Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Deel 2


auteur: J.A. Worp


bron: J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. Deel 2. Wolters, Groningen 1907. Fotomechanische herdruk Fa. Langerveld, Rotterdam (ca. 1972)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 90]

XI. Bestrijding van het tooneel.

Er is gedurende de 17de eeuw door de geestelijkheid voortdurend strijd gevoerd tegen het tooneel. Het drama, dat in de Middeleeuwen in de kerk zelf ontstaan was, had de bescherming genoten der katholieke geestelijkheid, ook toen het van geestelijk in wereldlijk drama was overgegaan. Maar toen het de drager werd van revolutionaire denkbeelden, toen het de leerstellingen der kerk ging bestrijden, vond het een krachtigen tegenstander in de kerk, die de wereldlijke macht te hulp riep, om de rederijkers door zeer onzachte middelen aan banden te leggen. Die middelen hebben natuurlijk niet aan hun doel beantwoord. Het is een troost voor hen, die een tijdperk van reactie, van geweld, onrecht, baasspelerij en geknoei moeten doorleven, dat dwangmaatregelen nooit van langen duur zijn en alleen het tempo versnellen, waarin betere dagen naderen.

Toen in het laatste gedeelte der 16de eeuw het protestantisme in de Noordelijke Nederlanden had gezegevierd, begonnen de predikanten den strijd tegen het tooneel en de rederijkers, terwijl zij vergaten, welke groote diensten deze kampvechters der hervorming hun bewezen hadden. Zoodra de kerk zich eenigszins machtig voelde, werd de strijd aangebonden en, evenals vroeger, dikwijls de hulp der wereldlijke macht ingeroepen. Gelukkig werden er zachtere middelen toegepast, werden door tusschenkomst der regeering voorstellingen verboden, kamers gesloten, enz. en de arme rederijkers niet meer verbrand of gehangen.

De strijd van de kerk tegen het tooneel heeft over de geheele linie gewoed en is in de 17de eeuw niet beslecht. En bijna in alle Zeven Provinciën ziet men steeds weer hetzelfde; het is een voortdurend vallen en opstaan van de beide partijen. Heeft de kerk de overwinning behaald, na eenige jaren steken de rederijkers, in later tijd andere liefhebbers en tooneelspelers, het hoofd weer op en weten den magistraat voor eene poos op hunne zijde te krijgen. Dan geeft de magistraat weer toe aan de eindelooze vertoogen van predikanten en kerkeraad, verbiedt de voorstellingen en weert de tooneelspelers.

De predikanten preekten en schreven tegen het tooneel. In 1639

[p. 91]

zag te Leiden eene vertaling het licht van William Prynne's bekend werkje Histrio-mastix or Player's Scourge (1633) met den titel Schouwspels-Treurspel, dienende tot een klaer bewijs van de onwettelijkheden der hedendaagsche Comedien. De beroemde Gisbertus Voetius verfoeide alle tooneelspel en viel in zijne Politica ecclesiastica (1663) met name Vondel's Palamedes, zijn Lucifer en het Kallefs-Val aan1). De niet minder beroemde Coccejus oordeelde aldus2): ‘'T geen eertijds door ongebondenheid langs wijken en straten geschiedde, dat maakt de komediant tot een ambacht en beroep, om 't zelve openbaarlijk te doen om profijt en winste. Te weten, om goed en kwaad, waar en valsch, 't heilige en goddelijke, 't schandelijke, eerloose, schelmachtige, 't droevige, 't belachelijke, 't kluchtige te vertoonen en voor oogen te stellen, elk met zijn gepaste stem, onder bewoordingen aan elk van die soorten van zaken meest eigen zijnde en met zijn natuurlijkste gebaren. Om dus 't heilige te ontheiligen, 't schandelijke te leeraren, en niet toe te laten, dat het blijve onbekend, ongewoon en onbeproefd, maar dat eene manier van zondigen, als naar kunst en regels, den aanschouwers gewezen en voorgedaan worde; schanddaden in iets lachwekkends te veranderen, onbeschoftheden, vuile taal en aardigheden te zeggen, zich belachelijk aan te stellen en voor gek te spelen, met de onbeschaamdheid te pronken, jonge lieden en jonge meisjes de eerste indrukken van slechte zeden te geven, het gemoed te overladen met ijdele gedachten en het daardoor af te leiden van het overdenken van het Goddelijk Woord; want zonder dat alles zou de komedie heel koud zijn’. Dergelijke redeneeringen vindt men ook in Christelyck en bescheyden oordeel, over dansseryen, en schou-spelen (1680) van Casparus Streso en in d'Overtuyghde Dina of Korte en nodige waerschouwingh tegen 't besien vande hedens-daegsche Schouw-spelen.... van Antonius Sleidanus. Men ziet op het tooneel allerlei slechte dingen, de spelers doen zich anders voor dan zij werkelijk zijn, mannen spelen voor vrouwen en omgekeerd, de vrouwen behooren zich stil te houden in het publiek, enz.

