terug  begin  verder
[p. 219]

IV. De Achttiende-eeuwers en Petrarca

In onze letterkunde uit de eerste helft van de 18de eeuw vinden wij niet veel sporen van Petrarca. Wellekens blijkt goed op de hoogte, maar andere pastorale dichters beschouwen Petrarca ongeveer als het evenbeeld van Guarini, - een bewijs, dat zij het Canzoniere niet, of oppervlakkig, gekend hebben. Dit geldt ook voor Lambert Bidloo. De tijd van het Frans-klassicistische drama met de rhetoriek van de Dichtgenootschappers is niet gunstig voor het verstaan van Petrarca's lyriek. De waardeering van de classici beperkt zich tot zijn Latijnse geschriften.

Eerst na het midden der eeuw stijgt de bekendheid met de Italiaanse dichter weer. De Sade's Mémoires geven ook de belangstelling in ons land nieuwe impulsen. Enkele schrijvers, b.v. Van Goens en Feith, vormen zich een zelfstandig oordeel over Petrarca. Maar juist omdat men zoveel bizonderheden over leven, liefde en karakter van de dichter leert kennen, ontstaan er letterkundige fantasieën op het thema van zijn lotgevallen. Zijn liefdesroman inspireert Backer een gedichtencyclus.

Hoe de geest van de tijd de voorstellingen omtrent Petrarca beïnvloedt, spreekt duidelijk uit het overzicht van artikelen in achttiende-eeuwse periodieken, waar ik dit hoofdstuk mee besluit. Het Canzoniere wordt een boeiend object voor de psychologische analyse en de literaire aesthetiek. Talrijk zijn de beschouwingen over de aard van Petrarca's liefde, terwijl men zich ook rekenschap geeft van de artistieke waarde van zijn sonnetten en canzonen. Vooral de ‘zagte en teer gevoelige zielen’ verdiepen zich gaarne in de vreugden en smarten van de verliefde dichter en laten zich dwepend meevoeren op de deining van zijn zoete minneklachten. Men bewondert de canzone: Chiare, fresche e dolci acque, en roemt Vaucluse als de idyllische vallei, die getuige was van een hooggestemde dichterliefde.

 

Jan Baptista Wellekens spreekt meer dan eens over Petrarca en zijn poëzie. Hij vertoefde lang in Italië en is goed bekend met de dichtkunst van dat land. In de Verscheiden Gedichten (Amsterdam 1729) komen enkele passages voor, die ons inlichten over zijn belangstelling voor Petrarca en zijn werk. Deze posthume bundel is bezorgd door zijn dochter Magdalena Barbara Wellekens. Het eerste dichtstuk is getiteld: Op de uitmuntende kunstverzamelinge van den edelen Heere Valerius Röver. Hierin overziet Wellekens ook de ontwikkeling van de Italiaanse letterkunde. Eerst wijdt hij enige verzen aan Dante en spreekt dan over Petrarca in de volgende bewoordingen:

[p. 220]
 
Petrarcha volgde in 't kort; Petrarcha die de dromen
 
Der oude minnaars heeft verduistert door zyn lier;
 
Die altydt, heusch en kuisch, zong van zyn zuiver vier;
 
Die Lauraas naam en roem verspreide in alle landen,
 
En jaren na haar doot zyn min noch voelde branden.
 
Hij stelde ook, aan de jeugt, zyn Dichttriomfen voor.
 
En daar hy d'oppertoon toen voerde in Febus choor;
 
Wert hem den Lauwerkrans in 't Kapitool geschonken,
 
Daar hy zo eeuwig, als zyn dichtkunst, meê zal pronken, (p. 39-40).

Aan deze passage zijn drie aantekeningen toegevoegd. Men vindt hier iets naders over de dichter en zijn muze: ‘Laura de beminde van Franciscus Petrarcha, die hy 21 jaren by haar leven, en 10 na haar doot met zeer vele schone gedichten heeft geroemt. Hy was de grootste Lierdichter onder de Toskanen, en wort, als een vader dier tale, tot een voorbeelt gestelt, is overleden 1374.’ (p. 39, noot 2).1) Naar aanleiding van de Trionfi luidt het: ‘Deze Triomfen zyn 6. Van de liefde, of liever den Minnegodt, van de Zuiverheit, der Doot, der Faam, van den Tydt, en de Godtheit’. (p. 40, noot 1). Met betrekking tot Petrarca's dichterkroning staat er het volgende: ‘Als Hooftpoëet, het welk, met groten toestel en gejuich van den Roomschen Raat en 't volk, geschiede in den jare 1341 het 32. zyns ouderdoms’. (p. 40, noot 2).2)

In hetzelfde gedicht wijst Wellekens op de positie van talrijke dichters in Italië, die ‘De roem en luister aan de grootste hoven waren.’ Een aantekening noemt enige voorbeelden: ‘De allergeleerste Mannen in Italië waren toen meest Poëten, en in voorname bedieningen der Hoven, als Petrarcha, A. Politiaan, Sannazaro, Bembo, Ariosto, Bernardo Tasso etc.’ (p. 42).

De bundel bevat ook verschillende gedichten aan Pieter Vlaming en zijn vrouw, die hierin bij voorkeur optreden onder de namen: Amintas en Licoris. In enkele van deze verzen wordt aan Petrarca herinnerd, wanneer Wellekens zijn vriend wil aanmoedigen in zijn dichterlijke arbeid, of hem prijst om zijn poëtische gaven. Daar is het gedicht: Ter verjaringe van den Heere Pieter Vlaming, waaruit ik de volgende verzen citeer:

 
Geen roest, geen staal, noch vuur heeft vat aan Flakkus Luit,
 
Noit zal Petrarchas Lier noch Sannazaros Fluit
 
In Lethes poel verzinken;
 
Zo zal, Amintas, ook uw geestryk Hogerwoert,
 
Daar gy in ryst en daalt, nu ernstig zyt, dan boert,
 
Elk steets in d'ooren klinken. (p. 229).

Als pendant enige regels uit een jaardagsdicht voor de vrouw van Pieter Vlaming:

[p. 221]
 
En zo d'onsterflykheit door vaerzen wort gegeven,
 
Zo zult gy eeuwig door zyne edle dichten leven,
 
Gelyk als Laura door Petrarchas zangen praalt,
 
En zo Beatrix eerst door Dante is afgemaelt. (p. 272).

Wellekens plaatst hier dus Laura naast Beatrice: hij is misschien één der eersten van zijn tijd geweest, die overeenkomst ziet in beider betekenis voor de dichter, die zij inspireeren.

Wij bezitten ook van zijn hand een goede studie over de pastorale: Verhandeling van het herderdicht, uitgegeven in zijn Nederlandse vertaling van Tasso's Aminta (1715), waarover aanstonds nader gesproken wordt.1) In dit opstel geeft de schrijver eerst een letterkundig overzicht. Na de duistere periode van de Middeleeuwen ontstond de herleving der letteren, die ook tot nieuwe bloei van het herdersdicht leidde, dat ‘...eerst van Petrarcha en Boccatius aangevangen, vervolgt wierd door Baptista Mantuanus, Pontanus, Vida, en Sannazar met de Visscherszangen, en veele andere in verscheide tyden en landen, welker naamen en werken wy al aan de Faam bevolen laaten.’2)

Hier vermeldt Wellekens Petrarca dus als auteur van de Eclogae in zijn kwaliteit van bucolisch dichter. Duidelijk blijkt uit deze verhandeling zijn bewondering voor de Italiaanse pastorale dichtkunst. Zijn vertaling van de Aminta is hier een overtuigend bewijs van. Aan dit werk mag ook betekenis worden toegekend, omdat de lezers hierdoor enkele bizondere trekken van Petrarca's poëzie en de stijl daarvan konden vernemen. Het commentaar bevat namelijk in aansluiting bij de tekst van de Amintas parallelplaatsen met soortgelijke beeldspraak en overeenkomstige voorstellingen bij verschillende andere dichters; dikwijls wordt Petrarca hierbij genoemd. Deze aantekeningen zijn niet uitsluitend Wellekens' eigen vinding: in het voorbericht vermeldt hij als zijn bronnen het commentaar van Menagius en dat van Fontanini.3) Hij laat echter zijn persoonlijk oordeel gelden. Van de plaatsen, waar hij over Petrarca spreekt4) - meestal voegt hij er een vertaling van de geciteerde verzen uit het Canzoniere aan toe - volgen er hier enkele als voorbeeld.

Naar aanleiding van Silvia's woorden tot Tirsis: ‘Raak my niet, Herder: 'k ben Diana opgedraagen’, wordt als volgt verklaard:

Diana opgedraagen, geheiligt, eigen, als zynde een Jageresse, en die in zuiverheid leefde. Petrarcha beschrijft dus, doch figuurlyk, op eene edele wyze zyne beminde Laura, in het schoone klinkdicht.
 
Una candida Cerva sopra l'herba
 
Verde m'apparve etc.5)
[p. 222]
 
Een' hagelwitte Hinde, in 't groene kruid gezeegen,
 
Met goude hoornen, deed zich op voor myn gezicht,
 
In koele schaduw van een' lauwerboom gelegen,
 
In 't midden van twee vloên.
en verder:
 
Op haaren halsband, die zeer konstig was gedreeven,
 
Stont met Topaazen en met Diamant omschreeven:
 
Dat niemant my aanraake. enz.1)
De uitlegginge is klaar. Laura is de hagelwitte Hinde om de zuiverheid, gelyk Petrarcha haar ook in zijn triomf der Kuischeid onder dien naam verbeelt;2) de goude hoornen, haare schoone hairlokken; de Topaas is de zuiverheid toegeëigent; want men zegt dat hy in ziedend water gelegt, het zieden doet ophouden, en deszelfs hitte bluscht; de Diamant bezwykt niet onder staal of vuur; en door de twee rivieren worden de Sorga en Durenza, of de twee armen van de Sorga verstaan; tusschen welke Petrarcha, Laura eerst zag, daar zy, vermoeit, in 't veld wat ruste, die hy daar na in haar leeven, en na haar dood bemind heeft. De doorluchtige Lucretia Gonzaga had deeze witte Hinde onder de schaduwe van eenen Laurier, tot haar zinnebeeld verkooren, met die woorden van Petrarcha: Nessun mi tocchi. Dat niemant my aanraake, om haare liefde tot de zuiverheid aan te wyzen. (p. 78, noot).

Zo wordt dus één der belangrijkste sonnetten van Petrarca onder de aandacht van de Hollandse lezer gebracht, terwijl men hier tevens een interpretatie van de allegorie aantreft, die op Italiaanse commentaren teruggaat.

Elders spreekt Silvia in wanhoop:

 
En ik wil, dat de dood mijn levensdraad zal kerven,
 
Vermag de rouw dit niet, dat dit dan 't staal begint -.

