terug  begin  verderprepost
[p. 48]

[Boek II Palestina]

(II, 1) [Vertrek uit Vlaanderen naar Venetië]

(46v) [I]nt jaer ons Heeren duust vier hondert een ende tachtentich zo vertrac een edel man van zijnen huuse toot Aken,1 al waer corts daer naer aflaet te halene was van allen sonden, in meeninghen van daer upwaert te reysene ende te vuldoene zekere voyagen die hij langhe daer te vooren inden zin ende wille gheadt hadde, maer creech daer zulc ongherief an een zijn been, dat hij als doen niet reysen en mochte. Wat verbeidt, ghenesen zijnde ende alle zijne saken ghedisponeert hebbende, reisde tooter stad van Cuelne. Van waer hij weder omme sant zijnen capellaen in Vlaenderen an drie oft vier edele mannen2 wien hij te kennen dede gheven zijne reyse, voyage ende tghuent dies hij vooren hadde, in quijtenessen zinen toesegghene hemlieden wijlen daer te vooren ghedaen. Zij datte wetende ende zijne bootscap ontfanghen hebbende, hem ter stont bereet maecten, reysende naar Cuelne, daer (47r) zij den voorseyden vonden. Ende eer zij ancommen waren, zo hadde de zelve ghesijn inden Dom te Cuelen, daer hij vonden hadde in een boucxkin eene istorie vanden drie coninghen,3 onder andere houdende dat alle kerstenen uut Nederlanden, commende int landt van pape Jan, met hemlieden bringhende eeneghe juweelen, als penninghen, ringhen, affiken oft ghelijcke dinghen, ghetouchiert ande lichamen vanden drie coninghen ende daer af ghetughe hebbende bij letteren ende zeghelen auctentijc, daer zeere willecomme wesen zouden ende blidelic ontfanghen werden.4 Uuten welken hij ghijnc bijden heeren vanden capittele ten Domme te Cuelne, hemlieden te kennen ghevende de meeninghe zijnder reisen, zeere hertelic biddende dat hemlieden zoude willen ghelieven diverssche costelicke penninghen, ringhen ende andere juweelen die hij ter stont daer toe hadde ghedaen maken, te touchierne ande lichamen vanden heleghen drie coninghen, want hij warachteghe meeninghe hadde dland vanden pape Jan te besouckene ende principalic te visiteerne tgraf ende de memorie vanden apostel Gods Sente Thomaes.5 Twelke de voorseyde heeren ghehoort hebbende, consenteerden hem ghemeenlic zine begheerte, ende ghinghen met grooter solempniteyt ende weerdicheden touchieren de zelve zijne juweelen ande lichamen vanden heleghen drie coninghen, ter presencien van meest alle den Dom heeren ende van velen anderen edelen mannen vander stad van Cuelne. Oec zo versochte hij an de vrauwe van Sente Cevilien, daer begraven ligghen den meesten deel vanden ellef dusent maechden,6 inghelijcken zijne jouweelen ghetouchiert te hebbene, dat hem oec (47v) gheconsenteert was, ende van beeden wart hem ghepresenteert ende verleent ghescriften ende zeghelen autentijc, omme die te moghen doen translateren in diverssche spraken ende oec te tooghene in alle plaetsen daert hem ghelieven zoude, ten fijne datmen tzelve te bat zoude moghen gheloeven. Ditte overleden zijnde ende zijn capellaen weder ghekeert metten voorseyden drie persoonen, midsgaders eenen persoon die hemlieden diende, zo vertrocken zij alle tsamen van Cuelne lancx den Rijn up, lydende vele schoonder steden, te lanc om noumen, door Zwaven, eens deels duer Beyeren, duer Oestrijck, Lombaerdien, Tuscanen, ende zo toot Roome, van welken weghen ende landen gheen verhael te makenen en es, mids dat zij in dese maertssen ghenouch bekent zijn, ende datter oec daghe-

[p. 49]

licx lieden van desen lande menichfuldich over en weder trecken gaen ende reysen.7 Dus te Rome commen zijnde, de heleghe plaetssen besocht hebbende ende gheexpediert daer omme dat zij daer commen waren zo alst behoort,8 zo schieden zij van daer ende reysden naer Venegen omme aldaar haer ghereetschepe te makene ende souckene eeneghe passaigen met galleyen oft anderen schepen daer met zij commen zouden moghen int Helich Landt, vuldoende hare bevaerden, aldoe te Roome noch ghelaten haerlieder capellaen, verbeidende zekere besegheltheden hemlieden angaende, de welke thaerlieder vertreckene noch niet gheexpediert en waren.9 Te Venegen commen wesende, ontfinghen ter stont haerlieder ghelt dat zij up den wissel gheleyt hadden, ende maecten al haere ghereetscepe om reisen zo als daer toebehoort, ghelijc vooren daer of gheseit es. Ende alzo haest als haerlieder voornoemde capelaen (48r) van Roome commen was, zo bevrachten zij hemlieden bij rade ende advijse van diversschen cooplieden up een crevel, groot zijnde vijf hondert vaten, daer patroen af was een Veneetsiaen, ghenaemt messire Matheas de Latorre, dwelke wesen wilde in diverssche steden in Slavonien ende Albanien gheleghen, ende oec int heylandt van Corfou, daer ontladende zekere coopmanschepe ende coeplieden, ende zo voort hendelinghe naer eene stede in Surien gheleghen, ghenaemt Baruten.

1De boekuitgave geeft nauwkeurig op: ‘duyst vierhondert een ende tachtentich den XV dach Novembris zo vertrack een Edel man uit Ghent naar Aken’.
2Zie aant. I, 1.
3Het boekje dat Van Ghistele in handen kreeg, was Historia Trium Regum, toegeschreven aan de 14e-eeuwse Duitse karmeliet Jan van Hildesheim. Het was op dat moment al tweemaal in Keulen gedrukt: in 1477 en 1478.
4Deze mededeling blijkt gebaseerd te zijn op twee passages uit cap. 45 van Historia Trium Regum. ‘Item sunt complurimi peregrini qui de partibus cismarinis ad illas partes frequenter perveniunt et aliqua mercimonia de partibus istis ibidem cara recipiunt et inter alia patria et rara clenodia ibidem deferunt que de colonia asserunt detulisse et quidam ex eis deferunt ibidem terram quam de cimiterio undecim milium virginum asserunt esse sumptam et talia clenodia de colonia et talem terram querunt Indi in hospicijs talium peregrinorum (.....).’ En verderop leest men: ‘omnia que de regibus et principibus terris et regnis istarum parcium cismarinarum et specialiter de tribus regibus et colonia et eius clero et populo possunt inquirere et investigare sub alicuius episcopi vel principis sigillo vel littera scripta petunt et recipiunt ut presbitero iohanni et patriarche thome cercius possint mittere et demonstrare(.....)’
5Volgens de legende predikte St. Thomas eerst op Socrota voor de oostkust van Abessinië en daarna in India. Na zijn marteldood werd hij begraven nabij Madras (Fortescue, LEC, 354-358).
6Gelet op deze zinsnede moet hier de St. Ursulakerk bedoeld zijn, maar Van Ghistele (of Zeebout?) heeft zich blijkbaar vergist en de andere der twee Keulse Damenstiftkirchen, die van St. Caecilia, genoemd.
7Vergelijk de overeenkomstige mededeling op de laatste bladzijde van dit reisverhaal.
8Nl. ter verkrijging van het pauselijk consent.
9Bedoeld zullen zijn de vertalingen van de gezegelde Keulse getuigschriften.
prepostterug  begin  verder