terug  begin  verder
[p. 265]

V. Petrarca in de letterkunde en kritiek van omstreeks 1800-1880

Ook de stof van dit hoofdstuk is heel gemengd. Eerst citeer ik uit de poëzie van verschillende dichters, wier opvattingen omtrent Petrarca de geest van de Romantiek weerspiegelen. Sommigen, b.v. Bilderdijk, leggen de nadruk op het patriottische element in zijn werk, vooral in verband met de canzone: Italia mia, - anderen weer verbinden hun ideeën over de tragische lotsbestemming van de dichter aan de zanger van Laura.

De oudste beoefenaars van onze literatuurgeschiedenis, zoals Van Kampen, erkennen Petrarca's betekenis voor de poëzie. Dikwijls ontwerpen zij een idealistisch beeld van de dichter en Laura, waarbij soms een religieuze tendens tot uiting komt. In de kringen der officieele wetenschap staat Petrarca tussen 1800 en 1850 in hoog aanzien: de classici waardeeren hem, omdat hij het gezag van Aristoteles door dat van Plato vervangen heeft en ook het bondgenootschap van letteren en wijsbegeerte - een klassiek ideaal, dat in de Middeleeuwen verloren was gegaan - herstellen wilde.

De periode van 1850-1880 munt over het algemeen niet uit door een onbevangen oordeel over Petrarca. Naast de godsdienstige, vaderlandse en huislijke poëzie van die tijd is weinig plaats voor de etherische mystiek van het Canzoniere. Daar komt bij, dat men ook de kunstenaar dikwijls van het standpunt der burgerlijke moraal beschouwt. Zelfs Potgieter vervalt in deze fout. Bij anderen, b.v. Huet, zijn de opvattingen weer te verstandelijk. Er spreekt gemis aan psychologisch inzicht en aesthetische intuïtie uit de wijze, waarop men de tekortkomingen in Petrarca's leven beoordeelt. Sommige deprecieerende uitspraken over de waarachtigheid van zijn liefde en de vastheid van zijn karakter stammen uit de werken van Duitse geleerden, Voigt, Geiger, Koerting, aan wie men overigens een schat van kennis omtrent de dichter en de wording van het Humanisme te danken heeft. Vosmaer is de enige auteur, die een hoog en nobel beeld van Petrarca vormt.

Het laatste deel van het hoofdstuk biedt een overzicht van de tijdschriftartikelen. Zij tonen de weerslag van de stromingen, die zich in het negentiende-eeuwse geestesleven openbaren. Dank zij De Sade en latere schrijvers weet men nu veel details over Petrarca en spreekt b.v. van zijn verhouding tot Rienzi en Boccaccio. Verschillende anecdoten blijken bekend, die dikwijls aan bepaalde Epistolae ontleend zijn. Het opstel van Meyer is vooral gewijd aan Petrarca als dichter van het Canzoniere. Ter Borg vestigt de aandacht op het ‘autobiografische’ werk De contemptu mundi. Een studie van Mr. van Walree behandelt Petrarca in zijn betekenis voor Latiniteit en Humanisme. Andere artikelen zijn van meer lyrische aard: de auteurs schilderen de lotgevallen van Petrarca en Laura voor een deel naar eigen fantasie. Als voorbeeld van deze groep noem ik de schets van Ds. Van Eyk. Aparte vermelding verdient een heel goede studie van Kok, die in 1871 tevens actualiteit bezat in verband met de gebeurtenissen in Italië.

[p. 266]

Aan het hoofd van de negentiende-eeuwse dichters staat, ook hier, Bilderdijk. In zijn omvangrijk oeuvre wordt Petrarca meer dan eens genoemd.1) Enkele gedichten bevatten een paar verzen over de Italiaanse poëet, terwijl men ook wel citaten uit het Canzoniere als motto aantreft. Bovendien bewerkt Bilderdijk bepaalde versregels uit Petrarca en verder heeft hij één sonnet in zijn geheel vertaald, namelijk Son. 317: I' vo piangendo i miei passati tempi, onder de titel: Zielzucht, (XII, p. 237):2)

 
'k Beschrei met diep gevoel mijn doorgehotste dagen,
 
Aan sterfelijke zucht beklaaglijk toegewijd;
 
De vleuglen, my verleend, maar nimmer uitgeslagen;
 
En 't voorbeeld dat ik gaf aan heel mijn levenstijd.
 
 
 
Gy die mijn zonde aanschouwt, zie thands mijn zelfmishagen,
 
Onsterflyke Oppermacht die ook genadig zijt!
 
Red de afgedwaalde ziel by 't jamm'rend hartverknagen,
 
Vervul het geen ze ontbeert en siddringvol belijdt.
 
 
 
Ja, leefde ik steeds in storm en wisselzieke baren,
 
Geef me in voleinden koers een kalme en stille ree',
 
En zij na 't woest gegolf mijn afscheid nog in vreê;
 
 
 
Reik me in deze avondstond, zoo lang me uw gunst wil sparen,
 
Uw hand, en zij my 't uur van mijne ontbinding zoet!
 
Gy weet, geene andre hoop heeft plaats in mijn gemoed.

Huygens heeft ditzelfde sonnet vertaald.3) De Hollandse dichters moeten hierin iets gevoeld hebben, dat sterker tot hen sprak dan Petrarca's liefdeklachten: zonde-bewustzijn, inkeer, godsvertrouwen. A.S. Kok heeft de aesthetische waarde van beider vertaling vergeleken. Zijn conclusie is:

In enkele opzichten staat Bilderdijks vertaling boven die van Huygens. Dat doorgehotste echter is een leelijk woord, voor het eenvoudige passati, dat door Huygens beter met afgeleefde wordt weergegeven. Ook is dat ‘sterfelijke zucht’ uit den tweeden regel niet te verdedigen; in het oorspronkelijke staat heel duidelijk, dat de dichter zijn vervlogen dagen aan een aardsche liefde had gewijd. De laatste regel van Huygens wint het ver van dien van Bilderdijk.4)

Er is een tweede kwestie, waarbij de namen Huygens en Bilderdijk opnieuw

[p. 267]

te zamen vermeld moeten worden in verband met Petrarca's poëzie. Huygens heeft aan het slot van zijn Dagh-werck enige verzen verzameld, waarin Petrarca Laura's dood bezingt, - verzen, die voor Huygens op zijn ‘Sterre’ toepaslijk waren, (zie p. 122). Toen Bilderdijk zijn aantekeningen bij Huygens' Koren-bloemen bewerkte, heeft hij de geciteerde fragmenten uit het Canzoniere tot één geheel verbonden en hier een Nederlandse vertaling van gegeven. Zo ontstond het volgende gedicht:

 
Ik stamelde: ô mijn droeve en al te loome dagen!
 
En meer; wanneer ik haar met lachjens om den mond
 
By 't blinkend zielental op starren zag gedragen;
 
Voor my te vroeg, eilaas! voor haar, ter rechter stond,
 
In 't Vaderland gekeerd, als star der starrentransen,
 
Nu ze eer de scheemring viel der naderende nacht,
 
De dagreis, haar bestemd, ten einde had gebracht.
 
De wareld was vervuld, doorflonkerd met heur glansen,
 
Als God, om 's Hemels zwerk te sieren met heur gloed,
 
Haar weder tot zich nam, zijn eigen wettig goed.
 
 
 
Dit bleef van al die hoop waarvan mijn boezem gloeide
 
My droeve, neêrgestort in 't hartverscheurendst leed!
 
En nu zy me is ontroofd, door wie mijn dichtaâr vloeide,
 
(Zy, 't hoogste en middelpunt van wat ik dacht of deed!)
 
Wat, wat vermag ik meer, dan 's Hoogsten wil' te zwijgen,
 
Om door godvruchte troost mijn jammer te overstijgen?
 
Want wat is d' Echtgenoot op aarde een wreeder smart,
 
Dan dat zijn weêrhelft hem wordt afgescheurd van 't hart!
 
Naar het Italiaansch van Petrarcha. (XIV, p. 457).1)

Het is een gevaarlijk experiment, op dergelijke wijze losse fragmenten tot één geheel te verenigen.2) Deze verzen hebben Bilderdijk overigens niet geïnspireerd tot het vertalen van sonnetten of canzonen aan Laura gewijd. De geest van Petrarca's liefdeslyriek beantwoordt niet aan gevoelens in Bilderdijk zelf, die meer ‘verlustiging’ vindt in de erotische poëzie van Anacreon, Propertius, Ovidius of Janus Secundus. Toch is er één zijde van Petrarca's dichterschap, die hem evenals de religieuze trek getroffen heeft en wel het patriottische element. Hij heeft bewondering gehad voor de beroemde canzone: Italia mia....3) Het voorbericht van een zijner bundels4) besluit hij met de volgende passage (XV, p. 214-215):

[p. 268]
Ik van mijnen kant neem afscheid van dit Boekdeeltjen met de volgende woorden van Petrarcha, voor zoo verr' de aanmaning daar in vervat, plaats kan vinden:
 
Canzone, io t'ammonisco
 
Che tua ragion cortesemente dica;
 
Perchè fra gente altera ir ti convene;
 
E le voglie son piene
 
Già de l'usanza pessima ed antica,
 
Del ver sempre inimica.1)
 
Proverai tua ventura
 
Fra magnanimi pochi a chi 'l ben piace:
 
Dî lor, chi m'assicura?2)

Bilderdijk voorziet de verzen van een vertaling:

 
Wees gewaarschouwd, ô mijn lied!
 
Spreek beleefd, op heusche tonen,
 
Dat men d'inhoud moog verschoonen
 
Dien gy aan uw lezers biedt.
 
Denk, voor wie gy op gaat treden:
 
Lieden op hun wijsheid stout,
 
In den waarheidshaat veroud,
 
Die geen oorsprong nam van heden.
 
Zwak is 't hoopjen, klein 't getal,
 
(Maar van d'echten geest gedreven,
 
Laat u dit vertrouwen geven!)
 
Dat u wel ontfangen zal.

De Nederlandse dichter weet, dat zijn poëzie bij velen gehaat moet zijn: ‘fra gente altera ir ti convene.’ Hij heeft het oog op zijn landgenoten, die de ‘tijdgeest’ dienen. De verzen van Petrarca worden dus met een bepaalde tendens en pro domo geciteerd.

