Mijn uiteenzetting over het Weertlands dialekt heb ik opgesplitst in drie delen:
| - | het eerste deel is bedoeld om in de sfeer te komen; u zult er weinig nieuws in lezen. |
| - | in het tweede deel wil ik u laten zien waar u het Weertlands dialekt geografisch ongeveer moet plaatsen en in |
| - | het derde deel wil ik met Weertlandse voorbeelden laten zien dat klankontwikkelingen geen rommelige verschijnselen zijn maar dat er een duidelijk systeem in hoorbaar en zichtbaar wordt. |
Laat ik niet ingaan op de nagenoeg niet (zeker door mij niet en vooral niet tot iemands tevredenheid) te beantwoorden vraag wat dialekt is. Dat is de eerste vraag. Het is voor ons allen meer een weet dan een vraag. Ik ga ervan uit dat het Weertlands een dialekt is, liever: het Weertlands is een taal. Dus wordt de vraag dringend wat ik hier eigenlijk ga bespreken, als ik het wil hebben over iets waarvan ik bijna niet weet wat het is.
De redenering dreigt zo'n filosofische vormen aan te nemen dat ik de gestelde vraag maar liever ontwijk. Aangezien ik geloof in ‘alle goede dingen in drieën’, tover ik nog een vraag te voorschijn, die ik wel zal beantwoorden, deze of ik gelukkig ben met het onderwerp dat mij is toegedicht: het klankkarakter van het Weertlands te bespreken?
Ik wil in het plat antwoorden: ‘Gae motj mich neet in miêne kraom schiête veur det ich oetgewînkeltj bin.’ Of in dialekt: ‘Dao veul ich mich niks tegooj mej.’ Of: ‘Det vêl pestj mich hieël neet.’ Of, in regionale taal: ‘Louptj!’ Of: ‘Gaotj reipe!’
U ziet hoe direkt of soms ook bloemrijk die platte, regionale, Weertlandse dialekttaal is en hoe talloos de varianten zijn, die als mogelijk antwoord kunnen dienen. Daarmee ben ik moedwillig, expres, met opzet op een terrein beland dat onze zorg en belangstelling heeft en verdient: variantie, variatie en variëteiten van taal. Het klankkarakter van het Weertlands wordt in de eerste plaats gekenmerkt door diversiteit en voortdurende verandering. Een voorbeeld: ‘Dao luipt e maechtje door e straot. 't Dreuchtj/druchtj/drieëchtj/dreechtj e net kletje. 't Heltj/hiltj/hultj twieë hong/hung aane lien. 't Lieëtj/leûtj/lutj os mer kieke. Hejje/hedje/hedjae/hedj chae det maechtje benao/bi-jnao/bienao neet gezeen?’ U ziet, af en toe bestaan er in het Weertlands twee, drie of zelfs vier verschillende klankvormen voor een woordvorm naast elkaar.
Het klankkarakter is dan ook geen juiste benaming, maar een klankkarakter in de betekenis van een uit de vele klinkt zo on-Nederlands. Nederlands, weer zo'n onbenaderbare term; en wat dacht u van Algemeen Beschaafd Nederlands? Beter is Standaardtaal, hetgeen de Belgen onder ons ook meer recht doet. Maar zelfs standaardtaal is een weinig gelukkige term, omdat ze de levende taal simplificeert. Ons Belgisch-Nederlands taalgebied kent geen eenduidige, uniforme, onveranderlijke dus statische taal. Onze taal leeft, beweegt, verandert, is dynamisch, is voortdurend aan afbraak of slijtage en aan uitbouw of vernieuwing onderhevig. Er bestaat niet iets als één Nederlands, één Standaardtaal, er bestaat een levende taal die derhalve in kontinue ontwikkeling verkeert. Zoöok het Weertlands, want dat is een taal. Ik zal echter niets bewijzen, hooguit konstateren. Ik ga niet over het klankkarakter spreken maar over een aantal klankaspekten in het Weertlands en met name of er tendenzen in de klankontwikkeling zijn aan te wijzen, die een min of meer systematisch karakter dragen.
Laat ik eerst uitleggen wat ik onder Weertlands versta. In 1968 heb ik deze term voor het eerst gebruikt als verzamelnaam voor de Overweertse en Nederweertse dialekten. Overweertse dialekten worden gesproken in de gemeente Weert met uitzondering van de kerkdorpen Swartbroek en Tungelroy; Nederweertse dialekten worden
gesproken in de gemeente Nederweert behalve in het kerkdorp Leveroy. In Swartbroek, Tungelroy en Leveroy spreekt men Zuidoostmidden- Limburgs.
Zie voor een overzicht kaart 1 en kaart 2.
