Midden in het bekoorlijke laaggebergte van Zuid-Celebes, hoog boven het dal waar de rivier stroomt, stond het groote huis van Aroe Lipa, het voorname districtshoofd. Het was als alle Boegineesche huizen gedekt door een hoog dak van fijne nipablaren,1) en het rustte op een aantal hooge palen, zóó hoog, dat men best onder de woning door kon loopen. Een steile bamboetrap of ladder leidde naar den ingang; en als men om het huis heenliep, zag men in iederen muur wel zes of zeven kleine vierkante openingen die als vensters dienst deden. De aardige sierlijke voorgevel werd in de nok bekroond door een grooten buffelkop, die met zijn twee krom gebogen horens scherp tegen den fijnen blauwen bergachtergrond afstak. Bij het groote huis hoorden nog een paar kleine huisjes, óók met een dak van nipablaren, óók op hooge palen, óók met kleine vensteropeningen
in de muren, alsof ze twee kinderen van het groote huis waren. Het een stond op zij van het erf, geheel vrij; het andere was met de groote woning verbonden door een smal bamboe-brugje; dat was het vrouwenverblijf. Het alleenstaande was een soort van keuken en voorraadschuur.
Dat alles, het groote huis en de twee kleintjes, en het ruime erf met veel zware tamarinde-boomen1) en slanke djoewars2) met hun bevallig afhangende trossen gele bloesems, lag op het liefelijkste plekje wat ge u denken kunt; want achter de heuvels verrezen de prachtige koninklijke bergen met hun fijne tinten van licht- en donkergroen, van goudbruin tot licht-roomkleur, met hun diepe schaduwen van violet tot wazig blauw. Langs den voet van den heuvel waarop
het huis stond, liep een mooi breed pad, dat zich als een lint slingerde over hoogte en laagte, tot beneden in het wijde groene dal, waar het tot een smal streepje werd en zich verloor in den horizont.
Op dit mooie plekje aarde woonde Aroe Lipa met zijn gansche familie, dat wil zeggen met zijn vrouw en kinderen, met zijn oude moeder, met zijn kleinen neef La Ballo (zijn aangenomen zoon), met nog wel vijf of zes andere verarmde neefjes en nichtjes, en met een grooten bediendenstoet, bestaande uit eenige oude vrouwtjes die in de keuken hielpen, jonge meisjes uit de buurtschap die in het vrouwenverblijf mochten weven en mandenvlechten, en jonge kerels die op de paarden moesten passen.
Aroe Lipa was van een voornaam geslacht, dat langen, langen tijd geleden vorsten en vorstinnen onder zijn leden telde. Daarom woonde Aroe Lipa ook nog in een soort van oud vorstenverblijf, want alleen de aanzienlijken voeren den buffelkop in den gevel; en ook stond zijn huis op meer dan vijf palen in de breedte, hetgeen ook een voorrecht is der heerschende klasse.
Maar al was Aroe Lipa van vorstelijken bloede, nù was hij niets meer dan districtshoofd. Reeds zijn grootvader had, in een oorlog met een
naburigen vorst, afstand gedaan van rang en titel. Hij was leenman geworden in zijn vroeger gebied, hij had het grootste deel der opbrengst van akkerbouw en veeteelt af moeten staan aan zijn overwinnaar, en ook zijn vader had moeten zuchten onder het juk van den Boegineeschen tiran; maar toen Aroe Lipa de plaats van den vader innam, behoorde dit alles tot het verleden. De ‘Blanda's’1) waren in het land gekomen, het land dat hun zooals ze zeiden al jaren toebehoorde; ze hadden evenals de Boegineesche vorsten zich macht verworven door geweld; oorlog had over akkers en heuvels gewoed, bloed had gestroomd, menschen waren gedood, en eindelijk was, na al die tegenkantingen, het bestuur gekomen in de handen der Hollanders.
Aroe Lipa betaalde dus geen tienden meer van tol- en handelsopbrengst, van rijst- en maïs-oogst aan den vorst, maar een vijfde van den akkerbouw aan de Blanda's. Aroe Lipa had nu den Hollanders gehoorzaamheid beloofd....
Ja, dat had hij gedaan; maar denkt niet dat dit zoo gemakkelijk was gegaan, want Aroe Lipa was een trotsch man, en het oproerige bloed zijner voorouders bruiste in zijn aderen.
Neen, het was een bitter oogenblik voor hem geweest, toen hij den blanken overheerscher de hand reikte en hem trouw beloofde; en toch, nù hij het eenmaal beloofd had, wilde hij zijn woord houden. Het was alles eerlijk toegegaan volgens zijn denkbeelden. Hij had dapper gevochten, lang en heftig. Eerst had hij ze, als ervaren bergbeklimmer, overal bestookt, van uit allerlei schuilplaatsen ze overvallen; toen was het tot een openlijk gevecht gekomen en hij was overwonnen. Hij was overwonnen .... dus had de ander het recht over hem te heerschen. Van oudsher was dit de vaste wet in het land van Aroe Lipa; het verschil bij vroeger was alleen dat de overwinnaar nu een blank mensch was, een vreemde die een andere taal sprak, een vreemde die immers niets kon weten van zijn land en zijn volk! Maar hij had zijn woord gegeven en hij zou het houden. Stond er niet in de oude Boegineesche boeken: ‘Al wie een verbond durft schenden, zal gelijk worden aan den bladerloozen boom, zoo broos van tak dat zelfs het kleinste vogeltje er zich niet op zal neerlaten’? Het was nu eenmaal zoo. Het volk had zich gebogen voor 't geweld, zooals het gras doet wanneer de storm er over heen vaart. - Aroe Lipa's donke e oogen fonkelden als hij daaraan
dacht; en toch moest hij bekennen dat alles rustiger en rechtvaardiger toeging dan vroeger, toen de nabuur-tiran den schepter zwaaide ... Ja, alles zou goed en rustig zijn als Deng Pabéle er niet was! Deng Pabéle, zijn jongere halfbroer, wiens moeder niet van vorstelijken bloede was als die van Aroe Lipa, en die zich niet aan de ‘Blanda's’ had willen onderwerpen. Hij was de bergen ingevlucht, en van daar uit bestookte hij het land, maakte hij de wegen en bosschen onveilig door zijn rooverbenden. O! had Deng Pabéle eerlijk gevochten en eerlijk als overwonnene de hand gereikt aan den vijand, hoe anders zou alles dan zijn!
Nu werd hij als een wild dier achtervolgd door de Blanda's, die een prijs op zijn hoofd hadden gezet; nu moest hij van de eene schuilplaats naar de andere vluchten. Zijn vrouw en kinderen had hij de grenzen over gezonden; ongeluk en rusteloosheid bracht hij over het huis van Aroe Lipa, die zich toch altijd nog zijn broer voelde en hem niet verraden wilde.... En als aan Aroe Lipa opnieuw bevolen werd de schuilplaats van zijn broer op te sporen, als hij weer vocht met zich zelf, als opnieuw de telkens wederkeerende vraag in hem als begon te branden: ‘Wat willen die vreemde menschen hier? waarom moeten wij ons aan hun gezag
onderwerpen?’ dan ontvluchtte hij dit alles en ging hooger de bergen in, waar hij een klein landhuis had; daar werd te midden dier grootsche eenzaamheid zijn bloed koeler; daar vierde hij zijn ziedende drift bot in de jacht op herten en zwijnen; daar kon hij zich zelf weer langzaam meester worden, om als de kalme krachtige Aroe Lipa terug te keeren in zijn woning.
Eén was er die Aroe Lipa vurig bewonderde, voor wie ‘te zijn als hij’ de grootste, hoogste wensch was. Dat was La Ballo, de kleine elfjarige neef, de aangenomen zoon van Aroe Lipa, het jongste kind van....... Deng Pabéle.
Al van zijn eerste levensjaren af was La Ballo bij zijn oom geweest; hij was opgegroeid met Aroe Lipa's drie dochters, Sitigawa, Aïssa en de kleine Andi; en daar Aroe Lipa geen zoons had, had hij den kleinen jongen zeer lief gekregen. La Ballo wist ook haast niet beter dan dat hij de zoon des huizes was; over Deng Pabéle had hij wel eens gehoord, maar hij kon zich zijn vader toch in 't geheel niet voorstellen; van zijn moeder, broers en zusters, die allen ver weg waren, wist hij niets meer. Soms, als er eens een enkelen keer over Deng Pabéle gesproken werd - en dat gebeurde zeer zelden
omdat iedereen bang was den naam van den grooten roover uit te spreken - voelde La Ballo wel dat Datona, de oude grootmoeder met haar rimpelig bruin gezichtje, hem scherp aankeek; en ook wist hij wel dat Ama, Aroe Lipa's vrouw, hem niet zoo liefhad als Aroe Lipa ... O, neen! Ama had er verdriet van dat zij zelf geen zoon had; en hoe La Ballo ook door iedereen als kind des huizes beschouwd werd, en hij ook volgens Boegineesch gebruik bestemd was later de man van kleine Andi te worden, dus toch werkelijk eens Aroe. Lipa's zoon zou zijn, toch kon Ama maar niet vergeten dat hij Deng Pabéle's kind was, het kind van den roover, van den onruststoker, van den man die ramp en onheil over hun huis bracht.
La Ballo wist het wel hoe zijn vader nagejaagd werd, hoe er overal naar hem gezocht werd, en een enkele maal had hij wel eens bij zichzelf de vraag gesteld: ‘Hoe zou de groote Deng Pabéle toch zijn? Zou hij een echte roover wezen? Zou hij goed kunnen klimmen en paardrijden en schieten?’ Ach! hii geloofde niet dat Deng Pabéle zóó zou zijn als Aroe Lipa! Neen, dat kon niet!
Was er wel iemand mooier en voornamer dan zijn oom, als hij van uit de bergen kwam
aanrijden op zijn prachtig spierwit paard, gevolgd door de kamponghoofden1) en landbouwers en jagers? O! zeker, als Aroe Lipa wilde hij worden, een stoere bergbeklimmer, een stout ruiter, een moedig jager ... misschien ook als hij, een braaf zachtmoedig landsbestuurder; maar hier dacht La Ballo nog niet zoo aan. Eigenlijk zat er te veel van het wilde bloed in hem, een beetje rooversbloed, een beetje tirannenbloed van zijn voorouders: men behoefde maar naar zijn donkere gloeiende oogen te zien, die u soms zoo ondeugend vroolijk, maar ook soms zoo dreigend fonkelend konden aankijken! - Hij was een aardig ventje. Naar de gewoonte van het land droeg hij het haar half lang, tot bijna op de schouders. Het hing breed en vol en meestal netjes gekamd (want daar zorgde Andoe Baran, de oude zoogmoeder, voor!) langs zijn rond bruin gezichtje. Zijn kin stak een klein weinigje vooruit, en dat gaf iets grappig vastberadens aan zijn klein wezen, want La Ballo was klein van stuk, niemand zou gezegd hebben dat hij al bijna elf jaar was.
Hij had heel wat tijd om na te denken, want van school gaan was geen sprake, om de eenvoudige reden dat er nog geen school in dit land was. Het eenige wat La Ballo dus
leerde, waren brokstukken uit den Koran,1) en ook had Aroe Lipa hem het schrijven onderwezen. Dat was al. Het verdere gedeelte van den dag kon hij zich bezig houden met rijden op zijn klein grijs paardje, met spartelen in de rivier, met allerlei spelletjes, of soms met het snijden van poppetjes en figuurtjes uit boomschors. Dàn was hij achter het huis, bij de paarden, dàn weer boven bij de weefsters en mandenvlechtsters, waar Datona, de oude grootmoeder, den schepter zwaaide; maar 't liefst nog was hij daar waar Andoe Baran vertoefde, de grijze zoogmoeder, die meestal bij de keuken en voorraadschuur bezig was, in gezelschap van twee jonge helpsters. Bolo en Isa, de rijststampsters. Ja, daar was La Ballo graag, want van Andoe hield hij veel! Na Aroe Lipa bewonderde hij háár het meest in huis, want hoeveel wist ze niet! Ze wist àlles geloofde hij. Jaren en jaren, ja haar heele leven was zij bij Aroe Lipa's familie geweest; ze was de echte zoogmoeder uit de sprookjes, het oude vrouwtje dat ergens in een torenkamertje van
het kasteel zit te spinnen, en bij wie de jonge prinsen en prinsessen wijzen raad komen vragen. Maar zulk een sprookjeszoogmoeder is meestal heel erg leelijk. Nu, dàt was Andoe Baran niet. Zij was een bijzonder welgemaakt, mooi oud vrouwtje om te zien. Het mooie witte haar deed haar gezicht wel nog bruiner lijken dan het eigenlijk was, maar de levendige donkere oogen kwamen daardoor des te meer uit. Ze was maar een arm kampongvrouwtje,1) maar ze zag daar, hoewel ze altijd heel gewone kleeren droeg, niets naar uit. Neen, ze had iets echt voornaams.... ze zou best voor de moeder van Aroe Lipa kunnen doorgaan! en dat was toch Datona, dat kleine rimpelige menschje! - Maar wel had Andoe Baran Aroe Lipa lief als een zoon. Zij had hem immers als klein kind in de armen gehad? Zij had immers de ‘royong’2) voor hem gezongen; zij had hem immers beveiligd voor kwade invloeden, zooals zij het nu weer deed bij zijn kinderen? - Iedereen wist dat ook wel in het gezin van Aroe Lipa; buiten de familieleden was Andoe Baran de voornaamste van zijn huishoorigen, en niemand in huis die iets wilde ondernemen of beginnen, of hij vroeg raad aan Andoe Baran. Maar voor
La Ballo, voor Andi en al haar speelkameraadjes, ja zelfs voor Sitigawa en Aïssa die al groote meisjes waren, was Andoe Baran de knappe vertelster, en dààrom vooral hielden ze allen zooveel van haar! Hoeveel verhalen uit den ouden tijd die Andoe Baran wel wist.... och, ze waren niet te tellen! Gelukkig maar dat Andoe altijd zooveel te doen had, anders had zij den ganschen dag wel door kunnen blijven vertellen! Zij moest wat dikwijls de kinderen afweren, en herhalen dat ze geen tijd had; ... alleen als La Ballo haar vleide om nog eens iets over Aroe Lipa te vertellen, hoe hij was als kind en als jongen, - ja, dan gaf ze bijna altijd toe; want zij raakte nooit uitgepraat over hem, en zittend in haar keukentje vol rook, of op de steile trap daarvoor, liet zij zich geduldig ondervragen.