Ook door catechisatie-boekjes werd de jeugd afkeer ingeboezemd tegen het tooneel. ‘Soude men de comedien wel moghen spelen ende kycken’, luidt eene vraag in C. van Pouderoyen's Catechisatie, dat is Een grondige ende eenvoudige Onderwijsinge in de leere des Christelicken Catechismi3). En het antwoord is ontkennend, ‘omdat de comedien

[p. 92]

de menschen verlocken ende aanleyden tot onkuysche of tot ydele daden, woorden, gebeerden, gedachten,’ enz. En iets verder wordt de vraag gedaan: ‘Souden de comedien niet geoorloft syn als men deselve uyt Godts woort speelde’? Weer volgt eene ontkenning, ‘omdat de Heere de verborgentheden der saligheyt niet met spelen wil voorgestelt hebben, maer wil syn woort met ernst geleert ende gepredickt hebben, en dat door syne Herders ende Leeraars, die hy daerom syne Gemeynte toezendet. Omdat oock niemant daer behoort te vertoonen den Heere Christus, ofte eenige andere Goddelicken persoonen, of de Engelen, Propheten, Apostelen of de Duyvelen, oock de godtloosen, als Cain, Pharao, Potiphars wyf, Izabel, Achab, Rabzake (?), Haman, Herodes, Herodias, Cajaphas enz., om hun woorden met een ick te spreken’1).

Zooals uit deze, en vele andere, woorden blijkt, bestreden dus de predikanten het tooneel, omdat het onzedelijk was in de meest uitgebreide beteekenis van het woord. Immers men zag er alle menschelijke zonden, en aanzien doet gedenken. Dat bijbelsche spelen zoozeer door hen werden afgekeurd, kwam zeker, omdat ze beschouwd werden als een overblijfsel uit den tijd van het katholicisme. Nog altijd stonden toch in de katholieke Zuidelijke Nederlanden de bijbelsche spelen bovenaan op het repertoire. Misschien was er nog eene andere reden, die vele predikanten in het harnas joeg tegen het tooneel. Wanneer Ds. Bontius in zijn Vriendenraet voor de gemeynte van de Ryp (1655) uitroept: ‘Is er een speelcomedie of guychelspel te sien, duysenden loopen daer heen, maer weynige om Christus te sien en te hooren. Bedorven tijden!’2) dan geeft dat gezegde te denken. Want de rederijkers speelden dikwijls op Zondag en talloos zijn reeds in het laatst der 16de eeuw de klachten van verschillende synodes over de ‘battementspelen’, die ‘onder de predicacien’ plaats hadden3). En diezelfde klachten werden ook in later tijd geuit4).

De synode, die in November 1592 te Leiden werd gehouden, ontbood ‘vier broederen van de principale van der camere’ en vermaande hen ernstig5). Maar meestal werd de wereldlijke macht verzocht, zich met de zaak te bemoeien. In 1596 besloot de synode van Kampen er bij de Ridderschap en de Steden op aan te dringen, ‘dat die lombardien,

[p. 93]

battementspelen, rhetorijkers, keuckelaers, waerseggers, teekenduders, duvelbanners etc. wat des ongesuyvers meer is, afgeschaft ende wt den lande moghen verdreven worden’1). In Juni 1598 besluit de synode van Arnhem, dat men zal verzoeken te verbieden ‘alle gildebieren, schuttebieren, gansentrecken, vastelavondtbieren, dansserien, heijdensche commedien te spelen, mitsgaeders alle andere abusen’2). De synode van Zeeland, in November 1602 te Tholen vergaderd, besloot, dat ‘de heeren Staten sullen versocht worden, dat het hare E. gelieve de rethoryckspelen, zelfs oock de latynsche ende fransche ende andere, die in de scholen ofte elders gebruyckt worden, by placate af te schaffen’3).