Elders kiest hij enige regels uit dezelfde canzone als motto boven zijn gedicht: Zucht der bejammering (XII, p. 243):

 
Non è questo il terren ch' i' toccai pria?
 
Non è questo il mio nido,
 
Ove nudrito fui sì dolcemente?
 
Non è questa la patria in ch' io mi fido,
 
Madre benigna e pia,
 
Che copre l'un e l'altro mio parente?3)
[p. 269]

Er bestaat inderdaad een punt van overeenkomst tussen de canzone van Petrarca en het gedicht van Bilderdijk. Beide dichters geven uiting aan hun smart, dat zij hun vaderland, zo vurig bemind, aan de rand van de afgrond weten. Bilderdijk heeft het motief echter geheel in calvinistische geest ontwikkeld. Ik citeer een passage uit Zucht der bejammering, waar een echo klinkt van deze Italiaanse verzen:

 
...... Mijn God, is dit ons Nederland?
 
Neen, 't is die grond niet meer dien 'k eens zoo teder drukte,
 
Voor wien ik jamm'ren leed en wien ik lauwren plukte.
 
Die vrijplaats van op de aard vervolgde deugd: die grond
 
Waaraan me en Vaadren bloed en dankbre zucht verbond;
 
Wiens moederlijke schoot by 't Ouderlijk gebeente
 
Het mijne ontfangen moest in 't zelfde grafgesteente,
 
En waar ik henen snelde om mijne ontbonden asch
 
Te leevren aan den plek die me altijd heilig was! (XII, p. 245).

Hier heeft Bilderdijk dus Petrarca's patriottische gevoelens aan zijn persoonlijke overtuiging op godsdienstig gebied verbonden. Nog meer gedichten van Bilderdijk hebben een citaat uit Petrarca's werk tot motto. Boven Uitzicht op mijn dood (XII, p. 367) staat de Latijnse versregel:

 
Vivendo simul morimur, rapimurque manendo.1)

Zinstaal (XIII, p. 423) heeft een spreuk uit de Trionfo della Eternità:

 
Oh felice colui che trova il guado
 
Di questo alpestro e rapido torrente,
 
Ch 'a nome Vita, ch'a molti è si a grado.2)

Men vindt deze gedachte en ditzelfde beeld terug in de volgende verzen uit Bilderdijk's gedicht:

 
Gelukkig! die in 's levens woesten vloed
 
Waar velen zich zoo roekloos in behagen,
 
Het standpunt vindt voor d' ongewissen voet,
 
Als storm en stroom de golven afwaarts jagen.

Ook Het Noorden (XIV, p. 148) wordt ingeleid door een paar regels van Petrarca:

 
Quel vago impallidir che 'l dolce viso
 
D'un amoroso neve ricoperse. -3)

In dit gedicht verheerlijkt Bilderdijk de geest van het Noorden tegenover die van het Zuiden: de Noordse vrouwen, met haar ‘albasten konen’ zouden haar

[p. 270]

zusters uit het Zuiden in kuisheid overtreffen. De Italiaanse verzen hebben weinig met Bilderdijk's gedicht te maken en zijn hier ook minder goed gekozen, omdat juist het gelaat van een Zuidelijke vrouw Petrarca deze woorden heeft geïnspireerd.

Anders staat het met Bilderdijk's gedicht Toekomst (XIV, p. 185). Als motto prijkt hier een viertal verzen uit één der canzonen van Petrarca:

 
Il tempo passa e l'ore son si pronte
 
A fornir il viaggio,
 
Ch'assai spazio non aggio
 
Pur a pensar com' io corro alla morte.1)

Bilderdijk heeft deze gedachte als volgt weergegeven:

 
De Tyd vliegt ijlend om en de uren loopen af,
 
Te snel om voor de reis het noodigst te bezorgen:
 
Waar blijft me een oogwenk dat ik denken kan aan 't graf?

Hij belijdt het besef van zijn zonden en spreekt zijn vertrouwen op de Heiland uit. Ook hier legt Bilderdijk dus de nadruk op het religieuze element in Petrarca's verzen, hoewel de genoemde canzone feitelijk een liefdesklacht is.

Verder herinnert hij in twee van zijn gedichten aan de Italiaanse zanger. Daar is zijn pleidooi voor de taal: Het Hollandsch. (VIII, p. 145). Als men verstandig kiest, mag men onze taal ook verrijken met wat men geleerd heeft van grote, buitenlandse dichters:

 
Zoek de koets der Zanggodessen
 
Waar zy woestaardy ontvloôn;
 
In des Tybers stroomcypressen!
 
By Vaucluses minnetoon!
 
Geeft, geeft daar uw boezem over
 
Aan die zoete melody: etc. (VIII, p. 146).2)

Ook is er nog het gedicht Aan Koning Lodewyk. By zyn verblyf in Italie.3) De aanhef luidt:

 
Gy, wien uit warme Zuiderlucht
 
Die Maroos wieg omsuist,
 
De toon waarin Petrarcha zucht,
 
En Tassoos daavrend krijgsgerucht
 
Door hart en aders bruist: etc. (XII, p. 181).

Bilderdijk noemt Petrarca hier in zijn kwaliteit van minnedichter.3) Toch bewij-

[p. 271]

zen de bovenvermelde vertaling van Son. 317 en de geciteerde plaatsen, dat hij meer belangstelling voor de religieuze trekken van het Canzoniere bezit, getuige het feit, dat sommige verzen van Petrarca het uitgangspunt vormen voor godsdienstige ontboezemingen.

In Bilderdijk's letterkundige verhandelingen wordt een enkele keer over Petrarca gesproken, maar zonder dat een dergelijke plaats bizondere betekenis heeft.1) In zijn berijmde bewerking van Spieghel's Hertspiegel ontbreken de verzen, waarin deze de verdiensten van de dichter constateert, (zie p. 80).

Men mag vaststellen, dat Bilderdijk Petrarca niet om zijn liefdeslyriek bewonderd heeft: hij voelt zich echter aangetrokken tot bepaalde religieuze elementen uit diens verzen en blijkens een paar citaten uit Canz. 16: Italia mia...., misschien ook tot de patriottische trekken in de dichter.

 

Cornelis Loots herinnert in zijn gedicht Afscheid aan de roemruchtige kroning van Petrarca. Hij zelf zegt de lier vaarwel en betreurt het feit, dat de poëten eens de hoogste gunst genoten hebben, terwijl men nu de kunstenaars met minachting voorbijgaat. Eén der strofen luidt:

 
Noch was de onwetendheid Itaalje niet ontvloden,
 
Toen Rome d'eerekrans drukte op Petrarca's hoofd;
 
Thans, daar zich 't dweepend volk verlicht waant als de goden,
 
Wordt, door verachting, 't vuur der Barden uitgedoofd.2)

Ook in een ander gedicht noemt Loots Petrarca, namelijk in Onafhankelijkheid. Als een echt Romanticus spreekt hij over de vrijheid, waar de dichter niet buiten kan. Er volgen beschouwingen over Tasso en zijn positie aan het hof. De ware dichter kan men evenmin binden als ‘den zwaai der winden’:

 
Wat raakt hem smaak of stijl van Duitscher, Gauler, Brit?
 
't Is de onafhankelijkheid, de rots waarop hij zit:
 
En stijgend niet van daar, om hooger zich te zengen,
 
Laat hij zich niet te laag, naar dompige oorden brengen.
 
En slaat met Ossian, aan Schotlands neevlig strand,
 
De lier zoo schoon als klonk zij in Petrarchaas hand.3)

Deze plaatsen bewijzen niet met zekerheid, dat Loots bekend geweest is met Petrarca's poëzie, maar de Italiaanse zanger vertegenwoordigt voor hem een vaag, doch zeer hoog ideaal van dichterschap.

 

Een zelfde standpunt neemt Helmers in. Zijn bewondering voor Petrarca vertolkt hij in de lierzang De dichter, waarin eveneens de figuur van de ideale dichter

[p. 272]

wordt bezongen. Helmers ziet hem toegerust met alle edele gaven, die de Romantici in de kunstenaar liefhebben. Zijn ode wordt ingeleid door een geestdriftige beschrijving van Petrarca's dichterkroning, waaruit ik een paar fragmenten citeer:

 
Door 't trapplend hengstgespan, in 't blank gareel geslagen,
 
Wordt, op een zegekar, een jongling omgedragen,
 
En naar het Kapitool gevoerd.
 
......................
 
Voor wien is 't, dat hier duizend zielen
 
Als voor een hooger wezen knielen?
 
Wie is de godheid van deez' dag?
 
Het hoofd des Raads drukt hem een' krans van lauwerblâren,
 
Terwijl elks lofzang klinkt, op zilverwitte haren,
 
En huldigt hem met diep ontzag.
 
 
 
Het is Petrarcha, de eer en luister
 
Van 't schoon Itaalje, Phebus zoon:
 
Hij schopt de onwetendheid in 't duister,
 
En voert de Dichtkunst weêr op d'elpenbeenen troon.
 
Juich, Menschdom! juich! ge ontvangt weêr 't leven.
 
Een Dichter heeft den nacht verdreven
 
Der domheid, die u eeuwen trof.
 
Een Dichter doet zijn stem 't verbasterd menschdom hooren!
 
Deugd, wetenschappen, smaak en kunsten zijn herboren;
 
Zing, aarde! zing des Dichters lof.1)

Deze laatste strofe viel zeer in de smaak bij de tijdgenoten en heeft Petrarca's roem verbreid. Meer dan eens vindt men in de negentiende-eeuwse artikelen over Petrarca dit poëtisch judicium van Helmers met instemming geciteerd.2)

Adriaan Loosjes oogstte veel succes met zijn roman: Het leven van Maurits Lijnslager, (Haarlem 1808). De held van het boek verblijft geruime tijd in Italië en natuurlijk hoort hij daar ook van Petrarca. Als de schilder Van Dijk, met wie Maurits kennis maakt, de ogen van een Zuidelijke schone bewondert, zegt deze kunstenaar: ‘....zoo Laura, waarom Petrarcha zoo vele jaren gezucht en gedicht heeft, zulke oogen gehad heeft, vergeef ik hem van harte zijn veeljarige droefheid.’ I, p. 134).

Enige tijd later betoogt Lijnslager zelf als volgt: ‘Het ontbreekt ons ook zoo min als eenig volle van Europa aan Minnedichters, ja zoo men die van den Dichter Hooft in het Italiaansch overbragt, zoudt gij overtuigd worden, dat het hart van dien dichter niet minder voor zijne Leonora, dan dat van Petrarcha voor zijne Laura, gloeide.’ (I, p. 299).