‘Hoe oud was hij toen hij op de hertenjacht ging?’
‘Tien jaar, La Ballo.’
‘En kon hij toen al zoo goed paard rijden, Andoe?’
‘O ja! hij haalde kunststukken uit! hij was alle andere jongens de baas, behalve ...’
Hier zweeg Andoe Baran. Zij meende ‘behalve Deng Pabéle,’ maar zij zeide het niet, want La Ballo behoefde niet te weten dat zijn vader eigenlijk
sterker en vlugger was geweest dan Aroe Lipa!
‘Behalve wat, wie?’ vroeg La Ballo.
‘Niets, niets, La Ballo ... Niemand was vlugger en knapper dan je oom, - ik wilde alleen maar zeggen dat er in dien tijd veel geroofd werd ... Dat was zoo erg niet toen. Bijna iedereen stal en roofde, en de meisjes vonden het zelfs aardig als haar liefsten veel rooversgeschiedenissen hadden meegemaakt... Zoo'n roover was wel eens vlugger dan Aroe Lipa, een heel enkele maal, weet je.’
‘Roofde Aroe Lipa dan niet?’ vroeg La Ballo weer.
‘Neen, La Ballo,’ zeide Andoe met iets van moederlijken trots in haar oogen. ‘Aroe Lipa deed bijna nooit een ander leed, hij maakte zich nooit meester van eens anders goed. Waarlijk, La Ballo, hij was als de jonge prins in het verhaal van Boedi-istiharat: “Gelijk aan de volle maan, die den nacht tot een dag maakt en alle sterren des hemels in glans overtreft.”’
Eigenlijk had La Ballo gewenscht dat Aroe Lipa ook eens geroofd had; hij vond rooven toch een soort van dapperheid. Hij wist nog niet beter, de kleine Boeginees! en dan vroeg hij weer:
‘Maar, Andoe, Aroe Lipa heeft toch wel gevochten?’
‘Nu, òf hij!’ zeide Andoe, ‘en dapper ook, en altijd was hij gelukkig ... Alleen toen de Blanda's kwamen, ja, toen waren de goede geesten niet bij hem, toen is hij overwonnen geworden. De blanke menschen hebben ook zooveel geweren, La Ballo, en ze schieten zoo ver.... en daar helpt niets tegen ... Er zitten duiveltjes in die geweren, ja, ja, die springen er uit en gaan door je hart heen en dan is 't uit, La Ballo!’
Als Andoe Baran hier aan toe was, ging zij naar het vuur zien, of ze moest even naar Bolo en Isa, of ze moest de geiten eten geven, want over den oorlog met de Blanda's sprak ze niet graag.
Maar dan liep La Ballo haar na, en vleide weer om dat te hooren van de gouden kris ... dezelfde gouden kris die Aroe Lipa nu droeg.1)
‘Och kom, moet ik altijd weer hetzelfde verhalen?’ bromde Andoe dan, en keek La Ballo met haar lachende donkere oogen aan; en toch deed ze het verhaal veel te graag, want het was uit den tijd van vroegere grootheid, toen Aroe Lipa's grootvader nog zelf vorst was.
‘Aroe Lipa's grootvader, de vorst van ‘de landen bezuiden het groote meer’,1) was een sluw mensch, en daarbij was hij eerzuchtig! Of de middelen goed of slecht waren, daar bekommerde hij zich niet om, als hij zijn doel maar bereikte. Nu, wat hij met de kris deed, dat was slecht, La Ballo! Toewan Allah2) heeft hem later ook daarvoor gestraft, want hij stierf als leenman van een ander, dat weet je. Vóór dien tijd echter vreesde hij reeds dat zijn macht over 't volk kleiner zou worden; en omdat er wel een oorlog met den naburigen vorst te voorzien was, wilde hij zich, wat het ook kostte, van de trouw des volks verzekeren. Nu zond hij met een aantal volgelingen en eenige aanzienlijken zijn gouden kris naar het huis van La Matona, die een schoone dochter had, genaamd Isanna. La Matona nu woonde in een streek waar vele oproerige lieden waren, die den vorst, Aroe Lipa's grootvader, niet aanhingen; alleen van La Matona's trouw was de vorst wel verzekerd.
‘Wij komen tot u,’ zeide de doeta, de eerste der gezanten, ‘om uw dochter Isanna, die
liefelijk is als het welriekendste kruid, een huwelijksaanzoek van onzen grooten heer te doen..... dat zij zich beschouwe als zijn vrouw. Wij brengen hier de gouden kris van den grooten vorst, daar hij zelf niet komen kan. Dit is even goed als ware hij zelf hier geweest.’
Het spreekt van zelf dat La Matona hiermede genoegen nam, want hij was maar een eenvoudig mensch; hij raakte dus even eerbiedig de kris aan, en liet zijn dochter Isanna halen; en toen Isanna vernam dat de vorst haar tot vrouw begeerde, boog ze zich ter aarde en was zeer ontroerd, want het was een groote eer voor het eenvoudige meisje.
‘Gij allen,’ zeide de doeta weer, ‘zijt nu behoorende tot het vorstenhuis; niet alleen gij, La Matona, omdat ge de vader zijt van Isanna, maar ook allen die een uur in den omtrek wonen. Gij zult dus allen bijeenroepen, en den lieden beduiden dat zij hooren bij onzen heer en hem te allen tijde zullen dienen.’
‘Het zal zijn zooals onze heer het wenscht,’ zeide La Matona.
Heel voorzichtig wikkelden nu de gezanten de gouden kris weer in den zijden doek, en gingen verder, en togen naar het land ten noorden van de bergen, waar een zekere La
Kadira woonde. La Kadira was ook maar een eenvoudig landbouwer, en hij had een dochter genaamd Ikoera, en hij was evenals La Matona zeer verwonderd de gezanten te zien, die de kris uit den doek wikkelden en zeiden; ‘La Kadira, deze kris is van onzen heer, de vorst van “de landen bezuiden het meer”. Hij vraagt uw dochter Ikoera, die schoon is als de liefelijkste bloem uit den tuin van Siti Hawwa1) tot vrouw. Hij kan zelf niet komen, maar deze kris is even goed als ware hij hier geweest.’
La Kadira liet zijn dochter komen en stelde haar in kennis met den wensch van den vorst, en Ikoera boog het donkere hoofd met het zware zwarte haar, en zeide dat heur heer slechts te gebieden had. ‘Denk er aan,’ zeide nu de oppergezant, ‘gij zijt nu als 't ware familieleden van den vorst. Niet alleen gij, maar allen die een uur gaans in den omtrek wonen.’
En zij namen de kris weer en legden haar in den zijden doek, en togen huiswaarts.
Zoo was de vorst, Aroe Lipa's grootvader, verzekerd van de trouw der onderdanen die in het land bij La Matona en in het land bij La Kadira woonden. Isanna en Ikoera beiden zagen den vorst echter nooit komen, zij wachtten en wachtten maar, en dachten beiden dat zij zijn gemalin waren.....’
La Ballo had dit verhaal van den sluwen vorst al meermalen gehoord, en altijd vroeg hij weer hetzelfde:
‘En toch heeft hij niet overwonnen, Andoe?’
‘Toch heeft hij niet overwonnen,’ zeide Andoe; ‘dat kwam omdat hij slechte middelen gebruikte; en niet alleen strafte God hèm, maar óók het gansche land, want nu kreeg de vorst ten westen van het meer de heerschappij, je weet wel, de vader van de tegenwoordige vorstin van Soeloeng; en o! toen was alles nog veel erger dan vroeger, want nu eerst werd het arme volk met recht bestolen. De vorst zelf zond rooverbenden uit om het vee van de arme landbouwers weg te halen. Pracht en praal was er aan het hof, de hofdames droegen zijden patola's1) maar de mannen uit het volk hadden niet genoeg om te eten en vrouw en kinderen te verzorgen; en zoo togen zij zelf ook weer op
roof uit. Het was een vreeselijke tijd. Ik was toen een kind ....’
‘En waar was jij toen, Andoe?’ vroeg La Ballo. Hij wist heel goed wat er nu kwam, maar als alle kinderen hoorde hij graag telkens weer de verhalen die hij al meermalen gehoord had. Het was zoo prettig om vooruit te weten wat er kwam!
‘Toen was ik aan huis bij je grootmoeder, bij de Datona. Ja dat was voor mìj wel een goede tijd, La Ballo. Al de kinderon heb ik gekend, maar Aroe Lipa was altijd het liefst voor mij. Aroe Lipa lijkt op zijn vader, die was goed en edel. O! die zou het land goed bestuurd hebben, als hij vorst was geweest en niet alleen leenman! De kris, weet je, La Ballo, was bij hem in goede handen, evenals bij Aroe Lipa; die zal haar nooit gebruiken voor zoo iets als de oude vorst deed toen hij jong was!... Aroe Lipa kent “de gouden spreuken der vorsten” en jij moet ze ook weten, La Ballo; ze zijn:
“Als God iemand op aarde in een aanzienlijke stelling plaatst, en zoo iemand zich noch om het welzijn, noch om het ongeluk zijner onderdanen betreurt, zoo komt er ongeloof in zijn land.”
“De rechtvaardigheid, hoe gering ook in omvang, is evenals de zon die de wereld verlicht.”
“Welk vorst of groot heer ook, die de deur
sluit voor hen die tot hem komen om hulp, voor hem zal door Allah de poort tot de Goddelijke ontferming gesloten worden.”
“Hij die rechtschapen is en niet begeerig naar eens anders goed, verlengt de dagen zijns levens, omdat hij blijft voortbestaan in den mond zijn volks”’.....
Ja! de gouden spreuken der vorsten, en het boek der beschaafde manieren, en de boeken over de geluksdagen,1) die allen kende Andoe Baran; maar als zij de wijze lessen daaruit ten beste wilde geven, och, dan was La Ballo dikwijls al weer gevlogen, of Bolo en Isa, de twee dienstmaagden, hadden het rijststampen hervat, want ook zij staakten dikwijls het werk om naar de verhalen uit den ouden tijd te luisteren, en het ‘tòkke-tok, tòkke-tok’ van de houten stampers klonk weer als altijd over het erf en belette Andoe Baran verder te spreken.
Ach neen, van wijze lessen moest de jeugd niets hebben!
Dat weet je toch wel, Andoe? jij, zoo'n verstandig oud vrouwtje? Maar stil, het zijn

ANDI.
niet alleen Bolo en Isa die je beletten verder te vertellen. Is het niet meestentijds kleine Andi met haar hooge stemmetje, zoo fijn als een fluitje?
Andi!.... Hoe komt het dat ik nog niets van haar vertelde? Ach, zeker omdat ik over Andi sprekende, tegelijk moet denken aan alles wat om en bij haar was!
Haar volgden de drie kleine herten, niet hooger dan zij zelf, de hertjes op de ranke pootjes, met de slanke halsjes, en de fijne kopjes waarin de donkere oogen fluweelig glansden, met de vochtige grijsglimmende neuzen, de altijd bewegende lepelvormige ooren, en het heen en weer flappende platte staartje......
Haar volgde Inara, de kleine halfnaakte bekkenslaagster, iets grooter dan Andi zelf, met de kleine koperen bekkens hangende aan een touwtje om haar mager bruin halsje; want het volksgeloof zegt dat de bekkenslag alle booze duivels en slechte invloeden van de kinderen der vorsten en aanzienlijken verjaagt. Waar Andi was, daar was dus ook Inara, het arme verwaarloosde kind, eens door Aroe Lipa uit de bergen medegenomen.
En dan, achter Inara en de hertjes kwamen de speelkameraadjes. O! kleine havelooze wezens, met verwarde haren om de bruine snoetjes
en met naakte bovenlijfjes; kinderen die tot een verarmden familietak behoorden, of zoontjes en dochtertjes der ondergeschikten, of buurtkinderen uit de kleine berghuisjes.
Dat alles liep achter Andi aan, achter de kleine fijne slanke Andi met haar mat-licht-bruine armpjes en halsje; en het was of ze tusschen dit verwaarloosde vuile troepje ééns zoo sierlijk en zoo bevallig leek; een echt voornaam kindje was ze. dat zich bewoog als een prinsesje ...
En was het ook niet of muziek naderde als Andi kwam aan gesprongen met haar klein gevolg? - Was het haar fijne stemmetje dat luidde als een klokje? was het het nu zachte dan schalmeiende ‘brèng, brèng’ van Inara's koperen bekkens? Waren het de lichte kreten der hertjes die elkaar riepen?
Twee groote gouden gelukspenningen droeg Andi op haar borst en rugje, en ze schitterden als twee kleine zonnetjes van dof goud, wanneer Andi naderde onder het koele groen der wuivende, welvende pisangblaren; en de lange als draken gevormde oorbellen die haar schoudertjes bijna raakten, leken ook wel zonnestraaltjes, wanneer de echte zonnestralen, die door de blaren heen schoten, hen kusten. O! die echte zonnestralen kusten kleine Andi overal. Ze
kusten het zwart glanzende haar dat soms los, soms vast gebonden tegen haar ronde hoofdje aanlag; ze kusten de slanke bruine armpjes, tot aan den elleboog omwonden met armbanden; ze kusten de roode sarong, die het kleine lijfje tot onder de armen omhulde, zoo vurig dat er vlammetjes over schenen te dansen ... Ja als Andi er aan kwam met het snappende, als vogeltjes kwetterende troepje, dan was het uit met de rust, dat wist Andoe Baran.
