[p. 94]
XXXI. Een hazenwind en een rekel.
De doot bevrijt den mensch van nijt
.
Den snellen hasewint, geweyig in het jagen,
En sult ghy nimmermeer sien hasen-beenen knagen:
Dat komt de rekels toe; hy hout sich dan te vreen
Als hy den Hase kan verbyten en vertreen.
Die met zyn penne wilt het werck en name deeren
Van die nu uyt haer graf sich niet en konnen weeren,
Doet maer een rekels werck: een hooch-geboren hert
Met dat zijn vyant sterft, vrient van den dooden wert.