De aantekening hierbij luidt:

Petrarcha in een zyner dichten:
 
'k Heb om Lucretia my menigwerven
 
Verwondert, dat zy 't staal had noodig om te sterven,
 
En dat de rouw alleen daar niet genoeg toe was. (p. 108, noot).3)

Over de lusthof van de Min wordt ook een beschouwing gegeven:

Schoon de dichters het ryk en gebiedt der liefde over hemel en aarde stellen .... nochtans is haar een byzonder hof toegeëigent, het welk het paradys, de hemel en lusthof der liefde genoemt wordt, daar is eeuwige lente, altyd vreugd en alle bedenkelyke weelde; dit is van de ouden meest verdicht in Cyprus te zyn, gelyk ook Petrarcha in zyn Triomf der liefde, en Politiaan in zyn gedicht, op het steekspel van Juliaan de Medicis, zulks volgen. Doch
[p. 223]
het wort ook figuurlyk op andere plaatzen gestelt; .... [volgen enige mededelingen over Ariosto's ‘paleis van Alcina’ en Tasso's ‘hof van Armada’]. (p. 112, noot).1)

Op deze wijze valt het licht op bepaalde thema's, die bij Petrarca optreden. Het verdient opmerking, dat bij de citaten ook wel verzen uit de Trionfi voorkomen. Hoewel het niet alleen oorspronkelijke wetenschap is, heeft Wellekens er door zijn bewerking van de aantekeningen van Menagius en Fontanini toe bijgedragen, de bekendheid met Petrarca's poëzie te vergroten. Vooral wat de beeldspraak en de keus der motieven betreft, kon men hier aardige bizonderheden over het werk van de Italiaanse dichter vinden.

 

In de Gedichten van David van Hoogstraten staat een vertaling van het epigram, waarin Menagius over Lucretia spreekt, terwijl hij zich op Petrarca beroept:

Op Lukretia.
 
Lukretia, zoo vuil geschonden door Tarquyn,
 
Valt woedende in het zwaard, en breekt haer eigen leven.
 
Al looftge, o dichteren, dees daet met schoonen schyn,
 
Verwacht niet, dat ik haer zal eenige eere geven,
 
Noch hy, die Laura zoo volgeestig heeft beschreven.
 
Een vrouw van zulk een schaemte, een Voorbeelt van de trou,
 
Zoo schaers te vinden, moest niet sterven dan uit rou.2)

Het Latijn van Menagius luidt:

 
Mollia confodit rigido Lucretia ferro
 
Pectora, concubitus passa, Tyranne, tuos.
 
Hoc alii Vates facinus super aethera tollant.
 
Non ego: non Vates, Laura pudica, tuus.
 
Femina tam teneri consummatique pudoris
 
Debuerat solo victa dolore mori.3)

De pointe van dit gedicht is ontleend aan Petrarca, die in Son. 224: Cara la vita, e dopo lei mi pare Lucretia met de volgende woorden gedenkt:

 
Nè di Lucrezia mi meravigliai,
 
se non come a morir le bisognasse
 
ferro e non le bastasse il dolor solo. (vs. 9-11).

Door het werk van twee auteurs, Wellekens (p. 222) en Van Hoogstraten, heeft

[p. 224]

Petrarca's sententie over Lucretia - via Menagius - de weg naar Nederland gevonden.

 

Joan de Haes heeft een vertaling bezorgd van Sidney's Defence of Poesie. Diens uitspraak over de klassieke Italiaanse dichters (cf. p. 156) luidt hier als volgt: ‘Diergelyke vondt men ook in d' Italiaensche tale; om welke tot een trezoor van wetenschap op te rechten Dantes, Bokacius en Petrarcha d' eerste hant aen 't werk geslagen hebben.’1)

 

Poot getuigt van Petrarca en Laura in één van zijn Minnedichten. In Aen eene Schoone komt de volgende strofe voor:

 
Wie heeft 'er oit volmaekter nimf geprezen?
 
'k Wed Flakkus u voor Lydia verkoor.
 
In Nazoos tyt zoudt gy Korinne wezen:
 
En 'k zweere u dat Petrarchaes Laura voor
 
Uw schoonheit zou haer' schoonheitswimpel stryken,
 
Gelyk 't gestarnt de morgenstar moet wyken.2)

Ook elders herdenkt hij de glorie van Petrarca, namelijk in een dichterlijke Brief aan één van zijn vrienden, die hij aanspoort, zich door zijn poëtische arbeid onsterfelijke roem te verwerven, zoals de grote dichters:

 
Aldus zal 't nieu Itaelje pryken
 
Met Tasso en Petrarch zoo lang men Kunst waerdeert.3)

In verband met Petrarca moet verder gewezen worden op een uitgave, die met medewerking van Poot tot stand is gekomen: Het Groot Natuur- en Zedekundigh Werelttoneel.4) Dit encyclopaedische werk is hoofdzakelijk gecompileerd uit Ripa's Iconologia, waarvan een oudere Nederlandse bewerking door Dirck Pzn. Pers reeds besproken is. (p. 198). Poot's aandeel in het Werelttoneel bestaat hierin, dat hij de tekst verzorgd heeft en sommige zinnebeelden van ‘Dichtkundige Toepassingen’ voorziet. Talrijke dichters worden op het voorbeeld der Italiaanse auteurs geciteerd: de vertalingen van dergelijke passages, ook uit de verzen van Petrarca, zijn vermoedelijk door Poot vervaardigd of tenminste ‘geschaafd’, nu eens in proza, dan weer in dichtvorm. Een paar voorbeelden volgen.

De inzet van Canz. 14: Chiare, fresche e dolci acque wordt in het Werelttoneel als volgt besproken:

Zoo bersten Petrarcha, wanneer hy de genoeglyke lustplaets Sorga, en de wateren, waerin of waerby hy zyne zielbeminde naekt gezien had, weder
[p. 225]
zagb, deze zuchten uit: O heldere, frissche, en zoete wateren, waerin haer schoone leden nederleide zy, die my alleen waerdigh schynt gevryt te worden! O edele tak, waervan 't haer behaegde (ik erinnere het my met zuchten) een' pilaer (steunsel) te maken voor haere schoone zyde. (II, p. 673).1)

De mededelingen over de koetsen van Petrarca's Trionfi zijn in het Werelttoneel uitvoeriger dan het geval was in de bewerking van Pers (cf. p. 198), op wiens uitgave herhaaldelijk kritiek geleverd wordt. Wij vinden hier de volgende bizonderheden over Petrarca's ‘Zegepraelen’:

Petrarcha heeft zes zegepraelen, aldus geschikt. De eerste is die der Liefde, die over de menschen triomfeert in der zelver jeugt. Dan volgt die der Kuischeit, welke de Liefde overwint, wanneer de mensch, nu ryper van jaeren geworden, de ongeregelde hartstogten door middel der reden bedwingt en onderbrengt. Maer de Kuischeit wordt vervolgens in triomf omgevoert door de Doot, die niemant spaert: doch over de Doot zelve zegenpraelt de Faem, die deugtzaeme en roemrugtige mannen noch lang doet leeven na hunne doot. Over de Faem wederom triomfeert de Tyt: omdat geen wereltsche roem zoo groot en sterk is, of hy vergaet ten laetsten door langheit van jaeren. Eindelyk komt de Eeuwigheit, en die voert den Tyt in triomf na het Koningrijk des Hemels. (III, p. 731).2)

Het blijkt, dat de auteurs gebruik maken van bestaande afbeeldingen bij de Trionfi. De allegorische koetsen zijn niet rechtstreeks ontleend aan de beknopte beschrijvingen van Petrarca zelf.3) Ook hier ziet men weer, hoe de beeldende kunst er toe bijgedragen heeft, de bekendheid met Petrarca's Trionfi te vergroten, ook buiten Italië, zodat die triomfwagens hier nog in de 18de eeuw stof opjagen.

Door verschillende citaten uit het Italiaanse en Latijnse werk van Petrarca heeft dus het Werelttoneel deze dichter onder de aandacht van de Nederlandse lezers gebracht.

 

Dirk Smits noemt Petrarca en Laura in één van zijn gedichten, de Huwelykzang voor .... Mr. Jacob Fabrice Burman, Men hoort, dat Cupido de bruidegom minnepoëzie geïnspireerd had:

 
Toen Anna al te streng zyn smeeken dorst verachten,
 
Het echtgareel ontvlood, en de eedle vryheit zocht,
 
Toen holp Grootvaders geest hem minnezangen dichten;
 
Toen volgde hy Petrarch in zyne Idagten na,
 
Om dus zyn Laura meê tot minnen te verplichten,
 
Of smeekte met Catul zyn poesle Lesbia.4)
[p. 226]

Lambert Bidloo is de schrijver van een bekend werk: Panpoëticon batavum,1) eigenlijk een omvangrijk lofdicht op de dichters, wier portretten Arnoud van Halen verzameld had.2) Tevens mag het beschouwd worden als één der eerste pogingen, om een samenhangend overzicht van onze letterkunde op te stellen, waarbij terzelfdertijd allerlei kwesties van algemeen-literaire aard besproken worden. Vooral het pastorale genre verheugt zich in de belangstelling van de oude dokter Bidloo. Wat zijn opvattingen over de Italiaanse dichters betreft, kunnen enige citaten ons inlichten. Hij zegt als volgt, wanneer hij het pastorale werk van Arnold Moonen prijst:

 
.... dat Dante, nog Guarien,
 
Petrarcha, of Casa, ons zulk Pastorel, doen zien;
 
Al voegd me'er Longus by. Niet vreemd: In dezen allen
 
Zyn niets als Wellust, en Verdigte Min-gevallen,
 
Daar Moonens Herder-Zang, naar waare Deugd geleyd,
 
Van 't onuytspreekbaar Heyl der Zalige Eeuwigheyd. (p. 116).

Bidloo beschouwt dus ook Dante en Petrarca in de eerste plaats als pastorale auteurs! Een zo geringe kennis van de Italiaanse literatuur ontzegt zijn afbrekende kritiek iedere betekenis. Dat voor hem ‘Italiaans dichter’ werkelijk synoniem is met ‘pastoraal dichter’, blijkt ook elders. Hij zwaait Wellekens lof toe in de volgende bewoordingen:

 
Als had Theocritus hem by de handt geleyd
 
Na Maro, om zyn styl tot Herders-kout te wennen,
 
En Danthe, en Ariost, met Tasso hem hun pennen,
 
By laatste wil, gemaakt. - (p. 218).

Eveneens bij de bespreking van het werk van Pieter Vlaming plaatst hij Dante en Petrarca in het gezelschap van bekende pastorale auteurs:

 
Dit alles zie ik in die wakkere Poëet,
 
Met honderd vindingen, op elk geval bekleedt.
 
Als of ik Danthes, of Petrarchaas Vaarssen hoorde,
 
En Barbarin, Guarin, en Casa my bekoorde, (p. 218).

Het schijnt, dat Bidloo alle Italiaanse dichters over een kam scheert; hij zal het werk van Dante of Petrarca dus wel niet, of nauwelijks, gekend hebben.

Hij vertelt ook over het klassieke gebruik, om de dichter met lauweren te kronen. Zo kan de staatsmacht de dichtkunst beschermen. Er volgt een passage over Frans I, Petrarca, en diens kroning op het Capitool:

[p. 227]
 
.... in honderd jaar misschien een Prins komt rysen
 
Om zyn byzond're liefde op Poësy te prysen,
 
En zelfs konst-oeffenaar, zulk een als Vrankryk gaf
 
In Vorst-François, wiens naam blonk op Petrarchaas graf:
 
Schoon die verworpen had zyn giften, en Laurieren;
 
Waar na het Roomsche Volk 's mans Digtriomf deed vieren
 
Door Raad, en Ridderschap, met zulk een stacy-pragt,
 
Als oyt een Veldheer wierd na 't Capitool gebragt,
 
Daar hy, in 't openbaar doorlugtig Zegepraalde,
 
En een driedubb'le Kroon van Eere-lof behaalde.
 