‘I Madinra’ heette Andi eigenlijk, want Andi wil zeggen ‘zusje’ of ‘adellijk meisje’; en Andoe Baran noemde haar dikwijls bij dien naam. ‘I Madinra’ klonk zoo mooi, vond ze.
‘Andoe Baran! Andoe Baran!’ klonk het nu beneden aan de trap van Andoe's keuken, en toen haar grijze hoofd te voorschijn kwam, boven aan den ingang, riep kleine Andi in de handen klappende:
‘De vorstin van Soeloeng komt hier! Overmorgen!.... Andoe, je moet koekjes bakken, dodóro, dodóro!’
‘E lé lé!’ zeide Andoe, zooals altijd wanneer ze verbaasd was.... ‘Hoe kom je er aan, I Madinra?’
‘Ja, ja! het is waar!’ lachte Andi, en de andere kinderen riepen ook mee dat het waar was; toen liepen ze weer weg en kwamen weer
terug, en riepen nog eens tegen Andoe dat ze dodóro zou maken, en Inara sloeg met haar magere armpjes de bekkens, zoodat het geluid weerkaatste in het dal.
‘Kinderen! wat een leven,’ dacht Andoe - want de hertjes schreeuwden even mee, en Bolo en Isa stampten in het houten rijstblok, en de groote witte kaketoe die altijd in den boom zat, zette zijn gele kuif op en gaf een snerpenden schreeuw. Ze geloofde er niets van dat de vorstin zou komen, - dat verzon Andi maar om dodóro te krijgen.
La Ballo stond buiten onder het afdak bij de rijststampsters. Ze deden haar werk zoo handig en vlug met haar half bloote armen, die zich makkelijk bewogen in de wijde paarsche baadjes.1) Telkens ging de hooge stok van de eene hand in de andere, van de rechter in de linker, en kwam dan weer terecht in het rijstblok, zoodat de korrels opsprongen. Ze stonden tegenover elkaar, en de platte bruine gezichten glommen van inspanning.
‘Laat mij het ook eens doen!’ vroeg La Ballo.
‘Ha! ha!’ lachte Isa.
‘Niet sterk genoeg ben je!’ riep Bolo.
Daar werd La Ballo toch boos om. Hij niet sterk genoeg!
‘Wil je het eens zien?’ zei hij, en poogde den stok uit Bolo's handen te vangen, maar dat ging zoo vlug niet
Onder het dreunend geweld van het kloppen, weerde ze hem af en riep: ‘Ja, jawel, “meneer” La Ballo, je bent wel sterk, hoor!’
‘Zoo sterk als een buffel!’ riep Isa.
‘Of als een wild zwijn!’ kwam Bolo.
‘Geef dan hier,’ zei La Ballo, ‘ik zal je laten zien dat ik 't best kan;’ maar Bolo liet niet los, en toen opeens driftig geworden, gaf La Ballo haar een duw en liep boos het heuveltje af en het erf over. De twee meisjes lachten, en stampten maar stevig door.
Een oogenblik later zagen ze La Ballo beneden op den weg die door het dal voert, een klein donker figuurtje op zijn grijs paard, rennende, vliegende en met zijn kleine bruine beenen het beest aandrijvende, de donkere sarong door den wind opgeblazen als een ballon, de kleine zwarte ‘songko’1) achter op 't hoofd.
‘Net een kleine duivel,’ zei Andoe Baran, die over den rook van haar vuurtje heen keek, en juist door een der kleine venstertjes in het dal kon zien .... ‘Ik wou maar dat hij wat
kalmer was, wat meer van Aroe Lipa had en wat minder van Deng Pa ....’
‘Sst, sst, Andoe!’ maande Isa verschrikt - terwijl ze even den stamper liet rusten; ‘hoe durf je dien naam ....?’
‘Ja, ja,’ zei Andoe, ‘ik heb niets gezegd.... ik meende iemand anders, alle goede geesten weten dat ik dien naam niet genoemd heb!.... Maar kijk nu toch zoo'n jongen.... hoe durft hij zoo rennen!? Goed dat zijn paard er tegen kan en net zoo wild is als hij!’
Ja, Andoe had wel gelijk, want daar rende La Ballo vliegensvlug, voorovergebogen naar de manen van 't paard, den berg op, links van het dal; maar boven op den eersten heuveltop gekomen hield de kleine wilde ruiter zijn paard in, en stond even stil om te turen in het wijde groene dal, waar de blauwe stroom vroolijk doorheen kabbelde.
Toen bekroop hem de lust om daar beneden te spartelen in het zonneflikkerende nat, en hij wendde den teugel, en draafde langs de smalle slingerende bergpaden naar huis.
De steile trap van gespleten bamboe op zijde van Aroe Lipa's huis leidde naar een kleine ruimte, ‘palàdang’ genaamd; ze was omgeven door een soort hekwerk van bamboe, door welks
openingen men een ver en ruim uitzicht had over het dal en de bergen. Van de ‘palàdang’ kwam men in het groote familievertrek, de ‘alabola’, waar de gasten ontvangen werden. Daar was alles nu feestelijk ingericht, want de kleine Andi had werkelijk gelijk gehad toen ze over het erf zong: ‘De vorstin van Soeloeng komt!’ Ja, de vorstin van Soeloeng zou komen, of om het juister uit te drukken: zij zou voorbij komen, en zij zou met haar gevolg een paar uur uitrusten in het huis van Aroe Lipa. De vorstin wilde, zooals het gerucht ging, een verre reis ondernemen, een reis van wel zes dagen, om zich bij het Hollandsche gouvernement te gaan beklagen over rooverijen en diefstallen in haar land gepleegd. Het was ongehoord, den laatsten tijd! Telkens werden er paarden en buffels van het land of uit den stal weggehaald, ja, een landbouwer had men des nachts zijn atap-dakbedekking1) van het huis gestolen. Zij wilde nu raad en hulp van de Hollanders hebben, want die toch hadden het opperbestuur, die konden haar zeker wel be-
schermen tegen de wilde rooverbenden die haar land zoo onveilig maakten.
De vorstin van Soeloeng was de dochter van den vorst die ‘de landen bezuiden het meer’ veroverd had op Aroe Lipa's grootvader. Zij was de laatste afstammeling uit een oud voornaam geslacht, dat meer dan eenig ander zijn onderdanen had gekneveld en geplaagd; maar de regeering der ‘Blanda's’ had een groot deel van haar willekeurige macht gebroken. Zij leefde nu niet meer als vroeger van alles wat het arme volk haar bracht, maar kreeg een vast jaargeld, waar ze met haar hofhouding van leven moest. Dat nam niet weg dat zij de ‘vorstin’ was en bleef, de ‘datoe’1) van Soeloeng, en dat Aroe Lipa het als een eer moest beschouwen dat de vorstin en haar gevolg bij hem zouden afstappen.
Alles was dan ook voor het feest gereed. De alabola was extra schoongemaakt; de groote kleurige lappen, die in bijna alle Boegineesche huizen ter versiering aan den muur hangen, behalve in die der armen, waren door nieuwe vervangen, die met hun frisch rood en groen de wat donkere zaal een vroolijk aanzien gaven. Groote draken en vogels waren in de randen
dier lappen geweven, ook op de kleinere die voor de kleine vensteropeningen hingen. De meesten waren rood, geel en oranje gekleurd, zoodat het buitenlicht als een roode, gele of oranje gloed naar binnendrong; en door de wanden der groote woning, gevlochten uit platgeslagen reepen bamboe, gleed bij straaltjes en spatte bij vonkjes het felle zonlicht. Er hing een prettig warm licht in de groote ruimte, dat de oogen weldadig aandeed, en dat op alles, op de dingen die er stonden, op de groote koperen spuwbakken, op de driepootige offerpotjes, op den rooden baldakijn met zilveren franje, waaronder straks de vorstin zou zitten, eigenaardige tooverachtige glansen wierp. De baldakijn was aan de vier middelste pilaren van het huis opgehangen. Die vier pilaren waren van dik hout. Ze begonnen onder het huis, kwamen door den vloer heen, en droegen zichtbaar het dak. De andere pilaren stonden er rond om heen en deelden zoo de groote alabola in drie vakken. Maar één der pijlers, die vlak bij de deur, was glad als een boomstam afgesneden. Dat was de offerpaal. Op den grond lagen ook matjes klaar; dat waren de zitplaatsen; voor de vorstin de mooiste natuurlijk.
Het was nu nog stil in het groote vertrek; alleen Andoe Baran, ook al in feestgewaad, was
daar en liet haar zorgzame blik nog eens over alles heenglijden.
Iedereen was bezig zich te kleeden voor de ontvangst. Ama, Aroe Lipa's vrouw, bevond zich met Andi in de kleine, door een kleurig gordijn afgescheiden ruimte, waar Aroe Lipa's groote slaapbank stond, gedekt met een grijze buffelhuid. Zij maakte haar kind mooi; en kleine Inara zat er, stilletjes in een hoekje gedoken, naar te kijken. De sarong werd uitgedaan, en Andi kreeg daarvoor een geel garen rokje aan, bestaande uit twee breede strooken en bedekt met vergulde figuurtjes. Dan werd haar een licht groen zijden baadje met lange mouwtjes aangetrokken. Ze zag er nu net uit als een klein vrouwtje, want het rokje was zóó lang dat het haast over de bloote voetjes sleepte, en heur haar zat ook in een kleine ‘kondé’1) op het hoofd, precies als dat van haar moeder. Maar die droeg niet zooveel kettingen! Lieve deugd, nù werd Andi pas mooi! Behalve de groote gelukspenningen werden haar nog twee oudgouden tooisels omgehangen, die tot over haar knietjes hingen, en mooie groene steenen - zoogenaamde kattenoogen - blonken daar tusschen. Andi was zoo trotsch als een pauw, en de arme
kleine Inara leek nu heelemaal niets, met haar magere bloote schoudertjes, en oude, onder de armen toegeknoopte sarong. Maar dat behoefde ook niet, ze was maar een arm kind, en zij bewonderde met vreugde haar kleine meesteresje!
Datona, de oude grootmoeder, hielp natuurlijk Sitigawa, want deze was haar lieveling. Zij waren in het achterste deel van de woning, het tweede groote vertrek, waar Sitigawa en Aissa's slaapplaatsen waren, en waar ook soms de jonge meisjes zaten te weven. Het was bijna even groot als de alabola, maar voor de kleine vensters hingen geen kleurige lappen, evenmin als aan den muur. Langs een trap kwam men naar buiten op zijde van het huis. Hier werden Sitigawa en Aïssa mooi gemaakt, door Datona en twee oude dienstbare vrouwtjes die altijd om en bij Datona waren; en de drie oude vrouwtjes hadden haar handen vol, want het is een heel ding dat ‘aankleeden en in feestgewaad steken’ van een Boegineesch jong meisje! - Gelukkig was deze voorbereiding niet zoo erg als voor een bruiloft, bijvoorbeeld. Dan worden die arme jonge dingetjes zóó behangen en beschilderd, dat niemand ze meer herkennen kan. Voor deze gelegenheid, het ontvangen van de vorstin, hadden ze alleen maar nette dunne baadjes aan, beiden lichtrood, met
half lange mouwen, waaruit heur fijne bruine armen te voorschijn kwamen; voorts droegen ze donkere zijden sarongs, waar een enkel draadje goud doorheen was geweven. Dat was alles heel eenvoudig, maar het bewerkelijkst waren haar gezichtjes. Ja, ja, het was een waar kunststuk, die met goeden smaak en volgens de inlandsche gewoonte te beschilderen! Datona nam eigenhandig Sitigawa onder handen, die geduldig met gekruiste beenen op het matje vóór haar te wachten zat. Aïssa onderging hetzelfde lot. Zij werd door de anderen geholpen. Eerst werden haar bruine gezichtjes bestreken met poeder, gemaakt van de loloroepaplant,1) zoodat ze als met een fijn licht waas overdekt waren; dan werden haar wenkbrauwen zwart gemaakt en tot op de kleine stompe neusjes doorgeteekend met gebrande kemirie2) en ook langs het voorhoofd en de slapen kwam zoo'n zwarte streep, die dan glanzend zwart haar moest voorstellen, dat in gelijke golven langs het gezicht lag. De
oograndjes werden zwart gemaakt, zoodat de oogen zelf grooter en glanzender leken, en de lippen kregen een enkel penseelstreekje met het roode sap van den patjiboom.1)
Ja, nu kwamen de roï-roïli's te pas! De roï-roïli's zijn kleine gouden of zilveren kettingen, waaraan doosjes, kokertjes, schaartjes en tandenstokertjes hangen, alles heel klein, en meest van zilver of goud. De voorname meisjes hebben er allen zoo een, en bevestigen de roï-roïli aan den band van haar sarong.
