
INARA.
Weet ge wanneer de bergen in dit land hun lied zingen? Dat is als de oogsttijd daar is; maar het is een somber lied, een doffe eentonig luidende zang, die langzaam, langzaam aanzwelt en eindelijk loeiend uit de dalen opstijgt. Dat is de zang van het rijstblok; want er is geen huis waar niet een vrouw den stamper doet neervallen op de rijstkorrels, dag en nacht, 's morgens als de eerste dampen door de dalen trekken, en 's avonds als de maan van achter de vluchtende wolken aan den hemel verschijnt, en het ‘tokke tòk’, ‘tokke tòk’ van twintig, van honderd, van duizend vrouwen wordt te zamen gevoegd tot één grooten zang, die schijnt te ontstijgen aan de diepe dalen en aan de groenbegroeide toppen der bergen.
O, het is eentonig, hun lied, zooals alle muziek der Oosterlingen. Het is eentonig gelijk de dreunende op en neer golvende kinderzangen, met de schelle kleurlooze stemmetjes der meisjes gezongen; het is eentonig als het simpele liedje dat de bergbewoner op zijn tweesnarige viool tokkelt, als hij 's avonds over den stijgenden weg
loopt en de zon ziet dalen; het is eentonig als het somber getoeter van de kleine buffelwachters, die zelf hun sierlijke trompet draaiden uit het glanzende pandanblad.1)
Maar al is 't geluid altijd en altijd hetzelfde, toch moet ge er naar luisteren, toch is er iets in dat u soms doet zeggen: ‘Stil, gaat het nu niet gauwer? is het nu niet zachter?’ evenals men dat ook wel eens van het eentonig getik eener klok meent te hooren; ... en daarbij komt nog, als ge het lied van de bergen hoort, dat gonzende loeiende ‘tokke tòk’, - dat ge dan denken moet aan den oogst die binnen is gehaald, aan de vreugde van den arbeid dier duizenden handen, aan de vroolijke werkkracht die daar opeens in den anders gemakzuchtigen Oosterling is wakker geworden; - dan is het of de bruine daken der huisjes er vroolijker uitzien, of de sierlijke bamboe beneden in het dal dieper wuift en buigt, of de nevels die tusschen de bergruggen trillen, van zuiverder goud zijn....
Hoe blij was La Ballo toen hij zijn berglied weer hoorde, toen het ‘tokke tòk’ hem gon-
zend alom tegemoet kwam, hoe hooger zij met hun paardjes stegen; en toen zij, langs den weg komende, de twee buffelhorens van verre zagen opsteken aan den nok van het dak, toen zij de gele trossen der djoewarbloesems1) zagen wuiven tusschen het groen, toen lachte hij en riep: ‘O, Oom! wij zijn er!’ Maar de lach bestierf hem op de lippen, toen hij keek naar het stille gezicht van Aroe Lipa, die nu thuis kwam ontwapend, zonder de oude gouden kris aan zijn zijde .... Nooit heeft kleine La Ballo dit oogenblik van thuiskomen vergeten, nooit den zang der stampers in de rijstblokken, nooit het groote huis, nooit de gele bloesems, ook niet toen hij later rondzwierf in de hooge verlaten bergwereld, en hij zich zelf voelde als een armen verworpeling; ook niet veel later, toen de barmhartige Toewan Allah hem weer terug had gevoerd in de veilige armen van Aroe Lipa!
O! er was heel wat gebeurd daar binnen in La Ballo's gemoed, gedurende die reis naar de benedenwereld! Iets erg geweldigs, waar een ander zoo geen vermoeden van zou hebben als men naar het kleine bruine gezichtje keek, dat zoo onbewegelijk kon staan onder de donkere songko! Maar ìk weet het en ik zal het u vertellen.
Kleine La Ballo was nu opeens te weten gekomen hoeveel hij van Aroe Lipa hield en hoeveel Aroe Lipa van hem hield; - zonder een woord er over te spreken hadden zij dat elkaar immers gezegd, toen de jongen zijn hand in die van zijn Oom deed glijden, daar onder de poort van de Hollanders; en opeens wist hij nu ook dat hij iets wilde, ja wìlde, al was het ook erg moeilijk, bijna onmogelijk ... Hij wilde Aroe Lipa de gouden kris terug bezorgen.... Hoe? Och, dat wist hij nog niet! Maar o, hij wilde haar geven, haar zèlf terug geven; ... dan zou Aroe Lipa weer gelukkig zijn, dan zou hij ook weten hoeveel La Ballo wel voor hem wilde doen. En achteraan rijdende op zijn kleine paardje, had hij er lang en veel over nagedacht hoe dat dan moest: ... de kris stelen? of naar dien Heer Petro gaan of naar dien ander met die aardige oogen, en hem het wapen terug vragen?.... Maar ach, hij begreep 't immers wel, dat zouden zij niet doen! - zij hadden immers ook een gelofte gedaan? ‘Als Deng Pabéle in hun handen werd overgeleverd, dan kreeg Aroe Lipa zijn kris terug.’ Deng Pabéle, zijn vader! zijn onbekende geheimzinnige ioovervader!... Als hij, hij La Ballo, dien vader kon zoeken, dien vader kon brengen, kon uitleveren, hij, de kleine jongen! - Maar 't was zijn vader!
Och kom, wel neen, Aroe Lipa was zijn vader, zijn goede zorgende liefhebbende vader!....
Zoo was dit plan daar geboren in 't zieltje van La Ballo, en 't werd al grooter en grooter. Eerst was het licht als een veertje geweest, nu begon het te wegen zwaar als lood, en ten slotte was het of het groote plan hèm had en niet meer hij het plan. En het maakte den voormaligen wildebras stil en nadenkend en droomerig ... Deng Pabéle zoeken, Deng Pabéle vangen! Dat was nu voortdurend zijn gedachte, hetzij hij poppetjes sneed uit lontarblad,1) hetzij hij spartelde in de rivier; hetzij hij met Andi en Inara ‘Sakko, sakko manoe’ speelde, - dat aardige hanenspel, waarbij de kinderen zich verstoppen en er één kraaien moet zoolang tot de anderen hem vinden ....
Het is nu een prachtige maneschijnavond; op den weg ligt een zachte, matte glans; over de bergen glijdt het licht als een witte wade. Eens zoo groot en hoog lijken de boomen, en het ‘tokke tòk’ uit alle huizen loeit, en zwelt aan tot een geluid dat gonzend ten hemel stijgt.
Want nu met de volle maan staan alle jonge meisjes aan het lange smalle rijstblok, netjes naast elkaar onder toezicht van de oude vrouwtjes die nog het ijverigst kloppen; en van alle kanten komen de jonge Boegineezen, den hoofddoek iets minder slordig dan anders om het hoofd gebonden, en maken praatjes met de jonge deerntjes in heur dunne losse baadjes.
Dicht bij de keuken en rijstschuur, het kleine huisje op hooge palen waar eigenlijk Andoe Baran's gebied is, staat het lange rijstblok klaar vlak bij den grooten kanarieboom, en daar zijn Bolo en Isa en al de jonge mandenvlechtsters, en ja, ook de stille Aïssa; en haar mondjes snappen zoo vroolijk als was er een zwerm vogeltjes aan het kwinkeleeren.
Het is daar een drukte van belang bij Andoe's keuken, en het is of de maan er pleizier in heeft, en zich telkens verstopt om straks opeens ondeugend haar licht over de donkere haren en de lachende gezichten te doen flitsen. Andoe Baran staat aan het eind van het rijstblok: zij is de ‘waakmoeder’; en wat een mooie eerwaardige moeder is zij, met heur grijze haren die in den maneschijn wel van zilver lijken. Dan heffen allen het groote hout op, laten het neervallen, - en daar begint het, in de maat: ‘tokke tòk - tokke tòk’. Het feest is in vollen gang.
Het duurt ook niet lang of er komen jonge mannen den heuvel op, en gaan pratend en lachend naar Andoe Baran's keuken.
Ama en Datona hebben er voor gezorgd dat geen ongeluk het aardige feest verstoren zal. Hoe zij dat zoo kunnen? Wel, het is heel eenvoudig. ‘Wie waken er over ons?’ zeggen zij; ‘naast Toewan Allah ook alle goede geesten van de gestorvenen. En welke gestorvenen hadden ons 't meest lief? Onze ouders en onze voorouders, natuurlijk! Welnu, vraag dan toch die lieve goede geesten ook te gast op het groote feest, zorg dat er eten voor hen is, en vooral kleeren, want hoe zouden de arme ouden hier kunnen mede feestvieren zonder kleeren?’ Daarom heeft Datona, vlak bij de deur, bij den linkerhoekpaal, een pisangblad met wat jonge ongepelde rijst, zoo'n aardig bundeltje zachte vederachtige halmen, neergelegd. Dat is de maaltijd voor de goede geesten.
En Ama heeft in de paladang twee kleine matjes uitgespreid, en op ieder matje een klein kussentje gelegd. Op het eene kussentje legde ze een sabel, en een mooi groen baadje op het andere. Dat zijn de kleeren voor die goede geesten. Een sabel is wel geen kleedingstuk, maar er behoeft ook maar één enkel onderdeel te liggen van een geheele uitrusting; en omdat
Ama ze toch maar heel héél gunstig wil stemmen, vergeet ze zelfs de slaven en slavinnen niet van de goede voorouders, en zet zes kleine bordjes met gekookte rijst om die matjes met kleeren heen. Dan wordt er wat wierook gebrand, zoodat een zoetige geur in de paladang opwalmt.
Ja, nu kunnen ze daarbuiten gerust hard stampen en praten en lachen; en de huwelijken die er nu misschien gesloten zullen worden tusschen al dat jonge goedje waar moeder Baran over waakt, zullen gelukkig worden! - Hoor, hoor! neen maar, wat een leven daarbuiten! Ze zingen er bij, en ze stampen allen op de maat van het gezang, en lachen dan als een van allen ten laatste den stamper laat vallen! - Kleine Andi slaapt door dat alles rustig heen. Ze ligt in de alabola achter het groote gebloemde gordijn, en de maan trilt soms over de slaapbank en haar bruin poppegezichtje, dat nu zoo rustig is, nu de groote kijkers en het snapzieke mondje gesloten zijn. Aan haar voeteinde liggen de twee koperen bekkens: die mogen haar niet verlaten, dat zou ongeluk kunnen brengen; en tegen den muur leunt vlak bij haar de geluksbamboe, die haar ook dikwijls door een of ander arm kind wordt nagedragen, achter Inara met de bekkens. In dien uitgeholden bamboe-koker zitten allerlei gebrande blaadjes en kruidjes,
die geplukt werden toen Andi pas geboren was. Die blaadjes zitten even zooveel jaren in den koker als Andi oud is. En niet alleen die blaadjes behoeden de kleine meid voor ongeluk. Neen, die alleen zouden nog niet veel geven, hoor! Stevig tegen den koker aan is een pijltje gebonden, en nog een dikke stok van gevlochten droge blaren, een soort zweepje eigenlijk; daar zijn alle kwade heksen zoo bang voor, evenals de tampakoros, die kleine kroesharige duiveltjes, die kinderen zoo gaarne kwaad willen doen. Neen maar! Ze zouden er niet graag een slag mede krijgen! En onder aan de bamboe zit het gevest van een zwaard; het is slechts nagemaakt van gewoon hout, en er zit in 't geheel geen zwaard aan, maar 't is ook alleen maar om die booze duiveltjes erg bang te maken. Boven aan een der stokjes hangen allerlei figuurtjes van lontarblad, die er uitzien als leeren lapjes; dat zijn de voorbehoedmiddelen tegen de kinderpokken. Nu kan Andi immers veilig slapen, met haar bekkens, met haar geluksbamboe, met haar gouden penningen en haar kettinkje van kleine kussentjes, waarin de spreuken van den Engel Gabriël opgeborgen zijn! De maan die daar boven aan den hemel schijnt te zweven, behoeft waarlijk niet te lachen om al die bijgeloovigheden, om al die onheil-afwerende en geluk-
aanbrengende dingen bij het slapende kind, om den wierookwalm en de offers in Aroe Lipa's huis! Ach neen! dat doet zij immers ook niet! Hoe lang en hoeveel zou zij dan niet moeten lachen, schaterlachen! Die arme maan, daar zou ze maar moe van worden, want overal waar ze ook kijkt op de wereld, ziet ze hetzelfde; menschen en kinderen die ‘geluk! geluk!’ willen hebben, en die maar al denken dat het ergens te vinden is, waar het niet is te vinden. Alleen de zeer wijzen weten dat er maar één gelukspenning is, een prachtig mooie, dien je overal bij je draagt: je eigen hart; - als je dat altijd maar heel rein houdt, en het vervult met goede gedachten, en er voor zorgt dat er geen boosheid in blijft of binnen sluipt, - wel, dan zijn er geen bamboekokertjes en koperen bekkens meer noodig om de kleine en groote duiveltjes op een afstand te houden; die gaan dan van zelf wel weg, want een goed hart, daar kunnen ze niet tegen! Ik vermoed dat de wijze maan denkt; ‘Eenmaal zullen alle menschen dat weten, niet alleen de blanken en zij die onderwezen zijn, maar zelfs zoo'n arm bruin volkje....’ En toch! en toch! er waren en er zijn onder dat bruine volk echte wijzen en verstandigen te vinden, die het geheim weten van den éénen gelukspenning! Er zijn er meer dan de menschen in het Westen denken!