Roemrugtig Erffenis der egte Poësy. - (p. 208).

Een paar aantekeningen vergezellen de tekst. In de eerste plaats over Frans I en het bekende grafdicht:

Vorst-François,] groot liefhebber van Petrarcha, 't vaars voor Grafschrift luyden als volgd ‘in dit kleyn plaatzjen, 'tgeen de faam zoo zeer uyt blaasd, de pen, den arbeyd, de tong, ende pligt zyn overwonnen, door de minnaer, en minnaresse. ô Edele ziel, die zoo veel geagt zyt, wie kan u pryzen, als met stil te swygen! want de woorden zyn altyd te berispen, als het onderwerp den speeler1) te boven gaat.
Heb deze vertaling liever van woord tot woord in onrym willen laten, als door het berymen yts van den zin te doen afwyken. (p. 208, noot).

Ook hier toont Bidloo zich niet volkomen op de hoogte: het gedicht van Frans I was niet bestemd voor het graf van Petrarca, maar voor dat van Laura. Over de ‘driedubb'le Kroon’ volgt een verklarende aantekening: ‘Laurier, Myrth, en Klimop, welk laatste meer aanzienlyk was, als de twee eersten: om zyn langdurend leven, bruyne groente, hoog op klauteren: en alle ongemakken van de lugt, harde winter, en hagel, door te staan.’ (p. 208, noot).

Opnieuw komt het kroningsmotief ter sprake, wanneer Bidloo de roem van Samuel Coster bezingt, waarbij Petrarca genoemd wordt in verband met een bepaalde legende over de laurier. Bidloo is overtuigd van Coster's ‘groote naam’:

 
Zy zal opklaveren ten dak-gewelf, de tinne
 
Doorbreken, als men wil, dat tot Petrarchaas lof,
 
Apolloos loof, wel eer zyn Roemers gaf meer stof
 
Door eenig wonder werk de marm're graf-zark kliefde,
 
Om op te schieten, en des Digters lust geriefde,
 
En zulk een zinne-beeld van zyn onsterflykheyd
 
Des roems in Poësy tot vinding toebereid. (p. 242).

Nogmaals vergist de dichter zich. Een dergelijke legende over Petrarca's graf bestaat niet. Een oude Napolitaanse traditie wil echter, dat vroeger een laurier, uit het marmer van Virgilius' tombe verrezen, dat monument met zijn takken overschaduwde, als symbool van 's dichters glorie.

[p. 228]

Eveneens naar aanleiding van Coster vertelt Bidloo over spreekwoorden in vreemde talen. Hij noemt enige verzamelingen, o.a. de ‘Spaansche wysheid’ van Huygens en vervolgt: ‘Italiaanen zyner te menigvuldig om alhier naamkundig op te tellen, meest genomen uyt Danthe, Petrarcha, Marino, Guarini enz.’ (p. 242-243, noot). Inderdaad zagen wij reeds, hoe verschillende versregels uit Petrarca ‘spreekwoordelijk’ geworden waren en b.v. in de emblemata-literatuur gebruikt werden. (p. 156-157).

Bidloo noemt Petrarca dus meer dan eens. Zijn Panpoëticon is een merkwaardig getuigenis, hoe de Italiaanse pastorale omstreeks 1700 de geest der letterkunde beheerste, zodat bij wie slechts oppervlakkig met de literatuur van Italië bekend was, de voorstelling kon ontstaan, dat ook de grote klassieken als Dante en Petrarca pastorale dichters bij uitnemendheid geweest zijn.

 

De classici en Petrarca. - De geleerden uit de 18de eeuw blijken dikwijls bekend met Petrarca in zijn kwaliteit van Latijns auteur.

Arnold Drakenborch spreekt in de voorrede van zijn uitgaaf van Silius Italicus over het feit, dat het werk van genoemde dichter in vroeger tijden verloren gewaand werd; als Petrarca Silius' heldendicht over de Punische oorlogen had gekend, zou hij niet voor zijn epos Africa dezelfde stof gekozen hebben.1)

In verband met Petrarca als Latinist moet een uitgaaf van Terentius genoemd worden, die bezorgd is door een Nederlands geleerde, A.H. Westerhoff.2) Voorin het eerste deel (p. XXXIV-XXXVI) staat een korte biografie van Terentius, die van Petrarca afkomstig is,2) met de titel: Pub. Terentii Vita De Dictis D.F. Petrarchae, Quae est in Editione Mediolanensi, Anni MCCCCLXXVI.

Het stuk bezit enige betekenis voor de filologie: ‘Le principal mérite de l'auteur est d'avoir reconnu et parfaitement réfuté l'erreur courante depuis Orose, qui confondait en une seule personne Terentius Culleo et Terentius Afer.’3) - Ter kenschetsing van deze Vita citeer ik het slot, dat een oordeel over Terentius bevat, terwijl Petrarca tevens kritiek op een uitspraak van Servius geeft:

Sed super omnia, ut quibusdam placet, sola proprietas haec facit, ut enim primo Aeneidis commento ait Servius, sciendum est, Terentium propter solam proprietatem omnibus Comicis esse praelatum: quibus est, quantum spectat ad caetera, inferior. Quod ultimum omnibus, quos legere potui, Commentatoribus excussis, Servii salva pace non approbo. Haec vel ad notitiam habendam, vel ad errorem declinandum, breviter de Terentio dicta sunto.
[p. 229]

Een belangrijke literair-wetenschappelijke editie in de 18de eeuw in ons land verschenen is het volgende werk: Actii Sinceri Sannazarii opera latine scripta,1) uitgegeven door Joan van Broekhuizen. De commentator verwijst een paar keer naar Petrarca (Ep. Fam. V, 4) en ook schetst hij kort zijn betekenis voor het Humanisme.

Als Sannazaro in één der Elegiae (lib. II, 2) Linternum, het landgoed van Scipio Africanus, noemt, herinnert Broekhuizen aan een brief van Seneca over die historische plaats,2) waar zich ook het graf van Scipio bevindt, en deelt tevens een bizonderheid over Petrarca mee: ‘Linternum ardentissime videre desideravit Petrarcha ut loca tanto habitatore nobilia praesens spectaret. vide illum L. 5. Ep. 4.’3)

Wanneer Sannazaro elders in zijn Elegiae (lib. II, 7) de plaats Bauli en het eiland Prochyta vermeldt,4) wijst de commentator op diezelfde brief van Petrarca: ‘....de his locis, quique illius sunt vicini, elegans exstat epistola Franc. Petrarchae quae quarta est libri familiarium quinti.’5)

Achterin de druk van 1728 is de ‘Praefatio’ opgenomen, die Broekhuizen aan de editio Wetsteniana van 1689 had toegevoegd. Hierin overziet hij de ontwikkeling van het Humanisme. Eerst wordt het verval der letteren geschetst, dat intrad na de ondergang van het Romeinse imperium en dan vervolgt hij:

‘.... primus ex densissimis illis ignorantiae atque inscitiae tenebris os coelo attollere ausus est Franciscus Petrarcha,6) vir sine controversia aevi sui eruditissimus. Hic postquam iter ad antiquas elegantias aperuisset, secuti sunt alii atque alii, quorum gnava industria detersus paulatim est foetor ille claustralis, atque immunda loquendi stribiligo. (p. 578).

De editie van Sannazaro's Opera bevat ook nog Petri Vlamingii notae. Vlaming citeert een brief van Aldus Manutius, waarin deze Sannazaro en Petrarca vergelijkt. Manutius wilde een gezamenlijke uitgaaf van de Arcadia en van het Canzoniere het licht doen zien, want, schrijft hij aan Sannazaro: ‘Petrarcham ipsum Thuscis numeris jam adaequasti, Latinis autem tantum superas, ut .... etc.’ (p. 631).

Het Sannazaro-commentaar van Joan van Broekhuizen getuigt, dat Petrarca als Latijns auteur geen onbekende voor deze geleerde is geweest.

Pieter Vlaming, die zo juist genoemd is, vermeldt Petrarca in de aantekeningen bij zijn uitgaaf van Spieghel's Hertspiegel. Naar aanleiding van de gewoonte der Rederijkers, om zich tot een ‘Prins’ te richten in hun verzen, zegt Vlaming: ‘Evenals de Provenzalen, en na hun de Italianen het Canzon, of aenspraek aen hun liedt gebruiken, gelijk dit in Petrarcha, Sannazaers Arkadië, en andere oude Italiaensche

[p. 230]

Dichteren gestadig voorkomt.’1) - Bij het bekende vers uit de Hertspiegel: ‘Tot dat de Lauwer-Minner koen op d'Arn brak uyt’,2) geeft Vlaming bij het woord ‘Lauwer-Minner’ slechts het korte commentaar: ‘Petrarcha, minnaer van Laura.’ (p. 75).

Eén der verzamelwerken van Petrus Burmannus (Secundus) bevat een paar aanrakingspunten met Petrarca: Anthologia veterum latinorum epigrammatum et poëmatum.3) Hierin komt een inscriptie voor van een triomfboog te Rome:

 
- ad divortia Rheni
 
Pervasi, hostiles depopulatus agros.
 
Dum tibi, Roma, decus, aeternaque sudo tropaea,
 
Ister pacatis lenior ibat aquis.4)

De uitgever voegt hier een zeer uitvoerige bespreking aan toe, waarvan ik slechts het begin laat volgen: ‘Elegans hoc antiquitatis monumentum exstat apud Pithoeum Lib. IV. pag. 194. sed qui non indicavit, unde id hauserit, primus enim non edidit. Ejus inventi gloria debetur Francisco Petrarchae. etc.’5) - Burmannus wijst er op, dat reeds vroeger andere geleerden deze inscriptie geciteerd hebben, o.a. Justus Lipsius en Janus Gruterus, die beiden Petrarca als bron vermelden.6) De vindplaats is: De remediis, lib. I, dial. 114: De filii, vel amici, vel villici, vel uxoris exspectatione, waarin Petrarca vertelt, hoe Drusus, de stiefzoon van Augustus, vol vreugde werd terugverwacht van zijn expeditie naar het Noorden, maar toen plotseling door de dood getroffen is, ondanks de glorie zijner roemrijke daden, waarvan de inscriptie te Rome getuigt.7)

Een ander epigram draagt het opschrift De vita humiliori. Dit is een fragment uit Petrarca's Latijnse poëzie, namelijk Ecl. III: Amor pastorius, vs. 37 sqq.:8)

 
Quisquis amore volens solido tranquillus et alta
 
Pace frui, majora fuge, et nimis alta caveto,9)
 
Quin etiam vitare parem, licet obstrepat error
 
Publicus, admoneo: fidum tibi junge minoris
 
Pectus, ubi obsequium pernox, hurnilesque vicissem
[p. 231]
 
Blanditiae, dulcisque timor, res cognita paucis,
 
Alta petunt omnes, utinam mihi tale dedissem
 
Consilium, sed cogit Amor, perque ardua vinctum
 
Luctantemque rapit, victor fuit ille Deorum,
 
Molliaque Herculeis aptavit pensa lacertis.
 
Tu cui Libertas salva est, tibi consule eorum.1)

Het werk van Burmannus getuigt, dat de classici wel bekend zijn met de geschriften van Petrarca, al is hun belangstelling meestal beperkt tot hetgeen hij in het Latijn geschreven heeft en wat in verband staat met de oude Romeinse beschaving.

