terug  begin  verder

[p. 41]

Jakob Zeeus aen den lezer.

1Met hoe vele beweegredenen men my heeft trachten te noot-2zaken dit werkje andermael ter persse te brengen, ben ik tot 3 nogh toe voor alle aenmaningen doof geweest: oordeelende dat 4 de liefhebbers der Nederduitsche dichtkunst, aen wie ik my 5 voornamentlyk gelegen laet zyn, daer van genoeg voorzien 6 waren. Ik zagh ook te gemoet, dat het daer mede zou gaen als 7 met de spyze, die, te rykelyk opgedischt, eerder walging dan 8 graegte veroorzaekt. En wat is 'er verdrietiger voor iemant, 9 dan te zien dat de vruchten van zynen arbeit door de boekver-10koopers, willen zy hunne winkels daer van zuiveren, na veel 11 aenpryzings, en met groote moeite, aen den man geholpen 12 worden? gelyk dat velen thans te beurt valt. Evenwel heb ik 13 de tweede uitgave van dit werkje niet kunnen voorbygaen, zoo13-14 14 ras ik zagh dat het op eene behendige wyze, doch zeer trou-15weloos en buiten myne kennisse, was nagedrukt: een ondeugt, 16 die, uit vuile baetzucht ontstaen, niet wel te weren, maer ten16 17 hoogsten wraekbaer en verfoeielyk is. Myn drukker Arnold 18 Willis (van wien ik my eenige jaren herwaerts uit een zonder-18-1919linge zucht en met groot genoegen bedient heb) geraekte daer 20 door, na zoo lang aengehouden te hebben, tot zyn oogwit; en20

[p. 42]

21 bevlytigde zich des te meer, om dit werkje wat meerder sieraet, 22 dan het te voren gehadt heeft, by te zetten.22

23Hier en daer, en wel meest aen het einde, zullen eenige ver-24anderingen gevonden worden, waer van het niet noodig is 25 reden te geven; als zullende die zich aen den opmerkenden25 26 lezer best kunnen ontdekken.26

27't Verveelde my al over lange (gelyk ik in de voorrede van27 28 den eersten druk gezegt heb) te zien, dat de Nederduitsche dicht-29kunst van tydt tot tydt by velen zoo schandelyk onteert en 30 mishandelt, ja als eene eerlooze boelin gebruikt is geworden, en30 31 wel van zoodanigen, die (ik schame my hen te noemen) reets 32 onder de ry der Nederduitsche dichteren worden opgetelt; van 33 zoodanigen, herhale ik, die hunnen tydtgenoten geen kleine 34 begeerte tot de smakelyke vruchten en aengename uitwerxelen 35 hunner loffelyke oeffeningen en leerzame uitspanningen hebben35 36 gegeven; maer die (ô schennis!) naderhant zoo verre zyn ver-37vallen, dat zy den lieffelyken bloemhof hunner poëzye door 38 schadelyk onkruit jammerlyk hebben vergiftigt. Deze, den38-39 39 Hebreeuschen Harpenaer nagezongen, of andere heilige stoffen 40 op keurige dichtmaet gebragt hebbende, zal ter bede van eene40 41 geile zangster zich aenstonts tot het opstellen van een hoerenliet41-42 42 verledigen; of hy kittelt zich, wanneer hy met vuile minnedeunen 43 en drinkliederen een' dronken Bachant of dartele Thyas in slaep43 44 zingt. Gene zal de pluimen van zyne rymschacht tot pluim-4445strykerye gebruiken; en door bedriegelyk vleien en streelen de 46 gunst der wereltgrooten trachten te winnen. Een ander ontziet 47 zich niet eerlyke lieden, van wat staet en aenzien zy zyn, over 48 den hekel te halen, en, van vervloekte schenzucht gaende ge-49maekt, te brantmerken; zulx dat hy, over zich zelven beschaemt,49

[p. 43]

50 zynen naem, zelfs de plaets zyner geboorte niet durft melden. 51 Gewigtige redenen waerlyk, om welke de poëzy by velen in 52 verachtinge is geraekt; en waer door haer luister niet weinigh 53 is bezwalkt geworden. Hoe wenschelyk ware het dat de lief-5354hebbers dier overedele kunst zich bevlytigden tot het rechte 55 gebruik der zelve, om alzoo hare achting te doen aengroeien en de 56 verdorvene zeden dezer eeuwe al zingende uit de werelt te helpen!