[p. 273]

Dezelfde auteur heeft ook een berijmde Nederlandse vertaling gedicht van Huygens' autobiografie: De vita propria.1) De passage, waar Huygens zijn bedevaart naar Vaucluse beschrijft (zie p. 129), heeft Loosjes als volgt weergegeven:

 
'k Had hier mijn reis gestaakt, doch voelde me andermaal
 
(Zoo oefent een magneet op ijzer en op staal
 
Zijne onweêrstaanbre kracht) door 't goddelijk vermogen
 
Van Laura naar Vaucluse en zijne bron getogen,
 
Om eenmaal nog mijn' voet te zetten op den grond,
 
Waarop de voetstap eens van mijn' Petrarcha stond.
 
De bron, die 'k een rivier straks zag ten oorsprong strekken,
 
Zag ik nu uitgedroogd door eene rots bedekken.
 
o Wondren der Natuur!.............
 
......................
 
Ik zeide, toen ik week uit dat bekoorlijk dal,
 
Wiens bodem mijne voet niet weder drukken zal:
 
Vaarwel! vaarwel, Vaucluse! ach 't lot zal niet gedoogen,
 
Dat ge ooit, na dezen dag, mij weder blinkt in de oogen.2)

Staring zinspeelt met licht-ironisch accent op Petrarca, wanneer hij in De twee bultenaars over Otto's liefde spreekt:

 
Ot zal Platonisch minnen:
 
‘De hand van Klara moog de blonde Freedrik winnen:
 
Een schoon, waarbij zelfs Klara's achterstaat,
 
Zal hij aanbidden! 't slijk ontrezen,
 
Gelijk Vaucluses Zwaan - door Agnes lieflijk wezen
 
Van ver bestraald - smaakt hij wat grove lust
 
Niet geven kan!’

In het werk van Da Costa vindt men een passage over Petrarca, die om verschillende redenen zeer merkwaardig is. Deze komt voor in het grote alexandrijnengedicht: Des dichters lotbestemming,3) - een onderwerp, dat zo veel Romantici geboeid heeft. Ook Da Costa voelt de tragiek van het dichterschap. De kunstenaar streeft naar hoge idealen, maar in zijn persoonlijk leven treft hem de ongenade van het lot, juist ook in de liefde, en hierdoor leidt hij een smartelijk bestaan. Als voorbeelden kiest Da Costa: Petrarca4) en Tasso. De eerste wordt als volgt beschreven:

[p. 274]
 
Maar ook uwe ongenâ1) heeft hy te vaak te duchten!
 
O! vlijmend is uw schicht, wanneer de vuurge zuchten
 
der min verwaaien, en een lot, ondraaglijk wreed,
 
ons hart van 't voorwerp scheurt, waar voor 't zich-zelf vergeet.
 
Wat kweelt gy, Puikpoëet, die door Vaucluses dreven
 
uw nagedachtenis door de eeuwen heen ziet leven?
 
Wat kweelt ge, als 't vogeltjen dat om een gade schreit,
 
en stort uw roerend lied met sombere achtloosheid?
 
Slachtoffer van een min, zoo rein, zoo zielverheffend!
 
wie deelt niet in uw smart, meer dan uw kunst nog treffend?
 
Ach! de aangebedene mag nimmer de uwe zijn!
 
Het leven heeft gedaan, voor u, Petrarca! kwijn
 
in smeltend klagen weg, tot u de dood verrasse! -
 
Thands stort Euroop een traan van deernis op uw assche!
 
En nog beklagen we u, na zulk een tijdsverloop,
 
u, minnaar, steeds zoo trouw, en minnaar zonder hoop! (I, p. 216).

Uit deze regels en uit de verzen aan Tasso gewijd (I, p. 216-218)2) spreekt duidelijk de visie van Da Costa op de beide Italianen; hij beschouwt hen bij voorkeur als slachtoffers van hun hoge liefde en verdiept zich het meest in de tragische zijde van beider persoonlijkheid: ‘....uw smart, meer dan uw kunst nog treffend.’ Deze opvatting van de dichter als de heros tot ongeluk gedoemd, ook in zijn liefde, stamt wel van Byron. Diens uitingen over Petrarca waren in ons land bekend en waarschijnlijk hebben zij invloed gehad op het beeld, dat sommige Nederlanders zich van hem vormen.

Hoe Byron zich Petrarca voorstelt, blijkt vooral uit Childe Harold's Pilgrimage, canto IV, strofe 30-34. De aanblik van 's dichters huis te Arquà inspireert hem onder meer de volgende verzen:

 
And the soft quiet hamlet where he dwelt
 
Is one of that complexion which seems made
 
For those who their mortality have felt,
 
And sought a refuge from their hopes decay'd
 
In the deep umbrage of a green hill's shade, etc.3)

Byron accentueert de tragiek in Petrarca's bestaan: in Arquà ontvluchtte deze de wereld, die hem in zijn hoogste verwachtingen bedrogen had. Ook in The Prophecy of Dante, canto III, horen wij over de Italiaanse dichter:

[p. 275]
 
But out of the long file of sonneteers
 
There shall be some who will not sing in vain,
 
And he, their prince, shall rank among my peers,
 
And love shall be his torment; but his grief
 
Shall make an immortality of tears,
 
And Italy shall hail him as the Chief
 
Of Poet-lovers, and his higher song
 
Of Freedom wreathe him with as green a leaf.1)

Deze verzen van Byron leefden in de fantasie van Sirtema van Grovestins,2) toen hij op zijn Italiaanse reis een tocht naar Arquà ondernam. Dit bezoek is geen hulde aan Petrarca, maar aan de Engelse dichter: hij wil diens verzen, hem door het graf en de woning van Petrarca geïnspireerd,3) eens op de plaats zelf genieten!

De Padoue, ce grand centre de science, au moyen âge, M. de Grovestins alla faire un pèlerinage à Arqua, petit village situé à quelques lieues de Padoue et où Pétrarque avait résidé. C'était le tombeau de celui-ci qui l'y attirait, mais non son admiration pour le poëte, qui, sauf quelques morceaux choisis, lui paraissait assez fastidieux. Il y venait lire et méditer les admirables vers que la vue de ce monument avait inspirés à lord Byron. Cette tombe modeste est placée au centre du village et entourée de quelques cyprès. C'est là que Byron traça ces vers qui peignent toute la désolation d'une âme livrée au doute et tout le désenchantement d'un coeur qui ne paraît plus susceptible d'aimer ou d'espérer. Ce poëte est sublime dans son désespoir; il fait frissonner; tout en l' admirant on le plaint. On dirait un génie infernal jetant un sourire fier et moqueur au Créateur, à Dieu, qu'il renie et qu'il blasphème.4)

Petrarca ‘assez fastidieux’! Inderdaad moesten voor Van Grovestins de klachten van deze dichter wel verbleken bij de hartstochtelijke Weltschmerz van Byron!

Elders horen wij opnieuw over zijn indrukken van Arquà, namelijk in een brief uit Verona van Oct. 1822. Van Grovestins herhaalt in hoofdzaak de bovenstaande beschrijving met de karakteristiek van Byron's verzen, maar hij citeert nu ook het vermelde vijftal strofen uit Childe Harold in Franse proza-vertaling.5) Daarna keert hij tot Petrarca terug:

[p. 276]
Pétrarque était un adversaire de la puissance impériale et son horreur pour la domination de l'étranger lui a inspiré de beaux vers et de nobles pensées. Dans son canzone qui commence par ces mots: Italia mia, benche il mio parlar [sic]...., il avertit ses concitoyens de se mettre en garde contre cette puissance envahissante et redoutable qui veut faire sa proie de l'Italie. Hélas! les temps ne sont pas changés pour la patrie de Pétrarque, et ces vers peuvent encore lui être appliqués.1)

Het is onjuist, Petrarca een tegenstander van het keizerlijk gezag te noemen. Interessant is, dat hier de aandacht gevestigd wordt op Canz. 16, de patriottische zang, die toentertijd bizonder actueel was.

Ondanks de geciteerde beschrijvingen staat Van Grovestins overigens vrij sceptisch tegenover de pelgrimages naar woning of graf van beroemde figuren. Eerst moet de tombe van Julia te Verona het ontgelden en dan denkt de schrijver ook aan Arquà. Hij gelooft niet aan de authenticiteit van de reliquieën in Petrarca's woning. Nog eens weer spreekt hij over diens tombe en Byron's verzen uit Childe Harold. Daarop vervolgt hij:

Aprèsque le voyageur s'est arrêté près de la tombe du chantre de Laure, on le fait entrer dans une maisonnette rustique, qu'on dit avoir été la demeure de Pétrarque; son cabinet d'étude ne pouvait contenir qu'une toute petite table et un siège. Les gardiens de cette modeste habitation s'empressent de montrer aux curieux deux prétendues reliques provenant du grand poëte: un morceau de plomb assez informe et creusé dans le milieu, qui, dit-on, lui a servi d'encrier; passe pour l' encrier, il est d'un métal que le temps ne ronge pas. Mais quant à l'autre relique, elle doit paraître nécessairement plus apocryphe: c'est un chat empaillé; le chat empaillé de Pétrarque! (tom. VI, p. 305).

Van Grovestins vermoedt, dat ‘un commerce lucratif’ wel voor gestadige vernieuwing zorg draagt!

Als veel Romantici koestert hij een grote liefde voor Italië. Hij wil graag de literatuur leren kennen. Onder Italiaanse leiding bestudeert hij Dante.2) In Florence bezoekt hij een kring, waar men over politiek en letterkunde spreekt, en tevens Dante, Petrarca, Tasso voordraagt. (VI, p. 325-326). Hij leeft ook mee in de nationale gevoelens, die de Italianen bezielen. Een voorval, dat hij meedeelt in een brief, tijdens zijn verblijf te Rome geschreven (1823), bewijst dit:

Ce soir, j'étais au café Ruspoli, quand vint à passer une colonne d'Autrichiens, venant de Naples; je fus surpris, en voyant la curiosité indifférente avec laquelle on regardait ces étrangers. Le fameux Canzone de Pétrarque me revint à l'esprit: Italia mia, benche il mio parlar, sia in darno [sic], m'échappa presque involontairement; un ecclésiastique qui se trouvait près de moi, me regarda et parut tout étonné. (VI, p. 358).