Laurens van Santen gedenkt Petrarca als natuurminnaar in zijn gedicht: Vitae rusticae laudes (1764):

 
Fertilis irrorat qua Clausam Sorgia Vallem
 
Maxima Cecropiae cura Petrarcha Deae,
 
Et famulae consors mensae, consorsque laboris,
 
Delitet ignota per duo lustra casa.2)

In ditzelfde gedicht spreekt Van Santen eerst over de Latijnse eclogae-dichters. Hij heeft dus misschien Petrarca's Bucolicum carmen gekend.

Gerardus Nicolaus Heerkens schreef zijn Notabilium libri, waarin veel wetenswaardigheden over Italië worden meegedeeld.3) Het is een wetenschappelijk reisboek. In verband met Rienzi wordt ook Petrarca genoemd:

Quanta vero spes ex nota Romanorum indole de hominis conatibus, non tantum per omnem Italiam, sed trans Alpes etiam concepta fuerat, declaravit Petrarcha duabus orationibus, quas ad hortandum et instigandum hominem audacissimas ei submisit ex Transalpino suo secessu et vicinia aulae Romanae. (lib. II, p. 98).4)

Als Heerkens over de cultus van de Italianen voor de graven van hun dichters spreekt, uit hij de wens, dat zijn eigen volk een voorbeeld zal nemen aan deze piëteit:

Patavium adveniens a populo et a pueris disces, ubi Petrarchae siti sunt ceneres. Ferrariae, dixi, quam notus sit Areosti vatis tumulus.5) Ravennae in triviis viator ad Aligerii Dantis sepulcrum, ab indocta plebe proripitur. Cum in Italia didicissem, quantopere civitatem illustret monumentum, saepe
[p. 232]
reversus in patriam optavi, nostro populo ut inesset aliquid ab ea veneratione, qua Itali prosequuntur magnorum hominum memoriam. (lib. II, p. 125).

Bij de bespreking van de ‘grot van Virgilius’ te Posilipo (‘Crypta per montem Pausilypum facta’), beroept hij zich op Petrarca, die melding maakt van de overlevering, welke aan deze grot de naam van de grote Latijnse dichter verbindt:

Vulgus piscatorum Virgilium perforati montis auctorem habet; et, quod notabile, ea jam ante quadringentos annos vulgi erat opinio, uti memoratum a Petrarcha. sed sine dubio, quod ab eodem Petrarcha dicitur, vulgaris haec fama nata est, quod sub introitum cryptae sepulcrum est Virgilii, quem vulgus narrat insignem magum fuisse, sepulcrumque vocat scholam Virgilii. (lib. III, p. 63).1)

Florence huldigt hij om de oude beschaving en de glorie, die de vele kunstenaars aan deze stad geschonken hebben:

.... cum Roma non nisi barbarum quoddam jus barbaramque philosophiam saperet, ab Aligerio Dante, a Francisco Petrarcha, a Jo: Boccacio, et a plurimis viris sculptoriae et pictoriae artis peritissimis, quos Florentia seculo XIII et sequente cives habuit, quanta jam versaretur in luce literarum et humaniorum studiorum, intelligi potest. (lib. IV, p. 157).

Heerkens heeft zelf een paar jaren in Italië doorgebracht en dus de cultuur van dat land in eigen omgeving leren bewonderen. Zijn werk Italicorum libri III (Groningae 1792) houdt verband met zijn verblijf in het Zuiden. Voorin staat een gedicht van J.H. Hoeufft: In Gerardi Nicolai Heerkens Italica. Hier wordt de lof van Italië gezongen, waarbij ook aan enige beroemde dichters herinnerd wordt (p. XIII):

 
Testor utraque lyra celebrem, te culte Petrarcha,
 
Quo vetus est Latio dante renata salus.
 
Testor Areosti, testorque poëmata Tassi,
 
Et, Sincere, tuam, Flaminiique chelyn.

Heerkens zelf noemt Petrarca in een elegie, aan Gerard Meerman gericht:

 
Vir magnus Petrarcha, libros hoc indice priscos
 
Legerat, excoluit pectus et inde suum.
 
Sed nequiit cultum scriptis dare.... etc. (lib. II, p. 103).

Al wordt Petrarca's baanbrekende arbeid gereleveerd, toch klinkt hier weer kritiek ten opzichte van zijn Latijn. Heerkens spreekt nergens uitvoeriger over Petrarca in zijn kwaliteit van Italiaans dichter, omdat hij als classicus zijn belangstelling op de Latijnse geschriften richt.

 

De Henriade van Voltaire heeft ook in ons land grote bekendheid verworven. In de aantekeningen, die de vertalers er aan toevoegen, vindt men soms bizonderheden over Petrarca en wel naar aanleiding van een passage uit het 9de boek. Daar bezingt Voltaire, hoe Amor zich op weg begeeft naar de Franse koning. Zijn

[p. 233]

tocht voert hem ook door Provence, waar eens Petrarca zijn liefdezangen heeft gedicht:

 
Bientôt dans la Provence il voit cette fontaine,
 
Dont son pouvoir aimable éternisa la veine,
 
Quand le tendre Pétrarque, au printemps de ses jours,
 
Sur ses bords enchantés soupirait ses amours.

In de oudste Nederlandse vertaling van Klinkhamer zijn deze verzen als volgt weergegeven:

 
En vloog met nieuwe lust en blydschap naar Vaucluse,
 
In 't landschap van Provence, een schuilplaats vol van vreugd,
 
Een plaats van liefflykheid, daar eêr, in zyne jeugd,
 
Petrarch, aan wien Apol zyn gunsten mededeelde,
 
Zyn schoone verssen zong, en Minne-zangen kweelde.1)

Onder aan de bladzij staat een noot, die Klinkhamer overgenomen heeft uit de Franse editie van 1739, waar zijn vertaling wel op teruggaat: ‘Vaucluse Vallisclausa na by de Gordes in Provence vermaart door het verblyf dat Petrarcha in de naby gelegene streek hadde, men ziet zelfs digt by haaren oorsprong een huys, dat men het huys van Petrarcha noemt.’

Ook Sybrand Feitama heeft zijn krachten gewaagd aan een Nederlandse vertolking van de Henriade. De genoemde verzen uit het 9de boek luiden bij hem:

 
De Siciljaansche kust naar 't bly Provence ontweken,
 
Vertoeft hy by Vaucluse, in de aangename streken,
 
Daar, hem ten roem, Petrarch in 's levens lentetyd
 
Aan schoone Lauraas deugd zyn zangen had gewyd.2)

In deze vertaling van Feitama zijn de aantekeningen heel uitvoerig; hij heeft ze uit verschillende Franse edities (1739, 1745....) verzameld en voegt hier nog eigen aanvullingen tussen in, voornamelijk bizonderheden over de bron van Vaucluse. (p. 265-266). Verder citeert hij het gedichtje van Vondel: Op de afbeelding van Petrarcha, staande by Laura. (zie p. 163). Daarop volgt dan Moonen's aantekening over de grafschending, die voorkomt in zijn Poëzy en reeds boven is besproken. (p. 175). Feitama verwijst ook naar de gedichten van Huygens en Hooft op dit onderwerp en eindigt met het citeeren van de passage, waarin Moonen die gebeurtenis herdenkt. (p. 266-267).3)

Het getuigt van zekere piëteit èn jegens Voltaire, èn jegens Petrarca, dat Feitama

[p. 234]

een dergelijk uitvoerig commentaar vervaardigt, om de verzen over de Italiaanse dichter in de Henriade te begeleiden.1)

 

Joan Jacob Mauricius spreekt over Petrarca in zijn werk: Onledige ouderdom. Hij betoogt, dat sommige dichters juist op hoge leeftijd mooie verzen geschreven hebben; als voorbeelden noemt hij o.a. Petrarca en Ronsard.2) De inhoud van zijn werk handelt voor een deel over de geschiedenis van de letterkunde. De schrijver wijst op de grote rol, die de Oudfranse taal gespeeld heeft: ‘Ze wierdt reeds in gants Europa voor de alleraangenaamste gehouden. De Italiaanen schreeven 'er in, en de liederen van den Koning van Navarre, die wy nu qualyk verstaan konnen, wierden door Dantes en Petrarcha voor onnavolglyk geacht.’3)

 

In de 18de eeuw is een werk verschenen, dat een mijlpaal vormt in de Petrarca-studie: Mémoires pour la vie de François Pétrarque, tirés de ses oeuvres et des auteurs contemporains, avec des notes ou dissertations, et les pièces justificatives. Amsterdam, Arskée et Mercus, 1764-1767. De schrijver van deze époque-makende biografie is l' Abbé de Sade, wiens werk, met voorzichtigheid geraadpleegd, tot op onze tijd zijn waarde heeft behouden. Men vindt hier een uitgebreid documentenmateriaal verzameld; nooit te voren is een dergelijke massieve historisch-literaire studie van Petrarca en zijn leven gemaakt. Ook heeft De Sade in de Mémoires talrijke gedichten uit de Rime in Franse vertaling weergegeven, zodat deze poëzie een breder kring van lezers kon bereiken.

Sinds de verschijning van deze biografie heeft de Petrarca-studie bepaalde uitgangspunten. Het werk verraste vooral door een geheel nieuwe beschouwing met betrekking tot de persoon van Laura, die door De Sade geïdentificeerd wordt met Laura de Noves, echtgenote van Hugo de Sade en moeder van diens talrijk kroost. De schrijver baseert deze uitspraak op stukken uit het familie-archief van het geslacht De Sade. Vooral om deze reden trokken de Mémoires direct de aandacht. Als cardinaal punt wordt hier dus de opvatting geponeerd, dat Laura een getrouwde

[p. 235]

vrouw is geweest. Nu valt een ander licht op het karakter van Petrarca's liefde, welke De Sade voor het eerst in verband met de geest van de tijd beschouwt.

Zijn mening is echter vaak bestreden, vooral door Tiraboschi en Tytler; Ugo Foscolo daarentegen houdt zich aan de opinie van de Franse abt.1) Tegenwoordig betwijfelt men vrij algemeen de waarheid van zijn stelling, want het is gebleken, dat sommige der gepubliceerde documenten niet authentiek zijn. Of, bij gebrek aan beter, aanvaardt men stilzwijgend de voorstelling, zoals hij die geeft. - Door het genoemde werk heeft de belangstelling voor Petrarca in ieder opzicht aan intensiteit gewonnen. De Sade schetst uitvoerig de geschiedenis van deze dichterliefde; hij vertelt, welke feiten of gemoedservaringen aan de verschillende gedichten uit het Canzoniere ten grondslag liggen. Tevens opent hij een prachtig veld voor de fantasie van letterkundigen, die het verhaal van Petrarca en Laura in lyrische geest willen bewerken.

Men heeft er wel aan getwijfeld, of het werk inderdaad in Amsterdam ter perse is gelegd. Sommige bibliografen nemen aan, dat de Mémoires in Avignon verschenen zijn. Fiske zegt als volgt: ‘The names of the suppostitious publishers appear to be an intentional deception. The title of the firm at Amsterdam, which existed from 1734 to 1789, was Arkstée & Marcus (not Arskée & Mercus).’2)

Welke reden heeft De Sade hiertoe gehad en wat bewoog hem, zijn naam aan het werk te onthouden? Wilde hij op deze wijze de indruk vermijden, dat de Mémoires in letterlijke zin ‘pro domo’ geschreven zouden zijn?