De overheid verbood telkens het spelen aan de rederijkers. In de ‘Ordonnantie van sijne Princelicke Excellentie, op 't stuck van de Policie binnen Zeelandt’ van 8 Februari 1583 leest men o.a.4): ‘Alsoo men bevindt, dat door de openbare Rhetorijcke ende dierghelijcke Spelen ende Batementen in desen tijdt vele worden geergert ende geschandaliseerd, als schynende die te kommen uyt weelde, Ende dat oock dickwils daer by ongoddelijcke ende oock onnutte propoosten ende redenen der Gemeynte worden voor ghedragen, streckende tot onstichtinge, lichtveerdigheyt, ende ongheregeltheydt, Soo ist, dat Wij.... de selve publijcke Spelen ende Batementen by desen wel expresselijck verbieden ende interdiceren al omme binnen dese Provintie, tot dat anders daer inne gheordonneert zy’. Een nieuw plakkaat is van 9 Augustus 1587, een derde van 31 Juli 16195). Maar zij veranderden even weinig aan de zaak als de maatregelen van het Hof van Holland, dat in 1606 de rederijkers ten platten lande verbood, voorstellingen te geven, en in 1661 ongeveer op dezelfde wijze optrad6).

De stedelijke magistraat was meestal niet gelukkiger. Hij was bovendien dikwijls in een moeilijk parket. De predikanten en een deel van de gemeente eischten, dat het komediespelen zou worden verboden, maar hun autocratisch optreden joeg de overheid, die zich de teugels van het bewind niet uit de handen wilde laten rukken, meermalen tegen hen in het harnas. Aan den anderen kant steunden de rederijkers de weldadige instellingen hunner geboorteplaats. Zoo werd dan de strijd met afwisselend geluk gevoerd en ziet men bijna overal hetzelfde gebeuren.

[p. 94]

De bekende Dordtsche rederijkerskamer ‘De Fonteyn’, die sedert jaren bestaan had, verloor in 1583 allen steun van den magistraat, daar de kerkeraad er op had aangedrongen, dat er niet langer geschenken zouden worden gegeven aan deze ‘turbateurs der ruste, gevaerlyk voor de ware religie’. In 1598 voerde zij echter een ‘Esbattement-spel’ op; kort daarna werd haar de ‘openlyke excercitie’ verboden, maar in 1603 trad zij al weer op met ‘refereynen en liedekens’. De kerkeraad wendde zich weer tot den magistraat, die verbood openbare voorstellingen te geven, maar nu nam de kamer toe in ledental en aanzien en trad in 1616 op bij het feest te Vlaardingen. In 1627 gaf zij te Dordrecht voorstellingen in het openbaar; de kerkeraad, oordeelende, ‘dat dickwils groote abusen daer uyt konnen ontstaen, tot nadeel van de Christelycke kercke en oock de ruste der policie’, wendde zich tot den magistraat, die zich van de zaak afmaakte. Want in 1633 klaagde de kerkeraad, ‘dat de Rhetorykers niet alleen des zondags, na de predicatie, maer in de weeck, onder de predicatie, openbaerlyc speelden, waerdoor sommige luyden uit de kercke getrocken werden’; in 1635 volgden dergelijke klachten, ook over het spelen der jongens van de Latijnsche school. Maar nu waagde de kamer het zelfs, ‘op den dag des Heeren, onder de predicatie hare const te vertoonen’, en de kerkeraad eischte, dat de magistraat het spelen zou verbieden. Dat geschiedde, doch in 1640 traden de rederijkers op nieuw op; de kerkeraad verzocht het volgende jaar, ‘dat de camer der comoedianten mogte afgeschaft worden’; de burgemeesters antwoordden echter, ‘dat er een reglement was gezet op haar spelen, dat alles met goede order geschieden mogt’. Eindelijk gelukte het den kerkeraad in 1652 de stedelijke regeering te doen besluiten, ‘dat voortaen geen spelen sullen worden gespeelt, hoedanich die oock soude mogen werden genaemt, en die van de camere van rhetorica en andere sulcx sal werden aengezegt, en oock dat haerluyden alle hope wort benomen van dat t'eenigen tyde anders sal werden geresolveert’. Kort daarna schijnt de kamer te zijn ontbonden.

De kerkeraad had dus ten slotte de overwinning behaald. Maar in het midden der 17de eeuw verdwenen de kamers van rhetorica in de meeste steden, niet door de bemoeiingen der geestelijkheid, maar door de concurrentie der tooneelspelers van beroep. De rust was dus van korten duur. In 1635 waren er komedianten op de kermis te Dordrecht; de kerkeraad zorgde, dat zij vooreerst niet terugkwamen. Maar in 1642 gaven tooneelspelers voorstellingen te Papendrecht en de vermaningen van kerkeraad en predikanten konden de Dordtenaars niet weerhouden, er in groot aantal heen te gaan. Classis en burgemeesters werden