Over Van Grovestins' verhouding tot Petrarca mag men het volgende vaststellen.

[p. 277]

Hij interesseert zich voor het graf en de woning van de dichter, maar - uitsluitend onder de suggestie van Byron's verzen. Enkele passages uit zijn brieven bevestigen bovendien de bekendheid van Petrarca's patriottische canzone Italia mia.... tijdens het Risorgimento.

 

J.J.F. Wap vervaardigt een bewerking van één der Méditations poétiques van Lamartine, te weten A Elvire.1) Het derde vers van de Franse dichter luidt:

 
Vaucluse a retenu le nom chéri de Laure,

- of in de vertaling van Wap:

 
Vaucluse kan den naam van Laura niet vergeten, etc.2)

Wap heeft een reis naar het Zuiden gemaakt en verschillende beroemde Italianen ontmoet, o.a. Manzoni en Pellico. In zijn reisbeschrijving noteert hij naar aanleiding van zijn bezoek aan de Biblioteca Laurenziana: ‘Men heeft er (zoo heet het) schrift van Petrarcha, namelijk eene kopij van Cicero ad familiares.’3) Over de dichter zelf echter geen woord. Wel citeert hij elders een fragment uit het grafschrift van Frans I voor Laura, met de vertaling van Hooft er bij.4)

Een indirect aanrakingspunt tussen Wap en Petrarca bestaat in het feit, dat hij een Nederlandse vertaling heeft gemaakt van Barlaeus' Dirae Francisci Petrarchae.... etc.5) Een brief aan de redacteur van het tijdschrift, waarin deze verscheen, Mr. P.S. Schull, gaat vooraf. Wap verklaart hierin, dat hij juist dit gedicht van Barlaeus vertalen wilde, niet om de speciale schoonheid, maar omdat het hem zelf gebracht had tot studie van de Italiaanse letterkunde, daar het zijn aandacht vestigde op ‘de Levensgeschiedenis en uitnemende Verdiensten van den zoo gevoeligen als lieflijken Zanger der tederste Minne, den Dichter van Laura, den grooten Geleerde der Middeleeuwen, den man, wiens naam-alleen het beeld der Poëzy in al het schoon van 't Ideaal aan den verrukten geest voorstelt.’ Tot zijn teleurstelling vond hij echter nergens mededelingen over de grafschending,

[p. 278]

zodat hij geneigd is te geloven, dat de bezongen gebeurtenis alleen in de fantasie van Barlaeus heeft plaats gegrepen. (p. 88-89).

In een aantekening bij deze brief belooft Schull, dat hij, ‘wat het feit des armroofs betreft,’ hier nader op terug zal komen in de correspondentie-afdeling van het tijdschrift. Schull is echter kort daarop gestorven, zodat zijn opheldering waarschijnlijk in de pen gebleven is.

 

Het werk van Hendrik Harmen Klijn bevat ook een dichterlijke hulde aan Petrarca. Men vindt er namelijk een groot gedicht: De verpligting der kunsten aan de vrouwen (1812),1) waarin het thema ‘Ehret die Frauen’ bezongen wordt. Klijn verheerlijkt Laura, omdat zij de poëzie van Petrarca geïnspireerd heeft:

 
Waar is hij, die verrukt langs Arqua's lagchend veld,
 
In stille bedevaart, ter heilge grafplaats snelt,
 
Petrarcha! die uwe asch met geestdrift wenscht te omvangen,
 
En niet aan Laura denkt, het leven van uw zangen?
 
Ja, Laura was de ziel, was de adem van zijn lied;
 
Petrarcha zonder haar was ons Petrarcha niet;
 
Zij stortede in zijn hart, door 't leed ter neêr gebogen,
 
Dien zachten weemoed, bij dat schittrend kunstvermogen. (I, p. 77).

Ook hier speelt het pelgrims-motief weer een rol in verband met Arquà en Petrarca's tombe aldaar.

Klijn is bovendien de auteur van een treurspel Rienzi. (1844).2) Kenmerkend voor de Romantiek is de levendige belangstelling voor de figuur van de Italiaanse Tribuun, waarvan literaire en wetenschappelijke geschriften in de verschillende landen getuigen. Uit het ‘Voorberigt’ van Klijn blijkt, dat hij de werken van Gibbon, Bulwer en Papencordt als bron heeft gebruikt.3) Hij spreekt over de verhouding van Petrarca tot Cola en citeert een paar fragmenten uit diens brieven aan Rienzi, die uit het boek van Papencordt zijn overgenomen. Klijn volgt Bulwer, wat de strekking van zijn treurspel betreft. Hij wil aantonen, dat een volk niet plotseling van slavernij tot vrijheid kan stijgen. Eerst moet het zijn eigen driften leren beteugelen. - Petrarca fungeert niet als dramatis persona in deze tragedie. Behalve in het ‘Voorberigt’ wordt er niet uitvoerig over de betrekkingen tussen hem en Rienzi gesproken. Wel wordt gezinspeeld op de verering van de dichter voor de Tribuun, zoals die blijkt uit bepaalde brieven en gedichten:

 
Petrarcha zelve stemde eens zijn gewijde lier
 
Tot lof van Rome's hulp, en heeft, met eedlen zwier,
 
Rienzi's heerlijk doel voor iedre blaam beveiligd,
 
En zijn' vergoden naam de onsterflijkheid geheiligd. (p. 169).
[p. 279]

Volgens Klijn streefde Rienzi naar de kroning met het voorbeeld van Petrarca voor ogen. Cola spreekt:

 
Werd niet Itaalje's roem, Petrarcha, zelfs gekroond?
 
En Rome's redder, slechts door volksgejuich beloond,
 
Zou zulk een eerbetoon, die zalving moeten derven? (p. 185).

Om dit treurspel, kan men Klijn als een voorloper van Albert Verwey beschouwen, die eveneens om de tragische figuur van de Tribuun een ideeën-drama heeft gebouwd. (zie p. 349 sqq.).

Ten slotte vermeld ik nog, dat Klijn twee fragmenten uit het Canzoniere vertaald heeft. Deze verzen - misschien niet eens naar de Italiaanse tekst vervaardigd - komen voor in de studie over Petrarca van zijn vriend G.J. Meyer.1)

 

Omstreeks het midden der vorige eeuw is in Nederland verkondigd, dat Tollens ‘grooter dan Petrarca is.’ Toen de dichter gestorven was, heeft de Haagse Rederijkerskamer ‘De nieuwe Korenbloem’ een herdenkingsavond georganiseerd, waar het borstbeeld van Tollens plechtig gekroond zou worden. C.G. Withuys heeft een lofdicht geschreven, dat tijdens deze eigenaardige ceremonie gedeclameerd is.2)

Verschillende vrienden-kunstbroeders, o.a. Zaalberg, Perk, Keller, Ising, reciteerden een couplet hiervan, terwijl het beeld, bij de slotwoorden, onder het geschal der bazuinen, met een gouden lauwerkrans werd gesierd, waarop het orkest de melodie van Tollens' Volkslied inzette. Hem rekende men dus, evenals Petrarca, de poëtische lauwerkroon waardig! Deze gedachte vormt het motief van het gedicht, waarmee Withuys zijn ontslapen vriend huldigt.3) Ik citeer enige verzen hieruit:

 
Zoo Tollens aan den zoom des Tibers waar' geboren,
 
Waar heilig kunstgevoel in arm en edel woont,
 
Had hij zijn verzen in Petrarca's taal doen hooren,
 
Hij ware op 't Kapitool gekroond!
 
 
 
Itaaljes gloed voor kunst is vreemd aan 't koude Noorden;
 
Geen lauwer wast op 't schrale duin -
 
Maar wie, aan Maas- en Amstelboorden,
 
Had gaarne niet een krans zien plaatsen op zijn kruin!
 
.......................
 
o Elk had Tollens graag met schóóner kroon zien kroonen:
 
Dan Rome voor Petrarca had!
 
.......................
[p. 280]
 
Maar nu hij de aard verliet; - nu hem geen praal kan deeren,
 
Wiens stoffe daalde in 't rijk van stilte en duisternis;
 
Nu mogen arm en rijk, naar lust van 't hart, hem eeren
 
Die grooter dan Petrarca is!

De verzen van Withuys bewijzen, hoe men bij die gelegenheid alle proportie uit het oog verloren had, toen men Tollens eenvoudig boven de Italiaanse dichter stelde! Wij zullen zien, dat dit feit de schampere doch eerlijke verontwaardiging van Huet heeft opgewekt, die deze kwestie in zijn Litterarische fantasien en kritieken bespreekt.1)

Toch was Tollens reeds eerder door een geestdriftig bewonderaar bij Petrarca vergeleken, en wel in het elogium van een recensent in 1814:

Dichter! Gij hebt mij het hart gekneed: gij speelt, gelijk Homerus, Virgilius, Petrarcha en Ossian, met mijne verbeelding en met al mijne aandoeningen; gij ontlokt mij tranen van gevoel, eer ik hetzelf wete. Gij behoort onder die zeer weinige Dichters, wier lezing mij niet verzadigt, en bij elke herlezing van wier Gedichten ik wederom nieuwe schoonheden ontdek, etc.2)

Ook hier blijkt beschamend de onbevoegdheid van de letterkundige kritiek, die Tollens op deze wijze naast figuren uit de wereldliteratuur plaatst. Voor wie zo spreekt, is Petrarca niet meer dan een naam geweest.

 

Zien wij nu eens, hoe de Italiaanse dichter beoordeeld wordt in de geschriften van bevoegder critici. J. Scheltema vat in zijn Redevoering over de brieven van P.C. zn Hooft de oude vergelijking tussen deze dichter en Petrarca weer op. Toch wijst hij tevens op het grote verschil in beider liefde:

Geene Nederlandsche vrouw is zoodanig door schoone verzen vereeuwigd dan deze Leonora....; ware dan onze taal zoo bekend als de Latijnsche, men zoude den bundel over de gelukkige liefde van Hooft en Leonore, als een waardige tegenhanger beschouwen van de verzen op de ongelukkige liefde van Petrarcha en Laura.3)

J. Lublink de Jonge geeft in zijn Verhandelingen een bijlage over het leerdicht, waarin hij o.a. Les Jardins van Delille vermeldt. Enkele episodes hieruit worden apart genoemd: ‘De beschrijving van het Paradijs naar Milton, de liefde van Petrarcha en zijne Laura.... zijn uitweidingen, welke, onzes bedunkens, elk' Lezer van gevoel een wezenlijk genoegen moeten verschaffen.’4) Door dit werk van Delille, dat ook in ons land bekend was, kan indirect de aandacht van sommige lezers op de romantische liefde van Petrarca gevestigd zijn.