Nu, Andi slaapt dus, behoed door haar ‘djimats’1) en de maan; de oude grootmoeder zwaait het wierookvaatje, en buiten stampen en praten en zingen de meisjes en de jonge mannen bij het rijstblok. De tweede dochter van Aroe Lipa, Aïssa, die nog geen bruigom heeft, moet nu maar goed rond zien of er onder de vele jonge lieden van adel ook iemand is dien zij later wel tot man zou willen hebben; maar zij is zoo stil en bedeesd dat zij bijna niet opkijkt, en maar stampt en stampt tot ze haar armen haast niet meer voelt.... Dan komt La Mappa naast haar staan, de zoon van een naburig Hoofd; hij heeft een zwarte songko op het hoofd en draagt een wit jasje boven de donkere sarong. Hij vraagt de kleine Aïssa of hij naast haar mag staan om mee te stampen, en Aïssa knikt schuchter van ja, en stampt en stampt nog harder; want ze heeft even op gezien, - en de oogen van La Mappa, hu, daar schrik je van, zóó groot en stralend zijn ze! Heur hartje bonst er van! Maar ze ziet nu niet meer op en stampt en stampt, en om haar heen praten en lachen en stampen de anderen; alleen als Andoe Baran even ophoudt, laten ze allemaal den stamper rusten. Een ander oud vrouwtje, Andoe Kedé, verwisselt even van plaats met Adoe Baran, want
Andoe Baran is moe, hoor, en zij gaat wat uitrusten op een der treden van de keukentrap.
Daar komt de kleine Inara bij haar zitten, die nu zonder bekkens loopt, want zij liggen immers bij kleine slapende Andi? Zij klimt nog een sportje hooger dan Andoe Baran, en vouwt de handjes om de opgetrokken knieën; en beiden, het oudje en het kind, kijken naar de meisjes en de jonge mannen die om het rijstblok staan geschaard, en naar den grilligen geheimzinnigen maneschijn, die glijdt en glimt over den grond en over de boomen.1)
La Ballo is er ook. Hij heeft veel lust om bij Andoe Baran te gaan zitten; hij klimt dus met
een sprongetje langs haar en Inara de ladder op, en zet zich al weer een sportje hooger dan Inara. Het is heel natuurlijk dat kleine Inara over trouwen denkt, nu bij het oogstfeest, en daarom vraagt ze aan Andoe hoeveel keer de maan nog vol zal schijnen voor het bruiloft is - de bruiloft van Sitigawa en Deng Manola.
‘Nog twee keer,’ antwoordt Andoe haar.
‘Nog twee keer,’ denkt La Ballo. ‘Zou Aroe Lipa dan al zijn kris terug hebben? O! het zou vreeselijk zijn als hij op dàt feest, het feest van zijn oudste kind, zonder wapen was, tenminste zonder het gouden familiewapen, het erfstuk van zijn voorouders!’ Hij zegt het maar niet, trouwens het is ook zoo moeilijk je verstaanbaar te maken bij al dat leven; en zoo zitten ze met hun drietjes daar zwijgend te kijken. Inara's gezichtje wordt telkens grappig door de maan beschenen, die trekt juist een lijntje langs haar voorhoofd, het scherpe neusje, de kleine ietwat opgewipte bovenlip en het rechte spitse kinnetje.
‘Weet je al, Andoe,’ zegt ze als het getok een beetje ophoudt, - want de stampsters moeten toch ook al eens uitrusten; ‘weet je al dat kleine Oeke den heelen dag zoek is geweest? Ze dachten eerst dat hij weggepakt was door een roofvogel.’
Daar moet La Ballo nu toch om lachen - en hij doet het ook hard en vroolijk, en hij gooit van pret zijn hoofd daarbij achter over. Die Inara! hoe kon ze zoo dom zijn!
‘Denk je dat zoo'n beest maar een heelen jongen mee kan nemen in de lucht?!’
‘Ze dachten het toch,’ zei Inara, ‘heusch, La Ballo ....’
‘Daar moet je toch niet mee spotten, La Ballo,’ zegt Andoe Baran ernstig, terwijl ze zich wat omdraait en naar de twee kinderen boven haar opziet. ‘Het ìs toch wel eens gebeurd dat een vogel een jongen heeft meegenomen; ja, ja, wees maar niet zoo ongeloovig...’
‘Hè, en welke jongen was dat?’ vraagt Inara die altijd veel van wonderbare verhalen houdt.
‘Het is al heel lang geleden, men heeft het mij verteld toen ik nog een kind was,’ antwoordt Andoe; ‘het was een wonderlijke geschiedenis, en het is nooit uitgekomen hoe het eigenlijk gebeurd is.’
‘Maar vertel het dan toch, Andoe,’ vraagt nu ook La Ballo; dàt wilde hij toch wel eens hooren! Zoo'n vogel die een jongen wegpakt, net of hij een kuikentje is, het is haast niet te gelooven! En om het verhaal goed te hooren, glijdt hij van 't trapje af en gaat vlak bij Andoe zitten, op dezelfde sport.
‘Het gebeurde in het Wadjosche,’ zegt Andoe. ‘Daar woonde een rijk man die vele dochters had. Nu verlangde de man erg naar een zoon, zoo erg dat hij zelfs zijn dochtertjes begon te haten, en de arme moeder dikwijls ziek van hart was omdat hij zoo'n slecht vader voor de kinderen was. Daarom bad zij maar telkens tot de goede geesten dat zij haar toch nog eens een zoon zouden doen krijgen. Zij maakte zelfs een groote reis naar de kust van de zee, waar zij kippeboutjes toewierp aan de heilige krokodillen, die dadelijk aan kwamen zwemmen toen zij op de bekkens sloeg. En waarlijk, de krokodillen waren haar goed gezind. Zij verslonden al de kippebontjes, en waren zoo dankbaar voor het offer, dat na een jaar de vrouw werkelijk een zoon kreeg! Nu was de rijke man zoo blij dat hij Toewan Allah en de goede geesten luid loofde; en hij begon dadelijk zooveel van 't zoontje te houden, dat hij waarlijk een ander beter mensch leek. Maar weet je, hij hield tè veel van den jongen. Hoe meer de jongen opgroeide hoe meer hij van hem hield, zijn vrouw en dochters verwaarloosde, ja in 't geheel niet meer naar haar omzag. Alles was voor den jongen. Hij aanbad hem letterlijk. Toen de heilige krokodillen dat hoorden, werden zij zeer boos. Zij besloten de arme
vrouw en de dochters te wreken; en op een goeden dag, toen de jongen buiten speelde ... en hij was al zoo oud als jij, La Ballo, kwam er een klein klein rijstvogeltje aanvliegen, een Dongi Djawa, lichtblauw van veeren met witte wangetjes; en wat deed dat kleine beest, dat anders nauwelijks een paddihalm in zijn bek neemt? Hij pikte naar den jongen - en vloog opeens met hem hoog de lucht in, vèr ver weg! En beiden zijn voor goed verdwenen, voor goed, zeg ik je! Dat was de straf van de krokodillen voor den rijken man die te veel van zijn zoon hield.’
Inara en La Ballo zijn een en al verbazing. Die Andoe wist ook zooveel! En dit was niet eens een roofvogel geweest, maar zoo'n klein, klein rijstdiefje, met zoo'n prachtig blauw pakje aan.1)
‘Maar Oeke is gelukkig terug gevonden,’ vertelt Inara. ‘Zijn moeder vond hem heel beneden bij de rivier, achter het huisje van Oebo.’
‘Tokke tòk! tokke tòk!’ daar begint het stampen weer, eerst van een paar meisjes, toen van wel zeven, acht menschen; en de oude Andoe haast zich om op haar post te komen.
Zij moet de andere ‘waakmoeder’ weer aflossen, en zoo blijven Inara en La Ballo daar samen op het trapje zitten.
‘Ik zou het niets naar vinden,’ zegt La Ballo tegen Inara, die hem best verstaat nu, ondanks het leven, want och, daar wen je op het laatst wel aan.
‘Wat niet?’ vraagt Inara.
‘Als zoo'n vogeltje me eens opnam en weg bracht, en dan heel, heel ver, weet je.’
‘En dan nooit meer terug komen?’ vraagt Inara.
‘O, jawel, eens zou ik wel terug willen komen, zie je, de vogel zal toch wel eens moe worden en je ergens neerzetten, en als je dan maar goed den weg weet kom je wel weer thuis.’
‘Waar zou je wel heen willen?’ vraagt Inara weer.
‘Ik?...’ La Ballo denkt even na en zegt: ‘Ik zou regelrecht naar dien hoogen berg willen, den “berg van God ...”’
‘Den “berg van God,”’ zegt Inara huiverend ... ‘Daar is... weet je wie daar is, La Ballo?’
La Ballo zegt niets, hij wacht wat de kleine Inara zal zeggen, die nu opeens doet of ze een wijs oud vrouwtje is... Het is alsof ze de stem en de manieren van Andoe Baran nabootst als ze haar vingertje opsteekt en ernstig zegt: ‘Deng Pabéle.’
‘Deng Pabéle! hoe wist Inara dat?’
‘Moeder zegt het,’ antwoordt Inara geheimzinnig ... ‘Ik heb La Tjoebo er met Moeder over hooren spreken, op een avond toen ik thuis was ...’
Inara's moeder woont in een klein ‘ladanghuis’1) hoog in de bergen. La Ballo weet dit wel. Ze bewaakt daar een maïsveld van La Tjoebo. 't Is een heel arm vrouwtje, dat blij was toen Aroe Lipa haar kind meenam als bekkenslaagstertje van de kleine Andi.
Nu Inara zoo vertrouwelijk is, wordt La Ballo het ook, en hij vertelt nu aan ‘'t wijze oude vrouwtje’ naast hem, hoe hij juist dààrom de bergen in zou willen. Deng Pabéle vangen! hem vragen, hem smeeken mee te gaan!
Daar schudt Inara haar hoofd over. Zij is bang voor Deng Pabéle. Hij is een halve engel, weet je, iemand die alles kan wat hij wil, zeggen ze; - tooveren kan hij, en ze heeft eens gehoord dat hij altijd zeven engelen bij zich heeft; die zullen eens als gewone menschen met hem neerdalen en al de blanke menschen
uitroeien. Daarom zegt ze met angstige oogen, want ze houdt veel van La Ballo:
‘Doe 't niet, La Ballo, zoek hem nooit, hij zou je opeten, of wegtooveren, - hij kan alles.’
‘Hij is mijn vader,’ zegt La Ballo, ‘maar ik houd niet van hem. Ik houd van Aroe Lipa, weet je, en ik zou hem zoo graag de kris terug willen geven... zoo erg graag! en dat kan alleen als Deng Pa ...’ maar Inara stoot hem aan. ‘Domme jongen! zeg dien naam toch niet zoo hard. Het is gevaarlijk, heel gevaarlijk!’
‘Als “die man van daar boven” bij de Hollanders gebracht is,’ vervolgt La Ballo.
Inara zegt niets. Ze denkt even na en vraagt dan: ‘La Ballo, zeg, ben je daarom den laatsten tijd zoo raar? Je wilt niet meer spelen en je zit altijd maar te suffen. Is 't om de kris? zeg?’
‘Ja,’ knikt La Ballo.
O, dat Inara dit maar niet eerder begrepen heeft! Hoe kon ze toch zoo dom zijn! Ze is een klein opmerkstertje, die met haar droomerige, soms wat loensch kijkende oogen veel meer ziet dan men denkt, en zij weet het al lang dat er iets is met La Ballo: iets is er waar hij naar verlangt, iets erg groots en vèrs, dat wist ze wel; maar dat het dit was had ze niet kunnen vermoeden! Deng Pabéle zoeken, och kom, dat durft immers niemand?... Als je nu óók
tooveren kon, net als Deng Pabéle! Maar dat kon geen mensch. Maar opeens - daar denkt Inara aan de gelukshoutjes die ze van den ouden La Badjo gekocht heeft. Daar kan je immers alles mee doen! ‘Eénmaal komt de wensch altijd uit,’ - als je deze houtjes hebt!
Inara heeft nog niets gewenscht. Och, ze wist immers niet wat? er zijn eigenlijk zooveel wenschen, ze is bang er een uit te zoeken. De twee houtjes zitten veilig tusschen de wrong van heur zwart haar, die achter op haar hoofd neerhangt als een zakje dat weer door een streng haar wordt opgehouden, precies zooals de Boegineesche vrouwen het dragen. Die stoppen dikwijls kleine glanzende uitjes in dien wrong, omdat ze dat ‘welriekend’ vinden. Inara heeft er in plaats van een uitje de gelukshoutjes zitten, en eensklaps, zonder zich te bedenken, brengt ze de hand naar haar hoofd, frommelt aan heur haarzak en houdt La Ballo de houtjes voor.
‘Weet je wel wàt dat is?’ vraagt ze.
La Ballo kijkt er naar. Jawel, hij herkent de gelukshoutjes, eens door La Tjoebo op de markt verkocht.
‘Djimats,’ zegt hij kort.
‘La Badjo zegt dat alles wat je wilt, je gelukt als je ze hebt,’ vertelt Inara; - en geheimzinnig gaat ze verder: - ‘als jij deze had
zou je misschien den man dien je zoekt vinden en hem beneden brengen. Misschien zijn die houtjes nog sterker dan hij.’
Begeerig kijkt La Ballo er even naar, dan vraagt hij:
‘En wat doe jij er mee?’
‘Ik?... ik wacht tot ik een wensch heb, een heelen grooten wensch ... 't is zoo moeilijk er een uit te zoeken ...’
La Ballo zwijgt, en kijkt naar de stampende werkende menschen in den maneschijn, en dan zegt hij, gebiedend:
‘Geef mij die djimats, Inara ...’