Die van Sitigawa was zeer mooi. Het was een erfstuk van Datona. Het kleine ronde doosje waar het zachte rijstpoeder in bewaard werd was van zilver, en van boven bezet met hemelsblauwe steentjes; het kokertje voor de fijne bijenwas waarmede nu en dan de lippen bestreken worden, was geheel vau goud. Daarnaast hing een zilveren tangetje om de haartjes uit de huid te verwijderen, een kleine tandenstoker, en een soort zilveren kwastje waarmede de oogranden zwart worden beschilderd. Het allermooist was het heel, heel kleine ronde doosje
waarin een stukje heerlijk geurende amber1) geborgen was. Zoo'n doosje heette eigenlijk ‘hartevangertje’, want jaren geleden was er eens een meisje geweest, dat zulk een mooi schitterend amberdoosje aan de roï-roïli had hangen, dat het de aandacht trok van een jongen prins. Zij was maar een arm meisje, en zooals dat meer gebeurt, had zij de roï-roïli te leen gekregen van haar meesteres, om netjes te zijn als de prins op bezoek kwam. Toen zij nu met de andere dienstmaagden binnen kwam om den jongen vorst thee en gebak aan te bieden, viel zijn oog op de mooie roï-roïli; en toen hij haar vroeg het mooie doosje eens van nabij te mogen bewonderen, zag hij haar aardige kleine handen; en toen hij naar haar mooie handjes gekeken had, zag de prins naar het aardige neusje en het roodgeschilderde mondje en naar de donkere oogen ... En och, toen ging het als met zoovele sprookjesprinsen en met zooveel sprookjesmeisjes die arm zijn: de prins trouwde met het meisje. Daarom heette het amberdoosje nu voortaan ‘hartevanger-
tje’, of alleen maar ‘ati’, wat ‘hart’ beteekent.
Sitigawa's amberdoosje was minstens even mooi als dat van het meisje dat met den prins trouwde. Het was van zilver en goud, en het dekseltje had een randje van kleine diamantjes; maar toch behoefde er geen prinsehart meer mede gevangen te worden, want Sitigawa was al door Aroe Lipa en Ama uitgehuwelijkt aan Deng Marola, een jongen adellijken Boeginees. Sitigawa kende hem ternauwernood. Hoe zou het ook kunnen? Zoodra de Boegineesche meisjes groot zijn, worden ze onbarmhartig binnenshuis gehouden. Uit is het met springen en loopen buiten zooals kleine Andi nu deed, niets meer daar van! De mooie blauwe lucht mogen ze door de kleine vensters van het vrouwenverblijf bekijken. Ze mogen wel eens even naar buiten, en soms ook wel eens mee op reis, maar dat dan toch maar een hoogst enkelen keer. Eéns per jaar echter wordt er zoo nauw niet op de arme schepseltjes toegezien: het is bij gelegenheid van het groote oogstfeest, waarop alle jonge meisjes mee mogen rijststampen.1) Dag en nacht wordt er dan doorgewerkt, en als 's avonds de maan groot en blank aan den hemel rijst, komen de jonge
lieden uit den omtrek en helpen mee, en zoeken onder de stampstertjes hun bruid uit. Zoo was het ook gegaan met Deng Marola en Sitigawa, en zoo was het gekomen dat Sitigawa haar bruigom nog slechts éénmaal gezien had.
Terwijl Sitigawa en Aïssa zoo mooi beschilderd werden alsof ze houten poppetjes waren, en Ama de kleine Andi hielp, en Aroe Lipa buiten bij het steenen borstwerinkje uitkeek naar de vorstin, stond Andoe Baran nog altijd in de alabola en wachtte. Zij ook wilde de vorstin zien aankomen, en daartoe tilde ze met haar eene hand de vurige rood en bruine lap op die voor een der venstertjes hing; toen gleed een stroom van licht en zonneschijn, langs Andoe's smal en tenger oude vrouwefiguurtje, langs de donkerblauwe sarong die, naar de gewoonte van het land, haar in losse plooien omgaf, en zoo ver over den grond sleepte dat de kleine bloote voeten nauwelijks te zien kwamen; en het licht gleed langs haar andere hand waarmede ze de sarong vast hield, en nog een heel eind trok de zonneschijn verder in het geheimzinnig verlichte vertrek, dat wel scheen te dommelen in al die roode, oranje en groene afschijnsels van de lappen aan den muur. Die jolige streep zonnelicht kwam daar op eens zoo binnenvallen als de
heldere lach van een guitig kind zou doen midden in een ernstig gesprek van wijze mannen; en tegelijk met dien zonnestraal kwam kleine La Ballo de steile ladder af die de alabola met den zolder,1) zijn slaapplaats, verbond. Anders glééd hij er altijd af en stond dan met een plof op den grond, maar nu moest hij er wel af lóópen, want ook hij had zijn beste kleeren aan ter eere van 't bezoek. Over de korte witte broek, waaruit zijn bruine beenen tot boven de knie te zien kwamen, droeg hij een groen en zwart geruite sarong, die in allerlei grappig getrokken plooien, zoo bol als een pofbroek om zijn lenden heen zat. Hij had een wit jasje aan met zilveren knoopen, en de kleine bruine songko met het gouden randje zat kranig op zijn zwarte haren.
‘Kom eens hier, La Ballo,’ zeide Andoe zonder om te zien; ze wist wel wie daar de trapladder at gekomen was.
‘Zie je de datoe al, Andoe?’
‘Neen, kom hier, we zullen eens kijken wie haar het eerst ziet!’
Nu ging La Ballo dicht bij Andoe staan voor
het kleine venster. O! o! wat kon je hier toch ver zien. In het verblindende middaglicht lagen de bergen daar hoog en trotsch; - het was of ze fluweelen kleeden droegen van een zacht lichtgroen, kleeden die langs de hellingen gespreid waren tot aan den top toe. Anderen waren weer donkerder, soms van een prachtig diepblauw, als een wolk haar schaduw er op wierp. In de diepe ravijnen hingen stille zachte tinten van paars en grijs, en heel héél ver gingen al maar bergtoppen omhoog, rijden ze zich aan elkaar tot een teer blauwe reeks, die als verdwaalde in de lichte schitterende lucht.
Vlak bij het huis strekte een groote mangaboom1) zijn donker groene bladerkroon uit, maar nu vingen al die blaadjes soms zulk een overvloedig licht dat ze wit leken.
‘Ken je nu de namen al van de bergen?’ vroeg Andoe.
La Ballo moest zich even bedenken. ‘Die daar recht voor ons, met dien gekken top, is de berg Ara ...’ - ‘Ja, ja,’ knikte Andoe; ‘en verder?’ Neen verder wist La Ballo het niet goed.
‘Daar in het Westen - waar dat begroeide dal is, zie je het? dat is de berg Pamassi; en zie je daar rechts dien lageren berg, net een slapende vrouw? die heet Walla, maar ze noemen hem ook wel eens “de Rustende Schoone”, omdat hij zoo op een vrouw lijkt.’
La Ballo zag het nu ook. Andoe Baran wees hem het voorhoofd, den rechten neus, den mond en de rustende kin. O, sprekend een groote, wondergroote reuzin, die daar rustig lag te slapen, terwijl de kleine wereld daar beneden haar niets meer aanging. Toen herinnerde hij zich dat hij Aroe Lipa wel eens had hooren spreken van den ‘Berg van God’.
‘Waar is die, Andoe, en waarom noemen ze hem zoo?’
‘O!’ zei Andoe met een glimlachje op haar mooi oud gezicht, ‘die is zóó ver, La Ballo, die kan je misschien alleen zien bij heel helder weer ... Ja, die is zóó hoog, de hoogste berg misschien van het land; zijn top reikt in de wolken, en de menschen zeggen dat men vandaar den hemel kan zien en spreken met God.’
‘Heeft iemand dat wel eens gedaan, Andoe?’ vroeg La Ballo, nieuwsgierig naar haar opziende.
‘Ik heb hooren vertellen van wel, La Ballo, maar ik weet niet zeker of het wel waar is.’
‘Maar ... Andoe, dat moeten toch wel heel
knappe menschen zijn die weleens met God gesproken hebben?’
‘O ja, ja, dat moeten knappe menschen zijn, en goede ook denk ik, anders zou God niet met hen spreken.’
‘En heel sterke ook, hé Andoe?’
‘Ja, ja, dat denk ik óók, jongen, maar waarom zeg je dat zoo?’
‘Wel, ze moeten immers heel heel hoog kunnen klimmen, Andoe, zeker wel dagen lang, en als ze moe worden dan moeten ze toch altijd maar doorloopen tot ze heelemaal boven komen ...’
‘O, ja, je hebt gelijk, ze moeten zeker knap en verstandig, sterk en moedig zijn ...’
‘En waar is hij dan toch, de “Berg van God”? Toe, Andoe, wijs hem mij nu?’
‘Je kunt hem niet zien nu, maar hij is daar in 't Zuiden, daar ongeveer waar die witte wolk drijft, zie je 't niet, die wolk die is als een vogel?’
‘Ja, ja!’ zeide hij droomerig.... Had niet iemand hem eens verteld dat Deug Pabéle er was geweest? Maar eensklaps riep hij: ‘O kijk eens, Andoe, daar komt de datoe! Ik heb haar het eerst gezien!’
Ja, daar kwam de stoet aan: nu nog een kleurig streepje beneden in het dal; straks zou zij weer uit het gezicht verdwijnen, daar liep
de weg om den berg heen; maar als ze dan weer te voorschijn kwam, kon zij binnen een paar minuten bij Aroe Lipa's huis zijn.
‘Ga 't gauw vertellen,’ zei Andoe, en liet het roode gordijntje vallen, zoodat de vroolijke zonnestraal weer daar buiten gesloten werd, en de alabola weer in het warme getemperde licht lag te dommelen.
La Ballo had in een oogenblik overal heen geroepen dat de datoe in aantocht was, en kort daarop vulde zich het familievertrek. Datona deftig in haar donker baadje, met de oude roodgouden knoopen tot onder het bruine spitse kinnetje gesloten; Ama in een wit jakje met lange mouwen tot op haar bruine handjes, en het zware zwarte haar in een dikke wrong achter tegen haar rond hoofd; de meisjes Sitigawa en Aïssa, als twee beschilderde poppetjes in heur lichtroode baadjes. - Kleine Andi in haar kleurige kleedij, en met haar vele kettingen en armbanden en gelukspenningen, trippelde binnen gevolgd door Inara, en beiden poogden door een der kleine vensters te zien: Andi moest er voor op de teenen gaan staan. Alle huishoorigen liepen toe, iedereen wilde de vorstin en haar gevolg zien aankomen; en zoo was in een oogwenk de palàdang vol vrouwen en mannen die op het erf van Aroe Lipa
werkten, en toen er op de palàdang geen plaats meer was, wachtten zij onder het huis, en de jonge weefsters en mandenvlechtstertjes zaten boven op zolder, of bleven in het vrouwenverblijf en gluurden door de kleine vensters.
Aroe Lipa stond beneden voor zijn huis en wachtte de vorstin af. Een gastheer in dit land, die weet hoe het hoort, wacht zijn gast daar af en geleidt hem dan aan de hand de trap op.
‘De datoe komt!’ zeide Andi's fijne stemmetje dat klonk als een fluitje.
‘De datoe komt!’ ging het door de alabola.
‘De datoe komt!’ fluisterden de bedienden.
En werkelijk, daar boog opeens de kleurige stoet den hoek van den weg om en alles kwam wiegelend, trappelend, soms dravend, den heuvel op waar Aroe Lipa's huis stond.
Zij waren allen te paard, behalve de vorstin die in een draagkoetsje zat, en de bedienden, de menschen van lageren rang, en een troep nieuwsgierige meeloopers, vuile halfnaakte mannen, en vrouwen in oude lappen gehuld, met lange, verward om het hoofd hangende haren, en vuile bruine gezichten. Zij vormden wèl een tegenstelling met den aardigen kleurigen stoet dien zij omringden en aangaapten!
Vooraan reden de lansdragers op hun kleine paardjes - een been strak in den beugel, het
andere hoog opgetrokken tegen den nek van het paard - zoodat hun donkere sarongs breed geplooid uitstonden. Ze droegen de lange lansen schuin tegen de rechterzijde gedrukt. Dat was de voorhoede. Dan kwam het draagkoetsje van de vorstin, door middel van twee bamboestokken op de schouders van vier dragers getorst. Het leek precies een klein huisje met venstertjes, waardoor men het zwartfluweelen baadje der vorstin en een paar fonkelende gouden sieraden zag heenschemeren. Dat koetsje werd omgeven door de hofdames, oude vrouwtjes die de geheele reis moesten loopen, en de teekenen van waardigheid der vorstin droegen: de gouden sirihdoos1), den koperen spuwbak, het koperen waterketeltje waarmede men straks de voeten der vorstin zou besprenkelen als zij Aroe Lipa's huis binnentrad. Achter de lansdragers, de draagkoets der vorstin en haar hofdames, kwamen de kleurig opgetuigde paardjes van het gevolg. Op ieder paardje lagen drie of vier
of zes vuurroode kussens, en daarop zaten de tengere, slanke vrouwen van de hofhouding. Heel hoog troonden ze daar, al naarmate haar afkomst; want hoe meer kussens zij onder zich hadden, des te voornamer waren zij; en zij droegen allen lichtgekleurde baadjes en bontzijden sjaaltjes die om schouders of hoofd wapperden. Iedere vrouw beschermde zich tegen de zon met een klein vuurrood of hardgeel scherm; van uit de verte gezien leken het wel kleine gekleurde paddestoelen. Dat alles reed achter elkaar aan, zooals men dat op de smalle bergpaden wel genoodzaakt is te doen, en het vormde dus een landen bontkleurigen stoet, die daar door het van zonlicht doordrenkte lichte en fijne berglandschap naar Aroe Lipa's huis trok.
