; hij sleept haar mede en Theodore, die op de jacht is geweest, hoort van de Echo, waar zijne bruid gebleven is. ‘Pluto en Constancy sitten beyde inde Hel’, maar Theodore komt haar halen; hij speelt Pluto in slaap en vlucht met Constancy. Pluto beveelt vier helsche geesten, Constancy op aarde te gaan zoeken, maar Mercurius ‘comt singende van den Hemel’; Constancy ziet de ‘lasure Wolck van binnen als een Tent’, waarin Mercurius is afgedaald, zij noodigt Theodore uit in te stappen, ‘om sien of ghy de Goon door speelen cont beweghen’, en het paar stijgt hemelwaarts.



[p. 377]

In de Olymphia (1635) heeft Moor de 7de novelle uit Der ionghe Dochters Tijt-cortinghe (1591) gedramatiseerd, die tot titel heeft: ‘Olimpia des Hertoghen dochter van Wallia bemint Landrijn Coninck van Noorweghen, sy wort bemint van den Prince van Yrlandt, die sy haet, hy brengt haer Vader ende Broeder om hals, ende neemt Landijn ghevanghen, sy ghevlucht zijnde door middel van een Ridder, verlost Landijn met die doot van haer vyanden, Landijn trout haer, die haer daer na troulooselijcken in een Eylandt verlaet, sy wort ghenomen om haer een zeemonster op te offeren, maer door een Ridder verlost sijnde, wert Landijn door den Coninc van Hiberniens volc, om zijn trouloose meneedicheyt omghebracht, die haer daer na tot zijn huysvrouwe neemt’. Weer een geschikt onderwerp voor onzen dichter. Niet alleen verschijnt het zeemonster - ‘het Serpent (vuur spuwende) uyt’ - maar er is ook een groot toovertooneel in het drama, waar eene menigte schimmen worden opgeroepen. Venus en Cupido treden op, als Landijn en Olimpia samen ‘inde Veldt-Coets’ liggen, en Cupido houdt eene lange toespraak tot de jongelui onder het publiek.

J.C. van Schaghen ontleende de stof voor zijn Vryagie van Alleran van Sacxen, en Adelasie, dochter van Keyser Otto den derden (1632) waarschijnlijk aan de Tragedische Historien (I, 7), maar laschte comische tooneeltjes in zijn stuk in, terwijl Salomon Questiers in zijn Griecxen Amadis (1633) eene episode uit den beroemden roman (dl. VIII) dramatiseerde, waarin de held, als vrouw verkleed, aan het hof van den Soudaen van Niquee komt en met de prinses vlucht. Een toovertooneeltje, waarbij ‘Tesyfone’ wordt opgeroepen, ontbreekt hier niet.

Struys' Amsterdamsche Juffertjen (1633) heeft veel overeenkomst met Rodenburg's Batavierse Vryagie-spel (1616) 1)  . Ook hier stoken ‘een beveynst Iongelingh’ en ‘een licht Brabands Meysjen’ twist tusschen verschillende minnende paren. Maar het stukje eindigt anders. Den bedrieger is een nachtelijk onderhoud door één der meisjes toegestaan, maar als hij komt, wordt hij door drie gewapende jonge dames bedreigd en moet in zijne onderkleeren vluchten. Ook Coleveldt behandelde in de Hertoginne van Savoyen (1634) een onderwerp, dat reeds door Rodenburg gedramatiseerd was 2)  , en dat hij ontleende aan de Tragedische Historien (I, 6). Er worden in het stuk heel wat liedjes gezongen, ‘Helsche Gheest of Quaet-ingheven comt onder het Toneel uyt’, ‘Fama of Gherucht’ en ‘Cupido met Pyl en Boogh’ treden een paar keeren op, men ziet eene gevangenis, eene geestverschijning, vermomde personen,

 1)  Zie blz. 366.
 2)  Zie blz. 370.


[p. 378]

een kluizenaar, een moord en zelfs - in eene vertooning - eene onthoofding.

De ‘Capiteyn te water’ Meynert Pietersz. Voskuyl 1)   verdeelde zijne drama's niet in bedrijven. Zijn Don Carel van Castilien met den Prins van Portigael (1635) 2)   heeft den volgenden inhoud. Isabella, koningin van Spanje, verwondert zich er over, dat één der heeren van het hof, Don Carel van Castilien, die door schoonheid uitmunt, zich niets om de vrouwen bekommert. Zij vraagt met aandrang, wie het is, die hij bemint, en eindelijk belooft hij, als het hof op de jacht is, haar te openbaren, wie zijne geliefde is. De jacht, waarbij Isabella en Carel tegenwoordig zijn, heeft plaats; hij heeft een stalen schild, waarin de koningin haar eigen gelaat ziet. Zij doet, alsof zij hem niet begrijpt, eischt, dat hij zich duidelijker zal verklaren, doch als Carel aan haar verlangen voldoet, wordt zij toornig en hij vlucht in ‘Heremyts ghewaet’ van het hof. Kort daarna verklaart Frankrijk den oorlog aan Spanje en Isabella ontbiedt Carel, den besten veldheer der Spanjaarden, die ‘in de Wildernissen’ als heremiet leeft. Carel verslaat den vijand, wordt feestelijk ingehaald en doet nu bij den koning aanzoek om de hand zijner dochter Leonora. Maar deze is in 't geheim verloofd met den prins van Portigael; zij wijst Carel af en laat zich ook door hare moeder Isabella niet overreden. De medeminnaars ontmoeten elkander en geraken in gevecht; Carel wordt gewond en sterft spoedig en de prins van Portigael vlucht en verhuurt zich als knecht bij een boer, die hem meeneemt naar het hof, om wild te brengen. De knecht wordt door Leonora herkend, maar op een onderhoud met haar betrapt, gevangen genomen en ter dood veroordeeld. Leonora smeekt om genade en de koning geeft eindelijk toe, als alle aanwezigen het voorbeeld der prinses volgen.