[p. 95]

ernstig gewaarschuwd. In 1656 kwamen er Engelsche komedianten, die echter spoedig moesten vertrekken. Maar in 1662 en 1663 werden tooneelspelers op de kermis toegelaten en de kerkeraad ‘zag met droefheid hunne spelen aan, waardoor in deze bedroefde tijden veel vrome en deugdlievende burgers ten hoogste geergerd werden, als zijnde scholen van alle ijdelheid’. De kerkeraad beriep zich ook op de plakkaten en nu werden gedurende eenige jaren de tooneelspelers geweerd. In 1679 en 1693 traden zij echter te Zwijndrecht op en lokten het Dordtsche publiek daarheen1)

Zoo ging het overal. Nog een enkel voorbeeld uit eene stad, die niet midden in het land gelegen is en geene rederijkerskamers bezat. Groningen was in de laatste jaren der 16de en de eerste der 17de eeuw een paar keeren door Engelsche komedianten bezocht. Studenten speelden er wel eens eene enkele maal komedie, maar overigens merkte men niets van de dramatische kunst, totdat in September 1646 Amsterdamsche komedianten verlof kregen, eenige voorstellingen te geven. In 1653 hoorde de kerkeraad, dat eenige liefhebbers komedie speelden met toestemming van den president-burgemeester. Naar dezen werden dus twee predikanten afgevaardigd en het bleek, dat hij had toegestaan, ‘dat weijnige personen, sonder jemants daerin t'laten, eenmael sonder meer, eenige oefeningen onder malcanderen hebben mochten’. De man, in wiens huis die vertooningen plaats hadden, werd duchtig onder handen genomen. In het najaar van 1655 werden er voorstellingen gegeven te Noorder-Hoogebrug; de kerkeraad zond afgevaardigden naar den president van den raad, maar er werd van dien kant niets gedaan, om de voorstellingen te verhinderen.

Erger was hetgeen in den zomer van 1659 plaats had. Bijna de geheele stadhouderlijke familie bevond zich te Groningen, Amalia van Solms met hare dochter Louise Henriette, Keurvorstin van Brandenburg, met eene andere dochter Albertine Agnes en haar echtgenoot, Willem Frederik, Stadhouder van Friesland, met eene derde dochter Henriette Katharina en haar bruidegom Johann Georg II, Vorst van Anhalt-Dessau, met Graaf Johan Maurits van Nassau, den Braziliaan, en met een groot gevolg. Het huwelijk van Henriette Katharina zou te Groningen worden voltrokken en er werden vele feesten gegeven. En nu werd het bekend, dat het vorstelijk gezelschap tooneelspelers uit den Haag had ontboden en dat de Stadhouder den raad verlof had gevraagd, om in het stadhouderlijk hof eene voorstelling te geven. De kerkeraad zond twee predikanten naar burgemeesteren en raad, om ‘met haer Ed. Mog.

[p. 96]

t'spreken ende uijt naem des geheelen kerckenraets t'versoecken met behoorlijcke eerbiedicheijt, dat dusdane ijdelheijt in dese seer bedroefde tijden mochte geweert ende verboden worden’. Zij kregen ten antwoord, dat B. en R. zelf niet waren voor tooneelspelen, dat zij ze in de stad wilden verbieden, maar den Stadhouder niet konden verhinderen in zijn eigen huis te doen, wat hij wilde. En nu stapte één der heeren maar naar Willem Frederik zelf toe, die zeker om zulk eene kleinigheid geene onaangenaamheden wilde hebben en de voorstelling niet liet doorgaan. De geschiedenis meldt niet, wat de vorstelijke familie van dit optreden van den kerkeraad gedacht en gezegd heeft.

In 1662 bemoeide de kerkeraad zich met voorstellingen van liefhebbers, in 1683 met die van tooneelspelers, welke te Zuidwolde optraden, omdat de magistraat hun geen verlof gegeven had in de stad te spelen. Maar nu kwamen B. en R. op tegen een manifest van den kerkeraad en er ontstond een geschil, dat ten gevolge had, dat de predikanten zich verder niet meer van den preekstoel tegen tooneelvoorstellingen verzetten1).

Het loont de moeite niet, den strijd tegen het tooneel in meer steden van ons land te schetsen2); hij is bijna overal op dezelfde wijze gevoerd en heeft de geheele eeuw door geduurd. Nu eens liet men de tooneelspelers op de kermissen toe, dan weer onthield men hun het verlof en sloegen zij hunne tenten op even buiten de gemeente. Kregen zij echter verlof, dan was daaraan niet alleen dikwijls de voorwaarde verbonden, dat zij een deel der opbrengst voor een liefdadig doel moesten afzonderen, maar ook, dat in hunne spelen niets aanstootelijks mocht zijn3). Op dezelfde wijze werden in de eerste helft der 17de eeuw de rederijkers wel eens genoodzaakt, vóór de opvoering hunne spelen aan leden der overheid te laten lezen4).