Maar vlak bij de woning, daar waar het pad opeens steil naar boven ging, hield de voorhoede even stil; de dragers zetten het draagkoetsje neer, ook het gevolg vertraagde even zijn gang, zoodat de roode en gele parasolletjes als gekleurde ballonnetjes schenen te zweven daar beneden tusschen het groen; en nu stapte de vorstin uit haar koetsje. Dadelijk schoot een der volgelingen, die achteraan had gereden en nu van zijn paard gestegen was, naar voren, hurkte bij de vorstin neer, en hief haar, alsof ze een
teer klein poppetje was, op zijn schouder. Dan steeg hij langzaam met zijn koningin het steile pad op. O! hoe hoog zat zij nu, nog hooger dan al de anderen die achter haar aankwamen op de kleine paarden. Kaarsrecht zat zij daar in haar nauwsluitend zwart fluweel kleedje met de fonkelende gouden knoopen; met haar rechterhand hield zij de zijden patola omhoog, een soort sjaal, wit en rose gekleurd, die zij over hoofd en schouders droeg om zich tegen de zonnestralen te beschutten. De drie oude vrouwtjes, de draagsters van sirihdoos, spuwbak en waterketel, bleven vlak bij haar; en toen zij zoo wat op het hoogste punt van den weg gekomen waren, renden al de paardjes, beladen met de roode kussens en de dames van de hofhouding, eveneens het steile pad op. Eindelijk, eindelijk waren ze er dan! Er kwam leven en beweging in Aroe Lipa's huis; hij zelf ontving zijn hooge gast beneden aan de trap, waar de drager haar voorzichtig, als ware zij van porcelein, op den grond zette. De keteldraagster deed dadelijk haar plicht, en sprenkelde een paar druppels water over de voeten der vorstin, die bijna niet zichtbaar waren onder de lange donkerblauwe zijden sarong; toen bood Aroe Lipa haar de hand, en samen gingen zij de trap op. De vrouwtjes waren afgestegen; de rood gedekte paardjes verspreid-
den zich over het erf en begonnen dadelijk tusschen het geboomte te grazen; de roode en gele parasolletjes werden dicht gevouwen, en alles ging daarop langzaam naar boven, met den slependen ingehouden tred der Oosterlingen.
Datona en Ama wachtten de vorstin op in de palàdang, die tot achteraan toe gevuld was met nieuwsgierige bedienden. Van uit alle venstertjes en openingen keken bruine gezichten - meest die van de jonge weefstertjes die op zolder gebleven waren; alles zag toe hoe Aroe Lipa de vorstin de trap op geleidde, hoe Datona en Ama haar met eerbiedigen Oosterschen groet ontvingen. Maar al die statige deftigheid verhinderde toch niet dat het arme vuile volk, de nieuwsgierige meeloopers, achter de vorstin en haar volgelingen opdrongen, de trap op gingen, de palàdang vulden, en met hun bruine gezichten en naakte bovenlijven het licht bijna verhinderden binnen te dringen in de alabola. Honderden gretig kijkende donkere oogen glinsterden door de openingen der bamboe-omwanding naar binnen; maar er was dan ook heel wat te zien! - O! het was mooi, al die statige slanke figuurtjes der vrouwen, schitterend van bonte steenen en goudwerken om hoofd en hals; al die mannen met hun voorname stille gebaren; al die kleurige mooi
gemaakte kindertjes, overgoten door het vreemd gedempte zonnige licht der alabola, behangen met de roode en groene lappen.
Onder den rooden baldakijn met de zilveren franjes nam de vorstin, met gekruiste beenen, op het haar aangewezen matje plaats. Dicht bij haar zetten zich de drie oude vrouwtjes, de sirihdoos-, de spuwbak-, en de waterketeldraagster; - en de sirihdoosdraagster schoof dadelijk tot vlak bij de vorstin en hield eerbiedig haar de gouden doos voor waaruit deze met haar magere bruine vingers een tabakspruim1) nam en in haar mond stak. De andere hofdame zette nu den sierlijken spuwbak, die wel een groote koperen omgevouwen bloemkelk geleek, naast haar. Al de andere vrouwen van het gevolg zetten zich zachtjes, met een even hoorbaar kraken der zijden sarongs, naast en achter de vorstin, zelf zoekend haar plaatsje naar rang en stand, zoodat zich nu een rij van bruine vrouwtjes vormde bijna allen op elkaar lijkend - met die beschilderde voorhoofden, die roodgeverfde lippen, en die groote oogen, donker als de sterrenlooze nacht. Achter de
vrouwen van 't gevolg zetten zich de mannen neder, voor zoover ze door rang en geboorte daar het recht toe hadden. Vlak tegenover de vorstin en haar hofhouding namen nu ook Aroe Lipa en Ama en Datona plaats, eveneens met de beenen onder de zijden sarongs gekruist; en als aan den overkant van een rivier, sloot zich alles wat bij Aroe Lipa hoorde - Sitigawa en Aïssa, familieleden en huishoorigen - bij hen aan, ging naast of achter hen zitten. Voor kleine Andi en La Ballo kwam het er nog niet op aan waar zij zaten, want ze waren nog maar kinderen die weinig aanspraak konden maken op een plaats, maar toch zorgden ze wel dat ze goed konden zien, hoor! - Vlak achter de mooie Sitigawa die met haar poppengezichtje de vorstin telkens nieuwgierig opnam, zat Andi met Inara. Zij kon juist, tusschen haar grootmoeder en zuster door, al het moois zien. La Ballo had zich een plaatsje verzekerd vlak achter Aroe Lipa.
Hoe voornaam was Aroe Lipa! - De slanke bruine handen lagen samengevouwen in den schoot, en leken bijna blank op het zwart en goud van de sarong. Hij droeg een zwart jasje, gesloten tot onder de kin met oud zilveren knoopen. De oogen hield hij neergeslagen, de lange wimpers lagen langs den scherpen ha-
viksneus; maar als hij ze opsloeg om met de vorstin te spreken, schitterde er iets in de sombere oogappels, als zat er binnenin een diamantje, evenals op den top van de zwarte songko, die met een smal goud randje zijn donker voorhoofd omknelde.
Het was heel stil toen Aroe Lipa begon te spreken. Zelfs de oude hofdametjes, die bijna altijd met elkaar zaten te fluisteren, of te kakelen als kippen die naar wurmpjes zoeken, hielden zich stil; en al de donkere hoofden en bruine gezichten van de neergehurkte menschen, waar het zachte warme licht koozend over heen gleed, luisterden aandachtig.
‘Wij allen,’ zeide Aroe Lipa, ‘ik de man die uw voeten kus, en mijn moeder de Datona en mijn vrouw Ama, zijn zeer verblijd dat de groote vorstin ons nederig huis wil bezoeken. Wij hopen dat zij hier uit zal rusten zoolang het haar belieft.’
‘Gaarne wil ik hier uitrusten,’ antwoordde de vorstin; ‘ik ben dankbaar dat ik op mijn langen weg het huis van Aroe Lipa vond, waar ik zoo gastvrij ontvangen word. Als Aroe Lipa en zijn gevolg eens in mijn land komt zal hij, hoop ik, het huis waar de vorstin woont niet voorbij gaan, en evenals ik zijn moede leden daar rust geven.’
Iedereen, tot het armste mensch toe, dat bij de deur van de palàdang stond te luisteren, wist dat dit maar een paar beleefdheidszinnetjes waren, waarmee ieder gesprek behoort begonnen te worden. Straks zou het eigenlijke gesprek aanvangen; maar vóór dat gebeurde gaf de oude Datona vlug een wenk met haar hoofd aan de achter haar zittende onderhoorigen. Andoe Baran, die daar tegen een paal geleund zat, stond op, en daarop verschenen, door de deur van het andere vertrek, Bolo en Isa, gevolgd door nog drie andere meisjes en een paar kleine jongens, netjes gekleed, ieder dragende een schaaltje of koperen blad of theeketeltje. Bolo ging voorop, hurkte bij de vorstin neer en hief naar inlandsch gebruik met de linkerhand den elleboog van den rechterarm op; zóó bood zij de gast het blad met koekjes aan, kleine vingerhoedvormige bruine gebakjes met lichte puntjes er op. Dat waren rijstkoekjes. Isa volgde met een blad vol witte krakelingen, een luchtig gebak van eiwit; de andere meisjes boden zoete balletjes aan, geel als de kleur van een eidooier, ‘dodoro’ en ‘beppa-beppa’; en de jongens schonken thee in de donkere klapperdoppen, die als kopjes dienst deden. Het duurde alles heel lang, want het ging met de plechtige statigheid van het Oosten. Al de hofdames
namen ‘beppa-beppa’, en de familie van Aroe Lipa moest ook bediend worden.
Andi had bijna geen geduld; het duurde ook zoo lang eer Andoe Barans heerlijke koekjes haar kant uitkwamen! en ze kneep van drift het magere armpje van Inara zoo, dat deze het haast uitschreeuwde. ‘Houd je maar stil,’ fluisterde Andi, die wel wist dat ze haar pijn had gedaan, ‘straks krijg je van mijn koekjes;’ en werkelijk, toen de meisjes met al de lekkernijen naderden, en Datona de kleine Andi de bruine en gele en witte koekjes toestopte, gooide Andi, met het gebaar van een klein bedorven meesteresje, Inara's schoot vol koekjes. Inara begon er bedeesd aan te knabbelen. Heel erg durfde ze niet, want ze wist wel dat Andi een plaag was, die ze straks misschien weer weg zou nemen. Dat deed Andi dan ook; telkens grepen haar bruine handjes weer naar de koekjes; maar toen Inara haar stil liet begaan, vond zij het niet aardig meer en begon rustig van haar eigen gebak te eten.
Bij de groote menschen gingen de koperen en zilveren sirihdoozen weer rond en de koperen spuwbakken; en nu iedereen voorzien was begon de vorstin weer te spreken.
‘Aroe Lipa,’ zeide ze, ‘Aroe Lipa weet zeker wel waarom ik deze groote reis doe van wel vijf dagen?’
‘Misschien is mij de reden bekend,’ antwoordde Aroe Lipa met de gebruikelijke omzichtigheid, die in het Oosten dikwijls als beleefdheid geldt; en hij richtte zijn donkere oogen op de vorstin.
Er speelde een bittere trek om den mond van de ‘datoe’. Zij begon al oud te worden, dat zag men aan de ietwat ingevallen wangen. Toch hadden haar oogen een diepen donkeren gloed, en haar kunstig opgemaakt haar was even zwart als het zwart fluweelen baadje dat zij droeg. Zij wenkte even met de hand, zoodat de rijk met gouden knoopen bezette mouw te zien kwam, en zeide:
‘Zeker zal het Aroe Lipa bekend zijn hoe mijn land tegenwoordig bestolen wordt. Wie is er nog veilig? - Luister, Aroe Lipa, wat er in den tijd van drie weken gebeurd is:
La Banno, een landbouwer die een half uur gaans van mij woont, had vier buffels op stal. Op zekeren nacht werd hem er een van ontstolen, en om nu de anderen in veiligheid te brengen, liet hij ze door zijn zoon Lewa naar een vriend brengen die in Madàlle woonde. Op weg daarheen werd de jonge Lewa 's nachts aangevallen door drie roovers, die hem half dood sloegen en met de drie buffels verder gingen. Nu is La Banno dus al zijn vee kwijt,
en zijn zoon heeft een verlamden arm en is bijna tot niets meer in staat.
Imalo, een Makassaar, die drie schoone en groote geiten had en twee paarden, hebben zij alles ontroofd toen hij op een dag naar de markt was; - toen hij thuis kwam was ook de heele stalbedekking van nipablaren, die hij juist vernieuwd had, weggenomen.
La Botjo, die een zak duiten moest brengen naar Ben Hasin, den Arabier in Nepolo, is in den laten avond ook door drie of vier menschen aangevallen, vlak bij het bosch van Mada. Den morgen daarop is hij door landbouwers gevonden met wel vier lanssteken in de borst, en stervende.
Dit zijn vier gevallen - drie diefstallen en één moord in drie weken tijds, Aroe Lipa!’
Hier zweeg de vorstin even, en scherp zag zij Aroe Lipa aan, die zijn oogen strak gericht hield op de smalle bruine handen in zijn schoot. Hij begreep wel waarom de vorstin op dien bijtenden, hoogen toon tot hem sprak, waarom zij hem dit alles vertelde; o! hij begreep wel dat zijn ongelukkige broeder, de roover, van dit alles beschuldigd werd..... Het trilde licht onder zijn neergeslagen oogleden, zijn hand beefde even.
Op nog heftiger toon ging de vorstin voort
‘Aroe Lipa zal wel weten waarom ik dit alles vertel: hoe mijn land wordt gemaakt tot een rijstpot met een gat in den bodem, zoodat alles wat er voor goeds in komt weer verloren gaat, evenals ook de rijst uit zulk een pot zou vallen; zoodat ik mij voel als omgeven door de geopende muilen van een schaar krokodillen die mij verslinden willen; alle geluk en welvaart zullen op den duur weg vluchten uit deze streken! Aroe Lipa zal wel weten wien ik de schuld van dit alles geef, wie zijn menschen het land in zendt om te stelen en te rooven en ons ongelukkig te maken; want dit alles is zoo gekomen, Aroe Lipa, sedert uw broeder in de bergen voortvluchtig is.... uw broeder Deng Pabéle!’
‘Deng Pabéle!’ Het was of er een schok door de groote alabola ging, of er een snelle ademtocht over al die hoofden vlood, of er iets geflikkerd had, zooals een zwaard even kan glanzen in een zonnestraal; ... die naam, die naam dien niemand durfde fluisteren in het huis van Aroe Lipa of daarbuiten, was hier zoo maar, zonder omslag, uitgesproken door de scherpe stem der vorstin. ‘Deng Pabéle!’ en een gemompel ging door de zaal, en de bevende stem van Datona zeide heftig en afkeurend. ‘O, lé, lé.... wat durft de vorstin toch zeggen!’ Ama keek
met groote oogen naar de vorstin, en zelfs Sitigawa's en Aïssa's beschilderde gezichtjes kregen een uitdrukking van angst. Maar achter Aroe Lipa schitterden twee oogen als diepe donkere watertjes de ‘datoe’ tegen. Het waren de oogen van La Ballo. Deng Pabéle! zijn vaders naam! - Wàt hij eigenlijk voelde nu daar die naam zoo door de zaal klonk, wist hij zelf niet; was 't vreugde, was 't haat, was 't nieuwsgierigheid dien vader te kennen, hèm, den geheimzinnigen grooten roover? Maar stil! daar begon Aroe Lipa te spreken.
