terug  begin  verder
[p. 9]

I
Frans Henri de Ziel (1916-1975)
Een eenzame reformist
Ronny Klimsop

[p. 10]

1. Inleiding

Toen mij gevraagd werd een bijdrage te leveren binnen het kader van deze uitgave, kon ik moeilijk weigeren, en toonde dan ook zonder aarzeling mijn bereidheid. Ik was diep onder de indruk van het verscheiden van mijn vriend en oud-onderwijzer, Henny de Ziel, die ik uitermate bewonderde. Allengs werd mij duidelijk, voor welk een moeilijke opgave ik was geplaatst. Het is niet gemakkelijk een figuur als Henny de Ziel recht te doen. Daarvoor moet je hem zeer goed gekend hebben. En hoewel ik hem vrij lang van nabij heb gekend en met hem van gedachten mocht wisselen over de meest uiteenlopende onderwerpen (literatuur, godsdienst, politiek, geschiedenis van Suriname, enz.), kan ik desondanks niet zeggen dat ik hem inderdaad door en door kende. Daarvoor was hij een te gecompliceerde persoonlijkheid. Wat ik hier voorzichtig over hem zal neerschrijven, moet beschouwd worden als een in mij achter gebleven impressie: mijn persoonlijke visie op de mens Henny de Ziel. Het toeval wil dat hij - tijdens zijn leven - min of meer op de hoogte was van mijn oordeel over hem. Wij stonden immers open voor elkaar en durfden op basis van die openheid onze diepste geheimen aan elkaar toe te vertrouwen.

Ik heb ook dankbaar gebruik gemaakt van herinneringen van Henny's leeftijdsgenoten, voor zover zij iets over hem hebben gepubliceerd. Bovendien heb ik ruim gebruik kunnen maken van dagboekaantekeningen, te vinden in een drietal schoolschriften, geschreven tussen 1933 en 1936, later opnieuw opgevat tijdens zijn verblijf op Catharina Sophia (Saramacca) in 1941. Henny behoorde tot één van die belangwekkende Surinamers die er een dagboek op na hielden. In het midden der zestiger jaren raadpleegde hij veelvuldig deze schriften, veelal om historische feitelijkheden te verifiëren.

[p. 11]

Hij liet ze mij zien en vertrouwde mij een enkele keer één en ander van de inhoud toe. Hij placht mij daarbij aan te moedigen zelf ook aantekeningen te maken van belangrijke voorvallen uit mijn leven. Zonder deze aantekeningen zou het mij bepaald niet gemakkelijk gevallen zijn een aanvaardbaar profiel van hem te schetsen. In zijn dagboeken heeft hij minutieus opgetekend, wat hem gebeurde en hoe hij op zijn omgeving reageerde. Hij schreef over zijn vrienden, vriendinnen, leraren, het Internaat van de Evangelische Broedergemeente, over predikanten die hem konden stichten, zijn lichamelijke gesteldheid, het weer, zijn familieleden, zijn studie, maar ook over een aantal gebeurtenissen in Paramaribo. Het frappeert de lezer, dat een jongen van nog maar zeventien zulk een volwassen kijk had op het leven, en toen al in staat was het kaf van het koren te scheiden. Het dagboek toont verder hoe zijn handschrift veranderde, hoe hij worstelde met levensvragen, en volwassen werd.

2. Kleutertijd en schooljaren

Een streng Christelijke opvoeding maakte dat Henny veel waarde hechtte aan Christelijke hoogtijdagen (Pinksteren, Pasen en Kerstfeest). Het is dan ook tekenend dat zijn laatste serie gedichten Kerstgedichten waren. Op achtjarige leeftijd maakte hij, overeenkomstig een oude Surinaamse traditie, een kerstster waar hij bijzonder trots op was. Een meisje dat toen in het huis van de De Ziels logeerde moet door een onhandigheid een brandende kaars verkeerd in de ster hebben geplaatst, waardoor het werkstuk van de kleine Henny in vlammen opging. Het gebeurde moet diepe indruk op hem hebben gemaakt, want op oudere leeftijd sprak hij er nog over.