Het drama vertoont eene eigenaardige samensmelting van twee verschillende intriges; de eerste is ontleend aan eene novelle uit de Heptaméron (1558) der koningin van Navarre 3)  , de laatste is misschien van eigen vinding. Aan denzelfden Franschen bundel ontleende Voskuyl ook den inhoud van de Kuyssche Roelandyne (1635) 4)  . Twee drama's, van welke het eerste, Bellaria en Pandostos (1637), een treurspel en het andere, Dorastus en Faunia (1637), een Treur-bly-eyndend' Spel heet, behooren bij elkander. De inhoud is aldus.

 1)  Zie over hem, Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterk., 1895, blz. 75-93, 241-260.
 2)  Herdrukt in 1643 en 1710.
 3)  Nl. aan de 24ste novelle; vgl. Tijdschrift, t.a.p., blz. 81-83.
 4)  Aan de 42ste novelle; vgl. Tijdschrift, t.a.p., blz. 84, 85).


[p. 379]

Egistus, Coninck van Cicilien, vertoeft aan het hof van den Coningh van Egypten Pandostos en wordt door hem en zijne vrouw Bellaria op de vriendelijkste wijze bejegend. Maar Pandostos wordt achterdochtig en gelooft ten slotte, dat er tusschen zijne vrouw en zijn gast eene ongeoorloofde verstandhouding bestaat. Eindelijk besluit hij Egistus uit den weg te ruimen en geeft zijn kamerling Tranion het bevel hem te dooden. Nadat deze gepoogd heeft, zijn heer tot andere gedachten te brengen, belooft hij het bevel te zullen volvoeren, maar hij waarschuwt Egistus en vlucht met dezen naar Sicilië. De koning gelast nu Bellaria gevangen te nemen en, als zij in de gevangenis een kind ter wereld brengt, moeder en kind te dooden. Zijne raadslieden wijzen hem er echter op, dat hij geene bewijzen heeft van Bellaria's schuld; de koningin verdedigt zich en verzoekt, dat er gezanten naar het orakel van Delphos zullen worden gezonden. Intusschen heeft Pandostos het kind in eene boot zonder roer laten neerleggen; de boot drijft naar Sicilië en de herder Porrus vindt het kind en neemt het mee naar huis, waar het door hem en zijne vrouw wordt opgevoed. De gezanten komen te Delphos, waar in den tempel allerlei plechtigheden plaats grijpen; het orakel zegt, dat Bellaria even onschuldig is als Egistus en dat Pandostos voor zijne jalouzie zal worden gestraft. De koning stelt nu Bellaria in vrijheid, vraagt haar vergiffenis en belooft overal onderzoek te zullen doen naar het dochtertje, dat hij aan de golven heeft prijsgegeven. Daar komt plotseling het bericht, dat Garinter, de oudste zoon van het echtpaar, op de jacht is verdronken; Bellaria sterft van schrik en Pandostos, die thans eerst het orakel in zijn vollen omgang begrijpt, wordt ‘ontsint’ van smart. - De Dorastus en Faunia speelt vele jaren later. Faunia is een mooi meisje geworden en munt uit in den kring van herders en herderinnetjes, waarin zij verkeert. Egistus, de koning van Sicilië, heeft een zoon Dorastus en vindt, dat deze jonge man eens aan trouwen moet denken, b.v. met eene Deensche prinses. Maar Dorastus ziet, als hij op de jacht is, Faunia en wordt doodelijk van haar, terwijl ook Faunia liefde voor den prins gevoelt. De koning en zijn geneesheer maken zich ongerust over de gezondheid van den prins. Deze verkleedt zich dikwijls als herder, om Faunia te bezoeken; hij overreedt haar, om met hem te vluchten, doch zij worden beluisterd en het plan wordt meegedeeld aan Porrus, die den koning wil gaan waarschuwen en hem de kostbaarheden zal laten zien, die Faunia aanhad, toen hij het kind in de boot vond. Maar een dienaar van Dorastus lokt Porrus naar de haven, waar Dorastus en Faunia zich al ingescheept hebben, en hij wordt met geweld op het schip gebracht. Het schip strandt op de kust van Egypte; de prins bemerkt, dat hij zich in het gebied van den vijand zijns vaders

[p. 380]

bevindt en neemt een anderen naam aan. Pandostos ziet de schoone Faunia, vat liefde voor haar op en laat Dorastus gevangen nemen. Daar komt een gezant van Egistus, die verzoekt zijn zoon in vrijheid te stellen en Pandostos herinnert aan zijn vroegeren misslag. Dorastus wordt nu vrijgelaten, maar Faunia ter dood veroordeeld, omdat zij den prins heeft verleid. Doch nu toont Porrus de sieraden en kinderkleeren; Pandostos erkent Faunia als zijne dochter en laat haar met Dorastus huwen. Voskuyl heeft in de beide drama's Robert Greene's novelle The Hystorie of Dorastus and Fawnia (1588), waarvan Shakespeare gebruik heeft gemaakt voor zijn Winter's Tale, op den voet gevolgd 1)  .