Zijn stem klonk ontroerd, maar toch beslist, toen hij de vorstin met diepen fonkelenden blik aanzag en zeide:
‘Ja, ik weet het. Mij vertelt U dit alles omdat Deng Pabéle mijn broeder is, omdat iedereen verwacht dat ik zijn schuilplaats zal weten. Maar hij is mijn broeder, en juist dáárom weet ik die schuilplaats niet. Mij vertelt U dit, opdat ik hem zou gaan zoeken en hem uitleveren aan het Hollandsche Gouvernement, waarheen U nu gaat om U te beklagen.... Maar hij is mijn broeder en dáárom juist kan ik hem niet gaan zoeken. Zoolang ik niet weet waar hij is, ga ik hem niet halen. Mocht ik hem ooit vinden en moeten uitleveren, welnu, dan zal ik het doen, - want hij brengt onheil over het land en over ons
allen hier... Ik zal het doen... maar ik, Aroe Lipa, blijf dan geen ‘aroe’ meer,1) vorstin! Ik zal niet meer rustig op mijn plaats kunnen blijven als ik hem verraden heb... want hij is mijn broeder....’
Toen Aroe Lipa al deze woorden op zijn kalme manier gesproken had, was er groote stilte in de alabola, en La Ballo schoof heel heel dicht naar zijn oom toe; het was of hij hem moest aanraken, hem even moest liefkoozen, want hij voelde wel dat het woorden van beteekenis waren geweest, en dat ze ook op hem, La Ballo, groote betrekking hadden. Fier sloeg zijn hartje opeens voor zijn oom, en hij strekte zijn hand naar hem uit; daar stiet hij tegen iets dat onder de zijden sarong van Aroe Lipa verborgen was - het was de gouden kris; en stil nu, hield hij het ivoren, hard aanvoelende gevest in zijn kleine hand gedrukt.
Andoe Baran had dit onaangename oogenblik te baat genomen om weer koekjes en thee te laten aanbieden, en evenals daar straks gingen Bolo en Isa en de anderen weer rond met de zilveren schalen en de theepotjes.
De vorstin dronk even, alsof ze nadacht over hetgeen Aroe Lipa zooeven gezegd had; toen gaf ze de nog half gevulde klapperdop aan een der oude vrouwtjes achter haar, die er volgens landsgebruik even van nipte en daarna het overige door de breede reten van den bamboevloer heen gooide, - 't zelfde wat de anderen met de uitgekauwde sirihpruimpjes deden, die dan onder het huis terecht kwamen.
‘Van Aroe Lipa is dus weinig hulp te verwachten,’ sprak de vorstin koud en hoog.
‘Integendeel,’ hernam Aroe Lipa; ‘er is geen onderdaan die zooveel voor het geluk des lands zou willen doen als ik; ik heb immers gezegd dat ik mij zelf zal opofferen als het moet. Als het mòèt - als degeen dien gij zoekt in mijn handen komt, zal ik hem uitleveren, maar ik zòèk hem niet.’
En Datona, die haar zoon vereerde, zeide opeens met iets van het gezag dat zij in huis had en nu niet langer verborgen kon houden:
‘De vorstin moet bedenken dat Aroe Lipa een edelman is, dat zijn grootvader de vorst was van ‘Bezuiden het meer’; - zoo iemand verraadt zijn broeder niet.’
Nauwelijks had zij dit gezegd, of er werd een snelle vijandige blik gewisseld tusschen de twee oude vrouwen: de Datona wier familie eenmaal
verslagen was, de vorstin wier bloedverwanten hadden gezegevierd en de overwonnenen hadden uitgezogen en gekneveld.
Onrustig klopte La Ballo's hartje. Hij begreep nu alles, maar toch.... Wist Aroe Lipa werkelijk niet waar Deng Pabéle was, hier in den omtrek, of op dien hoogen berg, den Berg van God? Hij zag zijn oom aan, maar het sombere gezicht van den Oosterling, met den gebogen neus en de donkere oogen, bleef hem een raadsel.
. . . . . . . . . . . . . . . . .
Nadat de vorstin eindelijk het sein tot vertrek had gegeven, en zij en haar gevolg met even groote praal als straks de trap afgedaald was; nadat de paardjes weer bestegen en de kleurige stoet met de roode kussens en bonte zonneschermen den berg afgedaald en uit het gezicht verdwenen was, - zaten Aroe Lipa en La Ballo bij de steenen borstwering voor aan het erf, en keken naar het dalende avondlicht, want de dag liep ten einde.
De djoerwarboom die hoog boven hen zijn loover tegen de lucht stak, had duizenden gele bloesems laten vallen en als een licht kleed om zijn voet gespreid. Langzaam begon het avonddonker den hemel te dekken, maar boven de hooge opkartelende bergen stond de lucht wijd uit in gouden lichtschijn van de ondergaande
zon. De bergen lagen daar zoo mooi en rustig in een effen grijze tint, want alle kleurtjes van bosch en tuin en huisjes waren nu op dit uur voor het oog verdwenen; duidelijker dan ooit lag daar, reusachtig groot, ‘de Rustende Schoone’, waar Andoe Baran dezen middag La Ballo opmerkzaam op had gemaakt. Ja, zij sliep - en zij zou zeker altijd blijven slapen; en hoeveel jaren, hoeveel eeuwen had zij niet altijd maar rustig doorgeslapen, in het blanke morgenlicht, in den witten maneschijn, of met het prachtige goud van de dalende zon achter haar kalm gezicht? En hoeveel was er niet gebeurd in dit bergland, terwijl zij sliep? Oorlog en vrede was er geweest, krijgsgeschreeuw en vroolijke bruiloftsliederen hadden in de dalen weerklonken, heele geslachten waren geboren en te niet gegaan, - maar zij sliep, sliep altijd maar door, hoog en groot boven de kleine wereld; en soms, zooals nu, als het avondlicht de vormen scherper afteekende, was het of er een bijna onmerkbare glimlach om haar fijnen gesloten mond lag - een glimlach die zeide: ‘Menschen daar beneden, wat woelt en wroet ge toch? Weest toch rustig, alles komt toch zooals het komen moet, zooals God het wil!’
Maar in het donkere bergengrijs begonnen nu overal lichtjes te pinken: de vuurtjes die de
bergbewoners ontstaken om de wilde zwijnen te verjagen, en dit was het waarop La Ballo altijd wachtte. Kijk, daar recht uit! en ginds en heel verder rechts kwamen zij te voorschijn. Hij wees ze aan Aroe Lipa, die zijn blik gericht had op het wijde dal links waar de rivier nog hier en daar zichtbaar was als blinkende stukjes spiegelglas, die stil in het donkere reeds kleurlooze gras lagen.
‘Ja, ja,’ zeide Aroe Lipa, ‘wij gaan ook weer eens naar boven om de varkens te schieten.’
‘Hé ja!’ juichte La Ballo; ‘mag ik dan mee, Oom? en mag ik nu ook eens mee als u op de hertenjacht gaat?’
‘Jawel,’ zeide Aroe Lipa, ‘misschien ga ik al gauw en dan mag je mee.’
De hertenjacht leek La Ballo veel mooier toe dan het vangen van wilde zwijnen, want men moest er goed voor kunnen paardrijden, en dáár was het La Ballo eigenlijk om te doen. Medelijden met de beesten die doodgeschoten of -gestoken worden, kende hij niet, en hoe zou zoo'n kleine Boeginees dat ook ooit leeren kunnen? Toch was hij niet wreed en hield hij veel van Andi's kleine hertjes bijvoorbeeld, en van de geiten en paarden op Aroe Lipa's erf. Maar o! zoo'n hertenjacht was iets prachtigs! Je dreef ze in een bosch, je achterhaalde ze te
paard, je sloeg de lasso1) om hun prachtig gehoornde koppen, en je doorboorde ze met de lans.... Van de lans gingen zijn gedachten opeens weer naar Aroe Lipa's gouden kris, en hij vroeg nogmaals wat hij al zoo vele malen gevraagd had: ‘Toe, Oom, laat u mij de kris nog eens zien?’
Toen, gezeten op den lagen steenen muur, bracht Aroe Lipa, even glimlachend, het schitterende wapen van onder zijn sarong te voorschijn; hij maakte den haak los van den gordel dien hij om zijn middel droeg, en liet La Ballo de kris zien, het kostelijke oude familiestuk. De rechte, min of meer spits toeloopende scheede was geheel overdekt met zuiver bladgoud, waarin de goudsmid, zeker een der echte Boegineesche kunstenaars op dit gebied, prachtige weelderige bloemen en bladeren had gedreven; tot onderaan toe, daar waar een deftige effen gouden band de scheede afsloot, was ze bedekt met die luchtige, zich dooreen slingerende en rank opgaande bloemfiguren. Boven aan de scheede was de ‘djonga’, een schuin afgesneden stuk hout
van den tjenranjaboom1) en daarboven uit stak het mooie gevest van echt olifantstand. Ook hierin waren de fijnste figuren gekorven, losse krullen en bladeren, tot een geregeld en telkens terugkeerend ornament samen gevoegd. Wie weet hoeveel uren en dagen en jaren hierover gewerkt was geworden, hoelang over dit kunstwerk een hoofd gebogen was geweest, waarin al die mooie figuren eerst bedacht waren om ze later met fijne voorzichtige handen uit te werken, voor goed neer te leggen in het goud, in het elpenbeen, niet alleen met groote kunstvaardigheid maar ook met onuitputtelijk geduld. En hoe oud was de kris niet! Hoe lang geleden moest de kunstenaar geleefd hebben die dit gemaakt had! Hij lag natuurlijk reeds jaren, ja zeker reeds een eeuw onder de koele aarde, en was vergeten bij de menschen; maar het werk van zijn handen was blijven bestaan!
Aroe Lipa vatte het gevest aan. Dit was het oogenblik waar La Ballo op wachtte. Hij vond het altijd zoo prachtig als het blanke lemmet te voorschijn kwam, hij wachtte er altijd in spanning op. Kloek trok Aroe Lipa opeens het wapen er uit, en in het onzekere avondlicht leek het of een slang van staal zich kronkelde

De gouden Kris.
in de hand van zijn meester, een slang die op eens versteend was en werd vastgehouden door Aroe Lipa. Met negen zacht golvende bochten liep de kris uit in een scherpe punt, en zelfs ook hier op het grijze staal van het lemmet waren figuren gedreven: ze deden denken aan kleine rookwolken die door den wind opgedreven worden. In Arabië en Voor-Indië1) namelijk, hebben de zacht zwevende rookwolkjes, die aan de lange pijpen ontstegen, menig kunstenaar op het denkbeeld gebracht, de aardige grillige vormen dier wolkjes na te bootsen. Andere landslieden namen dit weer over, en zoo is dit fijne kronkelende figuur een geliefkoosde versiering geworden, zelfs op het staal der krissen.2)
La Ballo had even gerild toen het grijze lemmet te voorschijn kwam; zijn oogen glinsterden, en toen Aroe Lipa kalm zijn wapen weer in de gouden scheede stak, vroeg hij.
‘De kris is heel oud, hè Oom?’
‘Ouder dan jij en ik, ouder dan de Datona, La Ballo!’ antwoordde zijn oom.
La Ballo dacht weer aan het verhaal dat Andoe Baran hem gedaan had van deze kris,
daarom vroeg hij: ‘Kunt u er veel over vertellen, Oom?’
‘Ik geloof wel dat ik er veel van zou kunnen vertellen, jongen,’ zeide Aroe Lipa nadenkend; ‘te veel voor jou om naar te luisteren.’
Dat kon La Ballo niet gelooven! Hij wilde altijd luisteren naar geschiedenissen van vroeger.
‘De sage gaat,’ zeide Aroe Lipa, ‘dat deze kris eenmaal aan een groot vorst heeft behoord.’
‘De vorst van “de landen bezuiden het meer?” viel La Ballo zijn oom vragend in de rede.
‘Aan dien heeft hij ook behoord, maar ik meen een ander vorst, die lang geleden leefde. Hij had de kris zoo lief dat hij bepaald had dat bij zijn sterven zijn wapen met hem begraven zou worden. Toen hij nu stierf, begroeven zij de kris met hem, doch toen zijn kinderen den volgenden dag bij het graf kwamen, wat zagen zij daar liggen naast den kembodjaboom?...1) de gouden kris! Zij begrepen in 't geheel niet hoe de kris weer boven de aarde gekomen was, en besloten haar weer bij hun vader te leggen.
Dit gebeurde; de aarde werd los gemaakt, en de gouden kris werd naast den dooden vorst neergelegd.1) Toen de kinderen nu den daarop volgenden dag weder het graf bezochten, zagen ze tot hun verbazing weer de kris daar liggen, juist op dezelfde plek, onder den kembodjaboom; en even als den vorigen dag begroeven zij de kris. Nu, dachten zij, zou de kris toch wel onder de aarde blijven, maar ook den derden en den vierden dag vonden zij de gouden kris terug onder den boom. Toen namen zij haar eindelijk mede naar huis, en de zoon droeg haar als een erfstuk van zijn vader.
Zoo zie je, La Ballo, de kris wilde niet begraven worden.’
‘Zou het heusch waar zijn?’ vroeg La Ballo.
‘De boeken zeggen het,’ antwoordde Aroe Lipa even lachend; ‘vraag het nog maar eens aan Andoe Baran als je het niet gelooft. Kijk, de zon is bijna weg, La Ballo, laten we naar binnen gaan.’
Aroe Lipa had de kris weer onder zijn sarong geborgen, maar La Ballo bleef nog even zitten op den grooten ronden steen bij den ingang van het muurtje, en dacht na over het
wonderlijke verhaal van de kris. Boven de donkere bijna inktblauwe bergen, verglom het laatste zonnegoud tot een breede streep, en plotseling trok een zwerm vleermuizen, met haar puntige duivelachtige vlerken, als sombere zwarte vogels, daar geluidloos voorbij. Die gingen als iederen avond eten zoeken: hun nachtleven begon. La Ballo keek ze lang na. Ze trokken het dal over en zweefden naar het Zuiden, waar hij wist dat de hooge berg ergens zijn top in de wolken verhief - de Berg van God, waar misschien Deng Pabéle rondzwierf!...