Speelmakkers, althans kinderen buiten het gezin De Ziel, had hij nauwelijks of in het geheel niet. Uit eigen

[p. 12]

kracht heeft hij zich tot een sociaal vaardig kind ontwikkeld. Voor zijn grootvader, een kleermaker, had hij grote bewondering. Naar wat hij mij persoonlijk vertelde, ging hij als kind bij hem troost zoeken, wanneer zijn moeder niet tevreden was over zijn houding of om andere redenen. Zijn grootvader was voor hem een wijsgeer, in wiens schoot hij soms kwam uithuilen. Het is deze oude man geweest, die hem wijze levenslessen gaf. Volgens eigen mededeling was hij een teruggetrokken kind, dat zich, reeds voordat hij behoorlijk lezen kon, bezig hield met boeken, die later zijn beste vrienden zouden worden.

Zijn lagere schooltijd heeft hij doorgebracht op de Comeniusschool der Evangelische Broedergemeente in Suriname, toentertijd een basisschool met een klinkende naam. Toen hij van de derde naar de vierde klas bevorderd zou worden, nodigde de onderwijzer zijn moeder uit voor een gesprek en deelde haar mee dat Henny nodeloos zijn tijd in de vierde zou verprutsen en direct naar de vijfde bevorderd werd. Hij doorliep de basisschool ook verder met goed gevolg.

Hierna mocht hij naar de Graaf van Zinzendorfschool, in die dagen de enige muloschool van de Herrnhutters in ons land. Ook deze school had een zeer goede naam. Vele prominenten in het contemporaine Suriname hebben er hun vorming gehad. Inderdaad hun vorming, want deze school was meer dan een normale school, zij was een leerinstituut waar werd opgevoed en onderwezen. Het was de tijd toen de ‘Didactica Magna’ van de laatste Bisschop van de oude Broeder Uniteit, Johan Amos Comenius, werd toegepast op de Surinaamse onderwijssituatie: ‘Als wij goed ingerichte kerken, staten en huishoudingen wensen, dan moeten wij vóór alles de scholen goed inrichten en doen bloeien.’ (Comenius). Vanaf zijn 13de jaar verbleef Henny (kosteloos) op het

[p. 13]

internaat van de Broedergemeente en bezocht van daaruit de mulo. Later werd hij als pleegkind opgenomen in het gezin van de onderwijzer Oostburg. Hier heeft hij zich tot een zelfstandig mens weten te ontwikkelen. Hij moet een harde werker geweest zijn en het wil mij toeschijnen dat hij meer van zijn krachten vergde, dan zijn zwakke gezondheid hem toestond. Hij had een zwak gestel, was zeer vatbaar voor verkoudheid en zou zich pas veel later enigszins gaan ontzien.

De persoonlijkste dagboekaantekeningen dateren uit 1933. Een deel daarvan is in geheimschrift geschreven en moet verband houden met verliefdheden. Het is duidelijk dat hij zich vaag bewust begint te worden een ‘roeping’ te hebben. Hij schrijft (15/7 1933):

‘Alles wordt hoe langer, hoe duidelijker en 'k voel diep in mijn ziel, dat ik een roeping heb, maar durf 't nog niet met zekerheid zeggen, vooral wanneer ik aan mijn eigen zwakheid denk. 'k Heb zoo'n gevoel alsof een groot werk op mij wacht. Soms zijn er ook tijden, wanneer ik me zoo zwak gevoel, dat ik alles slechts voor een ijdel denkbeeld aanzie. Dan weer zijn er oogenblikken dat alles wat met mij gebeurt zóó met elkaar samenhangt, dat ik denk: neen, dit is geen droom, 't heeft inhoud, er zit iets achter. 't Eenige wat ik doen kan, is maar in mijn lot berusten, want God is en zal altijd een ondoorgrondlijk Wezen blijven.’

Maar in schril contrast daarmee schrijft hij enkele dagen later (19/7 1933):

‘Deze dag schijnt wel voor mij de moeilijkste te zijn tot nu toe. Ik ben zeer terneergeslagen: alle energie is weg. Niet eens mijn huiswerk kan ik vandaag afmaken. Ik weet heelemaal niet wat ik heb. Alle hoop op een toekomst is verdwenen. Niets interes-
[p. 14]
seert mij.’