[p. 281]

Weinigen uit dat tijdvak hebben zich met zoveel belangstelling op de studie van de buitenlandse letteren toegelegd als N.G. van Kampen. Reeds in 1807 schrijft hij over Petrarca in een verhandeling, die het Teyler-Genootschap een bekroning waardig keurde: Geschiedkundig onderzoek .... omtrent de lotgevallen der dichtkonst onder de meest bekende zoo oude als hedendaagsche beschaafde volkeren.1) Hij meent, dat Petrarca's liefde voor Laura, een gehuwde vrouw, verontschuldigd moet worden op grond van ‘de zuivere en byna Platonische aard derzelve.’ Van Kampen waardeert de taalmuziek van het Canzoniere en merkt op, dat Petrarca Provençaalse, Italiaanse en klassieke elementen in zich verenigt. Hij stelt Dante boven Petrarca, wat ‘denkbeelden’ en ‘dichtvuur’ betreft. Ook is de laatste, volgens hem, niet vrij te pleiten van zekere gezochtheid in de stijl.

Wanneer de schrijver twintig jaar later het Handboek van de geschiedenis der letterkundige beschaving uitgeeft, spreekt er belangstelling voor Petrarca uit enkele passages, die hij aan deze vertaling van Wachler's compendium heeft toegevoegd.2) Men vindt er een uitweiding over de kroningsplechtigheid op het Capitool en ook enige opmerkingen over het innerlijk leven van Petrarca. Evenals Wachler analyseert Van Kampen zijn karakter van de ethische zijde. Naar aanleiding van de ‘teedere, kuische zielenliefde voor Laura’ zegt hij:

Voor de echtheid en zuiverheid van dit gevoel pleit het geheele leven van Petrarca. In zijne jeugd had hij zich door den wellust laten verleiden, en bij een meisje van geringen stand eene dochter verwekt;3) maar hij gevoelde naderhand daarover zulk een diep en hartelijk berouw, dat hij, om zich tegen alle verdere verleidingen der zinnelijkheid te beveiligen, zich zelv' een' gestrengen leefregel voorschreef. Nooit, behalve in zijn' hoogen ouderdom, dronk hij meer wijn, en gebruikte zelden meer vleeschspijzen; vruchten en groenten waren zijn doorgaand voedsel.4) .... Het is merkwaardig, dat de in aanleg en dichttrant zoo zeer verschillende groote dichters der veertiende Eeuw beiden door eene zuivere, nog lang na den dood der beminde voorwerpen werkzame liefde (want ook Dante mogt zijne Beatrix nimmer bezitten, die hij lang na haren dood in zijnen Hemel verheerlijkte) als 't ware gelouterd, boven lage aardsche driften verheven, en met de geestdrift, die alleen den waarachtigen dichter vormt, werden bezield.5)

Van Kampen stelt hier dus met grote ingenomenheid Petrarca's moreele deugden en zijn liefde, welke hij ‘zuiver platonisch’ noemt, op de voorgrond. Juist in deze moralistische richting heeft zijn opvatting van de dichter zich nog verder

[p. 282]

ontwikkeld. Dit blijkt uit zijn volgende werk: Handboek van de geschiedenis der letterkunde bij de voornaamste Europische volken in nieuwere tijden.1) Van Kampen beschouwt de Italiaanse dichter in de eerste plaats als Christen: ‘Het gestel van Petrarca was vurig, doch geheel doordrongen van edele en christelijke grondbeginselen.’ Hij wijdt een aparte paragraaf aan ‘Petrarca's deugdzame beginselen.’ Een kort citaat hieruit volge, om de strekking te kenschetsen: ‘Deze zegepraal der Idee over de lage zinnelijkheid, eene zegepraal, waarvan Plato op zijn best een schemerachtig denkbeeld had, is ongetwijfeld aan het Christendom te danken.’

Met de classici deelt Van Kampen de opvatting, dat Petrarca zeer hoog staat, ‘omdat hij een model is niet alleen van het schoone, maar ook van het goede.’ Hij spreekt ook over de sonnetten tegen de Curie, die Petrarca schreef ‘in de volle verontwaardiging van zijn deugd- eer- en Godsdienstlievend hart.’ Na vertaling van enkele zinsneden hieruit vraagt Van Kampen: ‘Konden Luther en Calvijn sterker spreken?’ Deze neiging om Petrarca als een voorloper van de grote Hervormers te beschouwen, komt bij veel tijdgenoten voor, b.v. bij Lamers in zijn dissertatie, (zie p. 290). Hier kan invloed in het spel zijn van Meinhard's ideeën.2) Deze juist vergelijkt Petrarca met de beroemde Hervormers. In Van Kampen's opvattingen zegeviert het christelijk standpunt bij de beoordeling van Petrarca. Belangrijk is, dat hij in dit laatste Handboek grote fragmenten uit verschillende canzonen en ook een enkel sonnet3) door proza-vertaling tot de Nederlandse lezer brengt. Hij koos vooral strofen uit de beroemdste canzonen.4)

Daar Van Kampen het verband tussen de dichter en zijn werk goed belicht, mag men veronderstellen, dat hij door zijn Handboeken Petrarca wel nader gebracht heeft tot de Hollanders, die leiding wensten bij hun studie van de literatuur.5)

 

In de lijst van improvisaties, die Willem de Clercq gehouden heeft, wordt het onderwerp Vaucluse vermeld. (19 Febr. 1824).6) Ook hier is het weer jammer, dat de inhoud van deze rede niet bewaard is. Over Dante en Tasso heeft De Clercq

[p. 283]

in die jaren ook geïmproviseerd.1) Voor zijn ideeën omtrent Petrarca bezitten wij enkele gegevens door zijn werk over de invloed van de buitenlandse letterkunde op de onze.2) In deze verhandeling treft men onder meer de volgende passage aan. De schrijver wijst er op, dat zelfs de grootste figuren dikwijls niet aan de gebreken van hun tijd ontkomen: ‘Wie ontdekt niet.... in Dante's Commedia de bekrompene godgeleerde begrippen zijner eeuw, naast den onmiskenbaren invloed van onverzoenbare burgerlijke verdeeldheden; in Petrarca's sonnetten de overdrevene toepassing der platonische wijsbegeerte.’ (p. 6).

Elders wordt Petrarca genoemd in verband met de geringschatting voor de volkstaal reeds in de 14de eeuw: ‘Gering was de achting welke Petrarca voor zijne eigene Poëzij, in het toen nog nieuw geboren Italiaansch voedde, en thans grondt zich daarop zijn roem veel meer dan op zijn nu lang vergeten Africa.’ (p.45). Over de oude klassieke Italiaanse auteurs oordeelt hij verder als volgt:

Het driemanschap van Dante, Petrarca en Boccacio, had in de dertiende en veertiende eeuw de bloemen der oude Dichtkunst, met het eigenaardige van de Letterkunde der middeleeuwen vereenigd, en wij vinden bij den eersten de verborgenheden van den Christelijken Godsdienst; bij den tweeden de dweepachtige liefde der Troubadours; en bij den derden de geestvolle Fabliaux van het Noordelijk Frankrijk, in eenen gekuischten, en den geest der Ouden waardigen, stijl weder. (p. 55).

Petrarca is dus beïnvloed door de Troubadours in Frankrijk, waar ‘de zang der minne in deszelfs Zuidelijkste provinciën gehoord werd, die tevens, gedurende een' geruimen tijd, de verblijfplaats van het Pauselijk hof waren, en waar Petrarca zijn tweede vaderland, en, wat meer was, zijne Laura vond.’ (p. 60).3)

De bekendheid van de Italiaanse letterkunde in Nederland tijdens de 16de eeuw leidt De Clercq o.a. af uit Spieghel's verzen over Petrarca in zijn Hert-Spieghel (zie p. 80) en hij ziet verband tussen de belangstelling voor Italië en het feit, dat juist dit land als verblijf voor de jonge Hooft werd gekozen. (p. 105).4)

De schrijver wijst een vergelijking van de drie grote Italiaanse dichters met Coornhert, Spieghel en Roemer Visscher van de hand. Volgens hem zou men de betekenis van dit laatste driemanschap overschatten, ‘indien men hetzelve bij dat van Petrarca, Dante en Boccaccio in de Italiaansche, of van Boscano, Huarte de Mendoza en Garcilaso de la Vega in de Spaansche Letterkunde, vergelijken wilde.’ (p. 141).

[p. 284]

Verder constateert De Clercq, dat de Italianen ‘concetti’ en dergelijke ‘weelderigheid van den geest’ anders beoordelen dan wij: ‘- dat ieder volk eenen eigenaardigen smaak bezit, en dat hetgeen in de taal van Petrarca aan de oevers van den Arno of Tiber welluidend klonk, daarom niet steeds voor die van den Amstel of de Seine geschikt was.’ (p. 154).1) Bij de bespreking van de Italiaanse invloed op de grote Zeventiende-eeuwers maakt hij geen melding van Hooft's bewerkingen van een paar sonnetten uit het Canzoniere; alleen in verband met Huygens wordt er gesproken van vertalingen naar Petrarca, Marino, Guarini, e.a. (p. 167). De Clercq heeft wel voldoende gelet op betekenis en aard van de invloed der Italiaanse letterkunde op de onze,2) maar over Petrarca en Nederland deelt hij uiterst weinig bizonderheden mee in zijn Verhandeling.

 

Ook A. Simons herinnert in zijn Verhandelingen meer dan eens aan Petrarca en zijn liefde. In zijn redevoering over de ware dichter noemt hij Tibullus, Petrarca, Hölty en Bellamy als lyrici, die in ‘heilige verrukking’ hun zangen der liefde hebben geschapen.3) Simons voelt dus in zeker opzicht enige verwantschap tussen Petrarca en Bellamy. (cf. p. 246).

In verband met het Humanisme gedenkt hij de grote Italianen te zamen: ‘Zijn wij het vergeten, dat na den nacht der middeleeuwen en barbaarschheid, het herstel der letteren en kunsten, in Italië, grooten dank verschuldigd is aan Dante, Petrarcha en Boccace? Was Tasso niet een eere voor de Hoogeschool van Padua?’ (p. 22-23).