De verspreiding van het werk in Europa is bevorderd, doordat een Engelse en Duitse vertaling verschenen zijn.3) Wij zullen herhaaldelijk zien, dat de Mémoires ook in ons land hun invloed op de Petrarca-studie doen gelden.

 

Rijklof Michaël van Goens heeft verschillende letterkundige opstellen geschreven in het tweede deel van de Nieuwe Bydragen tot den Opbouw der Vaderlandsche Letterkunde. (1766). Hij publiceert hier ook een verzameling stilistische aantekeningen, waaruit zijn kennis van Petrarca's werk blijkt: herhaaldelijk citeert hij plaatsen uit het Canzoniere, om zijn beschouwingen over kwesties uit de poëtiek toe te lichten.4) Daarom volgt iets naders over deze Proeven uit den Dichtkundigen Ligger van den Philosophe sans fard. (II, p. 547 sqq.). Van Goens bezit een fijn gehoor voor de klank van het vers in verband met de ideeën of sentimenten, die de dichter uiten wil. Hij geeft een reeks notities op het gebied der vergelijkende studie van dichterlijke beelden en motieven. Een voorbeeld volgt:

[p. 236]
Men kan zeggen van iemand, die vroeg veel kennis bezit, hy heeft veel jaren van wetenschap, van wijsheid.
 
Nell' età giuvenil pensier canuto. Petrarca.
 
In een jongen ouderdom denkt hij als een grijsaerd. (II, p. 566).1)

Een ander bekend motief, ook geliefd bij de Petrarquisten, geeft Van Goens aanleiding tot beschouwingen over de voorstelling, dat de schoonheid der geliefde invloed uitstraalt op de omringende natuur. Hij herinnert ook aan een sonnet van Petrarca. Waarschijnlijk heeft hij gedacht aan Son. 129: Lieti fiori e felici e ben nate erbe. Hij persoonlijk zou deze wonderlijke macht, om door blik en tred de velden te doen bloeien, alleen aan Venus zelf toegekend willen zien. (II, p. 571 sqq.).

Interessant is het hoofdstuk: Over de woord-herhaling. (II, p. 631 sqq.). Op uitnemende wijze ontleedt de schrijver, welke dichterlijke effecten met dit stijlmiddel bereikt kunnen worden. Telkens geeft hij voorbeelden uit verschillende auteurs, waaronder ook Petrarca. Als Van Goens de werking ‘in het treurige’ bespreekt, kenschetst hij de herhaling als ‘gevende door een zekere onorde, die zoo eigen is aan een klacht, en te gelijk een kracht en nadruk, die den lezer aendoet, en door hem gedurig op het onderwerp van droefheid te rug te brengen, noodzakelijk belang doet nemen in de droefheid, die afgeschilderd wordt.’ - Voorbeelden volgen, o.a. uit Guarini en ook herinnert Van Goens aan het sonnet, dat Petrarca geschreven heeft ‘Sopra la morte di Messer Cino.’ (II, p. 641).2) Uit dit sonnet zal ik enkele regels citeeren, opdat blijkt, wat Van Goens wil zeggen. Na het sterven van Cino da Pistoia, zijn vriend en leermeester, klaagt Petrarca in de volgende bewoordingen:

 
Piangete, donne, e con voi pianga Amore;
 
piangete, amanti, per ciascun paese;
 
................
 
Piangan le rime ancor, piangano i versi,
 
.................
 
Pianga Pistoia e i cittadin perversi etc.3)

Verder merkt Van Goens op, hoe de woordherhaling soms de impressie geeft van een verwijt, en: ‘by Petrarca is 't een klagend verwijt.’ Hij citeert het begin van Son. 282:

 
Hor hai fatto l'estremo di tua possa,
 
O crudel morte; hor hai 'l regno d'Amore
 
Impoverito; hor di bellezza il fiore,
[p. 237]
 
E 'l lume hai spento e chiuso in poca fossa.
 
Hor hai spogliata nostra vita, e scossa
 
D'ogni ornamento e del sovran suo honore. (II, p. 651).

Wanneer hij op dergelijke wijze het gunstig aesthetisch effect van de iteratie besproken heeft, behandelt Van Goens verschillende gevallen, waarin de toepassing literair beschouwd ‘krachteloos’ is. Eerst wordt een Latijns gedicht van Hugo de Groot in dit opzicht aan de kritiek getoetst en dan vervolgt de schrijver:

In denzelfden smaek is de Canzon XLIV1) van Petrarca, behelzende een lofzang aen de H. Maegd, waermede hy zyne Canzoni en Sonetti besluit: iedere stropha begint met het woord Vergine, en bevat ene byzondere deugd of eigenschap waerom haer de dichter roemt, als vergine bella, vergine saggia, vergine pura, santa, &c. die in de stropha zelfs verder uitgebreid worden. In dit soort dient de herhaling als 't ware voor een lemma of korten inhoud, en maekt dat men de orde en schakel der gedachten, welke de dichter gehouden heeft, gemaklijk na kan gaen. De vinding daervan is op zich zelfs niet onaerdig, en kan voor een enkele keer doorgaen. (II, p. 662-663).

Van Goens is echter bang voor overdreven ‘esprit de système’ in een dichtwerk. Zijn goede smaak waarschuwt hem voor te veel verstandelijke elementen in de poëzie. Hij eindigt zijn bespreking met de volgende woorden: ‘Iets 't geen elk ten minsten stuiten moet in de aengehaelde voorbeelden van Grotius en Petrarca, is de styvigheid, die het zelfde woord, gedurig op de eige plaats wederkomende, noodzakelijk aen dezelven moest geven. -’ (II, p. 663).

Deze Proeven uit den Dichtkundigen Ligger bewijzen, dat Van Goens Petrarca gekend heeft. Vooral geeft hij zich rekenschap van de aethetisch-literaire waarde van verschillende gedichten. Zijn belangstelling voor de Italiaanse zanger blijkt ook uit de inventaris van zijn rijke bibliotheek, waarvan de veilingscatalogus bewaard is.2)

Hij bezat de Opera van 1581 en verder een afzonderlijke uitgaaf van De vita solitaria en De remediis utriusque fortunae.3) Wel een tiental exemplaren van de Rime is aanwezig. Hier zijn zeldzame, oude edities bij, sommige met beroemde commentaren, - van Gesualdo, Vellutello, Bembo, e.a. (I, p. 481-482). Men vindt er bovendien vertalingen van het Canzoniere: de oudste Spaanse (1591) en een Duitse van jonger datum. (1764). (I, p. 482, 483). Ook heeft Van Goens verschillende werken of geschriften over Petrarca in zijn bezit gehad: de Mémoires van De Sade, Acker's editie Petrarchae vita ac testamentum, Li due Petrarchisti, en een studie van Erizzo over een drietal canzonen. (I, p. 477 en 483).4)

[p. 238]

Een collectie Petrarca-boeken als Van Goens bezat, is een bizonderheid in onze letterkunde. Het is wel een getuigenis van zijn sympathie voor de zanger van Laura. Hij correspondeerde ook met bekende Italianen, o.a. met Cesarotti, de Italiaanse Ossian-vertaler. Deze klaagt in één zijner brieven aan Van Goens over de geest in de letterkundige Academie te Padua: ‘.... ella è cosi meschina che si può applicarle il passo di Dante: non ragionar di lei; ma guarda e passa. Quattro Sonetti alla Petrarchesca fanno la sua principal gloria.’1) Hier ziet men, hoe lang het Petrarquisme zich voortgezet heeft in de Italiaanse literatuur!

Van Goens begrijpt, dat de poëzie van Petrarca in verband met de geest van zijn eeuw beschouwd moet worden. Dit blijkt vooral uit zijn ‘Voorrede’ bij de Nederlandse vertaling van een uitgebreide gids voor Italië, die nu besproken zal worden.

Het betreft een belangrijk werk van D.J. Volkman: Reis-boek door Italiën.2) Dit wordt ingeleid door de ‘Voorrede van den Heer ***. Lid van verscheide Akademien in Italiën.’ Onder deze aanduiding gaat Van Goens schuil, die talrijke Italiaanse relaties had. Uit het voorbericht blijkt zijn sympathie voor Italië en zijn juiste blik op het karakter der bevolking. Hij bestrijdt buitenlandse auteurs, die door gebrek aan inzicht op dit punt de Italianen onrecht doen. Vooral richt hij zich tegen S. Sharp, de schrijver van de Letters from Italy (London 1767), die o.a. de Italiaanse opvattingen van de liefde op heel ongunstige wijze beoordeelt. Deze Engelse auteur had hierbij vooral het oog op het z.g. ‘Cicisbeïsme’, door hem gedefinieerd als ‘the abominable and infernal fashion of taking cavalieri serventi.’ Hij stelt het voor, alsof de Italianen die zede opzettelijk ingevoerd zouden hebben. Van Goens heeft andere opvattingen: hij zoekt de oorsprong in de geestesaanleg en de psyche van het Italiaanse volk en belicht de cultuurhistorische achtergrond van het verschijnsel:3)

De eigentlyke oorsprong van het Cicisbéismo is in den toon te zoeken, dien Petrarcha en deszelfs navolgers aan geheel Italien, vooral de noordelyke gewesten, gegeven heeft. Om dit te begrypen moet men Petrarcha kennen, den aart zyner denkenswyze, de algemeene bewondering zyner gedichten, en den groten invloed derzelven op de zeden van Italien, vooral in de XV. en XVI. euw, weten. (p. XLIV).

Over het Cicisbeïsme had men zich reeds bezorgd gemaakt in Holland. Het tijdschrift De Menschenvriend plaatste in 1742 al een waarschuwend artikel, om de jeugd afkeer in te boezemen van deze ‘sentimenteele, platonische Galantery.’4)

[p. 239]

In Van Goens, die Petrarca verdedigt, weerspiegelt zich de drang tot psychologische analyse, die de tweede helft der 18de eeuw kenmerkt. Hij begrijpt, dat zijn poëzie in verband met de Italiaanse mentaliteit beschouwd moet worden.

Ook tot de meer rechtstreekse verspreiding van bizonderheden over Petrarca is door Volkman's Reis-boek, dat zeer populair was, ongetwijfeld iets bijgedragen. In het tweede deel wordt bij de bespreking van de Toskaanse dichtkunst, na een beschouwing over Dante, de volgende mededeling over Petrarca gedaan: ‘De andere groote Toskaansche dichter is Petrarca, die zich door zyne liefde tot Laura in zoo veele klinkdichten vereeuwigd heeft. Zyn vader was by gelegenheid der oproeren tusschen de Guelfen en Gibellynen van Florence naar Arezzo gevlugt, waar deeze dichter in 't jaar 1304 gebooren werd.’ (II, p. 224).1)

Belangrijker zijn echter een paar bladzijden uit het zesde deel van het Reis-boek. Het overzicht van Padua en omstreken wordt aanleiding tot een aardige passage over Arquà, waar zich het landhuis en het graf van Petrarca bevinden.

