[p. I]
Aen den wel edelen gestrengen heer J. van Crombrugghe, ridder van het orde van den Nederlandschen leeuw, oud-staetsraed in buitengewoonen dienst, oud-lid der staten-generael, burgemeester der stad Gent.
Het Hoofd der Vlaemsche dichterscharen,
De zoon van
Gent
, ontklimt het graf;
Hy rijst na lang verstoven jaren
En grijpt op nieuw den dichterstaf.
U, dien wy praelgebouwen danken,
U offren wy die zoete klanken
Der gouden luit, een letterschat.
Gy zult den Zanger niet verstooten:
Door U ryze eens voor Zevecoten
Een eerzuil in zijn vaderstad.
Ph. Blommaert.