57Deze neiging bekroop my, wanneer ik ondernam den Wolf 58 in 't Schaepsvel aen de werelt te vertoonen: waer in men 60 my van de opgetelde buitensporigheden niet zal konnen be-61tichten. Immers zal men hier het heilige met het onheilige niet 62 vermengt, maer het geestelyke van het beestelyke afgescheiden 63 vinden: wanneer zich de Wolf, dat afschuwelyk beest, van de 64 aengetrokkene Schapevacht ontbloot, in zyn eige gestalte zal 65 vertoonen. Men zal niet kunnen zeggen dat ik de kunst van 66 pluimstrykery heb willen oeffenen: 't en ware ik eenige gunst 67 van de asschen en het dorre gebeente der overleden, wier lof67 68 ik niet heb kunnen verzwygen, te wachten hadde. Wie, die 69 een onzydigh oordeel wil vellen, zal my konnen verwyten, dat69 70 ik aen lastertael schuldigh ben? myn oogmerk is alleen geweest 71 de schynheiligheit met levendige verven af te schilderen, zonder71 72 my van eenige vleiende penseelstreken te bedienen. De Ondeugt 73 zal zich niet kunnen beroemen dat ik haer te zacht gehandelt 74 heb; en ik verheuge my over het misnoegen dat zy reede tegens74 75 my heeft opgevat; ja ik durf my zelven wel verzekeren dat het 76 oogwit, 't gene ik hier mede bedoelt heb, van alle deugtlievende 77 menschen goetgekeurt en geprezen zal worden. Ik heb zoo77 78 weinigh geschroomt de heiligdommen der Heidenen, als die 79 der Joden in te treden. Brengt my de dichtyver in het gedrang 80 der Mahometanen, besta ik in myne te rug reize het Vatikaen 81 te beschouwen, niemant kan my van eenzydigheit in het be-82rispen der kerkzeden beschuldigen. Zoo heb ik my ontrent de82

[p. 44]

83 gezintheden, in ons Nederlant en elders verspreit, trachten te 84 gedragen. En, op dat men my van geen eige liefde verdacht 85 zou houden, heb ik de genen, wier onschikkelyk gedragh der85 86 kerke van Nederlant zoo schadelyk is, niet willen voorbygaen; 87 maer my, als van medelyden in 't hart getroffen, over hun erger-88lyk leven, waer by de lof der deugtzame mannen des te heerlyker 89 afsteekt, moeten beklagen.

90Men verbeelde zich niet dat ik op iemant in het byzonder 91 gemikt of gedoelt heb. Vele, die my der moeite niet waerdigh91-95 92 waren, en aen wier vrientschap ik my weinigh laet gelegen zyn, 93 hebben zulx gevreest of mogelyk zich met die hope gevleit. 94 Wat zou my het vel niet dun moeten wezen, indien ik my over 95 de bete eener vliege gevoeligh toonde! Komt zich de een of95-96 96 ander iets toe te eigenen, ik ben niet magtigh hun die vryheit 97 te betwisten, en zal my verheugen den spyker (gelyk men zegt) 98 onwetende op zyn' kop te hebben geslagen.

99Mogelyk zal de Afgunst by deze tweede uitgave weêr niewe99-einde 100 stoffe tot tydtverdryf vinden. Wat raet! ik zie dat menschen, 101 die'er de allerminste reden toe hebben, zich daer mede bezigh 102 houden. Ik zie dat men, nydigh over den lof die my in deze 103 en gene geschriften, hoewel ten onrechte (ik beken het) wordt 104 toegeschreven, my de dichtoeffeningen tracht walgelyk en ver-105drietigh te maken. 't Is myn schult niet dat men den naem en 106 de dierbare geheugenisse van den Grootsten der Nederduitsche106 107 dichteren misbruikt met te zeggen, dat ik hem in myne vroege 108 jaren naer de kroon steek: gelyk de schryver van de Aenmer-108109kingen op het uittreksel van R. Ansloos Poëzy zulx niet ver-110duwen kan. Behoorde men my, daer ik, in weerwil van myne 111 neiging, geplaetst ben in eenen oort waer in naeulyx ooren voor 112 de dichtkunst te vinden zyn, niet veel eer aen te zetten om de

[p. 45]

113 hant aen 't werk te houden? Wat my aengaet, niets is my aen-114genamer dan een' liefhebber van die edele kunst te omhelzen; 115 hem aen te moedigen, of door hem aengemoedigt te worden.

116De weledele heer Pieter Nuyts, die, toen ik de poëzy tot myne 117 uitspanning begon te verkiezen, de eenige Mecenas van de dicht-118kunst in deze lantstreek was, zeide eens tot my:

 
Hoe hevigh, vaert gy voort met zingen,
120
Zal u de Nydt eerlang bespringen!