De kleine Inara wil immers niets liever, maar toch beweegt ze zich niet en blijft sul, verschrikt, La Ballo aanzien. Het is eigenlijk alles zoo anders dan ze gedacht heeft. Zij heeft ze hem willen geven, nu eischt hij ze! Nu voelt ze opeens weer dat zij maar het arme kind is, het slavinnetje, en hij de voorname jongen. O! dat doet haar pijn, want juist La Ballo was nooit zoo tegen haar als de anderen, als Ama en Datona en kleine Andi, hij was nooit laatdunkend, en daarom klopt haar hartje heel stil en innig voor hem ... En nu zegt hij dat hij de houtjes moet hebben, mòèt hebben ...
En als La Ballo naar haar stil gezichtje opkijkt, waar de maan aldoor maar zoo'n fijn
glinsterend streepje over trekt, langs 't neusje en de kin, dan voelt hij er iets van, o een heel klein beetje, van wat er in haar omgaat, en dan zegt hij wat zachter: ‘Ik wil ze wel van je koopen, Inara.’
Daar schrikt ze nog erger van; neen, neen, niet verkoopen!... En vlug steekt ze haar hand weer uit en geeft hem de houtjes ... haar eigen arm klein geluk ...
La Ballo beziet de geheimzinnige dingetjes. O! o! daar heeft hij ze nu toch, dezelfde djimats die La Tjoebo hem wilde verkoopen ... nu heeft hij ze, en ... nu moet hij ook zijn plan volvoeren.
‘Inara,’ zegt hij na een poosje, ‘als ik nu weg ben, zeg, Inara, luister je? Als ik weg ben en ze zoeken naar me, dan moet je vertellen dat de Dongi Djawa mij heeft weggepakt, zal je? Zeggen dat je het zelf gezien hebt ... hoor!’
Inara knikt; en als ze een poosje zwijgend gezeten hebben, zegt ze heel beslist: ‘Maar je moet weggaan op het goede oogenblik. Ik zal je zeggen wanneer ... Weet je wel, de oude moeder Ikambe, die daar achter het huis van den Dotja1) woont, een eindje verder in de
rimboe?1) Die weet alles - zij is nog wijzer dan Andoe Baran; jawel, het is zoo, en háár zal ik vragen wanneer je gaan moet, op welk uur en welken dag, - of 's nachts misschien, dan ziet niemand het ... Als je het niet precies weet, La Ballo, zou je misschien juist weggaan op een uur dat alles doet mislukken.’
Inara's oogen glinsteren nu ook van opgewondenheid, net als die van La Ballo; - het is ook zoo'n groot geheim tusschen hun tweeën, en er hangt zooveel van af of alles gelukt!
‘Je moet naar mijn moeder gaan,’ zegt Inara verder, ‘die weet van den man af dien je zoekt, je weet wel; je weet toch haar huisje? Je kunt het altijd zien liggen daar heel boven, als je maar de eerste kampong hier vlak bij achter je hebt.’
Ja, La Ballo heeft het huisje wel eens zien liggen. Aroe Lipa heeft het hem gewezen toen ze op de hertenjacht waren ... Hij dacht er maar niet te veel over na, want het was zoo griezelig ver ... haast niet te bereiken! ‘Maar hoe zal ik nu te weten komen, wat Ikambe gezegd heeft,’ vraagt hij; ‘vertel je 't me dan?’
‘Ik zal zingen,’ zegt Inara. ‘'t Zal wel 's nachts zijn; als je mij dan onder aan de trap hoort zingen, La Ballo, dan moet je gaan, hoor!’
La Ballo glijdt van het trapje af. Hij wilde de houtjes gauw naar huis brengen en onder zijn hoofdkussen leggen. Inara blijft hem nakijken op het trapje. Een klein hoopje mensch, met zoo'n ernstig gezichtje en droomerige oogen ... Och, kleine Inara, zooals jij kijken zooveel bedroefde menschen het liefste na wat ze hebben, zonder dat dat liefste naar hen omkijkt.
Juist zooals La Ballo nu, loopen velen onverschillig weg met de gelukshoutjes van een ander in hun handen, en bergen ze op onder hun hoofdkussen, en denken niet meer aan dengeen die ze hun gegeven heeft ...!
‘Tokke tòk, tokke tòk,’ gaan de stampers nog steeds. De armen lijken onvermoeid, de tongen ook - altijd weerklinkt nog 't gesnap en gepraat - ja het wordt zelfs luidruchtiger naar mate het laat wordt, en de andere geluiden van den dag zwijgen, om alleen het lied van het rijstblok uit de dalen, en dàt alleen, te laten opstijgen in den nacht.
En zelfs de stille Aïssa lacht, en praat met La Mappa, en haar oogen schitteren. ‘Zou Aïssa haar bruigom gevonden hebben?’ denkt Andoe Baran.............................
Heel zacht en bevend klonk het stemmetje van Inara toen ze dit zong, op een nacht dat de maan nog onzichtbaar was en de djoewarboom onhoorbaar zijn gele bloesems liet vallen op den donkeren grond. Zij zat achter, dicht bij het steenen muurtje.
Toen kwam, klein en schuchter, La Ballo de trap af. De grijze Andoe Baran die binnen bij de flikkerende waskaarsen waakte, had hem niet gezien, en in zijn donkere sarong gehuld, de gelukshoutjes in zijn hand geklemd, ontvlood, in den donkeren nacht, de kleine jongen Aroe Lipa's huis.
Het was niet alleen om het verlies van de kris dat Aroe Lipa somber en stil was en hij nachten lang zich om en om wendde op de grijze buffelhuid die zijn slaapplaats overdekte,
of moedeloos opstond en bij de walmende ‘pelèn’ met Andoe Baran ging spreken. Aroe Lipa was angstig voor de dingen die komen zouden, want nadat hij van de reis terug was, en nog vòòr La Ballo's vlucht, was er een vreeselijke order van het ‘Gouvernement’ gekomen. Het was bijna ongeloofelijk; maar hoe meer Aroe Lipa den brief las dien men hem gezonden had, hoe meer hij overtuigd werd dat het alles bittere ernst was ... En hoe vreesde hij het ergste, want hij wist dat het volk dìt niet zou verdragen! - De oorlogsschatting, het ‘strafgeld’ zooals de menschen het noemden, waaraan de armsten gedwongen waren mee te betalen, moest opeens binnen vier weken ‘binnen’ zijn, terwijl de Hollanders eerst een jaar tijd hadden gegeven! Het hielp niet of Aroe Lipa er al over peinsde, den brief las en herlas, - het geld, de duizenden guldens, moest er binnen vier weken zijn! O! waarom dan eerst die schoonschijnende belofte gegeven van een jaar tijd!? Dat het volk die groote som op moest brengen was al erg genoeg; veel beter ware het geweest, dacht Aroe Lipa, als de groote heeren die al die bevelen gaven, maar dadelijk hadden gezegd dat het binnen zoo korten tijd geïnd moest zijn. Dan had 't volk wel gemord, en het zou moeite gekost hebben, zeker, maar
waren zij niet lang reeds gewend aan de willekeur hunner eigen vorsten? - Al die bruine menschen, al die bergbewoners, hebben ontzag voor het ruwe geweld; onmiddellijk buigen ze voor de sterkeren. Dat hebben ze altijd gedaan, en het is ook de onverbiddelijke wet, dat iemand die overwonnen is, gehoorzaamt aan den overwinnaar. Maar de Hollanders waren in het begin te zacht geweest. Altijd was er gezegd: ‘Over een jaar pas behoeft de oorlogsschatting binnen te zijn, over zes maanden moeten alle bergbewoners hun huizen uit en beneden in de kampongs wonen;’ en het volk had dit aangehoord, en beantwoord met een goedkeurend ‘ijee!’ De mannen waren thuis gekomen, en waren neergehurkt bij hun vuurtje, en hadden er eens over nagedacht... Wel, als de blanke overheerschers zoo geduldig waren, dan zouden ze ook nog wel langer geduld hebben. Het geld werd bij kleine beetjes opgehaald, daar was niets aan te doen; maar ze zouden nog maar zoo lang mogelijk in de berghuisjes blijven, totdat de zes maanden om waren. Toen was het bevel van zes maanden ingetrokken tot drie, en nu moesten, volgens dezen zelfden brief, alle berghuisjes binnen acht dagen ontruimd en verbrand worden!
Aroe Lipa schudde het hoofd, peinzend over de gevolgen van dit besluit. O! hij wist
wel waarom die kleine berghuizen opgeruimd moesten worden! Het was om Deng Pabéle en zijn aanhang alle schuilplaatsen te ontnemen. Het was een harde maatregel, dat voelde hij, maar die zeker zijn goede zijde had, want al die kleine donkere woninkjes waren prachtige bergplaatsen voor geweren, en veilige slaapsteden voor roovers en dieven ... Maar o, er waren toch zooveel goeden onder zijn volk, en die moesten mee lijden! Alles kwam te gelijk, - dat bevel omtrent de huizen, en het verschrikkelijke bevel omtrent het geld. Het geld! waar moest hij die duizenden guldens vandaan halen, in zoo'n korten tijd? - Zie, dáárom was het districtshoofd zoo stil, zoo somber gestemd; en een oogenblik ging hem de gedachte door het hoofd, dat niet hij maar Deng Pabéle het betere deel gekozen had. Ja, als een hert werd hij opgejaagd, als een roover leefde hij, zeker, maar hij was zich zèlf - hij was niet de knecht van de Hollanders, hij was vrij! Een zucht ontsnapte Aroe Lipa's borst, zijn oogen fonkelden, zijn vuisten balden zich. Hij voelde zich werkelijk een oogenblik diep, diep ellendig. Hààtte hij die Hollanders maar, dan was het hem veel gemakkelijker gevallen het juk af te schudden; maar dat deed hij niet. Hij had eenmaal de hand van den blanken man met de
grijze oogen geschud, en hij had dit gemeend. Hij had gezien hoe de welvaart in het land kwam sedert de Blanken het bestuurden; hij had iets, iets opgevangen van het licht der Westersche beschaving, dat begon te gloren hier in het Oostersche land ... Maar zulke bevelen als deze deden hem pijn. Dan was het of een stem tot hem sprak: Waar moet het toch heen met het arme volk, waarom gehoorzamen wij toch aan die vreemde schepsels die ons nooit, nòòit zullen kennen en begrijpen? Al hun geheime krachten, al hun wijsheid en wetenschap en overleveringen, die wilde het volk toch nooit aan de blanke menschen geven! O! Het was juist zoo als kleine Andi haar speelgoed verstopte voor de groote mensehen. Zij had een klein gevlochten mandje vol doodgewone steentjes, buiten opgeraapt, en die waren haar eigen en lief geworden. Zij waren een bijzonderheid voor haar, ze sprak en speelde er mee, heel alleen in een donker hoekje. Maar als Datona, of Ama of een van de zusters er bij kwam, dekte ze gauw de steentjes toe. De anderen zouden het immers maar heele gewone dingen vinden en er om lachen? - Niet anders handelde zijn volk met de gevoelens, de denkbeelden, de overleveringen die het van de vaderen had geërfd. Als kostelijke parelen en
edelgesteenten verborg het ze voor den blik der blanke veroveraars, die er de waarde en de schoonheid niet van konden schatten en waardeeren. Dat wist Aroe Lipa wel, en hij gaf zijn volk gelijk. Ja zeker, een enkele Westerling begreep iets van het Oosten, maar dat was een uitzondering. De meesten begrepen er niets van en lachten er om.
Aroe Lipa voelde zich als een groote oude boom. Toen de vreemde menschen zijn te dichte takken besnoeiden, zeide hij niets: - dat was goed, dat gaf verlichting; de andere takken konden nu beter uitgroeien, en hij voelde zich een volle mooie boom worden, die rijkelijk schaduw gaf en gelijk van loover werd; en hij prees de vreemde menschen die hem wel eerst pijn, maar toch eigenlijk goed hadden gedaan; maar toen ze later aan zijn wortels begonnen te graven, en hij die één voor één bloot voelde komen, en zij insnijdingen in den schoonen stam maakten, toen voelde hij dat hij ten doode was opgeteekend, en dat het uur naderde dat hij zou worden omgehouwen, en vallen zou, ja, vallen als een reus!
La Tjoebo was er natuurlijk weer, toen Aroe Lipa daar zat te denken en te peinzen hoe hij de bevelen van het Gouvernement ten uitvoer brengen zou; en de man met het slimme ge-

LA TJOEBO.
zicht en de lange sik en de neergeslagen oogen wist zich weer, ongemerkt en schijnbaar argeloos, aan Aroe Lipa op te dringen als vriend en vertrouweling; en na een dag wist hij alles wat er in zijn heer omging, en had hij weten te bewerken, dat hij, La Tjoebo, het volk zou waarschuwen en inlichten omtrent de nieuwe bevelen. Zoo toog, op een vroegen morgen. La Tjoebo heen, gezeten op zijn donker bruin paard met de roode kussens, den rechtervoet opgetrokken en aangedrukt tegen de manen van het dier, op de wijze der Boegineezen; zoo trok hij de bergen in, om de nieuwe bevelen der Hollanders den volke te verkondigen.
De tweede dagreis van La Tjoebo bracht hem tegen het vallen van den avond op een open kale vlakte, de onvruchtbare helling van een hoogen berg. Hij had vele huisjes bezocht, den bewoners op zìjn manier, op zìjn sluwe wijze het nieuwe bevel medegedeeld; hij had overal schrik en ontsteltenis en een nieuwe opflikkering van woede tegen de blanke menschen te weeg gebracht; en nu keek hij uit over het geel verschroeide gras, en beschouwde de zacht goudkleurige lucht, waarin het daglicht langzaam weg stierf en groote donkere wolkenstoeten oostwaarts heen trokken.