Wat Hooft gedaan had in de Geeraerdt van Velsen en Coster in zijn Tijsken vander Schilden, deed Voskuyl in Den Ouden ende Jonghen Hillebrant (1639) 2)  , nl. zijne stof ontleenen aan een oud lied. De oude Hillebrant wil, na allerlei omzwervingen en heldendaden, naar huis en naar zijne vrouw Goedele terugkeeren en neemt afscheid van Hertogh Abeloen en Joncker Diederick. En de jonge Hillebrant verlaat Holstein en zijne verloofde Vredelyn, dochter van den sedert jaren afwezigen Abeloen, om de eer eener Hessische prinses te verdedigen. De oude Hillebrant wordt ‘ontrent Danzick komende’ aangevallen, maar slaat zich er door; Abeloen en Diederick bevrijden Hanssop, Hillebrant's dienaar, doch worden later gevangen genomen door den ‘Landt-Drost in Pomere’, terwijl Hanssop aan Vredelyn gaat zeggen, waar haar vader gevangen zit. De oude Hillebrant hoort, dat de eer der prinses van Hessen met succes verdedigd is door den jongen Hillebrant, en brandt van verlangen, om te weten, wie de jonge man is, die zoo vermetel is zijn naam te dragen. Intusschen bevrijdt de jonge Hillebrant hertog Abeloen en ontmoet dan toevallig zijn hem onbekenden vader. Van harde woorden komt het tot daden; de oude ridder overwint den jongen, maar herkent hem dan als zijn zoon. Bij de bruiloft van Vredelyn en den jongen Hillebrant laat deze zijn vader met neergeslagen vizier naast Goedele plaats nemen, die hem eindelijk herkent. Voskuyl heeft den inhoud van het lied Vanden ouden Hillebrant 3)   nog al aardig met eene zelf gevonden verwikkeling weten te verbinden.

Voor De Boelerende Avantvrade met de kuysche Florinde (1639) maakte hij gebruik van de 10de en vooral van de 32ste novelle uit

 1)  Vgl. Tijdschrift, t.a.p., blz. 86-93.
 2)  Herdrukt in 1663.
 3)  Vgl. de aanhalingen in het Tijdschrift, t.a.p., blz. 241-248.


[p. 381]

de Heptaméron 1)   en op dezelfde wijze handelde hij met de Fiameta (1640), die aan de 51ste en de 12de novelle van dienzelfden bundel ontleend is 2)  . De drama's van Voskuyl schijnen niet bijzonder in den smaak te zijn gevallen en slechts twee er van zijn herdrukt.

 1)  T.a.p., blz. 249-254.
 2)  T.a.p., blz. 256-259.

Nic. Fonteyn, Van Swol, Van Velden, Van Arp, Bontius, Van Wevelinchoven, B. Fonteyn, Tengnagel, Katharina Verwers, J. de Wyse, Van Zeerijp, Besteben, Jan Soet, Bara, Cats, Havius, Baron, Van Heugelenburgh, Crabbe, De Vooght, De Geest, Blasius, Heerman, Van Rossum, De Graaf, Rixtel, Van der Heiden.

De bekende medicus Dr. Nicolaas Fonteyn gaf aan zijn eerste drama nog een ouderwetschen titel, nl. Casta, ofte Spieghel der Kuysheyd (1637). Het is de geschiedenis van eene herderin, die door Diana wordt aangewezen, om de gezellin te zijn eener jonge Engelsche koningin. Een allervreemdst stuk is de Constantinus (1637), door den schrijver J. van Swol aan Anna Roemers opgedragen. Graaf Constantin van Charlois is van het hof verbannen, omdat hij dingt naar de hand van Catharina, dochter van den hertog van Bourgondië, die ook begeerd wordt door Carel Dolphijn van Vranckrijck. Als hij in het bosch wandelt, ontmoet hij eene ‘Kol’, die hem in slaap doet vallen en hem dan verschillende ‘Spoocken’ voor den geest toovert en hem eenige tooneeltjes laat zien, waarin minnaars van allerlei soort optreden, terwijl Venus en Cupido van den hemel dalen, om ‘te aenhooren het jancken der van minne ghenepen herten’. Als bij de laatste vertooning Catharina is opgetreden, ontwaakt Constantin. Hij ontmoet een boer, die een zwart ei als curiositeit naar het hof moet brengen, overreedt dezen, met hem van kleeding te wisselen, en ontfutselt hem het ei. Daarmee gewapend komt hij aan het hof, waar de hertog en de ‘Dolphijn’ juist eene dwaze ontmoeting hebben gehad met den ‘Schemp-Rijmer’ Pasquyn, die een rijm van den hertog met een geldstuk beloont. De hertog vindt den boer zoo grappig, dat hij hem naar zijne dochter zendt, om haar wat op te

[p. 382]

fleuren, en deze vindt gelegenheid, haar alleen te spreken. Aura, de vrouw van Pasquyn, verstopt haren ‘Boel’ Alexander, als haar man er aan komt, in een vat, dat hij heet gekocht te hebben, en laat dezen daarna, in vrouwenkleeren gedost, een pak slaag geven door den knecht 1)  . Nadat de boer, die het ei moest overbrengen, in Constantin's kleeren gekleed, op de schouders van andere boeren is binnengedragen, een tooneeltje, dat eindigt met bekkesnijden, weet Catharina uit den tuin van haar vader te ontvluchten en haar minnaar op eene afgesproken plaats te vinden. Als er onraad dreigt, ruilt Catharina hare kleeding met die van Constantin's knecht, die eerst moeite heeft de boeren van zich af te houden en daarna door de dienaren van den hertog gevat wordt, welke meenen, Catharina gevonden te hebben. Ook het paartje wordt gevangen genomen. Als zij allen voor den hertog en den dauphin gebracht worden, komt er eindelijk eenig licht in de zaak; Constantin zal ter dood worden gebracht, maar nu komt de Fransche prins tusschen beiden en redt minnaar en geliefde.

Het is een dwaas drama, vol ruwe tooneeltjes en in zeer vreemde taal geschreven, evenals de Margrietje (1634) 2)   van denzelfden dichter, waarin o.a. een oud man in eene mand wordt opgeheschen, die halverwege blijft hangen, een avontuur, hetwelk men in de Middeleeuwen geloofde, dat aan Vergilius was overkomen, en dat later dikwijls in blijspel en klucht gediend heeft. Verder verkleedt zich een jong paar als herder en herderin.

In 1638 gaf M. van Velden uit Het daget uyt den Oosten, waarvan enkele tooneelen door Bredero waren geschreven; het drama staat ver beneden het oude lied, waaraan het heet ontleend te zijn. Wel treden er een paar reien in het stuk op, maar de dichter heeft verder het onderwerp volstrekt niet op classieke wijze behandeld; o.a. verkleedt de vader van het meisje zich als priester en neemt zijne dochter de biecht af.

