XX. Narcissus in een woud, aen zyne voeten eene narcissus-plant.
Niet al te vroech, maer vroech genoech
.
Narcissus, soo men segt, en wilde noyt beminnen
De Nimphen van het bos, noch oock de velt-godinnen;
Hy docht, het was te vroech; maer nu hy is verdroogt:
Een vruchteloose blom sich voor Narcissus toogt.
Die trouwen wilt, en dient soo lange niet te wachten
Tot dat den ouderdom ontstolen heeft zijn krachten;
Een man berooft van macht, een vrouwe sonder vrucht,
En bringt niet in het huys dan druck en ongenucht.