Over de onsterfelijkheid van de dichter bij zijn volk zegt hij:

Doch ook latere dichters blijven bij hunne volkeren leven. Dante's Hel en hemel wordt van de Italianen nog bewonderd, met de zelfde geestdrift, die voorheen zijn meesterstuk met den naam van goddelijk vereerde. Bij de heerlijke bron van Vaucluse, is Petrarcha nog niet vergeten; - en behoeven wij naar Zorgvliet te gaan, het Slot van Muiden te zien, of aan den Amstel, het eenvoudig marmer op te zoeken, om aan Cats, aan Hooft en aan Vondel te gedenken. (p. 30).

In zijn redevoering over lyrische poëzie prijst Simons in het bizonder de verheven ode:

Wij vergeten op dit kronkelpad, de luidruchtige toonen van het drinkliedje en het volkslied - van den jagersdeun en krijgszang, - en al zongen ook Dante en Petrarcha, van Beatrix en Laura, het woud van Verona en de bron van Vaucluse zouden nog weigeren, de zoete toonen van het madrigal en sonnet te herhalen, om het onnavolgbaar lied van den Thebaner zanger en den verwonderlijken toon van Rome's eersten lierdichter te hooren! (p. 64).
[p. 285]

Blijkens deze passage stelt hij toch de lierzangen van Horatius boven de gedichten van Dante en Petrarca. Elders wijst hij terecht op de grote betekenis, die een verblijf te midden van een volk met een belangrijke letterkunde voor de ontwikkeling van de dichter kan hebben. Naar aanleiding van het feit, dat Vondel dit voorrecht gemist heeft, zegt hij:

Wie verbeeldt zich de ongekende weelde, die Cats genoot, wanneer hij, in Frankrijks lagchende dreven, bij de verwonderlijke bron van Vaucluse nederzat, als de dag heet werd, om, onder het geruisch van bladeren en van water, dáár de zoete droomen van Petrarcha te lezen; of als Hooft zich aan de boorden van de Arno verlustigde, - halve zomernachten, de mandoline onder zijn venster speelde en hij in gondels de verrukte Italianen uit Dante hoorde zingen!
Neen! dat konden de ruwe Deenen aan Vondel niet geven, toen de nood hem verpligtte, naar het barre Noorden te reizen! (p. 152-153).

Hier heeft zijn fantasie professor Simons parten gespeeld. Het is niet bekend, dat Cats Vaucluse heeft bezocht,1) en het blijkt niet, dat deze dichter voorkeur toont voor de liefdeslyriek van Petrarca. Ook had Simons beter hèm in plaats van Dante kunnen noemen in zijn karakteristiek van Hooft's verblijf in Italië.

Ten slotte een alinea, waaruit blijkt, dat hij de Italiaanse invloed bij Hooft als een gunstige factor beschouwt:

Is het Hooft ten kwade te duiden, dat hij Dante, Petrarcha en Boccacce in hun eigen Vaderland opzocht en van hen leerde, uwe taal te beschaven en te verrijken? Zou hij dat, in het Noorden, van Opitz hebben kunnen leeren?2) Is het hem ten kwade te duiden, dat hij van de zoomen der Arno geurige bloemen medebragt, die, hier over geplant, gelukkig tierden? (p. 171-172).

Simons heeft dus een voorstelling gehad van Petrarca's grootheid, al blijven zijn pathetische formuleeringen zeer vaag.

 

Van W.G. Brill citeer ik in verband met Petrarca een uitspraak over het sonnet:

Alleen het sonnet of klinkdicht, van Provençaalschen oorsprong, en, zoo het schijnt, door Petrarcas voorbeeld weder in den smaak gekomen, is de waardige vorm geweest van menige schoone gedachte of edel gevoel tot in onzen tijd toe, niet alleen in Frankrijk, maar ook, sedert de zeventiende eeuw, in ons vaderland en in Duitschland.3)

Naast de reeds besproken romantische ideeën over Petrarca en Tasso in de tragiek van hun dichtersmart, heeft zich ook een opvatting ontwikkeld, die meer

[p. 286]

kritisch tegenover de beroemde Italianen en hun liefde staat. In zijn boutade Vooruitgang (1837) klaagt Hildebrand er over, dat men ook jegens de dichter en zijn leed alle piëteit verloren heeft bij dat zoeken naar historische waarheid: ‘- En dan dat uitlachen als wij medelijden hebben, b.v. met Tasso en Petrarca door te zeggen, de een had het zoo hard niet te Ferrara, en de andere was niet zoo heel verliefd! -’

Ook in zijn literaire opstellen heeft Beets wel eens een enkele opmerking over Petrarca gemaakt. De bundel Poëzie in woorden bevat een studie over het sonnet. In de eerste afdeling hiervan citeert de schrijver het sonnet van Sainte-Beuve,1) waarin deze dichtvorm verdedigd wordt, door te wijzen op Shakespeare, Petrarca, Dante, e.a. Maar -, nu komt Beets' persoonlijk oordeel voor den dag, wanneer hij onder meer verklaart: ‘....het [is] mij op mijn zeventigste jaar nog even onbegrijpelijk als in mijn zeventiende, hoe een Petrarca zijne liefde voor Laura maar altijd weder en wederom in sonnetten, tot over de, ik geloof, tweehonderd toe, lucht kon geven....’.2)

De ware zin voor de schoonheid van het sonnet heeft Beets geheel ontbroken. Wat hem het meest getroffen heeft in de poëzie van Petrarca, dat is het grote aantal der sonnetten. Men vergelijke een passage uit diezelfde bundel, waar de schrijver opmerkt, dat de herleving der klassieke letteren toch niet het rijm verdrongen heeft: ‘Ariosto, schoon van de ouden doorvoed, schreef onder de Medicis zijn Orlando Furioso zoo onbekommerd in ottava rima, als twee eeuwen vroeger de dichter van de Divina Commedia zijne terzini, als vóór honderd jaren Petrarca zijn driehonderd sonnetten -’.3)

Men krijgt de indruk, dat het Beets moeilijk viel, Petrarca met zijn vele liefde-klachten-in-sonnetvorm au sérieux te nemen. Liever beschouwt hij de dichter met de ‘humoristische’ blik, zijn letterkundige richting eigen.

 

De classici en Petrarca. - Ook de negentiende-eeuwse beoefenaars van de klassieke studie eren Petrarca om zijn verdiensten voor de herleving der Oude Letteren, - men zie b.v. de Geschiedenis der classische literatuur van Heeren.4) Deze Duitse auteur bespreekt uitvoerig het leven en de betekenis van Petrarca als ‘hersteller en bevorderaar van de studie der classische Literatuur.’ (I, p. 329-351). Natuurlijk geldt de bewondering van de geleerden op dat gebied uitsluitend de Latijnse werken van de dichter. Heeren b.v. geeft in een noot de volgende aantekening: ‘Hoewel Petrarca tegenwoordig bijna uitsluitend als italiaansch dichter

[p. 287]

bekend is, overtreffen zijne latijnsche werken de italiaansche verre zoowel in aantal als in inwendige waarde.’ (I, p. 340-341, noot).

Toch schijnt het, dat de classici uit het begin der 19de eeuw wel eens om een speciale reden van Petrarca spreken in hun geschriften: zij beschouwen hem als de auteur, die mede het platonisch ideaal in Italië deed herleven en op die wijze de band tussen de schone letteren en de filosofie herstelde. Reeds de achttiende-eeuwse geleerde Wyttenbach zegt als volgt, wanneer hij over de wedergeboorte der letterkundige beschaving spreekt:

Signum ad eam rem primus extulit Dantes Aligerius, primarius inter Italos Poëta, qui plurimas Platonicae doctrinae suavitates suis adspersit carminibus, hominesque ad elegantem ac popularem Philosophiam adducere studuit. Prodiit ex ejus disciplina elegantissimi vir ingenii Franciscus Petrarcha, qui ut omnis venustatis doctrinas cognitas perspectasque habebat, ita Philosophiam vitae morumque magistram pulcherrimo exornavit orationis genere. Ad hujus imitationem cum se conferrent Joannes Boccacius, Leonardus Brunus, Angelus Politianus, Philelphus, Pontanus, Graecas Latinasque litteras revocarunt, ruptumque illud diu Musarum cum Philosophia vinculum restituerunt.... etc.1)

Dezelfde opvattingen hieromtrent vindt men terug bij verschillende classici, o.a. in Lamers' dissertatie over Petrarca. (zie p. 290).

Ook Van Heusde verklaart de aard van Petrarca's liefde uit het Platonisme. In één zijner werken spreekt deze classicus over de ‘Amor platonicus’ en zegt dan als volgt:

Acceperunt hunc amorem poetae, in primis Itali, de mira illa animorum conjunctione, quae amatae intercedit cum amatore, et utrumque in regiones coelestes extollit: ac profecerunt inde Dantes Aligerius ad Beatricem, Petrarcha ad Lauram, alii ad alias celebrandas divini pectoris foeminas.2)

Hier ligt dus voor de classici en Plato-kenners een apart gebied, waarop zij Petrarca betekenis toekennen: zij beschouwen hem gaarne tegen de achtergrond van het Platonisme en wijzen er op, dat hij de studie van de bonae litterae weer met de wijsbegeerte verbonden heeft, waardoor hij een klassiek ideaal verwezenlijkt.

Uit de officieele kringen der wetenschap zijn in de 19de eeuw twee Latijnse studies over Petrarca voortgekomen: een rede van Prof. Van Goudoever en een dissertatie van Lamers.

 

De Utrechtse hoogleraar Van Goudoever heeft Petrarca tot onderwerp gekozen voor een openbare rede: Oratio de Francisco Petrarcha, literarum humaniorum seculo XIV instauratore praecipuo.3) Er is een ‘Annotatio’ bijgevoegd met biblio-

[p. 288]

grafische toelichtingen. Van Goudoever blijkt goed bekend met de Epistolae van Petrarca; ook noemt hij De contemptu mundi, De ignorantia, De remediis en het gedicht Africa, terwijl hij zinspeelt op de inhoud van De vita solitaria. Hij vermeldt verschillende auteurs over Petrarca, - van de ouderen o.a. Boccaccio, van de nieuweren De Sade en Ginguené. Zijn belangstelling concentreert zich op Petrarca als Humanist, dus op zijn verdiensten voor de herleving der klassieke studie: ‘Intelligitis.... quantopere Petrarchae ratio a superioribus fuerit diversa, et vere me affirmasse, eum novum Literarum stadium aperuisse, unde laeta rerum illa conversio exstitit et literae nostrae rursus humanae factae sunt.’ (p. 32).