De Chimon (1639) 3)   van J. van Arp is de dramatiseering eener novelle uit den Decamerone (V, 1); er is dikwijls woordelijke overeenkomst. Het drama heeft zich niet mogen verheugen in het succes van de Belegering ende Ontsetting der stadt Leyden van Reinier Bontius. De eerste druk van dit ‘treur-bly-eyndespel’ is verloren gegaan, maar de tweede is van 1646 en deze is door een groot aantal andere gevolgd 4)  . De

 1)  Gevolgd naar Boccaccio's Decamerone, VII, 2, en VIII, 7.
 2)  Herdrukt in 1639.
 3)  Zie den inhoud in Noord en Zuid, 1897, blz. 393, 394.
 4)  In 1647, 1656, 1659 (2; één heet de 8ste druk), 1660, 1661, 1670, 1682, 1693, 1699, 1702, 1704, 1707, 1720, 1726, 1729, 1746, 1750, 1753 en 7 z.j.


[p. 383]

gouverneur der stad, Andries Allertsz, acht den toestand gevaarlijk, nu de vijand op nieuw nadert. Toch weigert hij den Engelschen kolonel Chester den toegang tot de stad. Een uitval wordt beraamd en Allertsz, die doodelijk gewond is, door de burgers naar de stad gedragen. De Spaansche bevelhebbers pochen op hunne wreedheid en op al de moorden, die zij bedreven hebben. - Van der Does, de nieuwe gouverneur, maakt zich bezorgd wegens de weinige levensmiddelen, die er in de stad zijn. De boer Kees Louwen bericht, dat de dorpen in de buurt uitgemoord en verbrand zijn. De burgemeesters van Leiden zweren, dat zij de stad tot het uiterste zullen verdedigen. Carion Lopes Gallio komt met een trompetter de stad opeischen, maar wordt teruggezonden en deelt het antwoord mee aan Baldeus (Valdez). Daarna veroveren de Leidenaars eene schans op de Spanjaarden. - Burgers klagen bij Van der Werf over den hongersnood, maar hij spreekt hun moed in. Dan wordt bericht, dat de Prins eene vloot uitrust, om de stad te ontzetten. Leidsche vrijbuiters willen wegens den hongersnood de stad verlaten en Van der Werf laat hen gaan. Aan de burgers, die oproerig zijn, biedt hij zijn lichaam aan. - Kees Louwen waagt zich buiten de stad en Carion eischt Leiden voor de tweede maal op. Het water begint te wassen en de boeren worden door de Spanjaarden gedwongen, dammen op te werpen. Als er een aanval zal worden gedaan, verzoekt ‘Amalia, boel van Baldeus’ - in latere drukken is zij ‘Edele jonckvrou’ geworden - den Spaanschen veldheer van zijn plan af te zien, en hij stemt toe. Nadat Leidsche burgers op den muur een gesprek hebben gehouden met Spaansche soldaten buiten de stad, zien Van der Does en Van der Werf in de verte de vloot naderen en krijgen bericht van Boisot. Het spijt Baldeus, dat hij de stad niet bestormd heeft; hij besluit nu met zijn leger weg te trekken. De weesjongen wil naar de schans van Lammen. - Hij keert terug met het bericht, dat de vijand verdwenen is. De geheele stad is dol van vreugde; Boisot verschijnt met matrozen en daarna de Prins, die in eene lange rede de burgers dankt voor hun moed en aan de stad eene hoogeschool belooft. - Het drama is langer dan eene eeuw op het tooneel gebleven 1)  ; in 1660 bedacht Jan Vos er uitvoerige vertooningen bij 2)   en de bekende Amsterdamsche historieschrijver T. van
 1)  Vgl. over het drama en den dichter, Mr. L.H.J. Lamberts Hurrelbrinck in Handelingen en Mededeelingen van de Maatsch. der Nederl. Letterk. te Leiden, 1892, blz. 26-33.
 2)  Gedrukt in 1660, 1662 (in Alle de Gedichten, I, blz. 627), 1670, 1682, 1706, 1729 en z.j.


[p. 384]

Domselaer gaf zelfs eene Beschryving der sieraden van 't tooneel 1)  , die gebruikt werden bij het opvoeren van Bontius' tooneelstuk.

Het vreemde drama Iacobus VI. Coningh van Schotland (1639) 2)   van een onbekenden schrijver verdient slechts even vermeld te worden; het is vol toovertooneelen. De Schakinghe van Iudith, Dochter van Keyser Otto den derden (1642) van een anderen onbekende is eveneens volkomen onbelangrijk. I. van Wevelinchoven's Elpenor en Rodope (1643) is in zes dagen ‘gerijmt’, maar het is er dan ook naar; het stuk is misschien naar het Fransch. Dr. Bernard Fonteyn, die in 1633 reeds met een zangspel en met eene vertaling van het drama Gl' Inganni (1562) van Niccolo Secchi was opgetreden 3)  , gaf in 1643 twee tragi-comedies uit, die één geheel vormen, Fortunatus Beurs en wens- Hoedt en Fortunatus Soonen, Op en Onder-gangh. Fortunatus verlaat zijne vrouw, zijne beide kinderen en zijne woning op Cyprus, omdat hij geruïneerd is en elders zijn fortuin wil zoeken. Als hij in een bosch verdwaald en voor een beer in een boom gevlucht is, ziet hij Fortuna, die hem uit vele van hare gaven laat kiezen. Hij kiest rijkdom en Fortuna schenkt hem eene beurs, waarin hij, telkens als hij er de hand in steekt, tien goudstukken zal vinden. Fortunatus reist verder, ontkomt in Byzantium met moeite aan de lagen van zijn waard en wint, na veel heen en weer trekken, aan ‘Paep-Jans weeld'righ Hof’ het vertrouwen van den ‘Soudaen, Keyser van Turckyen’. Deze laat hem zijne schatten zien, o.a. een hoed, die den drager voert, waarheen hij wil; Fortunatus krijgt verlof, hem even op te zetten, en verdwijnt met den nieuw verworven schat. Als hij weer 't huis gekomen is, tracht de Soudaen den hoed terug te krijgen en, daar dat niet gelukt, vergiftigt hij Fortunatus en zijne vrouw. Maar hunne beide zoons kennen de geheime kracht van de beide schatten en één van hen, Andalosia trekt met de beurs de wijde wereld in. Zijne lotgevallen zijn het onderwerp van het tweede stuk. Met behulp van zijne beurs schittert Andalosia aan het hof van den koning van Engeland, waar 's konings dochter, Agrippina, hem naloopt en hem het geheim van de beurs ontlokt. Op aanraden harer koninklijke ouders staat Agrippina den vreemdeling een nachtelijk onderhoud toe, geeft hem een slaapdrank en berooft hem van zijn schat - er is hier blijkbaar locale kleur aangebracht. Andalosia keert nu naar Cyprus terug, leent van zijn broeder Ampedo den wenschhoed en verschijnt als juwelier vermomd weer in