Maar het werd donker, zelfs de Rustende Schoone verloor haar vorm in de avondnevelen. Juist toen La Ballo naar binnen wilde gaan hoorde hij een lichten kreet, een vochtig iets drukte zich tegen zijn hand. Het was een van Andi's kleine hertjes, dat zijn neus tegen hem aanwreef. Hij nam het kleine ranke dier op in zijn armen, en met het fijne reeënkopje tegen zich aan ging hij de woning binnen.
Aroe Lipa was de steile trap van het huis opgegaan, en toen hij boven was liet hij dadelijk de zes stokken uit de pelèn ontsteken, die een vreemd onzeker licht door het proote vertrek verspreidden, dat tooverachtig langs den muur en den grond flikkerde. Er stonden altijd zes stokken in de pelèn - een soort kandelaar
van gedreven koper - omdat Aroe Lipa een rijk mensch was. Bij de armeren stond er één stokje in den kandelaar, en die was dan meest van hout; soms ook wel bezaten de menschen niet eens zoo'n houten kandelaar, en werden de stokjes maar tusschen de spleten der bamboezen omwanding gestoken. Dat was hier niet noodig; in den mooien koperen kandelaar, waar boven in zes gaatjes waren, stak in ieder gaatje een met was bestreken stokje. Waaiervormig stonden ze uit, en hun vlammetjes beefden en flikkerden, en deden zachte glansjes glijden langs het aardige oude gezicht van Andoe Baran, die ze aanstak.
Straks, als ze opgebrand waren, zouden ze vervangen worden door nieuwe, die in een bundeltje naast den kandelaar lagen. 't Was meest het werk der oude vrouwtjes de ‘pelèn’ te voorzien; ja zelfs des nachts, terwijl de anderen sliepen, waakte altijd een der oude dienaressen bij de brandende wasstokjes.
‘Ik wil morgen de bergen in, Andoe,’ zeide Aroe Lipa. ‘Misschien blijf ik een poosje weg. Ik ga naar het landhuis en op de hertenjacht.’
Andoe Baran richtte even haar levendige donkere oogen op haar meester, en terwijl ze den zesden wasstok ontstak zeide ze beslist:
‘Morgen kan Aroe Lipa niet gaan.’
Aroe Lipa zag haar vragend aan.
‘Het is morgen immers marktdag,’ zeide Andoe. ‘Heeft de Heer daar niet aan gedacht?’
Het was niet omdat Aroe Lipa iets te maken had met de markt, die om de vijf dagen vlak bij zijn huis aan den voet van den heuvel gehouden werd, maar omdat niemand ooit een reis, hoe klein ook, zou ondernemen op zulk een dag, tenzij het juist ware om naar die markt te gaan. De marktdag is een ongeluksdag voor menschen die iets ondernemen willen dat buiten die markt omgaat.
Ach, dat was nu werkelijk een teleurstelling voor Aroe Lipa! Hij had na het bezoek der vorstin, terwijl hij met den kleinen La Ballo naar de bergen had zitten kijken, zoo'n onuitsprekelijk verlangen gekregen om weg te gaan, al was het maar voor een paar dagen, om daar boven te zwerven in de wilde natuur, om de varkens te strikken, om de groote roodbruine roofvogels te schieten, om in de lagere bosschen de herten te jagen. Iets, iets moest hij doen, want het was ontegenzeggelijk waar, ook in Aroe Lipa bruiste het vurige onstuimige bloed zijner voorvaderen, die òf het volk voor zich hadden laten kruipen, òf, wilde jagers die ze waren, geroofd hadden en geplunderd. Als
hij dat weer in zich voelde gisten en woelen, als hij bang werd van zich zelf, als hij, gelijk zooeven toen de vorstin van Soeloeng hem zoo scherp toesprak, zich gevoelde als een gebonden reus, dan was het maar het best dat hij zijn eenzaam landhuis opzocht, dat hij afleiding vond in de jacht of in lange tochten te paard. Zóó alleen kon hij zijn kalmte herwinnen. Nu dadelijk had hij willen gaan, en zie, nu moest hij nog een dag wachten! Want het was waar: morgen was het ‘pasardag!’
Andoe Baran zag wel de teleurstelling. O, ze kende hem immers zoo goed, ze wist wel waarom hij uu weer weg wilde, waarom hij troost ging zoeken in de eenzaamheid; en ze zeide nog eens zacht:
‘Heer, het is een slechte dag morgen; ga overmorgen dan is het juist de twintigste van de maand Saban.1) Alles zal u gelukken, Heer, wat ge dan onderneemt.’
En Datona en Ama, die juist binnenkwamen en van het plan hoorden, vielen de oude vrouw bij.
‘Je zoudt geen enkel hert in de lasso krijgen,’ zeide Datona hoofdschuddend; en Ama voegde er bij dat het schande zou zijn als Aroe Lipa
zoo roekeloos was! Wist hij dan niet meer hoe La Mallo, de man van Isoera, op een marktdag ter jacht uitgetogen, door het gewei van een groot hert door het hart gestoken werd? Ja, dat was gebeurd!
‘Er zijn menschen,’ zeide Datona, ‘die aan God noch gebod gelooven, en dezulken moeten het maar voor zich zelf weten! La Mallo, de man van Isoera, bereed ook een paard met een kruintje op het voorhoofd - dat brengt altijd ongeluk aan; en bovendien had zijn vrouw den vorigen nacht gedroomd dat de hemel naar beneden viel - een droom die altijd iets heel akeligs voorspelt. Neen, La Mallo had het verdiend!.... Maar gij, Aroe Lipa, zijt te verstandig om te vertrekken op een dag die als slecht bekend staat!’
‘Ik zal een dag wachten, Datona,’ zeide Aroe Lipa, die tegen zooveel vrouwentongen en vrouwenredeneering niet opgewassen was; en La Ballo gaat dezen keer mede. Hij is nu groot genoeg.’
‘Daar doe je goed aan,’ zeide Ama, terwijl ze dicht bij de pelèn op haar matje ging zitten; ‘het is beter dat hij met je meegaat en varkens schiet dan dat hij hier rond loopt en kwajongensstreken uithaalt....’
La Ballo kon dien nacht den slaap haast niet vatten wegens het heerlijke vooruitzicht...
Zijn slaapbank stond op den zolder,1) vlak tegen den muur, en daar was juist zoo'n klein venstertje waar hij door heen kon zien als hij met zijn hoofd op het hooge roode kussen lag.
Daar lag hij nu weer, zonder baadje, het slanke bruine lichaam gewikkeld in niets dan een donkere sarong, en het welige ravenzwarte haar over 't kussen verspreid. Het venstertje was vèr boven hem, en zoo zag hij altijd alleen een stukje van de lucht, diepblauw, bijna zwart, waartegen de zilveren sterretjes flonkerden. Jammer toch, dat het morgen marktdag was! Nu moest hij eerst dezen nacht slapen, dan een heelen dag wachten, dan nog een nacht slapen. Maar o! o! dan gingen ze. Hij zou zijn klein grijs paard berijden, hij òòk zou een lans dragen, een lans met een lasso, en hij zou naast of achter Aroe Lipa rijden ... Zijn hart klopte heftig als hij er aan dacht! - De sterretjes pinkten hem toe door het venstertje. Eindelijk viel hij in slaap.
. . . . . . . . . . . . . . . . .
En 's morgens vroeg, daar was de goudspreidende zon! Dat straalde en schitterde over de
hooge, licht- en donkergroene bergen, over de diepblauwe rivier, over de lichtgroene rijstvelden beneden in het dal, waar de eerste jonge plantjes stonden te groeien. Dat vlamde over den lichten weg die zich kronkelde door het vreugdige landschap!...
La Ballo ging op zijn slaapbank staan en zag door het venstertje, hetzelfde waardoor 's avonds de donkere hemel met zijn sterren zoo liefelijk heen flonkerde, en hij kuipte met zijn nog door den slaap bevangen oogen tegen het schitterende, stralende zonnelandschap. De vogels kwetterden druk en hevig in de boomen, en in de verte hoorde La Ballo lachen en praten.
Dat waren natuurlijk de marktgangsters. Ja, daar kwamen zij aan over den lichten breeden weg. Tien, twintig, achter elkaar, de meesten in roode sarong, om haar slanke lichamen gestrengeld, over den eenen schouder heen geworpen en vandaar in rechte plooien neerhangend. Ze droegen alles op het hoofd, al waren de manden met vruchten nog zoo zwaar. Naakte kindertjes liepen vóór haar uit; zwaar beladen paardjes, aan iederen kant een groote mand torsend, trippelden los, zonder begeleider, mede.
O! zij waren de eersten niet! La Ballo had al midden in den nacht gesnap en gelach op den weg kunnen hooren, als hij maar wakker was
geworden, want reeds in 't heele vroege morgenuur, lang voor dat de zon er aan dacht op te gaan, kwamen van heinde en ver de menschen naar het marktpleintje aan den voet van den heuvel. Onder de met riet gedekte afdakjes legden ze vuurtjes aan om zich te warmen, en de gele maïs bruin te roosteren, en de rijst te koken die ze straks zouden verknopen; en als bij het lichten van den dag de visch- en vruchtenverkoopers kwamen en de pottenbakkers en de menschen met aardige gebloemde katoentjes, en de sagoeweerverkoopers,1) dan hadden die vroeggekomenen reeds de mooiste plaatsjes bezet.
Lang voordat de kampongvrouwtjes, die 's morgens al heel vroeg water gingen halen uit het riviertje beneden, lang voordat deze met haar statigen tred, met haar recht geheven hoofd waarop zij, door één hand gesteund, de ronde, zwartglimmende, natglanzende waterkruik droegen, het kleine bergpaadje opkwamen dat zich tusschen het struikgewas heenslingerde, was het marktvolkje reeds aanwezig, krioelde en
joelde het reeds onder de lange rijen afdakjes. Dan was kleine Andi ook gauw klaar, want de marktdag was een heerlijke speel- en snoepdag. ‘Gauw, gauw! Inara,’ zeide ze, en ‘brèng, brèng!’ schalmeiden de koperen bekkens van Inara; en dan vlogen de twee kleine meisjes het pad af dat naar den rand van den heuvel leidde.
La Ballo haastte zich ook om op de markt te komen, want zoo zou deze lange dag, die hem scheidde van dien anderen grooten dag, waarop hij met Aroe Lipa mee zou gaan, gauw voorbijsnellen.
Hij slenterde tusschen de stalletjes door waar de vischverkoopers neer zaten: allen arm uitziende menschen met bloote bovenlijven, en slordige hoofddoeken op de woeste zwarte haren. Vóór hen lagen de kleine hoopjes glinsterende visch: grootere, lichtbruine, en heele kleine van een melkachtig wit. Een man, die de hoekplaaats had, deed handen vol van die kleine visschen in een stuk glanzend pisangblad; en terwijl het bruine vrouwtje dat ze kocht er naar stond te kijken, zong hij maar altijd door het getal der duiten dat zij betalen moest, totdat hij weer een tweede greep deed naar de vischjes. Alle verkoopers deden dat zoo, zij zongen het getal der duiten of centen, anders vergaten ze het,
en zoo weerklonk er een zacht zeurend gezang in allerlei toonaarden over het marktpleintje: Djed... di,.. doe... wa,.. te... loe...1) Daartusschen snaterden en snerpten schelle vrouwenstemmen, die der koopsters en verkoopsters. Vooral bij de vruchtenverkoopsters en daar waar de witte rijst verkocht werd, ging het luidruchtig toe. De zon scheen vroolijk en levendig buiten de stalletjes. Onder de afdaken lag koele schaduw, en het was of die de menschen zachtjes naar zich toe trok. Als plotseling de vuurroode, paarse en witte baadjes, zooeven flikkerend in het zonlicht, door die grijze schaduw overgoten werden, was 't of ook op de schelle stemmen een domper werd gezet. De vrouwtjes spraken zachter als ze zich onderzoekend bogen over de koopwaar, die overal op den grond lag uitgespreid. Buiten onder den grooten kanarieboom2) stond het oude mannetje dat sagoeweer verkocht, den zoeten gistenden palmwijn, die in groote hoeveelheden gebruikt, de men-
schen dronken maakt. In een grooten rood aarden pot bewaarde hij het geelgrijze vocht dat er allesbehalve smakelijk uitzag, en aan zijn hals, bengelend aan een touwtje, hingen twee halve klapperdoppen, die als kopjes dienst deden voor degenen die kwamen drinken.
Behalve de kleurige baadjes der vrouwen en het groene kleed of den oranje tulband van een enkelen Arabier, zagen alle menschen bruin en grijs van het stof, ook de stalletjes zagen bruin en grijs, en ook de arme afgetobde paardjes die achter het marktpleintje aan boomen gebonden waren. Arm en haveloos, dat waren bijna allen; er heerschte soms een ondragelijke geur van gedroogde visch en kwalijk riekende vruchten; toch snapten de stemmetjes, toch lachten de oude vrouwtjes achter haar bergjes koopwaar, toch had de zon schik in al die magere bruine aapachtige menschjes, die daar kochten en verkochten en hun prijzen zoo zacht dreunend opzongen.