Arqua of Arquato, een' plaats den bewonderaaren van Petrarca even zo gewigtig, als Assisi of Loretto den bedevaarderen. De liefde van dien digter voor Laura is te bekend, dan dat wy 'er ons by op zouden houden. Na dat hy ze lange jaaren bemind, en ondertusschen dan hier dan daar herom gezworven had, verloor hy ze eindelyk door den dood. Frankrijk stond hem toen volstrekt tegen. Hy verkoor den geestlyken staat, en zettede zig, na eenige prebenden verworven te hebben, te Arqua neder, waar hy ook in zyn vier en zeventigste jaar overleed. Zyn graf vindt men by de kerk, met de drie volgende regels:
Frigida Francisci.... etc.2) .... Aan een bron te Arqua leest men deeze vaarzen:]
 
Fonti numen inest, hospes venerare liquorem,
 
Unde bibens cecinit digna Petrarcha Deis.
Het gewezen huis van Petrarca ligt op een' heuvel. De volgende eigenaars hebben boven de deur in den tuin en op den wynberg doen zetten:
 
Impune hinc Cererem sumas, impune Lyaeum,
 
Intectas habeat dum mea Laurus opes.
Geen digter zal zig ligt beroemen kunnen, dat men zyn gebruikt huisraad als de reliquien eens heiligs bewaart. Verscheiden stukken van zyn hier overig gebleven huisraad zyn met vaarzen van goede digters vereerd, welken men in koper gebragt vindt in Jacobi Philippi Tomasini Petrarcha redivivus.3) In sommige vertrekken heeft men de gedagtenis des digters door allerlei
[p. 240]
mythologische schilderyen gezogt te bewaaren, die men ook in 't aangehaalde werk van Tomasinus vindt. Men vertoont den stoel van Petrarca, dien Pignorius bezongen heeft. Op zyn tafel heeft Joannes Argolus een gedigt van veertien regels, en Joannes Rhodius het volgende distichon gemaakt:
 
Limpida servavi mensis crystalla Petrarchae,
 
Simplicitas aevi quae fuit inde patet.
Nog vertoont men 't geraamte eener kat, die de lieveling des digters was, ter welker eere Querengo eenige vaarzen gemaakt heeft. (VI, p. 188-189).

Hier heeft de Hollandse lezer aardige bizonderheden over Petrarca en Arquà kunnen vernemen. Duidelijk ziet men hier, hoe geestdriftig Italianen en vreemdelingen Petrarca bewonderen, zodat men ‘bedevaarten’ naar Arquà onderneemt en zelfs het huisraad van de dichter ‘als de reliquien eens heiligs’ vereert. De vermelding van dergelijke trekken moet in ons land de belangstelling voor Petrarca en zijn poëzie vergroot hebben.

 

Nicolaas ten Hoven heeft voor zijn vrienden het volgende boekwerk uitgegeven: Mémoires généalogiques de la Maison de Médicis. (La Haye 1773-1775). Bij de bespreking van de oude Florentijnse cultuur geeft de schrijver ook een heel goed overzicht van Petrarca's leven en zijn poëzie.1) De Sade's Mémoires hebben hem als bron gediend. In zijn kritiek toont hij echter oorspronkelijkheid en bestrijdt b.v. Fleury's onredelijk oordeel over Petrarca.2) Hij verdiept zich in beschouwingen over de aard van 's dichters liefde, maar spreekt zonder geestdrift over Laura.3) De legenden over hun ontmoetingen in Vaucluse verwerpt de schrijver. Hij roemt speciaal verschillende canzonen, waaronder het drietal op de ogen van Laura,4) en noemt Voltaire als vertolker van een enkel fragment uit het Canzoniere. De auteur geeft uitstekende opmerkingen over de moeilijkheden, die het vertalen van Petrarca's verzen met zich brengt: ‘Ses sentiments et ses pensées sont un parfum subtil, qui s'évapore quand on veut le transvaser.’5)

Son. 184: Onde tolse Amor l'oro e di qual vena wordt in Franse parafrase geciteerd, terwijl de Italiaanse tekst in de noten is opgenomen.6) De betekenis van Petrarca's Latijnse werken wordt onderschat. Goed is de korte karakteristiek van de epigonen, die zijn poëtische stijl hebben voortgezet. Ten Hoven spreekt ook over de leermeester

[p. 241]

van de dichter, Cino da Pistoia, en citeert een fragment uit de brief, waarin deze zijn liefste leerling smeekt, de studie van de rechten weer op te vatten.1)

Ook elders in zijn werk spreekt de schrijver over bepaalde sonnetten van Petrarca: het pontificaat van Leo X geeft hem aanleiding tot beschouwingen over het ontstaan der Hervorming; hierbij citeert hij als getuigenis over de toestanden in de Kerk eerst een passage van Dante2) en vervolgt: ‘S'il se peut les invectives de Pétrarque sont encore plus fortes.’ Na deze uitspraak geeft hij een bloemlezing uit de anticuriale sonnetten, in Frans proza.3) In de noten vindt men de Italiaanse tekst.4) Overeenkomstig de oude traditie wordt Petrarca dus weer genoemd in verband met zijn kritiek op de Curie. Toch ziet men, dat de vermeldingen in later eeuwen de tendentieuze felheid missen, waarmee auteurs als Marnix de dichter als zodanig ten toneele voeren. Het werk van Ten Hoven getuigt van de invloed, die De Sade's Mémoires hebben uitgeoefend: het beeld van Petrarca als mens is hierdoor met heel veel typische trekken verrijkt.

 

In zijn Theorie der Schoone Kunsten en Wetenschappen spreekt Van Alphen niet over Petrarca, maar wel in zijn Digtkundige Verhandelingen. (Utrecht 1782). Dit werk begint met een ‘Inleidende Verhandeling over de Middelen ter Verbetering der Nederlansche Poëzy.’ Als Van Alphen het rijm in de dichtkunst verdedigt, herinnert hij aan de grote Italianen: ‘Bij de Italianen hebben insgelijks de beste digters, als Dante, Tasso, Petrarca, Guarini, en Metastasio, zig altoos van het rijm bediend; etc.’ (p. CXXII).

Wanneer hij in een ander opstel betoogt, dat in ‘wezenlijke dichtstukken’ de ‘sensibiliteit’ (het gevoel) moet spreken, noemt hij Petrarca als voorbeeld in zeer eigenaardig Hollands gezelschap: ‘Juffr. v. Merkens Heldenbrieven zijn vol gevoel, ook de gedigten van Voet, en Petrarcha's liederen, zo wel als die van Ovidius en Tibullus.’ (p. 97).

Elders wijst hij er op, hoe de ‘teergevoeligheid’ van de dichter zich juist door leed en smart ontwikkelt: ‘Homerus was arm, Dante ongelukkig, en Tasso werd veragt in zijn leven, en stierf zelfs van hartzeer..... Men behoeft Petrarcha slegts te leezen, om te zien, dat het hem in de weereld aan geen verdriet ontbrak.’ (p. 124). - Betekenis heeft de noot, die de schrijver toevoegt aan zijn mededeling over Petrarca:

Bijaldien het waar was, gelijk men in de Memoires de M. l' Abbé de Sade schijnt te veronderstellen, dat de liefde van Petrarcha voor Laura slegts eene gefingeerde hartstogt is geweest, dan vervalt wel het geen ik van
[p. 242]
hem gezegd heb, maar zijne natuurlijke teergevoeligheid om zig in eens anders stand te kunnen plaatsen, wordt daar door maar des te grooter. Het is ver van onmogelijk te zijn, daar men in veele digters het zelfde gezien heeft. (p. 124, noot).

Bij Van Alphen vertoont zich een spoor van de achttiende-eeuwse psychologische analyse, waardoor men ook nader onderzoeken wil, van welke aard de gevoelens van Petrarca voor Laura geweest zijn. Hij noemt hier de naam van De Sade, wiens Mémoires hem dus misschien enigszins bekend waren, hoewel bovenstaande passage niet de indruk wekt, dat er van eigen lectuur sprake is.1) In de catalogus van zijn bibliotheek komt het werk van De Sade ook niet voor.2) Wel wordt hierin, bij verschillende andere Italiaanse boeken, een editie vermeld van Le rime di Francesco Petrarca (Parigi 1768), benevens een Franse bloemlezing uit zijn poëzie.3)

 

Feith gewaagt meer dan eens van Petrarca in zijn Brieven over verscheide Onderwerpen. (Amsterdam 1784-1793). Daar is in de eerste plaats een studie Over het onnatuurlijke geoutreerde onwaarschijnlijke enz. (I, p. 59 sqq.). Een criticus had als volgt over een bepaalde roman gezegd:

De geheele kleene Roman is met gevoel en kieschheid geschreven - alleen is het te bejammeren, dat alle de sentimenten boven de natuur, de hartstochten geoutreerd en een groot gedeelte der toneelen romanesk zijn. In een woord; hij kan bij ons worden, wat Göthe bij de Duitschers, Rousseau bij de Franschen, Petrarcha bij de Italiaanen, en Richardson bij de Engelschen is. (I, p. 60-61).

Feith tekent verzet aan tegen deze uitspraak. Mensen, bij wie ‘verstand’ en ‘smaak’ niet evenredig vertegenwoordigd zijn, kunnen niet zuiver oordelen, omdat hun de ware gevoeligheid ontbreekt. Zij beschouwen hetgeen anders aangelegde personen over natuur, liefde en vriendschap zeggen als ‘geoutreerd’: de Werther en de romans van Rousseau noemen zij ‘onnatuurlijk en romanesk’. - Dan volgt een passage over Petrarca, waaruit blijkt, welke voorstelling Feith van de Italiaanse dichter heeft gehad:

Hoe of Petrarcha hierin gevoegd wordt, begrijpe ik niet. Zeker behoort hij onder den rang der gevoelige harten - maar geheel naar het zachte van 't gevoel overhellende, moest hij, naar mijn gedachten, aan een koud en onverschillig Publiek eer flaauw dan geoutreerd toeschijnen. Lees slechts zijn: Chiare, fresche e dolci aque enz. Alles is even zacht, even smeltend. Men kan zich niet onthouden van eene stille droefgeestigheid, die zich van de
[p. 243]
geheele ziel meester maakt, en tot op den bodem van het hart doordringt.1) De Fontein van Vaucluse wordt van oogenblik tot oogenblik belangrijker. Men wenscht, men verbeeldt zich haare zuivere wateren te horen murmelen. Maar vergeefs zou men eenige sterkere trekken in hem zoeken - de driften blijven bij hem altijd binnen zekere paalen - in de gedachtenis zijner Laura te leven was zijn hoogste wellust - het grovere van de liefde scheen hem van weinig waarde te zijn. 't Is misschien van hier, dat Wieland gelooft, dat hij slechts eene intellectueele of metaphysische liefde voor Laura bezeten hebbe.2) Dan anderen geloven, naar mijn inzien met meer grond, dat de tijd, waarin hij leefde, veel invloed op zijne wijze van de Liefde te behandelen gehad hebbe: ‘il falloit paroitre avoir en quelque sorte oublié les facultés corporelles et le besoin des sens pour plaire a sa maitresse dans ce temps.’ (I, p. 79-80).

Ook Petrarca wordt door Feith dus gerangschikt ‘onder den rang der gevoelige harten,’ maar tevens wijst deze op de zachte, kwijnende toon van zijn poëzie. Juist de canzone Chiare, fresche e dolci acque wordt als voorbeeld genomen. De stemming van de achttiende-eeuwse sentimentaliteit verraadt zich in die ‘stille droefgeestigheid’ en in de lyrische ontboezeming over de ‘Fontein van Vaucluse.’ Ook Feith geeft zich rekenschap van het karakter van Petrarca's liefde. Hij let op het abstracte element hierin en verdedigt de opvatting, dat men bij zijn beoordeling uit moet gaan van de tijd, waarin de dichter leefde.