Toen was het opeens of hij zijn naam hoorde roepen: ‘La Tjoebo! La Tjoebo!’ Schril en dun klonk het over de vlakte, en een oogenblik dacht de man, die andere menschen zoo bijgeloovig mogelijk trachtte te maken, dat een booze geest uit de lucht of uit het gras tot hem sprak. Zijn trekken namen even een uitdrukking van angst aan; - de wind streek door de dunne grijze sik, en nu zag hij er uit als een duivel, een donkere duivel boven op zijn klein paard; en ros en ruiter staken spookachtig af tegen de lichte avondlucht, die kalm en vredig achter hen glansde. Maar daar klonk het weer, dichter bij reeds: ‘La Tjoebo!’ 't Was een kinderstem, dat hoorde hij, en nu zag hij ook iets aankomen, iets kleins, met wapperende sarong .. een kind, een jongen ... La Tjoeba dreef zijn paard even aan en rende het roepende kind tegemoet ... Daar zag hij dat het La Ballo was! - La Ballo, wat deed die hier, in die eenzame hooge bergwereld? Hoe kwàm het kind hier?
‘La Tjoebo!’ riep La Ballo nog eens, en opeens zonk hij neer in het gras, - hij kòn niet meer. La Tjoebo was nu ook vlak bij hem. Hij steeg van zijn paard en ging naar den kleinen jongen toe, die hem met groote betraande oogen aanzag.
‘Wat doe je hier, La Ballo?’ vroeg de man; ‘hoe kom je zoo ver van huis? - waar moet je heen?’
‘Naar 't huis van Inara's moeder,’ antwoordde La Ballo, bijna schreiend, ‘ik kan het niet vinden. Ik loop al een nacht en een dag, - ik ben zoo moe, - ik heb zoo'n honger ...’
‘Ik zal je voor op mijn paard zetten,’ zeide La Tjoebo, en hij hielp den jongen opstaan. Och! och! wat zag hij er uit! Zijn sarong was gescheurd, zijn witte broek zag bruin van modder en aarde, zijn voeten waren dik en gezwollen van het loopen.
La Ballo liet alles met zich doen, zijn angst voor La Tjoebo was hij geheel vergeten; hij wist alleen maar dat hij moe was, moe, moe, en dat hij een vreeselijk medelijden met zich zelf had ...! O! gelukkig dat hij nu niet meer alleen behoefde te zwerven in den langen donkeren nacht! Hij wist nu pas welk een angst hij had uitgestaan, welk een vreeselijke nacht en dag er achter hem lagen. De dag met zijn moordend zonnelicht en verschrikkelijke steilten en duizelingwekkende afgronden, de nacht met de spookachtige gestalten van oude boomen, met de onzichtbare gevaren die overal, overal om hem heen schenen te zijn ... O! o! hoe goed was het, vóór op het paard van La Tjoebo!
Hij had zijn oogen wel willen sluiten en slapen. Maar La Tjoebo vroeg hem nog waarom hij naar Inara's moeder wilde, en toen zeide hij willoos; ‘Deng Pabéle zoeken.’
Als La Ballo het gezicht van zijn geleider nu had kunnen zien, was hij zeker weer angstig geworden, bang voor die loerende, als op een prooi azende oogen, bang voor den wreeden mond die zich tot een grijns vertrok. O! nu begreep La Tjoebo iets, iets van wat er omging in den kleinen jongen, en bijna had hij luid op kunnen juichen: ‘Dat is een vondst! Ha! ha! Deng Pabéle, hier hebben we den uit den hemel gezondene om ons te redden!’ - De zoon van Deng Pabéle, die ontvlucht was, die zoek was! en hij alleen kende zijn schuilplaats! Dat was immers als een teeken uit den hemel! En dat juist hij, La Tjoebo, den jongen moest vinden! O! het was nog veel mooier dan hij zich ooit had durven voorstellen, dacht hij terwijl ze verder reden en de nacht om hen heen viel; hij zou kalm aan beginnen, en het ventje langzaam, stilletjes aan onder zijn invloed brengen, hem zooveel hij kon verborgen houden, en dan, als eindelijk alles klaar was, dan zou er geen La Ballo meer zijn, maar een ander kereltje met een nieuwen naam, een geheimzinnig kind dat uit den hemel was neer-
gedaald om het volk te redden! Het kon niet mooier! In alle huisjes had La Tjoebo het ijzer gloeiend gemaakt; nu moest het gesmeed worden, en dezen nacht nog zou Deng Pabéle alles weten, als hij straks kwam in het huisje van Andoe Inara!
Het huisje van Inara's moeder stond hoog, hoog in de bergen. Het leek wel een vogelnest dat aan een rots hangt, zoo dicht stond het bij den steilen afgrond, op zijn oude krom getrokken palen, met zijn zwaar strooien dak, waaraan de woedende bergwind reeds jammerlijk gerukt en getrokken had. Geen pad liep er meer heen. Tusschen het gras zag men flauwtjes het spoor van voetgangers; - achter het huisje lag de ‘ladang’ van La Tjoebo, een stuk tot rijst of maïsbouw omgespitte grond, waar zware half verkoolde boomstammen neerlagen als gevallen reuzen, tusschen de zwarte afgebrande stukken stronk en wortels die uit den bodem opstaken. Daar achter was woest verwaarloosd bosch en laag hout, waar de wilde zwijnen een schuilplaats zochten.
Van dat alles zagen de ruiters niets, toen zij aankwamen bij het huisje van Andoe Inara, want het was pikdonkere nacht; - slechts het flauwe schijnsel van een walmend lichtje viel door de reten van den bamboewand, en daarop
stuurde La Tjoebo zijn doodmoe, bijna kreupel paard aan.
Toen zij vlak bij waren werd in het huisje de bamboewand bij de trap verschoven, en verscheen er een klein mager vrouwefiguurtje op de eerste trede, donker afstekend tegen het walmende flikkerende licht achter haar. Dat was Inara's moeder, die La Tjoebo's paard had hooren aankomen.
‘Ik heb iemand bij me,’ zeide La Tjoebo, terwijl hij La Ballo van het paard aftilde. ‘Je moet hem maar gauw naar zijn slaapplaats brengen, Andoe, want hij is moe.’
La Ballo klom het wrakke laddertje op, en toen hij over den hoogen drempel gestapt was, stond hij in een klein armoedig huis, schaars verlicht door walmende wasstokjes die zóó maar in den bamboemuur gestoken waren.
‘Wie is hij?’ vroeg Inara's moeder, schuchter opziende naar La Tjoebo, voor wien ze vreesde en beefde.
‘Dat zal ik je straks wel vertellen,’ zeide La Tjoebo; ‘geef hem wat rijst en wat drinken, en laat hem zijn voeten een beetje wasschen, die zijn gezwollen.’
De kleine magere Andoe, die nosr zoo oud niet was, maar er vervallen en verhongerd uitzag, schepte voor La Ballo wat rijst op een
pisangblad; maar La Ballo was te moe om te eten; met gretigheid echter dronk hij een klapperdop vol water leeg.
Langs den wand was een groote, dikke bamboe bevestigd, met water gevuld; een opening in de eene zijde was met een propje bladeren afgesloten; trok men dit propje er uit, dan gaf de bamboe een kleinen waterstraal. Onder dezen straal hield Andoe Inara een lap, dien zij flink drenkte, en waarmede zij La Ballo's arme gloeiende voeten waschte en verkoelde; dat vond de kleine zwerveling heerlijk. Maar toen kon hij niet meer, en vroeg om maar te mogen slapen, uit te rusten, meer niet.
Andoe wees hem een laag bankje aan, achter in het vertrek, en daar strekte La Ballo zijn doodelijk vermoeide ledematen uit. Toen zag en hoorde hij niets meer; hij trok de sarong op tot aan zijn kin, wierp zijn songko af, en legde zijn zwart hoofdje met den verwarden haarbos op zijn uitgestrekten arm. Zoo sliep hij in.
La Tjoebo had nog een wasstok ontstoken en zette zich neer vlak bij den ingang; daar dronk hij een slok sagoeweer uit den klapperdop dien Andoe hem reikte.
‘Je moet goed op hem passen,’ zeide hij fluisterend; ‘hij is de zoon van Deng Pabéle...’
Andoe schrok er van. Ze wierp een schich-
tigen blik naar den duisteren hoek waar La Ballo lag te slapen en vroeg toen, eveneens fluisterend, aan La Tjoebo:
‘Hebt ge hem gestolen?’ Want ze wist wel dat de zoon van Deng Pabéle beneden bij Aroe Lipa woonde.
‘Hij is vanzelf hier heen gekomen,’ antwoordde La Tjoebo; ‘dat is een groot geluk voor ons. We moeten hem goed verborgen houden, hoor Andoe; je mag hem niet laten gaan; denk er aan, houd hem altijd in het oog.’
‘Hoe heet hij?’ vroeg 't vrouwtje.
‘La Dingro,’ zeide La Tjoebo, die het beter vond, La Ballo's naam maar dadelijk te veranderen ... Buiten vernam men nog geschuifel van voeten, er kwamen menschen het laddertje op, en Andoe moest de deur gauw verschuiven om ze binnen te laten.
Andoe's kleine huis was reeds lang de verzamelplaats van allerlei aanhangers van Deng Pabéle, en nooit bezocht La Tjoebo haar of hij had er velen gewaarschuwd, en van alle kanten kwamen zij aanzetten. Van avond echter kwamen er maar drie mannen, en straks zou er nog één komen .... de allerhoogste, de groote, de geheimzinnige Deng Pabéle ...
O! had de kleine La Ballo dat geweten! Den eersten avond dien hij hier boven door-
bracht was zijn vader daar reeds, vlak, vlak bij hem! En hij lag daar in diepen slaap, van niets bewust, terwijl de man dien hij zocht aan zijn legerstede zou staan en zijn oogen op hem laten rusten!
Het waren drie arme vuile kerels die één voor één over den drempel stapten, die eerbiedig neerhurkten bij La Tjoebo, die het onzekere schijnsel van de pelèn-stokjes over hun breede bloote ruggen lieten glijden. Twee der mannen waren uit Madalle: La Toeli en Pasolong; de derde was La Batjo, de oude man die gelukshoutjes verkocht had in het huis van Aroe Lipa.
Zoodra zij gezeten waren en Andoe Inara er ook bij was komen hurken, begon La Tjoebo snel en rad te spreken, terwijl zijn witte sik het vluchtige golvende licht der pelèn ving; maar altijd bleef zijn stem zacht en gedempt, - men kon nooit weten!
‘La Batjo, Pasolong en La Toeli,’ zeide hij, ‘jullie zijt drie vertrouwde mannen, en daarom heb ik je verzocht hier te komen. Je krijgt alle drie een moeilijk werk te doen. Kan ik er op aan dat je ons niet verraden zult?’
‘Ijée,’ prevelden zangerig de mannen alle drie, en bogen zich nog wat meer voorover om La Tjoebo goed te verstaan: ‘Ijée.’
‘Straks, over een half uur misschien, zal uw Heer, de groote Deng Pabéle, hier zijn. Jullie weet wel dat de Hollanders naar hem zoeken. Ze willen alle ladanghuisjes laten verbranden ...’
‘E lé - lé!’ zeide Andoe verschrikt; maar La Tjoebo ging door zonder naar haar te zien: ‘opdat hij hier in de bergen geen schuilplaats meer zal hebben.
Hij mag dus straks niet hier blijven; en twee van jullie, jij Pasolong en jij La Toeli, moeten je heer geleiden naar het huis van La Nanré, die beneden bij het Bosch van Mada woont. Het is donkere maan, dus niemand zal je zien. Blijft nooit vlak bij elkaar; laat Deng Pabéle in het midden gaan, en jullie tweeën op een eindje afstands van hem. Volgt ook niet den naasten weg naar het bosch, maar ziet dat je de rivier oversteekt, en dan weer terug keert langs het ladanghuis van den ouden Pabé. Weet je dat liggen?’
‘Ijée,’ zeide Pasolong.
‘Mocht ooit iemand je tegen komen en vragen waarheen je gaat, dan zeg je dat je gewerkt hebt hier boven aan mijn maïsveld. Je hebt toch je kapmessen bij je?’
‘Ijée.’
‘Anders gelooven ze het niet. Als jullie je
heer afgeleverd hebt bij het huis van La Nanré, dan keren jullie één voor één terug - liefst twee dagen na elkaar; en vooral niet langs denzelfden weg.’
‘Ijée,’ zeide Pasolong weer; maar La Toeli vroeg: ‘Kan er niet op ons geschoten worden?’
‘Geschoten?’ spotte La Tjoebo; ‘door wien? en van waar? denk je dat die blanke duivels hier boven in de bergen zitten?’
La Toeli durfde daar niet veel op zeggen, maar hij dacht: ‘Waarom moet onze heer dan vluchten, als ze toch niet hier komen!’
‘Als je bang bent,’ zeide La Tjoebo, ‘zal ik je iets nieuws vertellen, en als je dit gehoord heb, zal je weten dat er een wonder geschied is. Een teeken uit den hemel is er gegeven dat wij allen onkwetsbaar zijn voor de wapenen der Hollanders. Het is een geheim, maar ik zal 't jullie vertellen ... Zie je wat daar ligt?’ vroeg hij, naar La Ballo's slaapplaats wijzende.
De drie mannen keken om en zagen in het schemerend licht de kleine rustende gestalte van La Ballo liggen.
‘Dat is een engel,’ fluisterde La Tjoebo, ‘een engel in menschegedaante! Dezen nacht is hij neergedaald, juist terwijl ik op de vlakte van Rineng was, even vóór de zon onderging.
Hij is de lang gestorven zoon van onzen grooten Deng Pabéle, hij noemt zich La Dingro, en hij is weer op aarde gekomen om ons te helpen tegen de Christenen ... Sst! vertelt het nog aan niemand! aan niemand! Ik zeg het jullie slechts, opdat jullie weten zult dat wij allen onkwetsbaar zullen zijn als we met de blanke menschen vechten. Zijn jullie nu nog bang?’