Behalve aan Petrarca's persoonlijke betekenis hecht Van Goudoever ook grote waarde aan de bezielende invloed, die van hem op de jongeren is uitgegaan. Hij wijst er op, dat hij reeds kritisch stond tegenover de wetenschap van zijn tijd en dat hij door geheel nieuwe ideeën bezield tot de Klassieken ging. Petrarca herstelde Aristoteles in ere, wiens beeld door de Averroïsten vertroebeld was, maar wekte groter liefde voor Plato, die hij, gedeeltelijk door het werk van Cicero, was gaan bewonderen: ‘Uni vero Petrarchae hoc proprium fuit, ut Platonem exulem in Italiam revocaret, et amore, quo erga eum ipse flagrabat, alios imbueret. Ita Plato Aristoteli fuit oppositus, et ipse Aristoteles Averrois aliorumque sordido pulvere liberatus, etc.’ (p. 27).

In de voorstelling van Petrarca's innerlijk leven is Van Goudoever te idealistisch: hij spreekt niet van de tweespalt, die de dichter heeft gekweld. Trouwens, Laura en de Italiaanse poëzie blijven buiten beschouwing, omdat hij uitsluitend Petrarca's betekenis voor de wedergeboorte van de cultuur der Ouden belichten wil. Deze oratio heeft waarschijnlijk inspireerend gewerkt op één van zijn leerlingen, wiens dissertatie nu besproken wordt.

 

C.H.W. Lamers is de auteur van een Disputatio historico-literaria de Francisci Petrarchae vita, moribus, in bonas literas meritis. (Traj. ad Rhenum 1842). Een historische inleiding opent het proefschrift: ‘De universa literarum, medio aevo, conditione.’1) In het biografische gedeelte bestrijdt Lamers de opvatting van de Italiaanse commentatoren Vellutello en Gesualdo, als zou Petrarca Laura het eerst gezien hebben: ‘in valle Clausa’ - ‘in gramine ad fluvii ripam sub arboris umbra recumbentem.’ (p. 29, noot). Hij zelf houdt zich aan de voorstelling van De Sade over hun ontmoeting in de kerk van Ste. Clara te Avignon. Ook ten opzichte van Laura's identiteit aanvaardt Lamers de voorstelling van de Franse abt, wiens Mémoires hij trouwens voor al de levensfeiten van Petrarca volgt. Toch hebben daarnaast andere boeken over Petrarca als bron gediend. Men ziet hierdoor, welke buitenlandse werken over de dichter ook in Nederland min of meer bekend waren

[p. 289]

in de kringen van de literatoren.1) Lamers is de eerste (en enige) Nederlander, die een werk van zekere omvang over Petrarca geschreven heeft, maar in het Latijn.

Aan het eind van de 18de- en in het eerste deel van de 19de eeuw zijn heel wat ‘romantische’ gedichten en boeken aan Vaucluse en de liefde van Petrarca en Laura gewijd. Vooral Frankrijk bezit veel letterkundige fantasieën rondom deze liefdesgeschiedenis. De geest hiervan is dikwijls sentimenteel of pathetisch.

Het blijkt, dat Lamers verschillende van deze lyrische bewerkingen van Petrarca's lotgevallen wel gekend heeft. Vooral in verband met zijn bespreking van Vaucluse en 's dichters leven aldaar verwijst hij dikwijls naar stukken van dit genre.2)

Het hoofdstuk Petrarchae characterismus schetst de aard en neigingen van Petrarca. De eigenaardige tegenstrijdigheden in de dichter ontgaan Lamers. Zowel van hem als van Laura geeft de schrijver een zeer idealistisch beeld. - Hij is verder overtuigd, dat juist Petrarca's klassieke lievelingslectuur (Cicero!) een uitstekende moreele invloed op zijn karakter heeft gehad.

Op grond van hun belijdenissen worden Augustinus, Petrarca en Rousseau vergeleken; vooral in de levensgeschiedenis van de beide eersten bestaat overeenkomst. (p. 69-70).

Lamers beschouwt de liefde van Petrarca in samenhang met de platonische idee.3) Laura wordt met deze woorden geroemd: ‘quod haud raro longe aliter evenire solet, in pulcro corpore pulcer animus habitabat.’ (p. 75).

Over de poëzie in verband met deze liefde getuigt hij als volgt: ‘Sublimi item illi Petrarchae amori aureola illa debemus carmina, quae Italico sermone elegantissima cecinit, et ipsi nominis immortalitatem conciliarunt et verissimum ipsius amoris τύπον continentia.’ (p. 77).

Ten slotte vermeld ik nog enkele trekken van Petrarca, waarmee de auteur zijn karakteristiek aanvult: ‘Solitudinis imprimis amans erat Petrarcha literatae;’ - ‘ad amicitiam colendam Petrarcha natus erat.’ Juist door deze vriendschap hebben veel jongeren geestdriftig zijn voorbeeld gevolgd en ook de studie van de Klassieken ter hand genomen.4)

In het laatste hoofdstuk van deze Disputatio wordt Petrarca beschouwd in verband met zijn betekenis voor de herleving der letteren. (p. 92-138). ‘Praecipuum literarum instauratorem’ noemt Lamers hem. Als classicus bestudeert hij vooral de wijze, waarop Petrarca tegenover de verschillende oude schrijvers heeft gestaan,

[p. 290]

wat hij aan hen te danken heeft, en hoe door toedoen van Petrarca de studie van de klassieke cultuur praktisch en ideëel bevorderd is.

Lamers citeert, dat Petrarca Homerus - die hij niet in het oorspronkelijk lezen kon - bewondert1), en hoe Cicero hem tot een ethische gids wordt. Petrarca's verdiensten ten opzichte van Plato worden ook erkend.2)

Voor Lamers ligt het zwaartepunt van Petrarca's betekenis als Humanist in het feit, dat hij de wijsbegeerte en de studie van de letteren bevrijd heeft van de kluisters der middeleeuwse dialectiek en getracht heeft, beide vakken tot een cultureele eenheid te verbinden. Verschillende Latinisten beschouwen deze combinatie als het karakteristieke ideaal van de klassieke eruditie: Lamers citeert getuigenissen van bekende geleerden, om deze mening te staven.3)

Ook belicht de schrijver nog een andere zijde van Petrarca's persoonlijkheid en hier is zijn argumentatie mijns inziens niet objectief. Hij stelt hem tevens voor als een kerkhervormer, ‘quem procul dubio, reverendos ecclesiae reformatores, si aequalem habuissent, socium et adjutorem habituros fuisse, et vero melioris rationis propugnatorem acerrimum, jure quodam contendere mihi videor.’ (p. 128). In deze bladzijden ziet Lamers de dichter te zeer als een bewust agitator tegen het pauslijk gezag. Geforceerd is ook de vergelijking tussen Petrarca en Luther, ‘qui postea idem egit in rebus sacris quod noster [Petrarca] in re literaria et humanitatis omnino causa tam felici cum exitu peregit,’ etc. (p. 136).

Aan het slot van zijn dissertatie vat Lamers de verdiensten van Petrarca samen in een lyrische verheerlijking van de herleving der letteren.

Zijn studie heeft waarde, omdat wij hierdoor een wetenschappelijk geschrift bezitten, waarin de Petrarca-kennis van omstreeks het midden der vorige eeuw is vastgelegd. Als de meeste classici heeft hij speciaal belangstelling voor Petrarca als Humanist.4)

 

Het is hier een geschikte plaats, om nog twee andere auteurs te vermelden, die ook in een Latijnse studie van letterkundige aard hun opvatting meedelen over Petrarca's betekenis voor het Humanisme.5)

T.P. Tresling schrijft in zijn Vita et merita Rudolphi Agricolae het volgende:

Italia jam diu Petrarcam suum, divinum virum, viderat, qui Agricolae in multis haud dissimilis, bonarum literarum studium primus in patriam suam reduxit.....Quamvis jam Petrarca et Boccacio Graecas literas in Italia instaurare conati essent, hoc tamen perficere non potuerunt, quippe quae
[p. 291]
ex ipsa Graecia repetendae essent .... Ante Petrarcam Latinus sermo putidus diu, obsoletus parumque expolitus jacuerat. At vero hujus eruditione ac opera ex diuturno quasi somno expergefieri atque diligentius in Italia excoli coepit....1)

Blijkens de aantekeningen op p. 68 heeft hij zijn gegevens voor de betekenis van Petrarca als instaurator litterarum te danken aan het werk van Heeren: Geschiedenis der classische literatuur. (zie p. 286). Wat Petrarca en Agricola betreft, verklaart Tresling: ‘Petrarcae erga Italiam eadem, quae Agricolae erga Germaniam Belgiumque fuere merita,’ en hij beroept zich op een epigram van Hoeufft, dat hij laat volgen:

 
Non ita Aretensis nato tumet ora Petrarcha,
 
Agricola quantum parva Bafloa suo.
 