 1)  Voor het eerst gedrukt in 1670.
 2)  Vgl. De invloed van Seneca's treurspelen, blz. 190-192.
 3)  Onder den titel Tranquilli de Mont Droef Bly-Eyndent-Spel, en Fortunati Geluck en Ongeluck (vgl. Oud-Holland. II. 1884. blz. 145-147).


[p. 385]

Engeland. Als hij Agrippina ziet, grijpt hij haar aan, wenscht zich met haar in de wildernis en verdwijnt. Maar als hij voor zijne schoone appelen wil plukken, zet hij Agrippina even den hoed op en deze, die de magische kracht van dat hoofddeksel niet kent, slaakt de verzuchting, dat zij gaarne weer in Engeland zou zijn, en verdwijnt plotseling met den hoed. Tot overmaat van ramp krijgt Andalosia door het eten van de juist geplukte appelen horens op zijn hoofd. Een kluizenaar helpt hem van dat ongewenschte hoofdsieraad af door hem eene andere appelsoort te wijzen, die de horens weer doet verdwijnen. Andalosia keert met een goeden voorraad van beide soorten van appelen naar Londen terug en biedt, natuurlijk goed vermomd, aan Agrippina en verschillende leden van het hof de gevaarlijke vruchten aan. En zij allen - er is veel ongewilde satire in het drama - worden plotseling getooid met het bekende hoofdsieraad. Natuurlijk is het weer Andalosia, die in eene nieuwe vermomming, nu als geneesheer, aanbiedt de kwaal te genezen. Hij maakt van de gelegenheid gebruik, om in de vertrekken der prinses zijn wenschhoed te zoeken, zet hem op en is nogmaals met Agrippina verdwenen. In een bosch aangekomen, neemt hij haar de beurs weer af - de edele jonkvrouw heeft na den diefstal de hevigste ruzie gehad met hare dierbare ouders over het bezit van den buit - en laat haar loopen met zooveel van de horens, als zij na het gebruik van enkele heilzame appelen nog over heeft. En zoo keert Andalosia dan met beurs en wenschhoed naar Cyprus terug, maar wordt vermoord en van de beurs beroofd, die echter na zijn dood hare kracht heeft verloren. Ook zijn broeder Ampedo sterft spoedig. Fonteyn ontleende de stof voor zijne beide drama's aan een volksboek 1)  .

M. Gansneb Tengnagel 2)   en Juffr. Katarina Verwers Dusart dramatiseerden elk in een Spaensche heydin de beroemde novelle van Cervantes, La Gitanilla, die door Cats' Trou-ringh (1637) reeds zeer bekend was geworden 3)  . Joris de Wijse ontleende De vryaadie van Lactance en Nicole (1646) aan de Tragedische Historien (IV, 9) en Pieter van Zeeryp de Arfleura en Brusanges (1646) aan de Amadis (dl. XII). De poging van M.F. Besteben, om in zijn Vlissinghen Geus (1646) eene dragelijke voorstelling te geven van eene belangrijke historische gebeurtenis, is

 1)  Nl. aan Een nieuwe Historie van Fortunatus Borse ende van sijnen Wensch-hoet (vgl. Oud-Holland, 1884, blz. 148-157).
 2)  Zie over hem J.H.W. Unger in Oud-Holland, 1883, blz. 195, vlgg.
 3)  Hoewel het drama van Tengnagel in 1643 en dat van Juffr. Dusart in 1644 uitkwam, blijkt uit de opdracht van Tengnagel's werk, dat de juffrouw hem voor was geweest. Tengnagel's Spaensche heydin is herdrukt in 1657, 1671, 1718 en 1753.


[p. 386]

mislukt; ook de twee koorzangen kunnen het stuk niet redden. De Kornelia Bentivogli (1650) van Jan Soet is ontleend aan de Tragedische Historien (VIII, 1); in het 2de bedrijf treedt een rei van engelen op.

Eene zeer romantische geschiedenis werd door J. Bara gedramatiseerd in de Herstelde Vorst, ofte geluckigh ongeluck (1650) 1)  . Rasimo, vorst van Sterta, wordt verdreven door den vijand, die zijne hoofdstad inneemt. Zijn vader wordt gedood en zijne beide broeders komen op de vlucht om, maar zijne zuster Metelle redt hij. En nu wordt hij met Lodewijck, den bastaard van Forminius, koning van Engeland en zijn opperheer, beschuldigd van verraad en wordt zijne zuster door de troepen des konings gevangen genomen. Al die ellende en de verschijning van den geest zijns vaders brengen hem tot razernij. Lodewijck wordt gevangen genomen en na allerlei mishandelingen gedood, maar zijn geest vervolgt koning Forminius. Rasimo bevrijdt door list Metelle uit de gevangenis, verkleedt zich met Castreo, 's konings zoon, als boer, gaat naar het hof en beschuldigt bij den koning Ferrugo, den man, die hen allen belasterd heeft. Dan strijdt hij tegen dezen, maar wordt gevangen genomen. Doch Lodewijck's geest vervolgt Forminius zoolang, totdat hij zich doodt; Rasimo doodt Ferrugo, en Castreo, nu koning geworden, huwt Metelle. - De bron van het drama, dat wegens het weifelend karakter van den hoofdpersoon eenige punten van overeenkomst heeft met Shakespeare's Hamlet 2)  , is niet bekend. Bara's Galteno en Alimene, of verdoemde Ontrouw (1656) 3)  , waarin, behalve een geest, Alecto, ‘Megeer’, ‘Bedroch’, Twist, Vloek en de tooveres Lokirne optreden, verdient alleen vermelding wegens de voorrede, waarin hij het optreden van geesten en Furiën verdedigt en opkomt tegen het Fransch-classieke treurspel, terwijl ‘wy aan het Toonneel der Fransche niet en zyn gebonden’.