‘Dé, dé!’ murmelden gedempt de stemmen, vol sidderend ontzag voor de wonderen die geschied waren.
‘Nu,’ zeide La Tjoebo, ‘nu moet ik alleen nog aan jou, La Batjo, zeggen wat je te doen hebt. Jij gaat ook van avond weg, maar je gaat den anderen kant uit, en je vraagt aan het huis van Deng Loeba, of Deng Pabéle ook bij hem geweest is; en dan daal je af en reist nog een dag totdat je komt in Loera, waar op het oogenblik de Pétro, de Hollander is, om de kampongs te zien en naar de brug te kijken die daar met den laatsten storm stuk sloeg. Als je daar komt, La Batjo, moet je vragen den heer Pétro te spreken. Dan moet je heel onderdanig zijn, hoor, en vertellen dat ik, La Tjoebo, Deng Pabéle gezien heb in de streken van Para dicht bij het meer, en dat je gehoord hebt dat hij een nacht in het huis van Deng Loeba heeft doorgebracht. Meer is niet noodig.
Misschien moet je daar blijven en hem wijzen waar het huis van Deng Loeba is, dat is niets. Als je de gids wordt van de Hollanders, breng je ze maar zoo ver mogelijk Zuidwaarts, dan heeft onze heer volop den tijd zich naar het Noorden te begeven. Heb je het begrepen, La Batjo?’
‘Ijée!’ zeide La Batjo; en juist toen hij dat zoo half zingende uitsprak, kwam er van buiten een geluid: de ladder kraakte, en Andoe fluisterde angstig: ‘Deng Pabéle!’
Allen bleven stil zitten behalve Andoe, die den bamboemuur weer verschoof; en onmiddellijk kwamen uit het donker een hoofd en een paar schouders te voorschijn; een hand greep den rand van den muur, een korte breed geschouderde gestalte heesch zich naar boven - en Deng Pabéle trad het hutje binnen!
‘Oesompaï, oesompaï,’1) murmelde La Tjoebo, en hij hief zijn tegen elkaar gevoegde handen op tot zijn voorhoofd en herhaalde dit nog eens; en ook de anderen zeiden zacht: ‘Oesompaï!’
Daar stond een tweede Aroe Lipa voor hem. Daar was dezelfde haviksneus, dezelfde forsche kin; daar was dezelfde snelle fonkelende blik
der donkere oogen, maar heftiger, vuriger; daar was dezelfde gestalte, maar korter en breeder; daar stond de afstammeling uit het zelfde geslacht, het kindskind van den vorst der ‘landen bezuiden het meer’, de halfbroeder van Aroe Lipa.... Deng Pabéle!
Hij zette zich neer bij La Tjoebo en de anderen, en Andoe bood hem dadelijk een dop sagoeweer aan en ontstak een nieuwe waskaars, die haar flikkerend licht op het sombere woeste gezicht van Deng Pabéle wierp, en blauwe glanzen het glijden over de lange, tot over de schouders hangende gitzwarte haren.
‘Heer,’ zeide La Tjoebo zacht en onderdanig, en zijn gezicht zoo ver mogelijk neerbuigende zoodat men alleen de donkere songko zag en een puntje van de witte sik; - ‘er is heden een wonder geschied. Toen ik van morgen met U gesproken had over Uw vlucht naar het huis van La Nanré, reed ik door het bosch van Pidang en over de vlakte van Rineng naar huis; en daar, juist toen de zon onder zou gaan, hoorde ik mijn naam roepen. Eerst dacht ik dat ik droomde of dat wellicht de groote Geest mij riep om mij een raad te geven voor U, Heer; maar het was een kleine jongen, - schrik niet, Heer! - het was Uw zoon! - Ik heb hem mede genomen op mijn paard ..’
Een merkbare verandering kwam over het trotsche gezicht van Deng Pabéle, hij hief de hand op en stamelde bijna onhoorbaar: ‘Mijn zoon?’
‘Hij is daar!’ hernam La Tjoebo, naar het slapende kind wijzend.
‘Hij is daar!’ herhaalde Deng Pabéle als in een droom. Toen stond hij op en ging naar den donkeren hoek waar La Ballo lag. La Tjoebo volgde hem dadelijk, en fluisterend vertelde hij bij den slapenden jongen staande, wat hij aan de anderen gezegd had, dat zij La Ballo konden gebruiken voor den grooten opstand, dat hij, La Tjoebo, overal zou verkondigen dat La Ballo een uit den hemel neergedaalde engel was. Maar Deng Pabéle luisterde bijna niet naar wat La Tjoebo hem zeide. ‘Breng licht,’ sprak hij, en Andoe naderde met het bevende vlammetje van een wasstokje. Toen verlichtte Deng Pabéle het slapende gezichtje van zijn zoon, zijn kind dat hij in twee volle jaren niet meer gezien had; en hij strekte zijn smalle hand uit naar La Ballo; maar La Tjoebo hield de hand terug.
‘Maak hem niet wakker, hij mag U niet zien, Heer, hij mag U niet zien!’
Maar juist sloeg La Ballo de oogen op en keek, even maar, o even! - Zag Aroe Lipa
hem aan? Stond Aroe Lipa daar over hem gebogen? Hij wist het niet, hij was zoo moe, zóó moe; - zijn oogleden vielen weer neer, de lange wimpers beefden op de bruine wangen.
Maar het werd tijd. Het gejaagde hert moest weer verder.
Met op elkaar geklemde lippen richtte Deng Pabéle zich op en zeide: ‘Waar zijn de mannen die mij zullen vergezellen?’
‘Hier, Heer,’ antwoordde La Tjoebo: ‘dezen, Pasolong en La Toeli.’
Deng Pabéle wierp nog even een blik op zijn kind, en wendde zich naar de deur. ‘Zorgt goed voor uw heer,’ sprak La Tjoebo tot de wachtenden; en alle vier mannen daalden nu een voor een de wankelende trap af en gingen naar buiten, den donkeren nacht in, waarin geen sterretje blonk ...
En 's morgens heel vroeg, toen het licht gloorde boven de kegelvormige bergtoppen, werd La Ballo wakker; hij wist eerst niet waar hij was, en herinnerde zich plotseling een vreemden droom:.. Aroe Lipa die over hem gebogen stond met een lichtje in de hand. Aroe Lipa, die toch niet Aroe Lipa was ... Een droom zóó sterk dat hij werkelijkheid leek. En was het niet een werkelijkheid die een droom scheen?
Ach! nu brak er een droevige tijd aan voor den kleinen La Ballo! Nu was hij hoog in de bergen, in het kleine huis van Inara's moeder, en hoe vreeselijk eenzaam en verlaten en bedroefd voelde hij zich! Hij liep maar rond over het kleine maïsveld, hij zag naar de treurige zwartverkoolde boomstammen die als verslagen reuzen hier en daar neer lagen, naar het lage in elkaar gegroeide struikgewas waar 's avonds altijd wilde varkens den grond omwoelden, naar de vele kale bergen in het rond, die met hun kegelvormige koppen scherp tegen de lucht afstaken; naar het wuivende suizelende gras dat van droogte ritselde als zijde. Als hij naar dat suizelen luisterde werd het hem zoo droef te moede! Waren het niet als stemmen die hem vertelden van de blijde wereld daar beneden die hij had verlaten, die hem vertelden hoe angstig Aroe Lipa overal zocht naar La Ballo, hoe Datona en Andoe Baran klaagden en jammerden omdat hij weg was, hoe Andi hem te vergeefs riep om te spelen? Zou Inara het verteld hebben van de Dongi Djawa? Zouden zij het gelooven?! Ach, als La Ballo op het wrakke trapje zat van Andoe Inara's huisje, en neer zag in den woesten eenzamen afgrond, en heinde noch verre het vriendelijk dak van een menschelijke woning bespeurde, dan
kwamen er groote dikke tranen in zijn oogen.
Hij voelde zich ook nog zoo moe na dien vreeselijken tocht, en zijn voeten waren nog opgezwollen en vol blaren, zoodat hij bijna niet loopen kon. Het magere moedertje was heel goed voor hem. Zij had zijn baadje en witte broek gewasschen, zoodat hij, tot zijn kleeren droog waren, alleen maar met een sarong aan had geloopen; en Andoe zeide dat het beter was dat hij het baadje maar niet weer aantrok, anders werd 't weer vuil en hij had er maar één. Zoo kwam het dat La Ballo er nu uitzag als een arm kind, met naakt bovenlijf en een wit broekje aan.
De gelukshoutjes droeg hij altijd en altijd bij zich. Nu eens stak hij ze in zijn hoofddoek, een oude lap dien hij van Andoe gekregen had, want de songko werd ook maar opgeborgen; of hij bewaarde ze tusschen zijn gordel; maar nooit verlieten ze hem, want eenmaal, éénmaal zou zijn wensch toch verwezenlijkt worden! - La Tjoebo had hem gezegd, dat als hij Deng Pabéle wilde zien en spreken, hij vooral bij Andoe Inara moest blijven. Deng Pabéle zou hier komen; en verbeeld je dat hij juist eens kwam als La Ballo weg was! Toen La Tjoebo merkte dat La Ballo de gelukshoutjes had, was hij heel ernstig geworden en had gezegd: ‘La
Ballo, nù ben ik er zeker van dat je Deng Pabéle zien zult, ja, ja, werkelijk, maar ik moet je een goeden raad geven: verander je naam. Als iedereen weet, dat je La Ballo heet, zal het Aroe Lipa ter oore komen dat je hier bent, dan haalt hij je weg en kan je wensch nooit vervuld worden. Ik weet een naam die geluk aanbrengt: La Dingro. Van nu af aan heet je La Dingro!’
Van nu af aan heette hij La Dingro! Het was La Ballo vreemd te moede. 't Was nu werkelijk of hij een heel ander iemand was geworden, of alles wat achter hem lag een droom was.
Als hij aan droomen dacht, dan stond weer duidelijk hem voor den geest die droom in den eersten nacht hier, toen hij zoo erg moe op de slaapbank was gevallen... Dan zag hij weer het gezicht van den man die zich over hem heen had gebogen in zijn slaap, dan begon zijn hart heftig te kloppen, en was 't of iets hem zeide: ‘Het was geen droom! het was je vader, het was Deng Pabéle!’ Maar neen, dat kon niet! neen, neen, La Tjoebo zou hem dan bedrogen hebben, en dat geloofde hij niet! La Tjoebo zelf zocht immers ook naar Deng Pabéle, - of niet? of wel? O! hij wist het niet! Hij wist niets meer! Hij wist alleen
dat La Tjoebo zulke vreemde, zonderlinge oogen had, die diep in hem schenen door te dringen, die hem soms in slaap konden doen vallen. Zou La Tjoebo tooveren kunnen met zijn oogen?
Inderdaad kon La Tjoebo eenigszins ‘tooveren’ met zijn oogen! Hij was een van die schepselen die door groote wilskracht een ander geheel onder hun invloed kunnen brengen, en La Tjoebo wìlde La Ballo zoo ver krijgen dat de arme jongen niet meer wist waarom hij hier was gekomen, dat hij zelf ook zou gaan gelooven dat hij een engel was in menschegedaante, dat hij eenmaal gebruikt kon worden als geestdrijver, als aanvoerder van het arme onwetende volk. Maar het moest langzaam, langzaam aan gaan, dacht La Tjoebo. Heel geleidelijk moest La Ballo in La Dingro veranderen. Hij wist nu, nu een paar dagen reeds, waarom de kleine jongen Deng Pabéle wilde verraden: alleen om de kris aan Aroe Lipa terug te kunnen geven! Dát had La Ballo hem zonder dat hij er om vroeg al verteld, en hij hield zich nu alsof hij het plan ook prachtig vond. Ja, ja, Aroe Lipa moest zijn gouden wapen terug hebben, Deng Pabéle moest uitgeleverd worden, maar daartoe moest La Dingro stil hier blijven, zich zelfs niet veel in den tuin ophouden, opdat de men-
schen hem niet zien zouden, en vooral er aan denken dat hij geen La Ballo meer heette!
's Avonds kwamen er altijd menschen in het huisje, en even als dien eersten nacht zaten allen bij La Tjoebo in het onzekere licht der wasstokjes, en Andoe schonk sagoeweer in de klapperdoppen. Er was alleen dit verschil, dat La Ballo er nu ook bij zat, dat iedereen hem La Dingro noemde, en hij gretig luisterde naar al de verhalen die er gedaan werden.