Nergens is de strijd tegen het tooneel zoo heftig geweest als te Amsterdam. In andere steden hadden de tegenstanders van komediespelen maar zelden gelegenheid zich te ergeren, in de groote koopstad was er alle dagen aanleiding voor. De strijd tusschen staat en kerk heeft in Amsterdam somtijds vrij groote afmetingen aangenomen, als de machtige burgemeesters zich niet lieten gezeggen door de predikanten,

[p. 97]

en deze vonden ook bij hunne aanvallen op het tooneel geene weerlooze tegenstanders in Coster en Vondel.

In het najaar van 1617 was de Academie geopend en reeds den 30sten November werd er in den kerkeraad geklaagd, ‘datter oock eenighe spelen van Commedien ghespeelt worden, die niet en connen profytelijck of stichtelijck sijn’, en werd er besloten, bij de burgemeesters aan te dringen, dat ‘dit alles behoorlijck door haer Es. Authoriteit soude mogen afgeschaft ende geweert worden’. Het is mogelijk, dat dit eene wraakoefening was wegens het opvoeren van de Iphigenia, het treurspel, waarin de predikanten zoo duchtig gehavend werden, maar wij weten het niet zeker. Het stadsbestuur schijnt toen geen gehoor gegeven te hebben aan de klachten van den kerkeraad, want deze besloot op 29 Maart 1618 op nieuw bij de burgemeesters aan te dringen op het sluiten der Academie, die toen verklaarden ‘misnoegen te hebben over soodaenighe ontuchtigheden ende dat sy daerop letten souden, dattet soude geweert worden’. Misschien heeft Coster toen eene waarschuwing ontvangen. Een jaar later klaagde de kerkeraad op nieuw over de ‘ongebondenheijt’ in de spelen der Academie en uit eenige versregels van het gelegenheidsstukje Duytsche Academie (1619) mag men opmaken, dat daarop de waarschuwing gevolgd is, om ‘niemandt met kleedt of gang of woorden te beschrijven.’ In 1620 trad Coster driester op. In zijn Niemant ghenoemt, niemant gheblameert (1620) laschte hij niet alleen eene vinnige tirade uit de Iphigenia in, maar hij liet ook Bedrogh, Loghen, Achterclap en Spijt eene poging doen, de Academie te overrompelen; zij worden echter verdreven door Tijdt en Waarheydt. Bovendien liet hij den 1sten November 1620 de Iphiginia weer opvoeren. De kerkeraad beklaagde zich over ‘het ergerlyck tragedie spelen van Dr. Coster, daermede hy de politie ende de kercke schandelijck doorstrijckt,’ en de burgemeesters ontboden den dokter, die beloofde, zich te zullen ‘reguleeren na 't believen van de H.H. Burgemeesteren.’ In 1624 vaardigde de magistraat een ‘Plakaet tegen de sabbathschenderij’ uit, o.a. wegens ‘de satyrische en schampere woorden, die onder de comedien en guychelspeelen somtyds ghemenght worden,’ en waardoor ‘de aanhoorders van deselve tot veragtinge van Gods woord en der dienaren, en zelfs ook van de regeringe deser lande gebracht worden’1). Intusschen kwam er verandering in de vroedschap ten gunste der Arminiaansche partij; daaraan had Vondel het te danken, dat hij er met eene geldboete is afgekomen wegens het schrijven van zijn Palamedes (1625). Vele predikanten, woedend

[p. 98]

over dien omkeer, zetten het grauw aan tot oproer en in April 1626 kwam het werkelijk tot erge handtastelijkheden tegen de Arminianen. Smout, Cloppenburgh, Lemaire en Trigland voeren van den kansel heftig uit tegen den magistraat, die de orde had hersteld, en Vondel, die naar aanleiding van de Palamedes door Cloppenburgh was aangevallen, schreef zijn Rommel-pot (1627) waarin de geheele kerkeraad jammerlijk gehavend werd, terwijl bovendien de Iphigenia nog eens werd opgevoerd (1626). En nu verloren de predikanten, die onder aanvoering van Smout naar het oppergezag in de stad streefden, steeds meer en meer terrein. Zij ruiden het volk op, zij richtten een verzoekschrift tot de Staten, zij ontsloegen de schutters van hun eed aan de overheid; ten slotte werden Cloppenburgh en Smout, de belhamels, in 1630 uit Amsterdam verbannen1). De dichters juichten. Vondel, die in de laatste jaren het ééne scherpe hekeldicht op het andere had laten volgen, schreef de bekende vraag, D'Amsterdamsche Academi aen alle poëten en dichters der Vereenighde Nederlanden, Liefhebbers van de goude vryheit.