In A.L. Kok's Radt van Avontuuren (1653) wordt prins Theodoor, die den vader van Maghadan, keizer van Perzië, heeft gedood, door den zoon gevangen genomen, maar bevrijd door 's keizers dochter. Later redt hij het leven van Maghadan en huwt de dochter. Waarschijnlijk gebruikte Kok als bron een Franschen roman.

Cats dramatiseerde in de Konincklijcke herderin Aspasia 4)   eene novelle uit zijn eigen Trou-ringh (1637), die hij voor een deel ontleend had aan de Varia Historia van Aelianus 5)   - in zijn drama laschte hij heele

 1)  Herdrukt in 1747.
 2)  Vgl. A.C. Loffelt, Uren met Shakespeare, Leiden, 1889, blz. 120, vlgg.
 3)  Herdrukt is 1747 en z.j.
 4)  Voor het eerst gespeeld in 1656 (vgl. Wybrands, Het Amsterdamsche tooneel, blz. 261).
 5)  Vgl. Noord en Zuid, XX, 1897, blz. 44 -48.


[p. 387]

stukken uit de novelle in - en J. Havius, de zoon van Cats' huishoudster, bewerkte in Zariadres en Odatis, ofte geluckige Droom-liefde (1658) eene andere novelle uit denzelfden bundel voor het tooneel, eene novelle, die Cats eveneens aan een Griekschen schrijver ontleend had, nl. aan Athenaeus, Deipnosophistae, XIII 1)  . Baron's Konstanter en Elizea, anders: de geluckige Verandering (1656) is wel erg weinig ingewikkeld. Konstanter, ‘een Embderlants verdreve Edelman’, die in een pothuis woont onder het huis van Elizea, hoort haar met één van hare beide minnaars afspreken, dat zij hem 's avonds in hare kamer zal laten; hij neemt de plaats in van den minnaar en trouwt later Elizea. Deze verwikkeling en eenige erg platte tooneeltjes worden afgewisseld door de vrijerij van drie paren herders en herderinnen. Nog onbeduidender is het werk van W. van Heugelenburgh, die zijn Fleremont en Arbacis (1658) 2)   in Perzië laat spelen - er zijn twee zelfmoorden in en de verrader ‘Chambysus’ verdwijnt onder den grond - en in Adriaan en Alida, ofte de herstelde min (1689) zijn voorvader Adriaan laat optreden, die in den jare 50 na Christus, na onder de Romeinen gediend te hebben, naar Leiderdorp, blijkbaar den ‘Stammsitz’ der Van Heugelenburghen, terugkeert, zijne bruid weerziet, maar verliefd wordt op de bruid van zijn krijgsmakker, welke ontrouw eerst droevige gevolgen heeft, die echter door middel van een penning met het wapen der Van Heugelenburghen gelukkig nog ten goede worden gekeerd.

In Palmire en Claudianes ware liefde, of Val van Galerio (1661) is eene zeer romantische geschiedenis behandeld, door den dichter Jacobus Crabbe d'Jong ontleend aan J.H. Glasemaker's Tooneel der Wereldtsche Veranderingen. J. Claerbout gaf in 't Belegh en Over-gaen van Middelburgh (1661) daarentegen een historisch drama met vele personen en vele vertooningen; Christoffel en Rokus, in de personenlijst aangeduid als ‘Burgers ofte Rey van Maeghden’, vertegenwoordigen het lyrisch element. De Verliefde Jager (1662) van Mr. Otto de Vooght verdient alleen vermelding, omdat de aansporing tot de jacht uit Seneca's Hippolytus er in vertaald, maar hier in den mond gelegd is van verschillende personen 3)  . W. de Geest's Aldegonde en Barsime, of dubbele ontschakingh (1663) is een drama vol verkleedingen en ontvluchtingen; eenige namen doen vermoeden, dat het naar een Franschen roman is bewerkt 4)  . De

 1)  T.a.p., blz. 43, 44.
 2)  Herdrukt in 1679.
 3)  Vgl. De invloed van Seneca's treurspelen, blz. 259-261.
 4)  J. de Brune vertelt de geschiedenis, die aan het drama ten grondslag ligt, in zijn Wetsteen der Vernuften (vgl. Alle volgeestige werken, 1665, blz. 226-231). Misschien is het drama dus aan dat boek ontleend, dat in 1643 het licht zag.


