[p. 36]
Bruyloft-Dicht.
Phyllis ginck lest buyten spelen,
In het midden van de mey,
Lancxt de kanten van de Ley,
Daer de vogels soeter quelen,
Daer de velden groender staen,
Met nieu jeudig gras gelaen.
Corydon die sag haer komen,
Corydon, den fraysten quant
Van het heele Nederlant,
En heeft vast voor hem genomen
Haer te schencken zynen sin,
Haer te schencken al zijn min:
En heeft by de macht gesworen
Van den bog' en van den schicht,
Van 't blint-siende Venus wicht,
Dat hy Phyllis heeft verkoren,
Dat in blijtschap en in pijn,
Phyllis sou de liefste sijn.
Waerom sout hy haer niet minnen?
Phyllis hevet wel verdient
T'hebben Corydon voor vrient:
Zy kan in volmaecktheyt winnen
Al der Nimphen soet aenschijn,
Die ontrent de Leye sijn.
[p. 37]
Noyt en heeft de locht geschoncken
Harderinne meerder goet,
Als zy dese Phyllis doet:
Zy doet yders hert ontvoncken,
Zy is soeter dan een lam,
Dat eerst van zijn moeder quam.
Aengenamer dan den regen,
Die beschut het groene velt
Van de Sonnens groot gewelt,
En de vogelkens die plegen
Met een liefelick getier,
T'onderhouden Venus vier.
Doch daer by is zy hooveerdig,
Onbeweeglick, ongetrou,
Meer als eenig' ander vrou;
Om dat zy weet dat zy weerdig
Is te sijn een princens bruyt,
Al de harders hebben uyt.
Dit heeft Corydon doen klagen
Voor zijn Phyllis doove deur,
Vol van droefheyt en getreur,
Meer dan vijfmael vijftig dagen,
Phyllis ongenadigheyt,
Phyllis ongestadigheyt.
Corydon wat wild' u quellen?
Waerom blijft ghy in 't verdriet?
Kende ghy noch Phyllis niet?
Phyllis laet haer niet verstellen,
Al uw' klagen zy veracht
En met al uw' suchten lacht.
[p. 38]
Phyllis, g'hebbet spel verloren,
Venus met haer borgery
Staen de ware minnaers by;
Zy heeft Corydon verkoren
Om te geven u zijn trou,
Om u t'hebben voor een vrou.
Wilt ghy tegen Venus steken,
Die de dochters hoogen moet
Onder haer neerbuygen doet?
Phyllis, hier en helpt geen spreken,
Noch geen pracht, noch geen gequel,
Corydon die wint het spel.
Corydon droogt dan uw' oogen,
Phyllis, die ghy hebt gesocht,
Wert u in den schoot gebrocht;
Nu moet Phyllis wel gedoogen,
Dat van desen dag voortaen
Ghy sult wesen haren man.
Nu sal zy de bitter qualen,
En de pynen, en de smert,
Die ghy hebt gevoelt in 't hert,
Met veel soentjens u betalen,
Met veel soentjens dag en nacht,
U voldoen voor uwe klacht.
Gaet geluckig t'samen leven,
Draegt de suere soetigheyt,
Draegt de soete suerigheyt,
Die den echten staet sal geven,
Tot dat u de gryse doot
Beede stelt in Charons boot