Of, nog wanhopiger (6/8 1933):

‘Gods opvoedingsmiddelen zijn toch eigenaardig! Slechts enkele oogenblikken zijn er maar, waarin ik alles duidelijk zie. Meestentijds is alles zoo vaag en vraag ik mezelf af, wanneer er iets is gebeurd: waarom moest dat zoo zijn? Mijn idealen, waar zijn die? Mijn machtige luchtkasteelen zijn inéén gestort. Mijn veerkracht is gebroken. En toch, ik ben pas zeventien! Mijn oogen die vroeger alleen maar naar 't schoone van de toekomst zagen, zien nu op mezelf. En wat zien ze? Een arme, die nu pas begint te ontwaren dat hij arm is. En toch, ik ben pas zetien! Nu reeds verslagen!? Ik weet 't niet. O God! Zijt Gij 't Die zóó werkt!!’

Het onderwijs begint nu ook volwassen te worden. Hij ontdekt dit en merkt er zelf over op (8/12 1933):

‘Nieuwe meesters, nieuwe wetten zegt 't spreekwoord en 't is waar. Werd ons vroeger de wiskunde stof voorgekauwd op school, thans moeten we zelfstandig werken. Dit is ook 't geval met Fransch. Op zichzelf beschouwd is dit goed maar daardoor wordt ons 't leven zuurder gemaakt. 't Schijnt nogal mee te vallen. Vanavond heb ik heel wat sommen zelf gemaakt. Ook was m'n Fransch-rep-cijfer vandaag een 8½. (27 Nov. was 't 2). Mocht ik 't diploma behalen dan zal ik gerust tot iemand kunnen zeggen: Ik kan wat.’

Het is niet voor niets, dat hij in de eerste plaats over de wiskunde spreekt. De wiskundeleraar (meester Tjon) maakte grote indruk op hem. Nog op het einde van zijn leven sprak hij over deze leraar en zijn onderwijs. Toch

[p. 15]

stond hij niet op zulk een goede voet met de wiskunde. Hij schrijft (18/12 1933):

‘Onder rekenen-rep een echte ezel geweest. Schreef met kalmste kalmte dat 1000 deelbaar is door 16. Vind rekenen een echte rommel en wensch dat 't afgeschaft wordt. Zulk “lullivicatie” van cijfers en kapitalen enz. staat me niet aan.’

De volgende dag (19/12 1933):

‘Een figuur als modder geslagen tijdens cijferen, voor 't bord. Ach die hersenschimmige cijfersommen - een nagel aan m'n doodkist. Waarom die rommel niet opgeruimd? Daarentegen meester Essed zeer tevreden over scheikunde-prestatie: Na ik wat over chloor gereuteld hàd, hij zóó tevreden, hij me zelfs vroeg hoe of 'k heette!!! Met wiskunde wordt 't nòg schooner! Men krijgt bepaalde stof te bestudeeren en moet daarover op school doceeren. Ik nog geen beurt maar denk, me goed doorheen zal slaan!’

Een groot deel van de dagboeknotities gaan over contacten met vrienden, familieleden en medeleerlingen. De periode rond het einde van 1933 geeft een goed inzicht in zijn leven en de aard van zijn dagboek. Ik zal daarom hier de periode van 27-31 december 1933 citeren:

‘Te 8 u. v.m. er op uit, Evert af te halen om naar les te gaan. Daar congruentie-gevallen toegepast op gelijkbenigen (driehoek). Les - prettig, omdat meester Tjon slag van heeft, liefde voor zijn vakken op te wekken. Na les J. voor d'r bezoek van gister een tegenbezoek gebracht en daar gebleven tot ½ 1. Thuis zei mevr. me, ik brief boven heb en vind waarlijk een vodje op m'n bed. Na 'k opengemaakt blijkt brief niet aan mij gericht maar aan zeker “Lieve Tientje”. Brief dus verkeerd bezorgd, Be-
[p. 16]
sloot 's avonds een straatje te maken en was maar 'n klein eindje van huis, toen oma's zus ontmoette en die me, 'r kleine handjes in de mijne, 'n “zalig kerstfeest” gewenscht. Ook gezegd, m'n sterretjes erg mooi en iedereen ze bewondert.
Ging toen naar Suklu, maar die niet thuis, en daarom maar naar 't Internaat geloopen, Ragbier opgepikt en met hem naar de Stadszending en zou daar lezing van Hindostaansche geleerde hebben bijgewoond, maar daar niet goed gekleed, terug naar huis gewandeld.
Brief Smelik ontvangen.
Donderdag 28 December 1933. Dag mooi en daarom gedwongen uit te gaan. Wilde bij Liesdek gaan om Derksen I te lenen, maar onderweg van meening veranderd en doorgeloopen naar moeder. Die niet thuis getroffen en toen maar boven uit een doos wat oude brieven o.a. van mijn vriend Jacques v. Genderen gehaald, die overgelezen en een aangenaam halfuurtje gehad. Om ± 10 u. bij grootva en geruimen tijd met hem staan praten voor de poort (......) Toen langs de nieuwe Rust en Vredeschool naar huis. Wilde 's avonds lezing van Dr. Lashley in Stadszending volgen maar heb geen “kwakwa”. (......)
Vrijdag 29 December 1933. Tegen tijd om naar les te gaan, hevige buikpijn gehad, waardoor de les verzuimd en verder heele dag thuis gebleven.
Buitendien, weer slecht. 's Middags als een os geslapen en in droom een stuk Internaatsleven meegemaakt. Toen ik wakker werd dacht ik 't was ochtend, maar omdat alles zoo licht, kwam 'k tot bezinning en zag dat 't “full” middag was. Omdat niet naar les, kwam Liesdek tegen 6 opfluiten en vertelde van de les. Dit bleek niet veel zaaks. Verder
[p. 17]
hij gevraagd of we Dinsdagmiddag samen Duitsch doen. Een evenwichtig rooster opgesteld.
Zaterdag 30 December 1933. Regenweer. 'k Voelde me koortsig. Niet naar les, maar wel Zangdienst in Groote bijgewoond.
Zondag 31 December 1933. Druilerig weer. Zou Oud-jaar uitgaan omdat geen dienst in de Groote, maar om 11 u. door mevr. uitgestuurd om citroenzuur en gemberessence te koopen bij Singh. Deze z'n winkel gesloten. Terug thuis en daar mevr. beweert, hij om 11 uur opengaat, ik weer gegaan, maar hij gesloten. Op de terugweg door regen overvallen. En dat terwijl ik keelpijn heb (voorbode van influenza). 's Avonds in lange broek ter kerke om jaar te sluiten. Niet veel van de preek opgevangen omdat zeer onfatsoenlijk ding gebeurde: Een kind deed een luide p.... p.... hooren, waardoor natuurlijk heel de kerk aan 't “hm, hm, hm”. Toen kwam kerkdienaar en die zeurde net zoolang, tot moeder en kind opflikkerden! Ook een onaangenaam iets: Bij 't zitten gaan (na gebed) bonsden twee koppen, van mij en m'n voorman tegen elkaar. Erg pijnlijk en m'n voorman met verlegen lachje excuus tegen me zei, omdat hij ongelijk had. Nu, terwijl ik schrijf overal geknetter van vuurwerk - het kenmerk van oudejaarsavond. Terugblik. Afgeloopen jaar mag ik beschouwen als begin van nieuwe periode in mijn leven. Veel heb ik leeren liefhebben, maar ook moest ik veel, wat echt scheen, gaan wantrouwen. M'n idealen brokkelden telkens een stukje af, omdat mijn inzicht helderder werd, zodat ik altijd weer iets moest afnemen dat maar een kleinjongensdroom bleek. Ik heb moeten ondervinden hoe eer kan verwelken als een bloem, hoe zijn geurige aroma kan veranderen in een vieze vuile stank. En
[p. 18]
zoo dikwijls als ik dat ondervond, dacht ik bij mezelf - Sic transit gloria mundi. Ik ben mannelijker geworden nu, dat weet ik, niet omdat ik nu lange broek draag, maar omdat mijn weten zich vermannelijkte of dat nog bezig is te doen.
't Opbruisende in mij is weg, maakte plaats voor 't aarzelende. Is dat vrees? Vrees om te leven in deze moeilijke tijden! Ik weet 't niet. Mocht dat 't zijn dan wil 'k trachten 'm te verdrijven, want ook ik heb verleden zondag onder de kerstboom gebeden en mag dus niet bang zijn! Het kerkelijk jaar ben ik begonnen met een Machtige, 't burgerlijk jaar wil ik ook eindigen met dien Machtige, hopend dat '34 mij verder maken zal, zooals ik wezen moet: 1933 Vaarwel!! Amen, amen!!!’