O! ho, dat waren andere geschiedenissen dan die van Andoe Baran! Dat ging niet over vogeltjes en betooverde prinsessen en arme meisjes die trouwden met een koning! Neen! wat La Togo en La Nanré en Toeli vertelden, dat waren verhalen over levende menschen, dat was alles werkelijk zoo gebeurd. Het waren vreeselijke geschiedenissen, en bijna altijd handelden ze over de blanke menschen. La Ballo had nooit geweten dat die Hollanders zoo wreed en laag waren! Hij rilde er van! Vooral die La Nanré, die kon nare dingen vertellen, alles zelf ondervonden! - Eens had hij een oorlog bijgewoond, jaren geleden, toen waren er vele blanke soldaten in het bosch van Mada gekomen, waar La Nanré woonde. Ze waren heel woest en zochten naar den vorst van Géroe, die eerst gevangen was geweest en later ontsnapt
was. Iedereen daar in den omtrek wist natuurlijk wáár de vorst zat; - hij was in een diepe grot gevlucht, daar bracht de bevolking hem stilletjes eten. Het was een heele gevaarlijke donkere grot, waarin de Hollanders toch den weg niet wisten. Maar niemand zou immers den vorst verraden! Niemand! Toch waren allen zeer angstig toen al die soldaten daar opeens in het bosch van Mada kwamen, o! o! hoe bang waren ze! want de Blanken hadden geweren, en och, daar doe je niet veel tegen als je niet toevallig onkwetsbaar bent! De oude Anra woonde vlak bij La Nanré. Hij zorgde voor zijn kleinkinderen, want de ouders waren dood. Die werd uit zijn huisje gehaald en ook Madanra en La Kambé en zijn zoontjes. Hij, La Nanré, natuurlijk ook. Bij die blanke soldaten was een die hooger was, een officier, die liep op den ouden Anra toe en vroeg hem: ‘Waar is de vorst van Géroe?’ Natuurlijk zeide de oude man niets, hij bleef zwijgend en bevend staan voor den blanken man; - maar toen haalde die opeens een wapen te voorschijn, een heel klein geweer;1) hij richtte het op de borst van Anra en vroeg weer: ‘Waar is de vorst van Géroe?’ en weer zweeg de oude man, hij
keek alleen maar den blanken man aan, o! o! diep tot in zijn hart, àls dat er was!... Toen ... ‘pàng!’ daar ging opeens het schot... de oude Anra viel ...
Toen kwam de beurt aan Madanra, die knappe jonge man met zijn breede schouders en dikke gespierde armen. Dadelijk werd de loop van het kleine geweertje op hem gericht, en de blanke man vroeg hetzelfde: ‘Waar is de Vorst van Géroe?’
‘Ik weet het niet!’ zeide Madanra en keek hem stoutmoedig in de oogen.
‘Pàng!’ ging het schot, en met een gil stortte Madanra neer.
Na Madanra richtte de blanke duivel het wapen op La Kambé. ‘Ik weet 't niet,’ riep hij, al vóór de officier het hem vroeg; maar toen wilde een van zijn zoontjes het zeggen, en La Kambé had nog juist den tijd hem de hand op zijn mond te leggen.
‘Weet je het nièt... nièt?’ vroeg de blanke man.
‘Neen,’ riep La Kambé.
‘Pàng!’ daar viel La Kambé en ook het zoontje; maar dat was niet dood en gilde: ‘Vader! vader!’
Iedereen wist het. Toen was de beurt aan La Nanré gekomen, en hij had gezegd waar de vorst van Géroe was ...
‘Dat was toch laf,’ meende La Ballo toen hij het verhaal hoorde.
‘Laf! ja maar, La Dingro, ik had een vrouw en kinderen waar ik voor moest zorgen, ik wilde niet sterven en, zooals La Kambé, mijn zoons hooren schreien als ik eenmaal een geest geworden was! - Maar ik had er toch dadelijk spijt van, en toen ze mijn handen bonden en ik zoo mee moest om de schuilplaats van den Vorst aan te wijzen, toen kreeg ik opeens weer moed, en zeide dat we op den verkeerden weg waren. En weet je wàt ze toen gedaan hebben?’ vroeg La Nanré verontwaardigd, - want als hij aan dit gedeelte van zijn verhaal kwam was hij zich zelf bijna niet meer; dan nam hij den vuilen verkleurden hoofddoek van zijn grijs hoofd en slingerde dien in woede over den grond, hetgeen een groote verachting te kennen gaf tegen het blanke ras; - ‘toen hebben ze mij aan een boom vastgebonden, want ze begrepen wel dat het niet waar was van dien verkeerden weg, en ze hebben een vuur gemaakt, en ze hebben een stuk ijzer genomen, de honden, en ze hebben mij in de kuiten gebrand ... totdat ik het zei ... zei waar de plaats was... O! die Christen-honden!’ schreeuwde hij dan, heesch van woede; ‘die duivels, die onreine witte beesten ... eens zàl ik me wreken!’
Iedereen sidderde bij dit verhaal. Andoe kroop heelemaal in elkaar en La Ballo wiegde het bovenlijf heen en weer... Hoe was het mogelijk! Maar het was waar wat La Nanré vertelde, de lidteekens waren er nog op zijn kuiten. Hij stak zijn beenen uit, en allen bogen zich bij het schijnsel van de pelèn voorover om beter te kunnen zien.
‘Daarom,’ zeide La Tjoebo opeens met een grijnslach, ‘daarom zou ik ééns van mijn leven wel eens smakelijk willen eten.’
‘Wat zou je dan eten?’ vroeg La Togo.
La Tjoebo plukte aan zijn grijze sik, zijn oogen flikkerden.
‘De tong van een Hollander!’ zeide hij langzaam.
. . . . . . . . . . . . . . . . .
Toen La Ballo dien avond ging slapen, stond hem opeens een liefelijk beeld voor oogen. Het was het kleine blonde meisje dat tegen hem gelachen had in het kamp van de Hollanders; en toen dacht hij ook opeens aan de vriendelijke moeder, en aan de ernstige oogen van den toewan Pétro... en het leek hem iets ongeloofelijks dat dèze menschen zoo wreed konden zijn! Neen, neen dat kòn niet. Toch was 't waar, alles wat La Nanré vertelde; maar misschien heel lang geleden, heel heel lang,
och ja, dan kon het wel, weet je! Vele jaren vroeger....
En nog meer verhalen hoorde La Ballo 's avonds bij het flikkerend licht, in het kleine huisje, en zachtjes, zachtjes aan begon hij te begrijpen dat al die ware gebeurtenissen volstrekt niet zoo heel lang geleden geschied waren... En iederen avond als hij slapen ging was het beeld van het blanke meisje flauwer, en ook dat van de jonge moeder; en iederen avond werd er een klein, klein vlammetje aangewakkerd, diep binnen in hem, een vlammetje van haat tegen het ras der vreemde overheerschers.
Zoo begon La Tjoebo zijn werk, - zoo veranderde La Ballo werkelijk zachtjes aan in La Dingro........................
Andoe Inara was zelf arm; zij gaf La Ballo wat zij kon missen en dat was maar een beetje. Een maiskolf, zacht gestoofd, en een onvoldoende hoeveelheid rijst, dat was het dagelijksche rantsoen, en La Ballo durfde niet meer vragen, hij was te gast en hij wist dat er niet meer was. Andoe weefde sarongs in haar huisje; zij zorgde voor een paar geiten en wat kippen; de bewaking van de ‘ladang’ liet ze nu langzamerhand over aan La Ballo, die beter dan
zij kon oppassen dat geen wilde varkens den kleinen oogst verwoestten.
Zoo was La Ballo niet alleen langzamerhand veranderd in La Dingro, maar ook in een arm klein veldwakertje, dat 's middags en 's avonds op zijn ‘djeremìn’ blies, zijn hoorn, gedraaid van pandanblad. Voor dat geluid gingen de wilde beesten op de vlucht. Het waren droevige tonen die hij aan zijn ruw instrument ontlokte; niet alleen omdat een kleine jongen uit het Oosten geen vroolijke deuntjes blazen kàn, want, al huppelen de toontjes elkaar na, al gaat het in snel tempo, vroolijk zijn ze nooit! Maar nu klonken ze al bijzonder treurig, omdat La Ballo zelf treurig was, omdat hij àl àl maar dacht aan het vroolijke zonnige huis van Aroe Lipa dat hij verlaten had, - omdat hij soms dacht aan zijn kleine grijze paardje dat stond te stampen op den grond, omdat het zijn baasje zoo miste! - Op de punt van een grauw rotsblok gezeten blies hij dan op zijn zacht gekromden hoorn, dien hij naar omhoog gericht hield, en waarvan hij de wijde opening telkens sloot om een dofferen toon te voorschijn te roepen. Zoo had hij het gezien van de wakertjes beneden en zoo deed hij het hier. Of de wilde varkens dan bang werden en stil bleven zitten achter het boschje? Och, hij wist het niet. Hij
blies maar met opgebolde wangen, hij liet zijn bruine vingers maar glijden langs het opgerolde blad alsof het de mooiste fluit was, en hij dacht dan aan Aroe Lipa en de gouden kris, aan Inara en de gelukshoutjes... Arme kleine La Ballo!
Op een avond zeide La Tjoebo tot hem: ‘Ik heb een droom gehad, La Dingro, een wonderlijken droom ... over jou.’
De jongen keek hem aan. Hij was nog niet gewend aan den naam La Dingro. Telkens dacht hij dat La Tjoebo een ander aansprak, maar neen, het was toch niet zoo, er was niemand anders in de nabijheid, neen, neen, hij was ‘La Dingro’!
‘Ik droomde,’ zeide La Tjoebo sluw, ‘dat jij, mijn jongen, een mooie zwarte songko op het hoofd had met een gouden randje en een vurig glinsterenden edelsteen in den top; - je weet wel, de songko die alleen vorsten dragen ...’
Het was een zware zoele avond, toen La Tjoebo dit zeide. Er dreigde een onweer. Andoe Inara, die de blauwzwarte wolken zag komen aandrijven, van beide kanten, zette de deur open, en verschoof de sluiting van de vensters, want met het onweer komen alle booze geesten aanvliegen, naar het volksgeloof, en moet men dus zorgen dat die vreeselijke wezens niet op-
gesloten worden in huis, dat zij er weer uit kunnen als zij willen ... Het was of La Tjoebo een van die booze geesten was die het trotsche onweer vergezellen, toen hij listig verder vertelde:
‘Ik zag jou als vorst, La Dingro, verbeeld je! en naast je lag ... de gouden kris, dat mooie wapen dat jij eens erven zult van Aroe Lipa ... En onder die kris lag.... wat denk je dat daar lag, La Dingro?’
De jongen antwoordde niet. Angstig keek hij den man aan, die macht over hem begon te krijgen als de wind over het lichte blad.
‘Daaronder lag een geweer - het wapen van den Hollander ...’ Hier boog La Tjoebo zich meer voorover en keek La Ballo opeens doordringend aan, en zijn stem verhief zich:... ‘dat is een teeken, La Dingro, een teeken van den grooten Geest; en het wil zeggen dat jij door de kris heerschen zult over het geweer .... Wil ik je eens wat voorspellen? Jij wordt een groot man, jij zult de kris, de gouden kris van Aroe Lipa, niet verkrijgen door Deng Pabéle, je vader, te verraden,... jij zult haar zelf, - zèlf, van de Hollanders weghalen, want dit zegt mij de droom, La Dingro, - geen geweer zal jou kwetsen!’
La Ballo bleef den man maar aanzien; telkens
als een bliksemschicht neerflitste, werden het donkere huisje en La Tjoebo's gezicht blauw verlicht; dan gromde de donder, en werd tien, twintigvoudig herhaald door de hoogge bergwanden... La Ballo vergat nooit dit gesprek, en de groote machtige natuurstem die het vergezelde.
‘Denk je,’ zeide La Tjoebo lachend, ‘dat jij hier van zelf gekomen bent? Hier zoo hoog in de bergen in òns huis? Ik zal je wat zeggen, La Dingro, wij wachtten je al lang!... Eens, toen Deng Pabéle op den “berg van God” was, is hem gezegd geworden dat je komen zoudt, dat jij ons zoudt komen verlossen. Toewan Allah heeft een list gebruikt om je hier te brengen. Je wilde de gouden kris terug hebben. Die zal je ook hebben, jij, La Dingro, zult hem met Deng Pabéle gaan halen. Je zult overwinnen, en eens je vader opvolgen als koning, wanneer alle Blanken uit ons land verjaagd zijn!’
Wat groote oogen had het kind nu! Het keek den sluwen man maar aan; en toen de donder zijn stem al zachter liet hooren, boog hij het donkere hoofd, zonk hij geheel neer met het bloote, bruine bovenlijf, en droomde, wakend, den droom dat hij koning was.. Arme La Dingro!
. . . . . . . . . . . . . . . . .
Hij zou dus zijn plan moeten laten varen? niet Deng Pabéle vangen, hem niet verraden aan de Hollanders, maar zelf mèt Deng Pabéle de gouden kris halen, er om vechten - de Blanken overwinnen, hen voorgoed verjagen uit het land waar ze niet hoorden? en dan de kris aan Aroe Lipa brengen?... Het was als een wonder. Zou werkelijk een kleine jongen als hij dit kunnen doen?
La Tjoebo had het alleen maar gedroomd. Was het daarom waar? Telkens als hij er aan dacht begon zijn hart onstuimig te kloppen, tot in zijn keel toe. Hij eens koning! hij, hij zelf eens vorst!
Ach, neen, 't kon immers niet, hij was immers de kleine La Ballo - o! o! hij moest het goed onthouden! Hij was hierheen gegaan om Deng Pabéle te halen, om de rust weer te herstellen in het land, om Aroe Lipa de kris weer te kunnen geven. Hij mocht zijn plan niet laten varen, hoor! dat was laf! - Nu stemde het hem plotseling heel bedroefd dat hij in korten tijd al zoo veranderd was: - niet alleen dat La Tjoebo hem door Andoe de lange zwarte haren kort had laten knippen om hem onherkenbaar te maken, maar hij zag opeens hoe hij ook innerlijk veranderd was! Eigenlijk dacht hij veel meer aan Deng Pabéle dan aan
den goeden Aroe Lipa, eigenlijk begon hij angst en ontzag te voelen voor den geheimzinnigen roover, eigenlijk begon hij te denken dat Deng Pabéle een groot, gróót man was, grooter nog dan Aroe Lipa....
Kijk, La Ballo voelde zich op het oogenblik als iemand die van den goeden weg is afgedwaald, die de rivier is overgestoken, en nu niet meer terug kan omdat het water gestegen is. Al zou hij nog zoo graag willen, hij kan niet meer aan den overkant komen, daar waar het goede pad heenkronkelt, en waar in de verte het dierbare huis ligt en wenkt. Hij moet maar aan den oever staan, en kijken en turen naar het oude bekende land ...