Achter bij de paarden, waar een groote open plek lag met veel afgetrapt en bruin verbrand gras, vond La Ballo een troepje jongens om mee te spelen. Het waren allen half naakte jongens uit de kleine kampongs, of kleine paardendrijvers die mee gekomen waren naar
de markt. Maar andere kinderen waren er niet om mee te spelen, dus kon La Ballo zich niet lang bedenken. Hij behoefde dan ook maar het woord ‘Makadaro’ te zeggen of allen waren klaar dit spel te spelen. Dat maakte eerst de beenen los! hoezee! Sommigen hadden al vlug eenige weggeworpen halve klapperdoppen van het gonzende ‘passertje’ gehaald, want die zijn onontbeerlijk bij het makadarospel der kleine Inlandsche jongens. De klapperdoppen werden in een wijden kring op den grond gelegd. Achter iederen dop ging een jongen staan. Ze plantten zich met hun magere bloote beenen flink in het gras, en toen begon het! Ieder schopte tegen zijn eigen klapperdop en moest die van den ander zien te raken. Wie geraakt was moest uit den kring. Dat was me een leven, een gespartel van bruine voeten en beenen, een gezwaai van magere bruine armen! En toen de jongens er bij begonnen te schreeuwen, steigerden de vastgebonden paarden van angst. Sommigen begonnen te hinniken, maar de jongens schreeuwden en schopten maar door, en renden over het gras om de wegrollende doppen op te zoeken.
Achter de loods waar de pottenbakkers zaten, en waar het tamelijk rustig toeging, in de schaduw
van een ouden djamboeboom1) zat een troepje mannen. Zij zaten daar zoo verscholen omdat zij dobbelden, en het dobbelen is door het Hollandsch Bestuur verboden; maar ach, hier kwam immers geen enkel blank mensch, en Aroe Lipa zag het ook niet; mocht hij komen dan was het nog tijd genoeg de steenen weg te stoppen. Allen hadden ze de beenen onder zich gekruist, allen droegen blauw of rood geruite sarongs, enkelen droegen een baadje, maar de meesten lieten hun bloote borst en ruggen zien; allen hadden dikke verwarde bossen zwart haar onder vuile kleurlooze hoofddoeken. Maar één zag er anders uit, gansch afwijkend van het gewone type. Hij had kort grijs haar dat verscholen was onder de kleine bruine songko. Groote sluwe oogen glinsterden in het magere bruine gezicht, waartegen een lange witte sik, dun als een uitgerafelde franje, vreemd afstak. Zijn magere gespierde hals kwam uit een wit, op de bloote borst openvallend jasje kijken. Dit was La Tjoebo, landbouwer, jager, rijstverkooper, paardenkoopman ... hij was van alles, en hij wist van alles en men zag hem overal. Nu was
hij hier, dan daar. Hij had huisjes in het dal, en huisjes in de bergen. Hij was een geheimzinnig mensch, en men fluisterde zelfs dat hij een vertrouweling was van Deng Pabéle ... Maar dat kon niemand toch met zekerheid zeggen; en al had iemand het geweten, zoo zou hij toch gezwegen hebben, want La Tjoebo was een gevreesd man. Als hij wiide dan had hij het ‘booze oog’.1) Hij had iemand maar goed aan te zien en een wensch uit te spreken, en die wensch werd vervuld.
Nu leidde hij het dubbelspel. Voor zijn gekruiste beenen in de nu strak gespannen blauwe sarong, lag een klein matje, waarop met houtskool een vierkant geteekend was. La Tjoebo rammelde met een uitgehold stuk bamboe waarin twee dobbelsteenen waren, en alsof het een goocheltoer gold, had hij dit alles nog eens met een oude bruine lap bedekt. Dan riep hij met zijn krakende harde stem: ‘Tanno-atanno, zet in! zet in!’ en al de menschen die rondom zaten namen wat af van het hoopje duiten dat naast hen lag, en legden den inzet op het matje.
Nu wierp La Tjoebo's magere hand de dobbelsteenen: de een was rood, de ander wit; viel de roode den kant uit van de duiten, dan had de inzetter daarvan gewonnen. De witte was verlies. Gespannen zaten de mannen te kijken wat hun lot zou zijn; gretig grepen de bruine handen naar 't gewonnen geld, en de dobbelsteenen rammelden weer in de bamboe en de stem van La Tjoebo riep weer: ‘Tanno-atanno!’
Er waren er bij die maar aldoor verloren. Zij waren niet gelukkig. Arme duivels waren zij, die ook eens een kansje wilden wagen, en die toch niet meer weg durfden gaan nu ze eenmaal mede zaten in den kring, al verloren ze ook bij iederen inzet! La Tjoebo wenkte hun telkens toe dat ze toch moesten blijven; want, zeide hij, terwijl hij de steenen wierp en zich over de mat boog, hij had iets bijzonders, iets waarvan ze zouden opkijken als straks het spel uit was! Dus bleven ze en speelden.
Al verder en verder trok zich de schaduw van den boom over den grond tot aan de stalletjes der pottenbakkers toe, en het begon broeiend warm te worden.
De jongens hadden hun makadarospel gestaakt, en La Ballo liep door, totdat hij bij den djamboeboom het troepje dobbelende menschen
zag zitten. Het was zoo aanlokkelijk om eens te gaan kijken, maar toen hij de grijze sik van La Tjoebo zag wilde hij terug gaan, want, hij wist niet waarom, maar hij was bang voor La Tjoebo, ja hij was bang! Hij rilde als hij zijn oogen zag.... En toch, toch was er iets dat hem telkens weer naar La Tjoebo toebracht. Hij was angstig voor den man en voelde zich tegelijkertijd tot hem aangetrokken... Hoe vreemd toch! Kijk, nu ook weer ...
‘Kom maar hier,’ riep La Tjoebo, die La Ballo dadelijk had gezien. ‘We hebben iets nieuws, La Ballo!... Kom maar hier, kom maar hier!’ La Ballo kwam nader. La Tjoebo haalde een kleinen zak te voorschijn dien hij half onder zich verstopt had, stak er zijn rechterhand in, haalde er iets uit: twee kleine houtjes, verschillend van kleur, met een touwtje aan elkander gebonden. La Tjoebo hield ze in zijn handpalm en keek er geheimzinnig naar, en al de donkere gezichten, omlijst door de wilde zwarte haarbossen, keken naar dat wat hij daar op zijn hand liet rusten. Niemand lette op hen, het passergejoel en het zeurend gezang ging door, terwijl La Tjoebo vertelde: ‘Dit zijn twee stukjes hout. Het eene is gesneden uit den tjenrana boom, het andere uit den assamboom,1) en deze
beide vereenigd brengen geluk aan. Een ieder die zulk een paar houtjes in zijn bezit heeft kan wenschen wat hij wil ... en ...’ hierbij hief La Tjoebo zijn gezicht op naar de anderen en keek hen doordringend aan ... ‘en het wordt hem geschonken ... Eénmaal wordt het geschonken, vroeg of laat. Soms moet men er op wachten, soms komt het geluk dadelijk....’ Iedereen was stil. Een oud mannetje met bevende lippen knikte wijs. Hij had meer van die dingen gehoord. ‘Wie wil er van hebben?’ vroeg La Tjoebo. Velen staken de hand uit, maar La Tjoebo ging voort alsof hij al die handen niet zag: ‘Zij kosten maar drie duiten, drie duiten met een haantje er op1), dus vuil geld dat de blanke menschen weggooien; maar dan moet men nog veertig duiten betalen voor het gebed dat er over uitgesproken is. Er is natuurlijk lang, lang over gebeden. De priester moet ook betaald worden. Drie Koranspreuken zijn er over uitgesproken en een half uur is er gebeden, daarom brengen zij ieder dan geluk. Dus wie wil ze hebben? Drie duiten en veertig duiten is niet veel! Wie zou niet veertig duiten willen betalen voor zijn geluk!?’
Ach, er waren er velen in den kring, die
voor veertig duiten en nog drie haantjesduiten hun geluk wilden koopen! La Batjo, die links van La Tjoebo zat, verschoof zijn hoofddoek eens, krabde in zijn zwarte haren en dacht na.... Als hij die houtjes had zou het misschien uitkomen wie zijn mooien karbouw gestolen had, en zijn vrouw zou hem misschien niet meer zoo afsnauwen, en hij zou geld verdienen en nog meer karbouwen kunnen koopen.... En het oude mannetje van straks, dat geknikt had terwijl La Tjoebo sprak, dacht ook na en vond dat hij heel gelukkig zou zijn als hij zijn land weer terug kon koopen van den Arabier, dezelfde die daar in de verte liep tusschen de menschen in met zijn oranje hoofddoek! Hij hief zijn oud hoofd op en keek naar zijn schuldeischer. O! als hij zijn land weer eens terug had, - het rijstveldje waar hij nu dag aan dag op werkte om er geen stukje geld van te zien! Want eens had de Arabier hem geld geleend, en nu was alles wat groeide en bloeide op het land voor hèm! en hij, de oude man, moest werken voor niets.... zooals de rijststamper werkt - de stamper die den heelen dag stampt en niets ziet van de rijst! - Voor veertig duiten zou hij eens alles terug hebben!...
‘Komt, wie koopt ze?’ vroeg La Tjoebo's stem weer. ‘Ik spin er geen garen bij, geloof
me! Ik verkoop ze voor den priester die uw aller geluk wil! want...’ en hier daalde zijn stem, ‘zijn wij niet alle arme menschen die het geluk moeten zoeken? Is het niet onze eigen schuld dat we uitgezogen worden, vroeger door groote vorsten, nu door de witte menschen.... de Christenhonden?...’1) Toen keerde hij zich op eens tot La Ballo die er van schrok, want het was werkelijk alsof La Tjoebo's donkere oogen hem prikten, en zeide: ‘La Ballo, pleegzoon van Aroe Lipa, die een goed mensch is, zoon van... den grooten man in de bergen, moet jij geen geluk koopen? Als je deze houtjes hebt kan je veel, misschien, misschien kan je, als je het wenscht, over de Christenen zegevieren.... sst! ja! ja! zooals je grootvader en overgrootvader vroeger deden!...’
Maar La Ballo werd bang voor de glinsterende oogen en de lange witte sik, en hij trok zich terug. La Tjoebo grijnsde.... En hij zegevierde óók, want vele handen werden naar de houtjes
uitgestrekt, en zij die nog geld hadden betaalden drie haantjes-duiten en veertig gewone voor den priester.
Toen gingen zij allen langzaam uiteen met het geluk in hun hand. Sommigen hadden nog visch willen koopen, of een dop sagoeweer willen drinken, maar dat kon nu niet, want ze hadden geen geld meer. Daarentegen hadden ze het geluk.... en dat was toch wel een vischje of een dronk waard. Er waren er die hun paardjes los maakten en den weg naar huis insloegen. Anderen verloren zich in het gewoel van den passer. La Ballo ging ook naar huis. De zon stond hoog, de warme gloed hing over het dal en de bergen.
Kleine Andi, haar bruine handje vol roode en witte suikerballetjes, haar mondje vuil besmeurd van het snoepen, gleed door de menschenmenigte. Even voelde La Ballo haar handje tegen zich aan, toen zag hij de twee kleine figuurtjes met wapperende sarongs den heuvel op rennen; het ‘brèng-brèng’ der koperen bekkens van Inara rinkelde, tot ze boven tusschen het groen der struiken verdwenen waren.
. . . . . . . . . . . . . . . . .
Nog één avond daalde gevolgd door nog één donkeren nacht.... toen was de morgen weer
daar. In het vroege ochtenduur togen allen weer ter jacht. Voorop reed Aroe Lipa, als een koning op zijn spierwit paard. Het had het goede teeken dat den bezitter rijk en gelukkig maakt: een sterretje boven de linkerdij.
Het voelde zich edel, gelijk zijn meester edel was; fier boog het den kop met de lange witte manen. Aroe Lipa stak de breede kin vooruit, als prachtige sterren gloeiden zijn oogen boven den arendsneus. Zijn bruine beenen stonden strak in de beugels. Achter hem kwam op zijn klein grijs paard La Ballo, zoo trotsch als een pauw, zoo moedig als een kleine leeuw. De zwarte songko met den gouden rand stond stevig op zijn zwarte haren. Dan volgden de anderen, wel twintig of dertig man, op hun kleine veerkrachtige bergpaardjes, en allen droegen de lange puntige lans met den vangstrik. Het was een lange stoet, die besloten werd door een man zonder lans, La Tjoebo met de grijze sik. Hij moest de bergen in en reisde voor de veiligheid mede, want eenzame reizigers werden nog dikwijls aangevallen in dit land. Lichte morgendampen hingen nog als witte donzen randen tusschen het teere grijs en blauw der bergen, maar de zon trachtte met haar stralen door de nevels heen te dringen om straks alles in gloed te zetten.
Van uit de raampjes van het groote huis keken de bruine gezichtjes der weefsters en vlechtstertjes, der oude vrouwtjes en kinderen de jagers na, en ook was 't of de gehoornde buffelkop aan de nok, die boven alles uitstak, hen na keek; maar dat kon niet, want dat was maar een blind masker, dat met zijn leege oogkassen de wereld instaarde. De stoet werd al kleiner en kleiner, het laatst was La Tjoebo's bruine paardje te zien; toen verdween hij geheel in de golvende, dicht begroeide bergwereld.
Zware regenbuien waren over het land gegaan. De rivier beneden in het dal was zoo woest en breed geworden dat niemand er over durfde, zelfs La Mappa niet, die als de beste zwemmer uit den omtrek bekend stond. Maar nu scheen de zon weer, nu trilden er duizenden regendroppels als diamanten tusschen het loover, en de rivier was weer in haar bedding terug gebracht. Toch vluchtten en buitelden haar wit schuimende golfjes in dartele vreugde langs den groenen oever, en de blauwe rivier die al maar het diepe azuur van den hemel weerspiegelde, lachte in koozing van liefde tegen al die witte schuimende golven die haar kinderen zijn. Allen nam ze lachend en babbelend in haar moederarmen, en ze vlood ver vèr weg met hen; en door de groene landen heen, door
de diepe dalen die als plooien tusschen de bergruggen liggen, bracht zij ze kussend en stoeiend en we