Het waren vaak juist de kleine, onopvallende dingen die hem boeiden blijkens deze dagboekaantekeningen. Zijn godsdienstigheid treedt duidelijk naar voren. Hij doet zich kennen als een gevoelsmens, die zichzelf observeert, die liefde geeft en een ruime vriendenkring probeert op te bouwen. Hij spaart zichzelf niet, maar komt zonodig ruiterlijk voor de dag met eigen feilen. Toch was hij zeker geen somber mens. Hij zocht integendeel de vreugde op en probeerde anderen op te vrolijken. Hij hield veel van vertellen en kon met veel smaak moppen tappen (tot nog enkele dagen voor zijn dood).

Zijn glimlach was dan ook ‘echt’.

Ik zal helaas niet al te lang bij zijn dagboek kunnen verwijlen. Ik wil in het vervolg dan ook slechts enkele fragmenten citeren. Op 27 aug. 1934 vermeldt hij de uitslag van het examen en geeft in extenso de toespraak weer die hij namens zijn medescholieren bij het afscheid van de school heeft gehouden:

‘Van de 24 slechts 4 afgewezen (......) Schüster
[p. 19]
hoogste aantal punten behaald, 109, daarna Max met 105 en dan ik met 104. Nadat meneer Schütz gesproken, Inspecteur Simons een korte toespraak gehouden en toen ik uit naam van allen een speech afgestoken. Sprak 't volgende:
Geacht personeel Graaf van Zinzendorfschool en verdere aanwezigen!
Nu we hier voor 't laatst als klas bij elkaar zijn, wilde ik nog uit ons aller naam een kort woord zeggen:
Het spreekt vanzelf dat nu we geslaagd zijn, verschillende gevoelens in ons opkomen. Allereerst natuurlijk een gevoel van vreugde, want we hebben 't diploma, ons doel is bereikt, de plicht is gedaan. Maar als we een blik werpen op de jaren die achter ons liggen, op die prettige tijd, dan voelen we, dat we 't eens worden met de dichter die zegt: 'k Voel een traan m'n oog ontzwellen als ik denke, 't is voorbij. Doch ons vreugdegevoel is veel grooter. Het wil al 't andere overschaduwen. Het wil overschaduwen 't gevoel van dankbaarheid dat ergens in een heel klein hoekje van ons hart gekropen is, maar in ieder geval 't is er. Maar als eerlijke menschen willen we juist dit gevoel van dankbaarheid nu op de voorgrond stellen. Wij gevoelen dankbaarheid jegens en brengen hierbij onze hartgrondigen dank aan Hem, Die ons tot hiertoe geholpen heeft; en aan deze dank willen we ook een bede paren: Help verder ook, getrouwe Heer, Help als Gij hebt geholpen. In de tweede plaats gevoelen wij dankbaarheid jegens en brengen wij hier ook onze dank aan U allen, onderwijzers, die totnogtoe, als goede wegwijzers hebt gestaan op onze ontwikkelingsweg. Het is niet enkel en alleen maar om een speech af te steken dat wij dit zeggen, maar als wij zeggen dat wij
[p. 20]
U hierbij onze dank betuigen dan is 't werkelijk gemeend en 'k hoop dat u dit wilt gelooven. En nu wij geslaagd zijn en dus de school verlaten moeten gevoelen wij behoefte om iets achter te laten, om iets te geven, en al is 't iets onstoffelijks, wij hopen dat 't gewaardeerd zal worden. 't Is maar een wensch. Wij wenschen dat àlles moge geschonken worden aan het personeel van deze school; àlles, wat noodig is voor 't zoo verantwoordelijk vak-van-onderwijzer; àlles - van boven; wijs beleid aan 't hoofd, meneer Schütz, die de school al zes lange jaar “geschützt” heeft, zoodat de Graaf van Zin-zendorfschool nog lange jaarreeksen zal mogen meehelpen aan de opvoeding en aan de goede vorming van Suriname's jeugd en kòn het zijn, daarin een belangrijke rol spelen, tot eer van 't personeel, van de school zèlf, en tot hóoger eer, tot heil van land... en volk!’