Het Weertlands (en zijn direkte omgeving) vormt een buffer of een barrière of een overgangsgebied tussen Brabantse en Limburgse dialekten, hoewel zeker voor het volksgevoel de laatste overheersen. Ik zeg met opzet buffer of barrière of overgangsgebied. Met een paar voorbeelden zal ik u aantonen dat voor alle drie de termen iets te zeggen valt.
Het Weertlands kent vormen en woorden die in de omgeving (of elders) niet voorkomen. De mouillering van dentale plofklanken in auslaut, zoals oontj-oeëntj; Brabant en Meyel gebruiken er de dentale nasaal; de omringende Limburgse dialekten een gemouilleerde dentale nasaal (nj). Zie kaart 3.
Bij de kaart van ‘tanden’ (zie kaart 4) krijgen we hetzelfde beeld te zien: het Weertlands vormt met zijn velarisering een buffer tussen de gewone dentalen aan het woordeinde: de ploffer in het noorden, de nasaal in het westen en de gemouilleerde dentale nasaal in de Limburgse omgeving.
Ook mooie voorbeelden bieden woorden als peddemoeëk voor kikvors en rikske voor vork (het laatste komt als riekske ook in Meijel voor en is in Weert nagenoeg uitgestorven), die zover ik kon nagaan een geïsoleerd leven leiden in Weert en Nederweert. (Interessant is het hierbij te overwegen of er een relatie is tussen het gebruik van rikske, een kleine reek uiteindelijk, en gaffel voor eetvork in een aantal Belgisch-Limburgse dialekten, zoals ik uit Leuvense vragenlijsten kon opmaken.)
Het Weertlands als buffer? Of het Weertlands als barrière? We bekijken de Uerdinger lijn (zie kaart 5), de Panninger zijlijn (zie kaart 6), de rekkingslijn en de mouilleringslijn (zie kaart 7).
(Als ik lijnen, isoglossen of zo, laat zien dan ga ik bij veel plaatsen van gemeente- of provinciegrenzen uit, behalve bij Weert en Nederweert, hoewel een aantal verschijnselen waarschijnlijk toe- of afnemen naarmate men een isoglosse nadert of er zich
van verwijdert. In Heythuyzen kon ik dit mooi waarnemen in de zestiger jaren met de Panninger lijn: het mouilleren van de s voor medeklinkers bleek af te nemen naarmate de spreker dichter bij Leveroy woonde; eenzelfde spreker kende mouilleringsgevallen en woorden waarbij deze zich niet voordeed: sloete naast sjlaon, spieje naast sjpange)
Het Weertlands als barrière? Of het Weertlands als overgangsgebied? Neem de verwarringwekkende kaart van de ‘kruiwagen’ (zie kaart 8); of bekijken we eens hoe het Weertlands beurtelings kenmerken van Brabantse of Middenlimburgse dialekten kent bij een aantal werkwoorden en hun vervoegingen (zie schema 1 en kaart 9)
Het Weertlands heeft dus iets van een bufferzone; vormt af en toe een barrière tegen Brabantse of Limburgse invloed en toont soms eigenaardigheden van Noord en Zuid in wisselende vorm.
Schema 2 geeft een overzicht van de klinker- en tweeklanktekens die in het Weertlands gebruikelijk zijn.
Een paar opmerkingen kunnen hierbij dienstig zijn:
| a. | De overgangsvokalen ontbreken; de onbetoonde e ontbreekt; men vindt er geen stijgende tweeklank in, ofschoon die waarschijnlijk in het stad-Weertse koame voorkomt; bovendien zult u er de aj, oj, aaj, eej, ooj, aej, in missen. |
| b. | Bij c zou het fonetisch exacter zijn de eerste lijn apart te nemen, zodat we er twee systemen zouden krijgen: een systeem C1 met alleen gesloten klinkers, de klinkers met naslag namelijk, en een systeem C2 zonder gesloten klinkers. Fonologisch echter mogen de beide systemen aan elkaar gekoppeld worden, omdat ze klankpatronen betreffen die elkaar aanvullen. Een aanwijzing daarvoor vinden we in de Oostmidden-limburgse dialekten. Bovendien maakt dat visueel duidelijker welke systematische klankontwikkeling er in die dialekten schuilgaat, of beter zichtbaar is. |
| c. | Het ontbreken van de systemen G en H, die zich tot E en F zouden verhouden als C en D tot A en B. Een voorbeeld: aoj van jözes genaoj zou in G thuishoren en de aôj van Ich braôj vêrrekeuleîs in H. |
| d. | Weert vertoont voorkeur voor de tweede regel van C waar Nederweert overhelt tot de tweede regel van B ; N: prîns - W: preens; N: hôntj - W: hoónt. Zoöok waar Nederweert in ± de tweede regel bezet, neigt Weert tot de tweede regel van G. W: heej - N: hî-j. |
| e. | Onze standaardschrijftaal mist B, D en F geheel; van A zijn slechts regel 1, 3 en 4; van C regel 2 en 4; van E regel 3 er bekend. |
Nu ga ik u iets interessants laten zien waar men alleen het schema van de lange klinkers met of zonder naslag voor nodig heeft. Richt men zich dus alleen op C. In Nederweert zeggen we eegdje voor ‘eg’; Heythuyzen kent aechtj en stad-Weert ieëgdje. Is u al wat opgevallen? Nog een voorbeeld: Nederweert zegt beek; Heythuyzen heeft baek en Weert bieëk (zie schema 3).