 
‘Apoll, op Helicon geseten,
 
Vraeght al syn heylige Poëten:
 
Wat beste en slimste tongen syn?
 
Of waerheyt salich maeckt, of schijn?
 
Of dwang van vrome Christen-sielen
 
Niet streckt om Hollandt te vernielen?
 
Of vryheit niet en was de schat
 
Waerom men eerst in oorloogh tradt?
 
Of oock in wel bestierde steden
 
Een oproermaecker wort geleden?
 
Of huyse-plondren vesten sticht?
 
Of d'eedt geen burgery verplicht?
 
En of sich leeraers niet verloopen,
 
Wanneerse desen bandt ontknoopen?’2) enz.

Dit vers werd door den tooneelspeler Thomas de Keyser op de Academie voorgedragen3). Ook werd Coster's Iphigenia nogmaals opgevoerd, nu verrijkt met een allerhatelijkst tooneeltje.

[p. 99]

De strijd is dus eigenlijk op politiek terrein gevoerd, maar de dichters stonden ook hier tegenover de geestelijkheid en aan de zijde der overheid. Het schijnt, dat men het tooneel nu eenige jaren rust gegund heeft. Doch in 1637 deed de kerkeraad zijn best, de opvoering van de Gysbreght te verhinderen, daar het treurspel ‘t'eenemael daerop loopt om het pausdom smakelyck te maken’; de burgemeesters stoorden zich echter niet aan die klacht1). De Maeghden, de Gebroeders, Joseph in Dothan en Joseph in Egypte vonden geene tegenkanting, hoewel het eerstgenoemde treurspel eene bepaald katholieke kleur heeft en de drie andere bijbelstof behelzen en zeer dikwijls opgevoerd zijn. Ook de Peter en Pauwels bleef onaangevochten, maar de Maria Stuart, die evenmin vertoond is, moest het ontgelden; de dichter werd tot eene boete verwezen, op aanstoken van ‘zommigen’. Tegen de Lucifer trad de kerkeraad weer met kracht op en wist van de burgemeesters gedaan te krijgen, dat het spelen van het treurspel ‘van den val der enghelen, handelende op een vleesselijcke manier de Hooghe materie vande diepten godes,’ werd verboden. Toen twee predikanten de burgemeesters ‘ernstelycken’ verzochten, ‘dat Haere A.A. ghelieve, door haar Autoriteit, de gemelde tragedy te doen ophalen, en het verkoopen derselvige te doen verbieden,’ maakten deze eerst bezwaar, maar beloofden na een tweede onderhoud, dat ‘wt Respeckt voor den Kerckenraet de voorschreven tragedie door last van Burgemeesteren sal opgehaelt worden.’ Dat die maatregel niet alleen niet baatte, maar het publiek ‘des te begheriger’ maakte, ‘om 't zelve te koopen,’ zooals de burgemeesters vreesden, blijkt uit de zes uitgaven, die in hetzelfde jaar (1654) het licht zagen2).

 
‘Trompetter van de Zeeuwen,
 
Gy terght een nest vol spreeuwen,’

spotte Vondel tegen den predikant Petrus Wittewrongel, dien hij er van verdacht, de hand in dat zaakje gehad te hebben, en hij maakte hem en den geheelen kerkeraad belachelijk in de Uitvaert van Orfeus en in den Speelstryt van Apollo en Pan (1654). Daarmede niet tevreden, schreef hij in het ‘Berecht’ voor de Salmoneus (1656): ‘De ridder en drost Hooft, loflijcker gedachtenisse, verhaelde my, veele jaeren geleden, hoe een fluitenist in het dolhuis op zijn Duitsche fluit begon te blazen, waerop terstont elck kranckzinnigh hooft eenen byzonderen toon en grimmas zette, naer den onghelijcken temper en inbeeldinge der ontstelde herssenen. D'een begon te lachen, d'ander te schrejen,

[p. 100]

te zitten, te klauteren, te springen, te zingen, de handen te wringen, te kermen, te schermen. Men hoorde en zag den haenekraey, geblaet van schaepen, greepen van aepen, gebas van honden, gehuil van weerwolven, en het loejen van stieren. Men hoorde aexters, papegaejen, en kraejen, uilen, zeemeeuwen, en spreeuwen, en wiltzangk, een oubollige muzijck van dolle muzikanten, zonder maet, onder een gemengt, en zoo menigh dolhuis, zoo menigen weergalm. Toen nu mijn leerachtigh treurspel van Lucifer zoo veel spels maeckte, docht my het verhael van den Heere Drossaert hier niet qualijck op te sluiten, en dat ick mede onder diergelijck gezelschap vervallen was. Indien wy den tooneeltoon op bybelstof zetten; men schreeuwt dat Godts naem gelastert, het heilighdom des Heiligen Geests ontheilight wort. Speelen wy Heidensche fabelen, en kloecke verzieringen, men beschuldight ons van ydelheit en lichtvaerdigheit; brengt men zinnespeelen te voorschyn, om goede zeden te planten, dat waenen zommigen hun alleen aenbesteet te zijn.’