Nempe fuit patriae, doctrinae luce carenti,
 
Agricola, Italico quod fuit ille solo.2)

Overeenkomstige opvattingen aangaande Petrarca en de ontwikkeling van het Humanisme zijn te vinden in de dissertatie van Jan Conrad Hacke van Mijnden, die ook bizondere liefde voor de Italiaanse literatuur gekoesterd heeft. Zijn vertaling van Dante's Divina Commedia is een blijvend getuigenis hiervan. Deze gevoelens moeten zich reeds ontwikkeld hebben tijdens zijn Italiaanse reis. (1835). Zijn journaal bevat een passage, waarin hij zijn overpeinzingen bij het graf van Dante weergeeft, en verklaart, welke verdiensten deze dichter en Petrarca gehad hebben voor de herleving van letteren en wetenschappen in Italië.3)

Hacke's Disputatio beweegt zich op het gebied van de Italiaanse cultuurgeschiedenis.4) Hij schetst de Humanist Bessarion in zijn betekenis voor het herstel der beschaving. De klassieke Italiaanse dichters worden als baanbrekers van het Humanisme geprezen: ‘Italia, in qua antiquitus artes et literae adeo floruerant, fuit, quae ceteris Europae partibus primum impulsum dedit. In ea, jam seculo XIII et XIV, praeclarissima exstiterant ingenia, Dantes, Petrarcha, Boccatius, viri immortali memoria digni, qui primi emendandis literis operam dederunt.’ (p. 4). En dan geeft de schrijver een beschouwing over hun pioniersarbeid voor de wedergeboorte van de klassieke beschaving. Ook elders in dit werk bespreekt Hacke de invloed van Dante en Petrarca op dat gebied:

Dantis vero et inprimis ejus discipuli Petrarchae cura non in eo versata est, ut ipsam philosophiam emendarent, sed cultum elegantiorum literarum restituentes, exemplum praebuerunt aliis, quo melior facies philosophiae ostenderetur. Hi primi inter Italos, studio veterum scriptorum, de puriore
[p. 292]
lingua Latina bene meriti sunt, et inprimis Petrarcha, cum Graecae linguae (cujus se non satis peritum esse ubivis dolet) tum Platonis philosophiae studium instaurare et Averroismi nugas risui exponere, conatus est. (p. 12).1)

Ook hier wordt dus de nadruk gelegd op Petrarca's betekenis voor de herleving der klassieke filosofie, - een kwestie, die verschillende classici op de voorgrond plaatsen, vooral in verband met de verspreiding van Plato's ideeën, die in de Florentijnse Academie hoogtij vieren.2)

In de winter van 1840 op 1841 heeft Hacke een viertal lezingen over de Italiaanse literatuur gehouden.3) Hij verklaart, dat hij alleen die dichters behandelt, die hij zelf ‘gelezen, herlezen en bestudeerd’ heeft en met wie hij ‘gevoeld, geleefd en gedweept’ had.4) En hij kiest: de vier grote klassieken, - Dante, Petrarca, Ariosto en Tasso! De voordrachten werden geïllustreerd door fragmenten uit hun werken, in eigen vertaling. - Nadere bizonderheden ontbreken. Het Levensbericht vermeldt slechts, dat bij de behandeling van Petrarca en zijn poëzie vooral de aandacht gevestigd werd op het platonische element.5) Tekst noch vertalingen zijn echter bewaard. Wel is nog op te geven, welke sonnetten het geweest zijn. De schoonzoon van Hacke, Mr. G. van Tienhoven, de auteur van het Levensbericht, schijnt de Italiaanse bibliograaf Ferrazzi hieromtrent ingelicht te hebben. Deze laatste vermeldt namelijk vertalingen van Son. 69: Erano i capei d'oro a l'aura sparsi, en Son. 261: Levommi il mio pensier in parte ov' era.6) Het is jammer, dat de tekst van Hacke verloren is gegaan. Men had gaarne willen zien, of hij in zijn Petrarca-vertalingen even goed geslaagd is, als in zijn dichterlijke vertolking van de Divina Commedia.

 

A.L. Lesturgeon heeft in zijn studententijd een sonnet uit het Canzoniere vertaald. Hij behoort tot de academie-vrienden, die met Willem Hecker de bundel Dichterlijk Mengelwerk uitgegeven hebben. (Groningen 1836). Hierin komt zijn vertaling voor van Son. 113: Pommi ove 'l sole occide i fiori e l' erbe.7) (p. 44). Dit gedicht van Lesturgeon is geschreven in de gezwollen toon van de Romantiek:

Aan Laura.
 
o Breng mij, waar de zon den bloesemdragt verdort,
 
Of waar op eeuw'ge sneeuw heur zwakke glansen stralen,
 
Breng mij waar de overvloed op heuvelspitse en dalen,
 
Uit rijkgevulde hand, de mildste schatten stort;
[p. 293]
 
o Breng mij, waar Fortuin met gunsten me overlaadt,
 
In woestenijen, waar ik om mijn rampspoed klage;
 
Wat winternacht me omzweev', wat lentegloor mij dage,
 
In jeugd of jong'lingschap of 's grijzen kinderstaat;
 
 
 
In 't golvend luchtazuur, op aarde, in 's afgronds nacht,
 
Op 't rijzig berggevaart', bij 't land'lijk rund'renloeijen,
 
Als vorst gezeteld, of geprangd in kerkerboeijen,
 
Bewierookt door de Faam, of door heel de aard veracht;
 
Steeds ben ik, die ik was; steeds leef ik voor uw heil!
 
Mijn ziel, mijn gansch bestaan, - 'k heb alles voor u veil!

‘Naar Petrarcha’, schrijft de vertaler onder zijn gedicht. Men ziet het verschil: bij Lesturgeon klinkt het slot blij en overmoedig, ‘Horatiaans’, terwijl Petrarca's sonnet droefgeestig eindigt:

 
sarò qual fui, vivrò com' io son visso,
 
continuando il mio sospir trilustre.

Als negentiende-eeuws Petrarca-vertaler vóór de Tachtigers moet J.J.L. ten Kate genoemd worden: hij heeft een twaalftal sonnetten tot een kleine cyclus verenigd onder de titel: Laura van Noves. Sonettenkrans van Francesco Petrarca. (1862).1)

Ter inleiding citeert hij een passage uit een werk van E. D'Araquy: Les étoiles du monde:2) ‘Il faut chercher dans les oeuvres de Pétrarque le portrait de cette femme célèbre. Pétrarque vante sa beauté. Ce fut pendant près de vingt ans dans ce coeur blessé une lutte continuelle entre l'amour et le respect, le désir de plaire et la crainte d'offenser, le besoin de parler et l'obligation de se taire.’ etc. - Er volgen beschouwingen over Petrarca's liefde, met toespelingen op de inhoud van sommige sonnetten en verder wordt over Laura gesproken, van wier persoonlijkheid de schrijver een hoge opvatting heeft.

Dit citaat, dat als motto dient, kan men enigszins als een leidraad voor de samenstelling van de cyclus beschouwen.3) De gekozen gedichten zijn dan een

[p. 294]

illustratie bij de karakteristiek van Petrarca in zijn liefde, die D'Araquy heeft opgesteld. Wij mogen verwachten in de sonnettenkrans de innerlijke ontwikkeling van 's dichters gevoelens terug te vinden, op die wijze, dat er psychologisch verband aanwezig is.

In Son. 47 zegent Petrarca het ontstaan van zijn liefde, met al wat hij daardoor zou genieten en lijden.1) Son. 123, en sterker nog Son. 126 en Son. 184 bezingen Laura's schoonheid, die zo hemels is, dat zij machtig op de dichter inwerkt en hij zich nooit meer van deze liefde bevrijden kan: Son. 113. Van deze onvervulde liefde klaagt Son. 187. Ook wanneer Laura's schoonheid door de tijd verwelkt, blijven de gevoelens van de dichter even intens: Son. 69. Het sterflot van Laura nadert Petrarca in de vorm van een visioen: Son. 213. Als de wrede zekerheid zijn deel geworden is, blijft haar beeld hem toch nabij, - het is, of zij hem troosten wil: Son. 238. De dichter verzinkt in doodsgedachten en gestadige melancholie: Son. 231 en Son. 270, maar de verschijning van Laura inspireert hem, zijn gedachten opwaarts te voeren naar het rijk, waar zij reeds vertoeft: Son. 300. - Dit laatste motief - de loutering van Petrarca's liefde - had sterker belicht kunnen worden, b.v. door invoeging van Son. 278 (I dì miei....) of Son. 299 (Spinse amor....). Overigens is de sonnettenkrans wel met inzicht gerangschikt. Dit is de voornaamste betekenis van deze vertaalarbeid: Ten Kate tracht in een cyclus de quintessens van het Canzoniere tot de lezer te brengen. Een complete vertaling zou misschien weinig aan de smaak der Hollanders beantwoorden: de uitentreuren herhaalde motieven, die bekoren in hun Italiaanse vorm, zouden ons niet blijven boeien op den duur. Meer heil mag men verwachten van een reeks goed gekozen vertalingen, die de kern van het Canzoniere vertolken. Aan Ten Kate de eer, dat hij hier het voorbeeld gegeven heeft.2)

De sonnetvorm is behouden, ook de vijfvoetige jambenmaat. Soms offert Ten Kate het omarmende middenrijm van de quatrijnen op, of wijzigt het schema van de terzinen. De vertalingen zijn niet woordelijk; enkele passages dragen het karakter van een vrije bewerking. Dit geldt voor Son. 69 (Erano i capei....) in zijn geheel. De sfeer van Petrarca's gedicht is daar verloren gegaan in clichés uit de 19de-eeuwse liefdesidyllen. Son. 213 (O misera....) is geheel ‘verchristelijkt’ bij de vertaling:

 
Ik hoor de stem der hope die mij riep:
 
Hoe! zou de Heer, die haar zoo heerlijk schiep,
 
Zijn schoonste wonder vóór den tijd vernielen?
[p. 295]
 
En toch - indien de Hemelsche eens ontsliep!....
 
Dan wensch ik ééns nog op haar graf te knielen,
 
En voorts, vaar op, mijn ziel! naar 't Rijk der Zielen!1)

Ook Son. 113 heeft heel wat wijzigingen ondergaan.2) Son. 231 (La vita fugge ....) wijkt eveneens op enkele plaatsen sterk af van het origineel. Vs. 7-8 luiden:

 
Had' deernis met mij-zelv' mij niet gedragen,
 
Mijn laatste denkkracht ware al lang vergaan.3)

Misschien heeft Ten Kate opzettelijk de zelfmoord-gedachte bij Petrarca, hoe eufemistisch ook uitgedrukt, willen elimineeren. - Soms is zijn vertaling wel goed geslaagd. Er zit stemming in een terzine als de volgende:

 
't Was of de gantsche lucht melodiesch werd:
 
Geen enkel blaadtjen ritselde aan de boomen;
 
De hemel boog zich neêr in luistrend droomen.4)

Als proeve uit de sonnettenkrans laat ik de vertaling van Son. 187 (Quando 'l sol....) in zijn geheel volgen:

 
Als in de zee de gouden zonnewagen
 
Ter nederzinkt en de avondnevel vlot,
 
Wordt ook mijn ziel het rouwfloers omgeslagen,
 
En sterft de laatste scheemring van genot.
 
 
 
Dan spreek ik van al 't wee, zoolang gedragen,
 
Tot haar die mij niet hoort -