In het vierde deel van de Brieven vindt men een Inleiding tot een Briefwisseling over het Minnedicht. (IV, p. 58 sqq.). Feith behandelt de kwestie, welke dichtsoort het meest geëigend is voor het minnedicht. De schrijver merkt op, dat ‘.... de Italianen, zo als men uit Petrarcha zien kan, 'er het Sonnet, hun meest geliefkoosd vers, en in 't welk zij, zonder tegenspraak, boven alle andere volkeren, eene in 't oogloopende meerderheid bezitten, toe verkiezen.’ (IV, p. 60, noot). Vervolgens ontwikkelt hij bepaalde ideeën over het sonnet in verband met de liefdeslyriek:

Zo inmiddels eenige soort van Versen in het Minnedicht den voorrang, wegens haare afkomst, moest hebben, zouden het zeker de Sonnetten moeten zijn. Petrarcha, de tedere Petrarcha, vond ze uit, althans zo hij ze van de Poëtes Provencaux, toen Trouveres, Chanterres en Jongleurs genoemd, en zeer gezien door zekere galante Vergaderingen, welke men les cours du Parlement d'Amour noemde, en die in sommige Steden van Provence gehouden werden, al ontleende,3) gelijk de Franschen, om de eer der eerste uitvinding weer aan hunne eigen oude Dichters toe te kunnen kennen, beweeren, verbeterde hij ze echter, en gebruikte ze om zijne Liefde voor Laura te Vaucluse uit te boezemen. Petrarcha leefde in de veertiende Eeuw, en de Franschen leerden het Sonnet eerst onder François I kennen. Ondertusschen is er uit de natuur
[p. 244]
der zaak geen ongeschikter soort van Versen voor het Minnedicht, dan Sonnetten. Men behoeft, om dit toe te stemmen, alleen in aanmerking te nemen, dat het Minnedicht de eenvoudigste natuur vordere en dat het Sonnet een der kunstigste soorten van Versen zij, en altijd den arbeid van den Dichter verraade. ‘Es hat so ziemlich das Ansehen einer poëtischen Tändeley’, zegt Sulzer op het woord: Sonnet. (IV, p. 61-62).1)

Feith poogt dus de historische betekenis van Petrarca vast te stellen in verband met de ontwikkeling van het sonnet. Uit het slot van de passage spreekt heel duidelijk de achttiende-eeuwse verheerlijking van de spontane, primitieve gevoelsuiting, juist ook op het gebied van de liefdeslyriek, zodat men aan het minnedicht vóór alles de eis van natuurlijkheid en eenvoud stelt: daarom bewondert men Anacreon, maar twijfelt aan de waarachtigheid van de liefdegevoelens der sonnettendichters.

Het vijfde deel van de Brieven is bijna geheel aan studies over het minnedicht gewijd. Feith beproeft ook een Verdeeling van het minnedicht. (V, p. 85 sqq.). Hij bespreekt eerst Wieland's opvattingen, die de liefde verdeeld had in hartstocht, geestelijke sympathie en dan een soort mengeling van deze beide elementen.2) Feith merkt op, dat hier misschien drie categorieën van minnelyriek bij kunnen aansluiten. Het werk van Ovidius zou tot de eerste groep behoren, dat van Petrarca of Klopstock tot de volgende: ‘Tot de tweede zouden wij dan het waare Minnedicht kunnen brengen, de stukjes van Petrarcha op Laura, bij voorbeeld; van Klopstock op Cidli, en alle die beminlijke Gedichtjes, die ons de Liefde als de volmaakster van ons wezen, als de eeuwige Gezellin der Natuur en Onschuld doen kennen, en ons door dezelve op beiden doen verlieven, tot beiden terugbrengen.’ (V, p. 91-92). - Petrarca naast Klopstock! In beiden waardeert men een zeker lyrisch pathos.

In zijn brief Over het Nationaale Minnedicht (V, p. 115 sqq.) bespreekt Feith, hoe de liefdeslyriek van ieder volk een eigen karakter bezit. De minnedichter moet, volgens hem, wel aansluiten bij de smaak en geest van zijn volk, maar - hij moet ook trachten zijn landgenoten door zijn kunst te veredelen:

Onderstel, dat ik Minnedichter onder eene zeer zinnelijke Natie ben. Zal ik nu voor dezelve eene liefde schilderen, die naar louter intellectueele wezens berekend is, eene liefde, zo als die van Petrarcha voor zijne Laura? Zal ik enkel van de schoonheid der ziel, enkel van die hooge bekoorlijkheid spreken, die meer met de oogen des verstands onmiddelbaar ontdekt, dan door behulp der zinnen vernomen kan worden.3) Geenzins, al het voordeel dat mij onder mijne Landgenooten hier uit te wachten stond, zou zich tot den eertijtel
[p. 245]
bepaalen, bij de Vrouwen van eenen beminlijken, bij de Mannen van eenen belagchlijken Dweeper,1) en het nut - nut deed ik volstrekt nergens. Den tegenoverliggenden weg dan? Alles zinnelijkheid?.... etc. (V, p. 130-131).

Feith verkondigt nu als zijn standpunt, dat de dichter het zinnelijke minnedicht van zijn volk moet veredelen. Hij verdedigt hier dus het bondgenootschap van minnelust en deugd, dat hij eveneens in zijn romans propageert.

Het godsdienstige element, dat Feith aan de liefde verbindt, blijkt ook uit zijn beschouwingen Over het Minnedicht bij uitnemendheid. (V, p. 160 sqq.). De liefde moet een edele neiging zijn, ‘door den Godsdienst geheiligd’. Feith beschrijft, hoe de ware minnaar dan tegenover ‘zijne Vriendinne’ staan zal: ‘.... de hoogere begaafdheden haarer ziel gaven aan haare ligchaamlijke bekoorlijkheden de beste waarde in zijne oogen; het waren de toveraars, om mij van eene uitdrukking van Petrarcha te bedienen, die, door eene onwederstaanbaare bevalligheid over alles wat zij sprak of deed uit te storten, hem verwandeld hadden.’ (V, p. 183).2)

Ook hier spreekt Feith weer het woord van Wieland. Ik citeer nogmaals een passage uit Die Grazien. De schrijver zegt hier als volgt, juist over Petrarca, die hij als het ideaal-type van de minnaar schildert: ‘Es ist wahr, er spricht an mehr als einem Orte von der körperlichen Schönheit seiner Geliebten mit genugsamer Empfindung, um das Lächerliche einer blos intellectualischen Leidenschaft zu vermeiden. Aber nur die Schönheit ihrer Seele, und die Grazien, die diese über alles, was sie sagt und thut, ausgieszt, sind (wie er sich ausdrückt) die Zauberer, die ihn verwandelt haben.’3)

Het beeld, dat Feith ontwerpt van de ideale dichter-minnaar, vertoont gelijkenis met de voorstelling, die Wieland van Petrarca geeft. Sterk spreekt het bewustzijn, dat de dichter in zijn geliefde een verheven leidsvrouw beminnen moet, die hem tot de kennis van God en de hoogste deugd doet stijgen. - Wat zijn opvattingen over Petrarca betreft mogen wij, op grond van de geciteerde passages uit zijn Brieven over verscheide Onderwerpen het volgende vaststellen. Feith ziet Petrarca als een ‘teder’, ‘smeltend’ dichter.4) In aansluiting bij Wieland legt hij sterk de nadruk op het zuiver geestelijk karakter van Petrarca's liefde. Evenals De Sade begrijpt hij, dat men de dichter ook in dit opzicht in verband met de geest van zijn tijd moet beschouwen. Belangrijk is, dat hij zijn aandacht rechtstreeks richt op Petrarca als dichter en minnaar. De Italiaanse lyricus met zijn liefde vormt een boeiend object voor de literaire aesthetiek, waar de Achttiende-eeuwers zich gaarne in verdiepen.

[p. 246]

Bellamy vergelijkt zichzelf en Francisca Baane bij niemand minder dan Petrarca en Laura. Een gedicht Aan Fillis uit de Gezangen mijner jeugd begint als volgt:

 
Petrarcha moge Laura's schoon,
 
Met Goddelijken zwier, bezingen,
 
En naar de frissche mirtekroon
 
Der groote liefde dingen:
 
..............
 
Ik zing van Fillis .... etc.1)

In een brief aan Fransje, van Mei 1781, vraagt Bellamy: ‘Is 't geen aardig toeval, dat de Laura van Petrarcha ook juist op den 6 April is geboren?’2) Toch gaat deze gelijkstelling eigenlijk niet op: de 6de April is niet de geboortedag van Laura, maar wel de datum, dat zij Petrarca voor het eerst verschenen is.3)

Met groter geestdrift nog zegt Bellamy in een andere brief van Augustus 1781: ‘Zekerlijk moet ik uw afbeelding bezitten, gij moet uitgebeeld worden in 't wit; met een blaauw lint en een papier in de hand. Laten wij zijn als Petrarcha en Laura.’4)

Maar -, een verhouding als tussen de Italiaanse dichter en zijn muze kan onmogelijk beantwoord hebben aan het ideaal van Bellamy. Hij heeft het Canzoniere niet in het Italiaans gelezen: hij kende immers de taal niet. Toch stelt hij zich Petrarca voor als de minnedichter bij uitnemendheid. De Gezangen mijner jeugd zijn in Vlissingen tot stand gekomen, dus vóór Bellamy had kunnen profiteeren van de kennis van zijn geletterde vrienden in Utrecht. Het zal hem zoet en schoon in de oren geklonken hebben: evenals men Petrarca en Laura te zamen noemt, zo moest ook zijn naam onafscheidelijk aan die van Fransje (Fillis) verbonden zijn!

Er bestaat, achteraf gezien, in zoverre een zekere overeenkomst, dat èn Petrarca èn Bellamy hun dichterschap in de zuiverste vorm hebben geuit, toen de liefde hen inspireerde. Een tijdgenoot van Bellamy heeft dit opgemerkt en vergelijkt hem juist in dit opzicht met de Italiaanse dichter. Het is W.A. Ockerse, wiens kritiek op de Gezangen mijner jeugd hier vermeld moet worden.5) Ockerse geeft de volgende beschouwing over deze bundel gedichten:

.... indien wij vergelijkenderwijze dezelven mogen beoordelen, komt het ons voor, dat zij het naaste grenzen aan de gedichten, die Anacreon in Grieken-
[p. 247]
land, Horatius vroeger en Petrarcha later in Italiën gemaakt, en der waereld medegedeeld hebben - Zij, die met deze dichters bekend zijn; en die Anacreon om zijne treffende eenvouwigheid, lagchverwekkende naïviteit, en geestige verliefdheid -. Horatius in zijne zinrijke handeling -. Petrarcha in zijne wegsleepende tederheid, en natuurlijke schoonheden -. hebben leeren bewonderen - zij alleen zijn in staat de gronden te toetsen, op welken dit ons oordeel rust -. en, genomen, de dichter hebbe hier en daar iets van deze trekken in zijn gezang aan den dag gelegd zullen wij daarom terstond het onbarmhartig vonnis strijken? die jongeling heeft Anacreon, Horatius, Petrarcha gelezen, nagevolgd, misvormd! -. verre van ons dat wanbegrip! -. de mensch blijft mensch! de dichter blijft dichter in alle eeuwen! -.