En dan herinnert hij aan het Latijnsche schooldrama, waarin gewoonlijk onderwerpen uit den bijbel werden behandeld, aan de drama's van Buchanan en Beza, van Heinsius, Grotius en Van den Honert. ‘Het oordeel en beleit van zoo veele grootachtbaere Heeren en hooghgeleerde mannen behoorde dan billijck deze onweetende menschen te overtuigen: want wat reden is wettigh genoegh om eerlijcke en staetnutte kunsten en oefeningen dus haetelijck en onbeschaemt door te strijcken.’ En ten slotte: ‘Hoewel het tooneelspel zulck eene ry van eeuwen in eere gehouden, gehanthaeft, en oock gehanteert van Keizeren, Koningen, Vorsten, Veldoversten, Staeten en letterwyzen, voor geen gewelt van eenen hoop dringeren en dommekrachten zwicht, nochtans past het den voorstanderen der tooneelen niet altijt stomme honden te zyn, maer hunne loflijcke kunst tegens dwersdryvers en tooneelvlegels te verdaedigen, op dat het stichtelijck gebruick des Schouburghs in aenzien en eere blyve.’

En Vondel voegde de daad bij het woord, want hij gaf in de volgende jaren vijf bijbelsche treurspelen uit1) en laschte in één van deze, de Samson (1660), eene verdediging in van het tooneel. In 1661 greep hij weer naar de pen, om in een prozastuk, Tooneelschilt of Pleitrede voor het tooneelrecht, zijn ouden vijand Wittewrongel te weerleggen, die in de Oeconomia Christiana of Christelycke Huyshoudinghe, waarvan juist de tweede druk was verschenen, hem heftig had aangevallen. Het Tooneelschilt werd vinnig en niet onverdienstelijk

[p. 101]

bestreden door een onbekende in de Tooneel-schilds-verplettering (1661)1) en ook aangevallen in Jacob Koemans Schouwspels Beschouwing, ofte ware afbeelding van de hedendaeghse Tooneelhandel (1662)2). Dit zonderlinge werk, dat den vorm heeft van een tooneelstuk en waarin ‘Lucifer, Belial, Beelzebub, Helsche list, en al 't gesnor der zwarte engelen’ in het begin optreden, terwijl het verder uit gesprekken tusschen Leander en Alcipus bestaat, is vol van zeer overdreven beschuldigingen tegen het tooneel. Slechts in één opzicht heeft de schrijver gelijk en hadden ook de predikanten in dien tijd reden, hunne stem te verheffen; de meeste kluchten waren inderdaad zeer onzedelijk en vies.

Vondel's Adam in Ballingschap (1664) is nog eens aangevallen3), hoewel het treurspel nooit vertoond is, maar de Noah (1667) bleef onaangevochten.

Intusschen was het de tegenstanders van het tooneel gelukt, den nieuwen Schouwburg, die den 26sten Mei 1665 geopend was, reeds den 23sten Juni te doen sluiten. Eerst den 6den Februari 1666 gaven de burgemeesters verlof, hem weer te openen, maar met de waarschuwing aan de regenten, ‘dat sich soude houden in alle modestie en te sorgen dat geen onnutte ofte onstigtige Commedien en klugten op den theater sullen werden gebracht’4). Terstond stapten twee leden van den kerkeraad naar de burgemeesters toe, brachten hun onder het oog, dat de tijden zoo droevig waren, dat zelfs de heidenen hunne schouwburgen zouden hebben gesloten, en stelden voor den Schouwburg in eene kerk te veranderen. De burgemeesters antwoordden, dat zij gewichtige redenen hadden, om het verlof tot de heropening van den Schouwburg te geven, en dat zij verboden, dien maatregel op den preekstoel te bestrijden. Toen Ds. Lupenius daarop zeide, dat ieder ‘een quaet gevoelen omtrent eenige saecke hebbende, sijn gemoet moeste voldoen, om het quaet, in de saecke sijnde, der Gemeente bekent te maecken, ende dat ten opsigte der Broederen, sij de wagters sijn, op den thoorn gestelt,’ antwoordden de burgemeesters, ‘dat sij waren diegenen, sonder dewelcke de wagters op den thoorn niet mogten komen, oock dat bij brandt ofte eenich ander ongemack hier ter Stede de thoornwagters niet als op ordre

[p. 102]

ende in maniere, door Haer Edelen den wagters voorgeschreven, brandt ofte ongeluck mogten blasen.’ En dat de predikanten ‘sich van brandt ofte eenigh ander ongeluck te blasen, sorghvuldighlijck souden hebben te onthouden’1).