Zoo zat hij dikwijls 's morgens en 's middags daar vlak bij den afgrond waar de groote trotsche bergwereld oprees, top voor top, waar de wind aanstreek over het droge gras, waar de vele magere halfwilde honden hun gillend geblaf in de lucht stieten. Als zoo'n magere jakhalshond voelde hij zich ook: zoo'n beest met zijn steile ooren en witte haren, dat leeft van den afval dien het vindt onder de huizen...
En dan als de zon hoog, heel hoog steeg, was 't soms of La Ballo half in slaap viel. Al die geluiden werden samen één geluid. Hoor!... klonk daar niet het rijststampen van beneden? ...
Neen, neen, het was de gong uit Aroe Lipa's huis, die de uren opdreunde; en dat!... wat was dat? gehinnik van een paard, zìjn paardje - dat riep hem! en daar schreeuwden de hertjes en Andi riep ...
‘La Dingro?’ zeide een stem; en toen La Ballo de oogen opende die hij werkelijk gesloten had gehad, zag hij daar in 't felle goudsprankelende zonlicht voor zich staan La Tjoebo, die hem aanstaarde met zijn donkere oogen.
Ja, nu wist hij het opeens, hij was gevangen. La Tjoebo's wil was zijn wil - er was niets meer aan te doen.
En Deng Pabéle kwam nog maar altijd niet; och, dat was ook niet meer noodig! al was hij gekomen dan had La Ballo toch niets kunnen doen; - hij kon alleen La Tjoebo gehoorzamen, en die had gezegd dat hij wel zien zou wat er gebeuren ging; nog maar een klein poosje, en dan zou er een groote dag komen waarop hij, La Dingro, een gewichtige rol zou spelen!
Wachten dus, wachten! En hij zong zijn droefheid maar uit op zijn bladhoorn, en soms zong hij een klagend liedje, wiegend het bovenlijf heen en weer. Dun en snerpend klonk zijn jongensstem door de wijde bergwereld, als hij de versjes zong die hij zelf bedacht, zooals zoovele kinderen van dit land.
. . . . . . . . . . . . . . . . .
De ‘groote’ dag waarvan La Tjoebo gesproken had, zou weldra komen, maar óók naderde de dag waarop volgens het bevel van het Gouvernement alle berghuisjes opgeruimd en verbrand moesten worden.
Andoe Inara schreide, maar het hielp niets. Hier boven, alléén, kon zij niet blijven, zeide La Tjoebo. Ze moest toch ergens heen als de mannen kwamen om het huisje in vlammen te zetten. Zij moest maar met La Tjoebo en La Dingro mee naar beneden, waar zij zoolang hun intrek zouden nemen bij La Nanré, dezelfde die vlak bij het bosch van Mada woonde. En

‘Als ik op den hoogen berg klim,
‘Dan zie ik naar het land waar ik uit ben getrokken.
zoo bond Andoe haar geiten en den mooien langharigen bok aan een touw, en ze maakte van haar goed een bundeltje. Het oude weefgetouw, en het oude rijstblok, en het oude hout liet ze waar het was, die bleven met nog meer oude kapotte dingen in het vervallen huisje op de kromme uitgerukte palen; en zoo lag dat heele nietswaardige rommeltje eenzaam en verlaten te wachten op den dood, op de roode vlammen die het zouden verslinden tot dat er niets meer van over bleef dan een hoopje asch.
Och, erg betreurenswaardig was die verwoesting niet, te minder omdat hier werkelijk een der meest gebruikte schuilplaatsen van Deng Pabéle, een der voornaamste verzamelplaatsen van volksaanhitsers verbrand werd. Het was veel erger voor al de onschuldige bergbewoners, die hun rustig bestaan hier boven moesten vaarwel zeggen, wier huisjes nooit Deng Pabéle of iemand van zijn aanhang hadden geherbergd; maar dat nam niet weg dat Andoe Inara het kleine woninkje, het hutje waar ze stilletjes geleefd had, had lief gekregen. Blanke menschen beweren dat een Oosterling onverschillig blijft als hij zijn huis, zijn erf verlaten moet; - ìk weet dat er zijn die, als ze verbannen werden naar een vreemd land, op den grond vielen en de aarde bijéénraapten in hun
handen en ze kusten, kusten ten afscheid, en dat ze er wat van meenamen om altijd iets van hun eigen grond bij zich te hebben ...
Met hun drieën daalden ze neer langs den steilen bergrug, overal dooraderd van wit-en-grijzen rotssteen. Voorop liep La Tjoebo, met de sarong zwierig over één schouder geslagen, met den langen bergstok in de rechterhand, en het touw waaraan zijn nog altijd kreupel paard ging in de linker, die hij op zijn rug hield. Zijn paardje droeg nu in een paar manden, aan weerszijden langs zijn rug afhangend, het laatste goed van Andoe. La Ballo volgde met de twee geiten aan een touw, en daarachter kwam Andoe zelf met een oude sarong over het gebogen hoofd ter beschutting tegen de zon, voorttrekkende den prachtigen weerbarstigen bok die maar niet mee wilde! De man en de jongen liepen door, maar Andoe keerde zich nog even om en wierp een blik op het huisje daarboven, dat nu nog scheever leek gezakt te zijn, dat van onder het laagneerhangend dak, droevig en somber, als van onder zware wenkbrauwen scheen uit te gluren. Een witte hond met spitse ooren sleepte zijn mager lichaam tot op het bergje voort; en toen hij daar was, vlak bij het huisje, stiet hij een klagenden lang gerekten schreeuw uit. Dat was het laatste wat Andoe er van zag.
Zij keerde zich af, zonder tranen, en met een harden ruk trok zij opeens den bok voort, zoodat het dier, met gebogen kop, de horens gereed tot den strijd, met haar naar beneden daalde.
Het ging vlug, omdat het maar al bergaf ging; maar toch werden ze moe, want soms was het geen loopen meer, maar springen of glijden van de eene rots naar de andere. Breed uit lagen de kale geelgroene bergvlakten daar vóór hen: een eenzame wereld, zonder ander geluid dan het suizen van het gras, zonder andere afwisseling dan hier en daar een groep boomen, grillig in elkaar gegroeid en gestrengeld, als waren zij huiverig voor de eenzaamheid die hen omgaf. Soms, plotseling, gaapte er een woeste afgrond voor hun voet, en werd de weg waar zij loopen konden zoo smal dat zij, om niet in de diepte te storten, zich moesten vasthouden aan de begroeide rotsen. Spreken met elkaar deden ze haast niet; alleen gaf ieder af en toe eens een schreeuw tegen een der beesten, die onophoudelijk grazen wilden, en rukplukken aan het varengroen dat uit de rotsen opschoot.
Maar hoe meer zij daalden, hoe milder de natuur werd; en La Ballo, die maar droomerig voort had geloopen, altoos in de voetsporen van La Tjoebo, werd opeens als wakker
geschud, toen een reusachtige tamarindeboom boven op een heuveltje zijn prachtige grillige bladerkroon naar de lucht ophief ... Dat was een oude bekende!... Dat deed hem even heel bedroefd zijn, maar gelukkig overviel hem spoedig weer de gewone onverschilligheid, het vreemde gevoel van machteloosheid dat hem nu al zoo'n langen tijd neerdrukte. Er was nu allerlei laag struikgewas aan den weg; het begon werkelijk op een meer bewoonde wereld te lijken, zelfs kwamen er hier en daar bruine stroodaken te zien, of kleine hooge wachthuisjes, midden in een bebouwd land.
In een dal, een wijde groene kom waarin beneden een blauw beekje glinsterde, rustten zij uit; en terwijl zij daar zaten, ieder op een grooten steen, wees La Tjoebo met zijn stok, op een manier alsof hij mikken wilde, met zijn ééne oog dicht, naar een der bergtoppen. Andoe en La Ballo keken die richting uit, en nu zagen zij het: daar brandde een ladanghuis, - en kijk, dáár nog een; - oranjerood gloeiden de vlammetjes, en de lichte rookwolken gleden, wit wegdonzend, langs de blauwe berghellingen.
‘Dat zijn de eersten,’ zeide La Tjoebo met een valschen lach. ‘Het onze komt straks wel aan de beurt ...’
En toen ze opstonden om verder te gaan,
sprak hij, zacht maar scherp: ‘Wat zal het een mooi gezicht zijn, als het kamp van de Blanda's in brand staat... Dat zal zijn als wel twintig ladanghuizen bij elkaar!’
Zwijgend gingen La Ballo en Andoe weer achter hem aan, en ze togen al maar verder, al maar verder, het dal uit en weer andere heuvels op, en ze gingen huisjes voorbij, waar honden blaften en kippen krioelden en naakte kindertjes rond liepen.
Toen ze het eind van een klein boschje hadden bereikt, en de weg opeens steil, bijna loodrecht, naar beneden ging, zag La Ballo de kalme ‘Rustende Schoone’ liggen;... alweer een goede oude bekende! O, hij had wel willen schreien, als hij gekund had! En dáár, juist dicht bij 't hoofd van de ‘Rustende Schoone’, steeg een wit wolkje op - 't ging recht naar haar voorhoofd, maar de wind joeg het schuins uit, en zoo bleef het drijven en verging tot niets, maar de vlammetjes van een ladanghuis werden zichtbaar. Toch bleef ‘de Schoone’ rusten, eeuwig slapen; ook dit droevige, dat zoo vlak bij haar gebeurde, trok zij zich niet aan; en ze liet het witte rookkolommetje maar dwalen langs haar zijden, en zich zacht bewegen op den ademtocht van den wind.
Zij rustten weer en aten wat rijst in een klein
huis, waar een vrouwtje alleen woonde. Daar vlak bij was een donkere heldere bron, waar zware boomen als wachters om heen stonden, en waarin de grijze koude steenen zich even weerkaatsten als in een ouden spiegel. Vrouwtjes kwamen het wegje af en vulden haar kruiken aan de donkere bron, en La Ballo dronk er uit met zijn holle handen. Maar toen moesten zij verder, wilden zij vóór de schemering bij het Bosch van Mada zijn.
La Tjoebo wist wel waarom hij juist deze plek had uitgekozen om vooreerst te blijven. In het Bosch van Mada zou de eerste groote verzameling plaats hebben der bergbewoners.
Langen tijd had hij dit alles voorbereid, en nu zou er uitvoering aan zijn plannen gegeven worden; nu zou hij morgenavond zien hoevelen woord zouden houden, en komen om den ondergang der Hollanders te bespreken. Als dan de groote dag daar was, waarop zij allen op zouden trekken naar het Hollandsche bivak, dàn eerst zou Deng Pabéle verschijnen, de man die zich later als vorst zou doen uitroepen... La Ballo, die zulk een gewichtige rol zou spelen, wist nog wel niets van dit alles, maar dien zou hij, La Tjoebo, wel leeren wat hij doen moest.
En tegen het vallen van den avond kwamen
zij werkelijk aan bij het huis van La Nanré, dat, hoog en groot, somber oprees tegen het nog somberder groen van het bosch.
Het huis van La Nanré werd door iedereen ‘Bola Manoe’, het ‘Huis met den Haan’ genoemd, want boven in de nok prijkte een kunstig uitgesneden houten haan; dat wil zeggen: alleen de kop en de lange hals en vele gekrulde houten veeren staken er uit, terwijl heel aan het achtergedeelte van het huis de lange staart uit het dak te voorschijn kwam. Die staart was een lang mooi uitgesneden ornament, dat meer op een tak bloemen leek dan op een hanestaart, maar het moest toch werkelijk den staart van den haan voorstellen. Het Huis met den Haan stond natuurlijk op palen, en onder het huis stalden paarden en geiten; daar lag ook allerlei afval waar de kippen in krioelden. Er was maar een klein plekje voor erf opengehouden, want rondom het huis begon reeds de dichte woudgroeiing.
Nu, La Tjoebo kon tevreden wezen. La Nanré en zijn vrouw en dochters althans waren ‘getrouwen’. Zij hadden alles nauwkeurig zoo in gereedheid gebracht als hij het gezegd had. Stapeltjes witte kleederen, witte broeken en baadjes en sarongs lagen klaar, - de kleederen
welke de Inlander aantrekt als hij zich ten doode wijdt. Daar waren de vrouw en dochters van La Nanré, I Joeke, I Doné en I Maléë, dagen aan bezig geweest. La Nanré zelf had al honderden dunne stokjes halverwege met een wit lapje omwikkeld, - dat zouden de wapens zijn! Die dunne stokjes zouden, nadat zij door vrome gebeden geheiligd waren, verschrikkelijke geweren worden, zoodra de dragers er van het bivak der Hollanders naderden; men kon bovendien zich nog wapenen met krissen en lansen, maar deze stokjes, die als wonderdoende toovermiddelen onder het volk moesten worden gebracht, zouden veel meer helpen dan echte wapenen, ze zouden allen die ze droegen onkwetsbaar maken.