[p. 388]

twee deelen van J. Blasius' Lysander en Kaliste (1663) 1)   zijn bewerkt naar den roman L'Histoire de Lysandre et de Caliste van Daudiguier, die door J. Heerman in het Nederlandsch vertaald is 2)  . Er is meer handeling in Laroos, of gestrafte tyran (1664) van een onbekenden schrijver; het drama speelt in ‘Rochel’, waar de gouverneur verschrikkelijk huishoudt en dat belegerd wordt door's konings ‘Legervooght’ Leander, die zijne bruid Lidiana wil bevrijden. De geest van Leander's vader, ‘van onderen opgeresen’, verschijnt in het 3de bedrijf. De Ariodant en Polines, of verloste onnoselheyt (1664) van A.V.B. heeft een verhaal uit de Orlando Furioso (Canto V) tot onderwerp en is waarschijnlijk ontleend aan Der ionghe Dochters Tijt-cortinghe (1) 3)  . Een moord en eene poging tot moord, een zelfmoord en eene poging er toe, verkleedingen, een balkonscène, een duel en een heremiet komen voor in het drukke stuk. P. van Rossum's Selim ofte gelvckigh ongelvck (1664) is zeker aan een Franschen roman ontleend; Clidamante, Alcidon, Cloridan en Celinde behooren tot de personen van het stuk. De schrijver beroemt er zich op, dat hij de eerste Boschenaar is, die een drama laat drukken; hij heeft het ‘op Zee ghemaeckt: alsoo men daer anders weynigh tydt verdrijff heeft, als 't gheen datmen inde boecken vint’, en later zijn ‘Zee-ghedroght’ ‘wat vande Zeesche hardigheydt gesuyvert’. Het drama begint dan ook met een voorspel, waarin ‘Neptuyn verschijnt in de baren’ en een monoloog uitspreekt, en de personen hebben allerlei zee-avonturen.

De Alcinea, of stantvastige Kuysheydt (1671) van Mr. H.D. de Graaf, die eenige tooneelstukken uit het Spaansch en het Fransch vertaald heeft, is eene variatie op een overoud thema. Terwijl koning Korismont tegen de Turken strijdt, wil zijn broeder Clarimeen zijne vrouw Alcinea verleiden. Als hij niet slaagt, beschuldigt hij haar van ontrouw en Korismont gelast een dienaar, Alcinea in het bosch te dooden. Maar deze laat zich overhalen haar te sparen en toont den koning het hart van een wild zwijn in plaats van dat zijner echtgenoote. Als Clarimeen het hart ziet, is hij wanhopig en bekent den koning zijne schuld. Tot zoover is alles naar oude sagen gevolgd. Maar nu wil Korismont een zoenoffer brengen op het graf van Alcinea en deze, die zich, als herderin gekleed, schuil houdt, hoort van dat plan door prinses Polimia. Zij treedt nu op als standbeeld, houdt de hand van Korismont vast, spreekt hem toe en

 1)  Er is ook eene uitgave z.j.
 2)  Vgl. over drama en roman, J. te Winkel, Bladzijden, blz. 29-46.
 3)  Dat is waarschijnlijker dan dat het drama eene vertaling zou zijn van Genevre (1610), een treurspel van Billard de Courgenay.


[p. 389]

maakt het geval blij-eindend. Het laatste gedeelte van de Alcinea heeft dus overeenkomst met Shakespeare's Winter's tale 1)  .

In Grooten Robbert (1672) 2)   van P. Rixtel heeft de hoofdpersoon, een vorst der Saxen, den koning van Northumberlandt en zijne dochters gevangen genomen en liefde opgevat voor ééne der prinsessen, Leonora. Zijn veldheer Rudolf, die Leonora geweld wil aandoen, wordt gevangen genomen, maar een broeder en eenige priesters redden hem door verraad te plegen. Want juist als de oude koning, op bevel der priesters, geofferd zal worden en tevens Rudolf zal worden gedood, verrast de koning der Schotten het leger en wordt Leonora door dezen, haren bruidegom, gered. Er is meer handeling in het drama dan in J. vander Heiden's Cleander en Amaril ofte gestadige Liefde (1681), dat bijna geheel bestaat uit dialogen tusschen de beide hoofdpersonen, terwijl Afgunst, ‘Tweedragt’, Schijnheiligheid en Bedrog daarbij een weinig afwisseling pogen aan te brengen. De Cleomedes en Sophonisba (1699) van het kunstgenootschap ‘Door Yver bloeid de Konst’ is ontleend aan de Histoire Africaine de Cleomede et de Sophonisbe (1627) van François de Soucy; de heldin is de dochter der uit Livius bekende Sophonisbe.

 1)  Hierop werd gewezen door Dr. J. Bolte in Jahrbuch der deutschen Shakespeare Gesellschaft, XXVI, 1891, blz. 87-91.
 2)  Herdrukt in 1742.

Invloed van het Spaansche drama.

De pogingen van Rodenburg, om het Spaansche drama hier te lande bekend te maken, zijn niet geslaagd; eerst tegen het midden der 17de eeuw begint het hier door te dringen en invloed te oefenen.

Evenals in de meeste andere landen, is ook in Spanje het wereldlijk tooneel ontstaan uit het kerkelijke. Toen in het laatst der 15de eeuw de grondslagen gelegd waren voor Spanje's wereldmacht, kwamen kunsten en wetenschappen tot grooten bloei. De Italiaansche letterkunde, die haar hoogtepunt bereikte, werkte in op de Spaansche poëzie; de dichters versmaadden het niet langer te gelijk voor het volk en voor het geletterde publiek te schrijven en het wereldlijk drama ontstond 3)  . Juan del Encina (1469-1534) kan beschouwd worden als de eerste Spaansche

 3)  Vgl. over het Spaansche drama: A.F. von Schack, Geschichte der dramatischen Literatur und Kunst in Spanien, Berlin, 1845, J.L. Klein, Geschichte des Drama's, dl. VIII-XII, en A. Schaeffer, Geschichte des Spanischen Nationaldramas, Leipzig, 1890.


