XXVI. De aengebedene Fortuin.
Niet sonder sweet, wert ons bereet
.
Nu lestmael daer ick quam, was eenen man geseten
Mistroostig, heel ontstelt, en t'eenemael bekreten;
Ick vraegde wat hy had: hy seyde dat zijn broer
Nu rijck en edel was, en hy bleef eenen boer.
Wel, Hennen, wat sal 't sijn? wilt ghy oock sijn verheven?
Ghy moet u eerst tot deugt en wetenschap begeven:
De gunstige Fortuyn en volgt niet dan met pijn,
Wat helpt een luy gebet? zy wilt gedwongen sijn.