Zelfs La Tjoebo en Andoe hielpen 's avonds bij het licht der pelèn nog mede stokjes omwikkelen. La Ballo, wiens aangenomen naam ‘La Dingro’ met een zekeren eerbied door de vrouw en dochters van La Nanré werd uitgesproken, mocht niets doen. La Tjoebo zeide dadelijk, dat hij deze laatste dagen in vrome gepeinzen moest doorbrengen, bijna geen voedsel tot zich mocht nemen, en stil in het hoekje moest blijven zitten dat hij hem aanwees; dan zou van zelf de Heilige Geest voor hem verschijnen en in hem varen ... La Bailo
was te moe om niet dadelijk in het aangewezen hoekje van het groote huis te gaan zitten. Hij zat daar waarlijk als een klein Boeddhabeeld, en zijn oogen werden groot en strak als hij naar de werkende vrouwen en meisjes keek, die om het flikkerende licht heen zaten en stokjes omwikkelden. Den volgenden dag werd La Dingro weer in het hoekje gezet, en toen de anderen buiten waren kwam er een ‘penâti’ binnen, een priesteres, dat zag La Ballo dadelijk, want zij droeg een dunnen witten sluier, bezaaid met gouden sterretjes, om hoofd en schouders, het kenteeken der vrome Mohammedanen die een bedevaart hebben gemaakt naar het heilige Mekka. Haar bruin gezichtje, gerimpeld en donker als een okkernoot, kwam slechts even te voorschijn uit den dunnen witten doek. Deze ‘penâti’ had La Tjoebo bestemd om La Dingro te helpen de goede geesten op te roepen. Zij ging dicht bij hem op den grond zitten; eerbiedig raakte zij even La Ballo's arm aan en fluisterde zacht: ‘La Dingro!’ Toen begon zij te prevelen, al maar te prevelen, en ze boog haar wit gesluierd hoofd naar omlaag en keek al maar naar één punt, en het was of La Ballo zich ook voorover moest buigen en kijken naar één punt, naar de plooi van zijn blauwe sarong waar zijn bruine handen in lagen.
‘Ontferm U over ons, Patoto,1) beschikker van 's menschen lot,’ prevelde de priesteres; ‘maak dezen Widyadhara, dezen van den hemel gezondene, deze edele spruit uit een oud geslacht, sterk en onkwetsbaar in den heiligen oorlog.
‘Ontferm U onzer, en luister niet naar het geraas daarbuiten, noch naar het geraas in huis, noch naar het geraas op den grond ...
‘Kom toch herwaarts, Patoto, blijf daar niet voor de deur staan, zorg dat de Heilige Gees blijve in dezen hemeling, die den vijand verslaan zal, die daarna onze vorst zal worden en regeeren over ons tot zijn beenderen wit worden.
‘Laat, Groote Geest, de zielen der dieren ten hemel stijgen, die wij U offeren zullen!
‘Maak La Dingro, den Widyadhara,2) sterk als een buffel met gouden horens. Verhoor ons, Patoto! Heilige Geest, maak La Dingro tot den Hoemayoenâ, Hoemayoenâ3) ...’
Het was of een bij gonsde wanneer de vrouw haar zacht ‘Hoemayoenâ’ uitsprak... La Ballo voelde zich zoo vreemd worden in het groote half verlichte huis, waarin het hooge dak tot boven aan toe zijn balken liet zien. Heel vooraan,
bij het licht van een kleine opening, zaten de vrouwen en naaiden aan de witte kleederen; de mannen waren buiten; alles was zoo droomerig stil, en het prevelen van de gesluierde vrouw leek een eentonig slaaplied. La Ballo wist niet meer of hij waakte of droomde, en soms was het hem of hij naast de vrouw hoorde fluisteren: dat was misschien Patoto, de Groote Geest! en het was of er lichte gestalten daar in den hoek rondwaarden, daar achter in het huis; maar hij zag ze niet, hij hield zijn oogen maar steeds gevestigd op zijn handen, hij dàcht het alleen maar. Hij voelde niet meer dat hij honger en dorst had. Het was of hij zweefde; en het eenige dat werkelijkheid voor hem had, was de witte sluier der vrouw en haar zacht heen en weer wiegelend bovenlijf, en de geur van de kenangabloem1) die zij in het haar droeg....
En toen de avond viel, en het al donkerder werd om hem heen, en de priesteres eindelijk was opgestaan, toen kwam er een zonderling leven en beweging in en om La Nanré's huis. Het was
of de boomen ook wisten van de dingen die komen zouden, want zij ruischten onrustig met hun loover alsof de wind hun iets toefluisterde dat hen ontroerde. En La Ballo, half versuft, met starende oogen in zijn hoekje zittende, zag La Tjoebo op zich af komen. De magere gestalte met de witte sik bewoog zich geheimzinnig; en toen hij vlak bij hem was fluisterde hij hem toe: ‘La Dingro, nu is de avond gekomen, nu zal het volk weten wie je bent. Zeg mij dit na: ‘Ik ben La Dingro, de hemeling, die gekomen is om u te verlossen.’
‘Ik ben La Dingro, de hemeling,’ herhaalde La Ballo schor.
‘Die gekomen is om u te verlossen ...’
‘Die gekomen is om u te verlossen ...’
‘En de Blanken te verjagen uit het land ...’
‘En de Blanken te verjagen uit het land ...’
‘Opdat het geslacht van Deng Pabéle zal regeeren.’
‘Opdat het geslacht van Deng Pabéle zal regeeren.’
La Tjoebo liet het hem nog eens zeggen en nog eens; toen zeide hij: ‘Sta op, La Dingro!’
De kleine La Ballo stond op. Wat voelde hij zich klein en zwak! Het brandde in hem, alles brandde. Zijn oogen stonden groot en hol. La Tjoebo zag het en dacht: ‘Zoo is 't juist goed,
hij begint er al meer uit te zien als iemand die uit den hemel komt.’
Voorzichtig daalde La Tjoebo met La Dingro de ladder af. Buiten bij walmend fakkellicht stonden de vrouwen en Andoe en nog iemand, een kind. La Ballo kon niet zien wie het was, maar toen La Nanré naar hem toe kwam en hem vroeg op zijn schouder plaats te nemen, want de hemelsche La Dingro zou gedragen worden naar het Bosch van Mada, toen viel het licht van de fakkel op het gezicht van het kind en herkende La Ballo ... Inara! Inara hier! hoe kwam zij hier? Waarom was zij hier? Zij had even tegen hem gelachen, maar La Ballo had al geen tijd meer haar op zijn beurt toe te knikken, want nu werd hij omhoog geheven en moest hij zich heel recht en onbewegelijk houden; gelijk een prinses die gedragen wordt, om niet van den schouder van den drager af te vallen. Zoo gingen de mannen voort en de vrouwen daarachter; en nog meer menschen hadden zich bij hen aangesloten, dat hoorde La Ballo aan het schuifelen der voeten in het gras. Hij zag niets dan den pikzwarten nacht voor zich, en de helsche, laaiende, licht uitstralende walmende vlam van de fakkel, die La Tjoebo met opgeheven arm onder hem droeg. Vreemd voelde hij zich, vreemd. Waar werd hij toch
heen gedragen, naar welk vreeselijk duister, en welke stem lokte en riep toch zoo geheimzinnig, en welke booze geesten zweefden toch om hem heen en raakten hem aan met hun onzichtbare vingers?
Het bosch was vlak bij, ze waren er al in, maar nog wat verder op, op veiliger plaats, zou de samenkomst zijn van de honderden lieden die La Tjoebo besteld had.
Er schemerden vlammetjes tusschen de dicht op elkaar staande boomstammen, tusschen de als touwen zich wringende en slingerende lianen,1) tusschen de groote wuivende varenplanten; en zooals altijd wanneer er menschen 's avonds loopen over de stille wegen of bij elkaar komen om te praten, begonnen overal de verwaarloosde schurftige kamponghonden te blaffen en hieven een jankend gegil aan.
Hoog werd La Ballo gedragen, en vreemd werd de kleine jongen beschenen door het flikkerende fakkellicht dat zijn oogen donker liet - zijn groote oogen, nu star en glanzend als die van een opiumschuiver.
La Tjoebo had zijn werk goed verricht, zijn duivelswerk; en toen al de mannen die daar
verzameld waren op de open plek tusschen de hemelhooge donkere boomen, wier stammen zich spookachtig verhieven in de duisternis, toen zij den kleinen jongen daar zagen aankomen, gedragen door La Nanré, gevolgd door den stoet vrouwen, riepen vele stemmen: ‘La Dingro! La Dingro!’ Want La Tjoebo, die zijn arbeid waarlijk met kunstig overleg had uitgevoerd, voorzichtig als de weefster die haar draden op het getouw spant, had ook dit niet vergeten: in alle huisjes te gewagen van een jongen vorst die neer zou dalen uit den hemel, een spruit uit het geslacht van Deng Pabéle, den grooten heer, om het volk te verlossen van de Blanken.
En daar was hij nu! O! La Tjoebo was een profeet, een ware profeet! Nu dit was uitgekomen, was er ook geen twijfel aan of zij allen zouden onkwetsbaar zijn. Ook dit had La Tjoebo immers voorspeld?
Als een bedwelmende drank had het geroep van ‘La Dingro! La Dingro!’ La Ballo aangedaan. Ouderen en wijzeren dan hij zouden bezwaarlijk weerstand bieden aan zulk een ophemeling en vergoding!
Wie kan zich nog als een gewoon mensch blijven voelen, als men hem van alle kanten aanroept als vorst, als God, als hemelwonder, - en dat alles lag besloten in dien naam ‘La Dingro’!
Hoog verheven voelde La Ballo zich opeens, niet alleen omdat hij op den schouder van La Nanré zat en op de anderen neerzag, maar werkelijk hoog, hoog, als zweefde hij boven allen uit; en eventjes, heel vluchtig, verlichtte La Tjoebo voor het volk het bruine gezichtje van den knaap, met de donkere oogen en de donkere songko op het zwarte haar.
‘Zet hem neer,’ zeide La Tjoebo tot den drager, en La Nanré zette voorzichtig La Ballo neer, vlak bij het heen en weer zwaaiend vlammenvuurtje van eenige fakkels die daar op elkaar waren geworpen, en bij welks licht al de mannen en vrouwen neerhurkten. Er waren wel twee honderd mannen. Gretig keken de zwarte koppen, de donkere oogen, over elkaar heen naar La Ballo die vlak voor La Tjoebo gezet was, zoodat deze met zijn handen de schouders van den jongen aanraken kon.
Het janken van de vele honden verstierf langzamerhand. Even ruischte een schuddende wind door het dichte donkere woud achter en rondom de plek waar al die menschen verzameld waren, toen was het stil en begon La Tjoebo te spreken:
‘Er is geen man onder u die niet weet waarom onze heer, Deng Pabéle, u allen hier in het Bosch heeft doen vergaderen. Is er één
onder u? dat die dan spreke ...’ La Tjoebo hield even op. Niemand antwoordde; toen trok hij uit den gordel van zijn sarong een papier en ging voort: ‘Mannen uit Medalla en uit den omtrek hier, dit is de brief dien onze heer mij heeft toegezonden om u vanavond voor te lezen. Aldus spreekt Deng Pabéle onze gebieder: ‘Allen die hedenavond in het Bosch van Mada verschenen zijn, groet ik, ouden en jongen te gader, en ik richt het woord tot hen om hun te zeggen dat nu de tijd gekomen is waarin ik, evenals de groote kemphaan die lang onder een korf gezeten heeft en nu vol vuur en leven naar buiten treedt, met vertrouwen ten strijde tegen de Blanken ga trekken, zooals de landbouwer met zijn ploeg door den akker gaat. Vat ze dus terdege aan, de handvatsels der ploegen, drijft uwe buffels met verstand vooruit, opdat het land doorsneden worde met diepe voren en de aarde open ligge voor nieuw zaad. O! mannen en jongelieden en vrouwen, verdraagt het niet langer dat ge als een buffelhuid in stukken gesneden wordt door de Hollanders, dat gij als paddi gestampt wordt in het rijstblok, verdraagt het niet dat men u uwe huizen uitzet en ze in vlammen doet opgaan, dat men u het zuur verdiende geld ontsteelt, dat men uwe vrouwen en dochters tot slavinnen maakt.
Roep de ‘hadat’1) weer op, de aloude wetten die heilig zijn voor ons land en volk. Die ‘hadat’ zegt dat er geen rechters over ons gesteld zullen worden dan alleen zij wier ouders en voorouders óók rechters waren, dat er geen vorsten zullen zijn dan alleen zij wier ouders en voorouders óók vorsten waren. De ‘hadat’, de heilige wet, vervloekt dus den vreemdeling, dien ik als wettige vorst van dit land tegemoet ga. Ik heb u opgeroepen om met mij een verbond te sluiten, opdat wij, ten oorlog trekkende, eendrachtig zijn zullen als de spaken van het spinnewiel, want vereend moeten wij het land zuiveren van de onreine Christenen, wier ziel zwart is als de onderwereld! Gij die ter linker, en gij die ter rechter zijde zit, luistert naar hetgeen door mij op den Heiligen Berg is vernomen. Alle dapperen die mede zullen uittrekken om de menschen van de ‘Compagnie’2) te verdelgen, zullen onkwetsbaar zijn wanneer zij slechts op den goeden datum uittrekken,
die zal zijn de achtste van de maand Ramalang, des nachts als de hanen reeds drie keer gekraaid hebben. Zij zullen onkwetsbaar zijn als zij zich wapenen met de heilige stokken, welke onmiddellijk in vèrschietende geweren zullen veranderen als wij het bivak der Blanda's naderen. Zij zullen verder onkwetsbaar zijn, als zij zich scharen achter den heiligen, ons uit den Hemel wedergezonden zoon La Dingro. Ik roep u allen op ten strijde; wij willen met onze wapenen het oorlogsveld overstroomen. Weg met de overheerschers! Dood, dood aan al wat blank en Christen en verrader is! Weest niet als lafaards die, vreezend den strijd, uitrusten onder den lommerrijken ampoeladjangboom,1) ook al geuren zijn vruchten nog zoo verleidelijk. Weest niet gelijk de huishen die den strijd ontwijkt, maar treedt naar voren als dappere kemphanen wier veeren rechtop gaan staan als zij den tegenstander ontmoeten. Gij allen dus, die mannen zijt, komt samen in den nacht dien ik genoemd heb, in het huis van L