Ik laat u nog iets interessants zien dat vergelijkbaar is met het vorige; kijk weer naar C in schema 2. In N. is het woord voor de sport van een ladder sproot, in H. spraot, in W. sproeët. Ziet u al iets van een systeem? Nog een voorbeeld:
N: beloove (= ‘beloven’), H: belaove, W: beloeëve (zie schema 3)
Nu gaat het frappant worden. We nemen weer schema C. U kunt al raden welke klank aan de beurt komt. Ik neem het N. woord leune (= ‘leunen’). U raadt al wat H. heeft: läöne en W. luuëne. Het systeem is perfekt, ziet u het? Nog een voorbeeld:
N: kneuk (= ‘knoken’), H: knäök, W: knuuëk (zie schema 3).
Ik wil u hiermee laten zien dat klanken zich niet zomaar, willekeurig van het een tot het ander ontwikkelen maar dat de klankontwikkeling soms (of misschien doorgaans) een vrij konsekwent systeem verraadt. Ik ga nog een stap verder. Het verschijnsel dat waar N. ee - eu - oo gebruikt, W. ieë - uuë - oeë bezit en H. ae - äö - ao, doet zich alleen bij die klanken voor, die in
een vroegere ontwikkelingsfase een veronderstelde westgermaanse korte klinker hadden. De veronderstelde westgermaanse lange klinkers die in N. ee, eu of oo laten horen, hebben in W. en H. ook ee, eu of oo (zie schema 4). Voor de stad-Weert heb ik één inkonsekwentie gevonden nl. moeër voor ‘moederkonijn’, dat als de klankregels toegepast waren, die ik zoëven geschetst heb, moor zou moeten luiden.
Waarvandaan komt nu dat ontwikkelingspatroon dat W: ieë - uuë - oeë heeft, N: ee - eu - oo en H: ae - äö - ao? Beperk ik me bij een antwoord hierop tot het Weertlands dan moet ik konkluderen dat Weert in vergelijking met Nederweert een voorkeur heeft voor meer gesloten klinkers en Nederweert in vergelijking met Weert voor minder gesloten of meer open klinkers.
Ik heb nog drie klankontwikkelingen in het stad-Weerts gevonden, die in dezelfde richting wijzen. Ik kom daar nog op terug.
Ten tweede:
De ontwikkelingen in Weert en Heythuyzen staan niet alleen; Heythuyzen vindt o.m. aansluiting bij Roermond dat dezelfde klanken kent en Weert is met zijn klinkers met naslag een uitloper van een groot gebied dat Budel, Maarheeze, Bocholt, Bree, Maaseik tot Schinveld en Klimmen omvat. Dit laatste vond ik in de Reeks Nederlandse Dialektatlassen (dl. 8, Limburg dl. 2, kaart 35 en 98) voor ‘zoon’ en ‘ik bood’ en in J. Leenen:
‘Limburgse klankgrenzen’ en J. Tans: ‘Isoglossen rond Maastricht’.
In mijn eigen onderzoekingen vond ik het in Budel nog sporadisch, in Weert frekwent (al meen ik dat het verschijnsel van de klinker met naslag de laatste 20 jaar in Weert meer voorkomt dan in de zestiger jaren).
