XLVI. Een jongeling stookt het vuer aen.
Die luttel las, noyt kloeck en was
.
Die tot geleertheyt hoopt al slapende te komen,
Heeft dat onmoglick is sich selven voorgenomen;
De gunstige Natuer heeft binnen ons verstant
Een hemels vier gemaeckt, een goddelicken brant:
Is 't dat ghy wilt de vlam doen naer den hemel trecken,
Ghy moet de kracht van vier met stoken gaen verwecken;
Daer niet en wert gestoockt, al is het vier eerst groot,
De assche deckt de kool, de vlamme wert gedoot.