[p. 390]

tooneeldichter. Zijne Egloga's (herdersdichten) waren in den beginne godsdienstige dialogen, geschikt om bij kerkelijke feesten te worden voorgedragen; spoedig traden er meer personen op in zijne stukjes, die niet langer uitsluitend van religieuzen aard waren, er werd gedanst, er hadden verkleedingen plaats en de ‘Egloga’ kreeg zelfs nu en dan een comische tint. Ongeveer gelijktijdig met Encina's werkjes maakte de Celestina, tragicomedia de Calisto y Melibea (1500) grooten opgang; het werk staat tusschen den roman en het drama in, is in 21 bedrijven verdeeld en was niet voor opvoering bestemd. De verwikkeling is eenvoudig genoeg. Calisto, een jonge edelman, kan de liefde van de schoone Melibea niet verwerven en wendt zich tot de koppelaarster Celestina, die het meisje door tooverdranken en listen tot andere gedachten brengt. Terwijl de gelieven bijeen zijn, krijgen de bedienden van Calisto twist in het huis van Celestina, dooden haar en worden gevangen genomen en veroordeeld. De familieleden van Celestina willen zich wreken op Calisto; zij overvallen de gelieven en dooden den jongen man; Melibea bestijgt een toren, deelt haren misstap aan hare ouders mee en werpt zich naar beneden. Het werk is zeer beroemd geworden en in vele talen - ook in het Nederlandsch (1550) - overgebracht.

Torres Naharro, een jonger tijdgenoot van Encina, deelde zijne drama's af in 5 bedrijven, die hij ‘Jornadas’ (dagreizen) noemde. ‘Jornada’ is de naam voor acte gebleven, maar de latere dichters verdeelden hunne drama's niet in 5, maar in 3 ‘Jornadas’. Naharro's Comedia Imenea met de nachtelijke serenades en balkontooneeltjes, de bange bedienden, de buitengewone zorg van een broeder voor de eer zijner zuster, zijne plannen tot wraak en zijne overrompeling van de gelieven, werd het voorbeeld voor een bepaald soort van tooneelstuk, de ‘Comedia de capa y espada’ (mantel en degenstuk).

De pogingen in dezen tijd aangewend, om door vertalingen van Grieksche en Latijnsche treurspelen het drama te hervormen, zijn in Spanje evenzeer mislukt als in Engeland; juist daardoor heeft de dramatische poëzie zich in die beide landen ongestoord kunnen ontwikkelen en heeft zij eene hoogte bereikt als bij geen ander volk in de nieuweren tijd. De Spaansche dichters streefden steeds voort op den weg, die tot een nationaal drama leidde. Lope de Rueda voerde bepaalde figuren in en maakte zich beroemd door zijne herdersspelen; Luis de Miranda gaf in de Comedia Prodiga eene nationale kleur aan de geschiedenis van den verloren zoon; reizende tooneelspelers zwierven het geheele land door, zoodat Agustin de Rojas Villandrado in 1602 zijne Onderhoudende reis kon schrijven, die het voorbeeld is geweest van Scarron's Roman comique (1657). Valencia en Sevilla bezaten reeds in de eerste helft der

[p. 391]

16de eeuw schouwburgen; Madrid had er drie in 1568. Die tempels der toneelspeelkunst waren echter niet weelderig ingericht; het waren overdekte plaatsen (corrales) achter een houtpakhuis; aan de ééne zijde was het tooneel, aan den anderen kant stonden of zaten de toeschouwers. Duurdere plaatsen waren achter de ramen der omliggende huizen, die dikwijls het eigendom waren der vereeniging, welke den schouwburg exploiteerde en een goed deel van de opbrengst der voorstellingen voor de eene of andere philanthropische inrichting afzonderde. De voorstellingen hadden twee malen in de week plaats en vingen 's middags om twee uur aan. Theorieën van het drama zagen het licht, o.a. van Juan de la Cueva, Cristoval de Virues en Alonso Lopez Pinciano, en de kerk verzette zich niet tegen het tooneel, dat meer en meer geliefd werd bij het volk. Wel had zij de geestesvrijheid aan banden gelegd, maar dat kwam in zekeren zin aan de kunst ten goede, daar de beperking van studiegebied de mannen van talent tot de letterkunde dreef en vooral tot de dramatische poëzie. En de dichters vonden stof genoeg voor hunne drama's. Niet alleen de classieke mythologie en de middeleeuwsche sagen, voortgezet in ontelbare ridderromans, hadden zij tot hunne beschikking, maar vooral de tallooze heldenfeiten en avonturen uit den eeuwen langen strijd tegen de Mooren. Toen Spanje op het einde der 16de en in het begin der 17de eeuw op het toppunt stond van zijne macht, bloeide de dichtkunst in al hare vertakkingen, maar de dramatische poëzie stond bovenaan.

Het is hier de plaats niet om te wijzen op de eigenaardigheden der verschillende genre's van het Spaansche drama, de ‘Comedia de capa y espada’ (of ‘Comedia de ingenio’), de ‘Comedia de ruido’ (‘de teatro’ of ‘de cuerpo’), de ‘Burlesca’, de ‘Fiesta’, de vele soorten van ‘Auto's’, de ‘Loa's’ en ‘Entremeses’. Alleen drama's van de beide eerste genre's zijn in het Nederlandsch overgenomen; een enkel woord over deze twee is dus voldoende.

De ‘Comedia de capa y espada’ (mantel- en degenstuk) ontleent haar naam aan de kleeding der personen, die er in optreden, nl. edellieden. Het drama geeft de daden en lotgevallen van gewone menschen te zien en het decoratief is zeer eenvoudig. De ‘Comedia de ruido’ daarentegen is een historisch drama, waarin vorsten en grooten optreden, of kerkelijke geschiedenis, wonderverschijningen, daden van heiligen en middeleeuwsche sagen ten tooneele worden gebracht; natuurlijk wordt hier meer gevorderd van decorateur en costumier. De ‘Comedia de capa y espada’ is altijd een intrige-stuk, de ‘Comedia de ruido’ dikwijls. En die intrige is meestal ingewikkelder dan van drama's in eenige andere taal geschreven. Zoovele liefdesavonturen, ontrouwe minnaars en

[p. 392]

minnaressen, toornige echtgenooten, vaders en broeders, met den degen gewapend, om den smaad, vrouw, dochter en zuster aangedaan of door haar toedoen geleden, bloedig te wreken en daardoor te voldoen aan de kitteloorige Spaansche eer, zoovele verkleedingen