121en, waerlyk, die vriendelyke voorzegging heeft hare vervulling 122 niet weinigh bekomen. Evenwel vind ik mynen arbeit rykelyk 123 genoeg beloont, wanneer ik zie, hoe vele, en welke begunstigers 124 ik daer door gewonnen heb. Vergeefsch tracht men myne 125 vrienden by my, en my by myne vrienden verdacht te maken. 126 Vergeefsch wil men my doen gelooven dat de heer David van126 vlgg.: 127 Hoogstraten, in zynen brief voor de Verdediging der Poëzy van 128 den Ridder Sidnei, door den heere Joan de Haes uit het Engelsch 129 in sierlyk Nederduitsch gebragt, eenige hatelyke uitdrukkingen 130 bedektelyk en met voordacht tegens my zoude gebruikt hebben. 131 Den heer Hoogstraten, zoo vermaert door zijne dichtkunst als 132 bemint om zyne heuscheit, ken ik vry van dubbelhartigheit; 133 en daerom kan ik niet denken dat zyn E: zich zoo verre zoude133 134 hebben vergeten. Voorts bekreun ik my weinigh het lasterlyk134 135 oordeel van zulken, die buiten hun element zyn wanneer zy zich 136 niet verlustigen in de schole der afgunst. Dagelyx zien wy dat 137 luiden van letteren tegens den anderen in 't velt treden; en te 138 gelyk zien wy dat'er niets dan bespotting mede te winnen is. 139 Wat kan 't my hinderen in den schilt gevaren te worden van139 140 menschen, die zich (och arm!) met de pluimen der Agrippynsche140-141 141 zwaen zoo onbeschaemt weten te verfraeien, dat zy schynen 142 vergeten, of liever niet gelet te hebben, hoe ons bevolen wordt142-146

[p. 46]

143 dat, indien wy eenige bloemen op den Nederlantschen Helikon 144 plukken willen, wy ons zulx te gedragen hebben, dat het de 145 boeren niet merken, nochte voor den Geleerden al te sterk 146 doorschyne?

147Men zou my konnen vragen, hoe in eene voorrede zulk eene 148 afweiding te pas komt; en ik zou daer op weinigh ter verschoo-148149ninge weten te antwoorden: 't en ware ik steunde op myne 150 voorgangeren, die, gelyk het thans in de gewoonte is kleine 151 spiegels met groote kappen te versieren, daer hun werk van 152 maken.

153Ondertusschen hoop ik dat deze tweede, met zoo veel genoe-153154gen als de eerste druk, by de dicht- en deugtlievende werelt 155 ontfangen, en de valsche nadruk met zoo veel versmading aen 156 een' kant geworpen zal worden; terwyl ik den Lezer gunne wel 157 te varen.

13-14zoo ras: zodra.
16baetzucht: winstbejag; wel: goed; te weren: tegen te gaan.
18-19zonderlinge: bijzondere.
20oogwit: doel.
22by te zetten: te voorzien van.
25opmerkenden: opmerkzame.
26ontdekken: tonen.
27Van hier tot 125 neemt Zeeus de voorrede van de eerste druk met een enkele toevoeging letterlijk over; Verveelde: hinderde, mishaagde; over lange: zeer lang.
30boelin: overspelige vrouw.
35uitspanningen: verpozingen.
38-39den Hebreeuschen Harpenaer: koning David.
40ter bede van: op verzoek van.
41-42tot ... verledigen: met ... bezighouden.
43Thyas: andere naam voor Bachant, wijnzuiper.
44Gene: corresponderend met Deze in r. 38; rymschacht: dichterpen.
49zulx: zo.
53bezwalkt: bezoedeld.
67overleden: overledenen.
69onzydigh: onpartijdig.
71verven: kleuren.
74reede: reeds.
77zoo: even.
82zoo: insgelijks.
85onschikkelyk: onfatsoenlijk, onredelijk; der: voor de.
91-95Vele ... toonde: niet in de eerste druk.
95-96zich toe te eigenen: op zichzelf toe te passen.
99-eindeniet in de eerste druk.
106den Grootsten ...: Vondel.
108de schryver ... enz.: de anonieme schrijver van Aenmerkingen over het uittreksel van R. Ansloos Poëzy in zekere Boekzaal genaemt Journal Literaire. Kortelyk in een brief gestelt door een voorstander van de Nederduitsche Taalen Dichtkunde. (1713), een geschrift uit de eerste fase van de zgn. Poëtenoorlog.
126 vlgg.:eveneens een echo uit de Poëtenoorlog.
133zyn E: : (zijn Edelheid) hij.
134bekreun: stoor ... aan.
139in den schilt gevaren: aangevallen.
140-141Agrippynsche zwaen: Vondel, in Keulen (Colonia Agrippina) geboren.
142-146Aanhaling uit Vondels Aanleidinge ter Nederduitse Dichtkunste.
148afweiding: uitweiding.
153zoo: even.

terug  begin  verder