Zoëven heb ik gezegd dat de stad Weert een neiging tot geslotenheid van klinkers vertoont vergeleken met Nederweert. Ik zal drie ontwikkelingen noemen, die in die richting wijzen.
| 1 | Een Weertenaar hoort meteen aan de e en é of hij met een Nederweertenaar te maken heeft en omgekeerd. In Weert en de Buitenijen worden de e en é minder open gerealiseerd dan in Nederweert. Ik kan het zelf niet laten horen, omdat er bij mij geen klank meer tussen bét en ris funktioneert, maar ik kan er een autochtone Weertenaar wel meteen aan herkennen. |
| 2. | Er was in de zestiger jaren in Weert en vooral in een aantal Buitenijen een tendens hoorbaar om wêreke te zeggen waar Nederweertse dialekten een meer open wêreke gebruiken. Ik werd er vroeger door mijn leeftijdgenoten mee voor de gek gehouden, omdat ik ‘waereke, vaereke, maerege, kaerek’ zei i.p.v. open ‘wêreke’ etc. Dat kwam waarschijnlijk omdat onze gezinsverzorgster die een soort tweede moeder voor me was uit Laar kwam (een van de Buitenijen), waar deze ae algemeen gebruikt werd in kaerek etc. | ||||||||
| 3. |
U ziet, Weert heeft weer meer gesloten klinkers dan Nederweert in de vervoegde vormen. Midden-Limburg kent overigens snieje - snietj etc.; Brabant ongeveer snaeje - snaejt. Nederweert heeft dus i.v.t. Weert meer open klanken. |
Om kort te gaan, het Weertlands lijkt een ratjetoe van wat elders al bestaat. Ik hoop u echter duidelijk gemaakt te hebben met slechts een beperkt aantal voorbeelden dat het Weertlands in zijn klankontwikkelijk een eigen weg gaat, die een duidelijke struktuur verraadt. Het Weertlands is een echte taal. Jawel! ‘Ze zullen lânger van mich kalle as van mich aete,’ zegt de Weertlander.
Jos G.W. van de Wouw.







| Limburg | Brabant |
| aaks | aks |
| gaas | gas |
| saap | sap |

| 1) | Nederweert, Ospel, Eind, Heysterstraat, Schoor, Leveroy, Tungelroy hebben kruk'ker; Leveroy, Roggel, Heythuysen hebben kruu'ker; Kelpen kruuker'. Laar, Boshoven, Hushoven, Weert, Leuken, Boshoverbeek, Moezel, Altweert, Keent, Altweerterheide, Tungelroy, Stramproy, Swartbroek, Molenbeersel, Bocholt hebben kroe'ker; Grathem, Stramproy, Bocholt hebben kroe'ker. |
| 2) | Asten, Someren hebben kraajge; Meijel heeft kröjge; Maarheeze heeft kreuge; Asten, Someren hebben kraejge. |
| 3) | Kaulille heeft kroêwaage; Altweerterheide heeft kruiwaage en Budel krujwaage. |
| 4) | Budel heeft kreum |
| 5) | Heythuysen heeft sjörchsker. |

| gespreide voorklinkers ↓ | geronde voorklinkers ↓ | achter-klinkers ↓ | gespreide voorklinkers ↓ | geronde voorklinkers ↓ | achter-klinkers ↓ | |
| A. Korte klinkers: | B. Korte klinkers met sleeptoon: | |||||
| 1. gesloten | ie | uu | oe | - | - | - |
| 2. half gesloten | i | u | o' | î | û | ![]() |
| 3. half open | é | ö | o | ![]() |
|
ô |
| 4. open | e | - | a | ê | - | â |
| C. Lange klinkers: | D. Lange klinkers met sleeptoon: | |||||
| 1. gesloten | ieë | uuë | ooë | iê | uû | oê |
| 2. half gesloten | ee | eu | oo | eê | eû | oô |
| 3. half open | ae | äö | ao | aê | ä![]() |
aô |
| 4. open | - | - | aa | - | - | aâ |
| E. Dalende tweeklanken: | F. Dalende tweeklanken met sleeptoon: | |||||
| 1. gesloten | - | - | - | - | - | - |
| 2. half gesloten | i-j | uj | ow | î-j | ûj | ôw |
| 3. half open | ei | ui | ou | eî | uî | oû |
| 4. open | ej | - | aw | êj | - | âw |
| Weert | Nederweert | Heythuyzen |
|---|---|---|
| a. ieëgdje | eegdje | aechtj |
| bieëk | beek | baek |
| b. sproeët | sproot | spraot |
| beloeëve | beloove | belaove |
| c. luuëne | leune | läöne |
| knuuëk | kneuk | knäök |
| * wgerm. korte klinker: | ||
| eegdje | leune | sproôt |
| beek | speule | hoôl |
| keetel | steufke | groôf |
| leepel | kneuk | troôch |
| teege | beuchske | beloôve |
| vreemtj | keuneng | oôver |
| smeêt | scheutelke | schoôl |
| zweêgelke | boôter | |
| zoôch | ||
| zoôn | ||
| * wgerm. lange klinker: | ||
| beestemêllek | deûr | boôr |
| deêne | veûr | schoôr |
| deep | scheûr | broôr |
| vreuch | goot | |
| greun |