De overeenkomst met de verzen van Petrarca bestaat dus in het tedere sentiment en de frisse spontaneïteit van Bellamy's lyriek. Duidelijk betoogt Ockerse, dat hij niet van rechtstreekse invloed of navolging wil spreken; Bellamy schreef die gedichten immers zonder Petrarca grondig te kennen. De criticus constateert slechts, dat er een natuurlijke verwantschap is in de aard van beider dichterschap, omdat zij vooral aan de liefde hun schoonste inspiratie danken. - Ockerse, die een dergelijke uitspraak formuleert, is dus blijkbaar enigszins bekend geweest met de verzen van Petrarca.

 

Een interessant boekje uit de 18de eeuw is de bundel Petrarcha en Laura door Jan Auke Backer.1) (Amsterdam 1793). Het is een reeks gedichten, waarin de liefdesroman van Petrarca bezongen wordt. Backer draagt zijn werkje op aan Simon Stijl. In de ‘Voorreden’ verklaart hij, dat de stof hem eerst ‘verscheidene zwarigheden’ opgeleverd had:

onder anderen konde ik Petrarcha's liefdegeval, met eene jongvrouwe uit het huis van Beccari, niet wel plooien met zijne hevige drift voor Laura, tenzij ik dat geval vervroegde, en dus ook zijne wooning in Romen; de laatste gebeurtenis stellende omtrent het jaar 1322, toen Petrarcha agttien jaaren bereikte, en het geval met de schoone Beccari twee jaaren laater -. (p. VII).

Backer veroorlooft zich deze wijziging, omdat hij ook een passage uit De contemptu mundi in poëtische vorm bewerken wil, namelijk het gesprek van Petrarca en Augustinus over Laura's invloed op de dichter. Hij verdedigt zich als volgt:

Door mijne chronologische verschikking behoudt mijn stukjen eene zekere kunstmaatige eenheid; en het dichtstuk aan St. Augustijn zou, zonder die verschikking, verscheidene trekken, het leven van Petrarcha betreffende, moeten missen, die ik 'er nu konde inbrengen, en die het ten minsten niet ontsieren. (p. IX).

Deze dichterlijke vrijheid heeft tot gevolg, dat het zielsleven van Petrarca minder gecompliceerd wordt voorgesteld, dan het in werkelijkheid geweest is. Het conflict

[p. 248]

tussen aardse en hemelse helde voltrekt zich nu uitsluitend in zijn gevoelens tegen over Laura.

Backer schildert de emoties van de dichter in ‘romantische’ geest, terwijl hij zijn fantasie de vrije teugel laat. Speciaal in de Franse literatuur is de geschiedenis van Petrarca en zijn muze vaak op dergelijke, idealistische wijze uitgebeeld door verschillende auteurs, waaronder ook schrijfsters als Mme. Deshoulières en Mme. de Genlis. Het is de verdienste van Backer, dat hij dit genre in Nederland vertegenwoordigt. De keuze van het onderwerp hangt samen met de geest van de tijd: een zo tedere liefde als die van Petrarca, zijn melancholie te midden der eenzame natuur, het treuren om de gestorven geliefde, - dit alles moet sterk tot het gevoel van de Achttiende-eeuwers gesproken hebben in de periode van de sentimenteele stromingen. Wij zullen tenminste zien, dat ook Backer's Petrarca-gedichten de stempel van hun tijd dragen.

Als bron voor zijn bundel gebruikt hij de Levensbeschryving van eenige vermaarde Italiaansche mannen en vrouwen. (Harlingen 1769).1) Hieraan ontleent hij zijn voorstelling der feiten en ook de noten, die hij aan zijn werkje toevoegt (p. 75 sqq.) voor lezers, die weinig bekend zijn met de lotgevallen van de dichter. Behalve een korte mededeling over het leven van Petrarca en dat van Laura, geeft Backer aantekeningen bij enkele kwesties, waarop gezinspeeld wordt in bepaalde gedichten uit zijn bundel: de voorgeschiedenis van de kroning, de hoge beschermers van de dichter en de gunsten, die zij hem verleenden, allerlei lofdichten op Laura. Naar aanleiding van Petrarca's amourette wordt over zijn dochter gesproken. Ook vindt men er het Latijnse epitaphium en verder het grafdicht, dat zijn schoonzoon Brossano geschreven heeft. Over zijn eigen werk maakt Backer nog deze opmerking:

‘Men houde voords deeze dichtstukjes voor niet meer dan voor een fragment; daar ik geen oogmerk gehad heb, om Petrarcha's werken geheel te vertaalen; maar slechts, en wel op eenen afstand, te volgen.’ (p. 84).2) - Laat ons nu de verschillende gedichten uit Petrarcha en Laura eens nader bezien. Enige citaten zullen een indruk geven van deze merkwaardige lyrische cyclus, door een achttiende-eeuwse Hollander aan Petrarca en zijn liefde gewijd, - als zodanig een unicum in onze letterkunde.3)

Als inleiding tot de bundel dient de ode Aan mijne Lier, waarin de dichter spreekt van zijn bewondering voor Petrarca en Laura, die hij in Nederlandse verzen wil huldigen. Eerst volgt een gedicht van Le Beau de Schosne: Priere à Petrarche, Faite à la fontaine de Vaucluse:

[p. 249]
 
ô Toi! dont la lyre immortelle
 
Sçut, par les sons les plus flatteurs,
 
Asservir au tyran des coeurs,
 
Une beauté jeune et fidelle.
 
Disciple de Phébus et prêtre de l'amour, etc. (p. 17)1)

De eigenlijke smeekbede houdt in, of Petrarca door zijn bemiddeling voor de dichter de gunst van Apollo verwerven wil.

Hierop wordt de gedichtenreeks Petrarcha en Laura geopend met een lied: Aan Laura. Geestdriftig wordt haar schoonheid bezongen en de dichter stelt haar de vraag, waarom zij toch een huwelijk weigert. Haar deugd wordt verheerlijkt in de volgende zang, die eveneens getiteld is: Aan Laura. Petrarca betoogt hier: ‘ook liefde is deugd’ en poogt haar tot het genieten der ‘zaligheden’ op te wekken. In de zang Aan Vaucluse betreurt de dichter de standvastigheid van Laura en vertolkt zijn leed. Hij wenst, dat zij hem vaker in zijn cel begroeten kwam, en smeekt om de zegen der natuur voor zijn eenzaam dal. Aan de Sorge heet het volgende lied. Ook hier klaagt Petrarca zijn liefdessmart aan de omringende natuur. Verschillende coupletten zijn geheel in de geest van de sentimenteele poëzie:

 
Zeg haar, als zij herwaards koomt,
 
Hoe haar oog mij griefde;
 
Lispel dan, door 't groen geboomt,
 
Liefde! liefde! liefde! etc. (p. 33).

De voorgaande verzen schetsen alle het beeld van Petrarca, die lijdt om zijn liefde. Wel staat Laura de dichter enkele gunsten toe, wanneer zij hem ontmoet, maar haar deugd bezwijkt niet. - Nu echter gebeurt er iets, waardoor Petrarca het recht op wederliefde verspeelt. In het gedicht Aan het Noodlot wordt het voorval beschreven, dat oorzaak is van zijn eindeloze smart en wroeging:

 
'k Zag Laura naakt, in 't midden van de beek.
 
Verstand zei' wel: ‘'t Waar' best dat ik ontweek;’
 
Maar minnedrift, van onbepaalder klem,
 
Weêrsprak die stem.
 
 
 
Ik bleef. - Nu volgen kommer, angst en schrik
 
Den wellust van een enkel oogenblik. (p. 35).

Laura, in haar kuisheid gekwetst, keurt de dichter niet langer haar liefde waardig en wijst al zijn berouwvolle smeekbeden om vergiffenis af. De wanhoop van Petrarca wordt bezongen in de Klagt, na dat hij Laura hadt zien baaden. Backer geeft geen fraaie indruk van Petrarca's karakter, wanneer hij deze laat verzuchten:

[p. 250]
 
Waarom heb ik van achter 't kreupelwoud.
 
Dat heerlijk beeld al sluipswijs niet aanschouwd?
 
Mijn oog vergast op de aartsbekoorlijkheên,
 
Het godlijk naakt van haar albaste leên?
 
Maar neen, helaas! 'k moest van nabij zulks waagen.
 
Ligt moet ik nu haar gramschap eeuwig draagen! (p. 38).

Zelfmoordplannen ontbreken niet:

 
Hoe! eeuwig? - Neen, eer zie Vaucluse mij
 
Vervallen tot de naarste razernij!
 
'k Vlieg boschwaards in, en dwing, geheel verwoed,
 
Den eersten mensch, dien 'k door 't geval ontmoet,
 
Dat hij een dolk in mijnen boezem stoot'.
 
Of Sorge 's bron bevrijd' mij door den dood. (p. 38).

Backer maakt de episode van de badende Laura tot het centrale motief van zijn gedichtenreeks. Petrarca heeft hierdoor zijn eigen levensgeluk vernietigd: voortaan zal hij vol wroeging dat ogenblik van zwakheid betreuren en Laura vruchteloos smeken, haar trotse toorn te laten varen en hem vergeving te schenken. Petrarca deelt de geschiedenis van ‘il bagno di Laura’ niet mede in zijn biecht aan Augustinus in De contemptu mundi. In het Canzoniere komen echter toespelingen voor, of juister gezegd, - er zijn bepaalde plaatsen, die men wel geïnterpreteerd heeft, alsof zij betrekking hadden op een dergelijke gebeurtenis. Daar is om te beginnen de inzet van Canz. 14:

 
Chiare, fresche e dolci acque,
 
ove le belle membra
 
pose colei che sola a me par donna; etc.

Sommigen lezen hier, dat Laura zich neervlijde langs de oever, - anderen echter menen, dat zij hier badend wordt voorgesteld. In een allegorisch lied, Canz. 1: Nel dolce tempo della prima etade beschrijft Petrarca de metamorfosen, die hij onderging door zijn liefde. Hij veranderde in ‘un cervo solitario e vago’ door een voorval tijdens de jacht:

 
.... quella fera bella e cruda
 
in una fonte ignuda
 
si stava, quando 'l sol più forte ardea.
 
Io, perchè d' al tra vista non m' appago,
 
stetti a mirarla, ond 'ella ebbe vergogna;
 
e per farne vendetta o per celarse
 
l'acqua nel viso con le man mi sparse. (vs. 149-155).

Een schildering uit de 15de eeuw in het huis van Petrarca te Arquà brengt deze scène in beeld.1) Merkwaardig is echter, dat Backer die gebeurtenis tot de kern

[p. 251]

van de psychologische verwikkeling heeft gemaakt: Petrarca, het slachtoffer van zijn ‘drift’, wordt verteerd door wroeging, maar Laura heeft zich voorgoed van hem afgewend.

Op deze ‘Klagt’ volgen twee gedichten, Aan den Morgen en Aan den Avond, waarin Petrarca weemoedig zijn verloren geluk herdenkt en inkeert tot zijn smart. Ook hier vloeien rijkelijk de achttiende-eeuwse tranen:

 
'k Span, helaas! mijn cithersnaaren,
 
Maar zij spatten, wijl 't verdriet
 
En 't berouw mijn hartaêr knaagen,
 
Daar 'k met traanen hen begiet, (p. 42).

Sommige strofen zijn kenschetsend voor de visie van de natuur in de wanhoops-lyriek van de tijd:

 
Zo iets mij lieflijk is,
 
Het is de duisternis.
 
't Is de akelige nacht,
 
Dien ik, verdrietig wacht;
 
Zijn naarheid kweekt mijn hoop
</