begin  verder
[p. I]

Aan Mevrouw Nellie.

[p. t.o. 1]



illustratie
LA BALLO.

[p. 3]

Inleidend Woord.

Een boek van Mevrouw Kooy behoeft geen aanbeveling meer. Als gezellige vertelster heeft zij haar plaats in de kinderwereld veroverd; als warm en fijngevoelend hart die in de wereld der wijze opvoeders.

Maar dit boekje van haar is éénig in de kinderliteratuur wegens de stof die het behandelt. Een kinderboek waarin Boegineezen en Boegineesche toestanden de hoofdrol vervullen en overheerschend zijn, bestaat er in onze kinderliteratuur nog niet. Java en de daar reeds alledaagsch geworden toestanden zijn wel eens voor onze kinderen bewerkt; het lot dat Mevrouw Kooy, als vrouw van den Civielen Gezaghebber, naar de jongst veroverde streken van Celebes bracht, stelde haar in staat een volstrekt nieuw terrein voor onze jeugd te ontginnen. En zoo krijgen wij hier dan niet alleen een stukje doorleefde ‘koloniale geschiedenis’, maar ook een stukje oer-Oosten; ja zelfs - een laatste afschijnsel van wat voor Europa de Middeleeuwen waren.

Ik ben er Mevrouw Kooy ten hoogste dankbaar voor, dat zij, liefdevol en belangeloos,

[p. 4]

haar bizonder werkje afstond aan mijn Volks-Kinderbibliotheek.

De illustraties zijn van haar eigen hand. Het geheel is dus zoo nieuw en frisch en ‘onuitgegeven’ als een kinderboek maar zijn kan.

Ik kon niet nalaten er eenige noten aan toe te voegen - hoe weinig genade die ook vinden mogen in de oogen van sommige recensenten. Wie ze niet kraken wil kan het immers laten; en ik voor mij zet gaarne puntjes op sommige i's.

 

NELLIE.

 

Voorschoten, 20 Jan. 1908.

 

N.B. Wie zoo verstandig is de landkaart te gebruiken bij het lezen, moet eens kijken naar de Zuid-westelijke vlerk van Celebes. Nog al hoog in die vlerk ligt een groot meer, het meer Tapparang of Tempé. Bezuiden dit meer ligt de streek waarin deze geschiedenis zich afspeelt.

[p. 5]

[Aan alle kleine en groote menschen...]

Aan alle kleine en groote menschen die dit mochten lezen, wil ik vooraf vertellen dat bijna alles in dit verhaal op waarheid is gegrond.

Wat ik gedurende mijn éénjarig verblijf onder dit eenzame Indische bergvolk heb gehoord en gezien en grootendeels ook ondervonden, wat oude vrouwtjes mij vertelden, wat kinderen voor mij zongen en de boeken der oude Boegineezen mij leerden, dat alles heb ik getracht neer te leggen in:

 begin  verder