Toen in 1668 Asselijn's Op- en ondergang van Mas Anjello, of Napelsche Beroerte vertoond werd, schijnen sommigen gemeend te hebben, dat de schrijver tot oproer wilde aansporen, omdat juist voor het eerst ‘het honderdpenning géld in Holland wierd gehéven’2), maar het blijkt niet, dat de magistraat zich met de zaak bemoeid heeft. Somtijds trad de stadsregeering met een verbod op, ook zonder dat zij door den kerkeraad daartoe was aangespoord. Zoo werd, waarschijnlijk in 1661, het opvoeren van De rampsalige min3) belet, toen er besloten was, dit stuk ‘tót nadeel van een groot geslacht te speelen’4). Zoo werd den 8sten Juni 1672 de Schouwburg gesloten, niet alleen wegens den oorlog, maar ook, omdat men de staatkunde te veel op het tooneel had gebracht5).

Toen de burgemeesters den 28sten Dec. 1677 toestemming gaven, den Schouwburg te heropenen, stelden zij zelve een bestuur aan, ‘alsoo (zij) van ter zijden sijn berigt alsof in de bestieringe van de Schouwburgh t'sedert lange jaren herwarts tot nu toe sodanige sorge niet was gedragen, als wel hadde behoord, waer door veele misbruyken en ongeregeltheden souden syn ingesloopen, die aan veelen oorsaek hebben gegeven om daer tegens te spreecken, en deselve te berispen en bestraffen.’ Zij willen de Godshuizen weder ‘de profijten van de Schouwburg’ doen toekomen, ‘mits dat dezelve van alle aanstotelijkheid soo tegens de eerbaerheid en de betamelijkheid der zeeden, alsmede van Godsdienst, of 't geen van dezelve is dependerende soodanig

[p. 103]

werde gesuijvert dat sij zoude sijn buijten alle opspraek, en sulcx voortaen een nut ende leersaem tijdverdrijf’1).

De meeste aanstootelijke kluchten waren sedert 1678 van het tooneel verdwenen, maar dat was waarschijnlijk meer een gevolg van de verandering van smaak van het schouwburgpubliek dan van de maatregelen van den magistraat. In 1682 ontstond er nog eens een groot kabaal naar aanleiding van Asselijn's Jan Klaaz, of Gewaande Dienstmaagt. Het regende pamfletten en het schijnt gelukt te zijn, de burgemeesters over te halen tot het verbod, het blijspel tot nader order niet te spelen2). Datzelfde lot trof zijn treurspel De dood van de Graaven Egmond en Hoorne (1685), maar om eene geheel andere reden. De Jan Klaaz was aangevallen, omdat het stuk onzedelijk heette, kwakers er belachelijk in werden gemaakt en men beweerde de personen te kunnen aanwijzen, die tot model hadden gediend. Maar in Asselijn's treurspel treden eenige Spanjaarden op, die zich natuurlijk scherp uitlaten tegen het protestantisme en den beeldenstorm. Dat ging te ver; men kon het niet langer rustig blijven aanzien, dat de hervormde godsdienst zoo hevig werd aangevallen! Dat al die woorden Alva en de zijnen in den mond werden gelegd, deed er minder toe. In een pamflet heette het, dat in het treurspel ‘'t Gewyde kerkkoor vuyl gesart’ was. De kerkeraad vergaderde onmiddellijk en besloot de burgemeesters te verzoeken, de opvoering van het drama, ‘waarin alderley bittere ende boose invectiven tegen de Reformatie ende de gereformeerde godsdienst’ voorkwamen, te verbieden. En aan dat verzoek is voldaan3).

Verstandiger was, wat de burgemeesters den 24sten Juli 1699 met betrekking tot den Schouwburg bepaalden, dat n.l. ‘zodanige Tragediën, Commediën, en Kluchten alleen vertoond werden, die niets aanstootelijks zo ten aanzien van politike, kerkelijke als andere persoonen, nogte ook in opzichte van Zeden in zich begrijpen’4).