Het is soms duidelijk dat in het dagboek van de achttienjarige Henny de Ziel de dichter Trefossa al aanwezig is. Wat hiervoor als een vage ‘roeping’ werd beschreven, krijgt nu duidelijker stem als ‘Ik wil in de samenleving kunnen zijn als een goed en mooi geschreven boek, waaraan de mensen iets hebben.’ Deze uitspraak vindt men in een aantekening uit 11 januari 1935, die als volgt luidt:

‘Neen! geenszins materiële rijkdom en welvaart, die mijn hart in beslag moeten nemen. Geen voorbereidingen tot een wilde jacht naar genoegens, waarin slechts een enkeling zich kan verheugen. Niet de projectie en berekening van een weg, waarlangs een wrang aardsgeluk moet gevonden worden. Maar een trachten mijn kleingeluk groot te zien en een pogen mijn geluk onvervalst te weten. Ik wil een
[p. 21]
zonnekind zijn, om deel te hebben aan het zonnegeluk. Ik moet in 't zonlicht staan en de zuivere zonnevreugd ervaren. Het moet zijn alsof er een kraan wordt opengezet en ik 't geluk ruisend in mij voel stromen. Het moet bruisend stijgen... hoger... hoger. Het moet overvloeien. Ik moet omvloeid worden door dat geluk. Ik moet in dat geluk staan; mij erin bewegen.
Ik wil door het leven gaan, het geluk in mij dragend als iets dat heerlijk geurt. In mij. Rond mij. De mensen moeten het merken. Ik moet ze dat geluk kunnen geven. Ik moet 't in hun ziel kunnen druppelen en 't moet ze geheel vervullen, zoals een paar droppels reukwater een ganse kamer vervullen met een heerlijke geur.
Ik wil in de samenleving kunnen zijn als een goed en mooi geschreven boek, waaraan de mensen iets hebben. Ze moeten dan warmblij gestemd worden en vreugde beleven, als ze mij lezen.
Ik wil kracht hebben om ellendigen te kunnen optrekken tot de hoogte waar geluk te vinden is. Op een vertrokken gelaat een glanzing en een glimlachje te brengen...... dàt voel ik als roeping. Als mijn roeping!’

Het bekende gedicht Bro is volledig terug te vinden in deze notitie van 3 Januari 1935:

‘Plotseling en machtig duikt de drang naar boven om van het alledaagse weg te vluchten naar een verre vreemde wijdopen plaats, waar men de zon 's morgens onbelet kan zien opgaan in haar glorieuze pracht, waar men haar kan zien stijgen met koninklijke statigheid, waar men kan staan met 't volle aangezicht naar haar gezicht om overgoten te worden door dat heerlijke licht...
[p. 22]
Ver, kilometers ver van de stad wil ik zijn. Ik wil een lang onbekend pad opgaan. Ik wil het zweet voelen op mijn aangezicht en rug, wanneer de zon brandt. Maar verder wil ik gaan, zwaar bepakt, moeizaam vooruit komend, doch nauwelijks in staat, want het begeren iets nieuws te zien is fel. Iets nieuws, dat geluk aanbrengt! Iets nieuws, dat bruisende blijheid geeft! Omdat je 't mocht zien! Omdat 't nu gaat behoren tot de dingen die je eens gezien hebt. Ver van de stad, daar liggen de bossen, de ondoordringbare wouden. Ik wil dat massagroen zien. Ik wil erin staan om te bewonderen dingen die 'k nog nóoit gezien heb, om te horen geluiden, die 'k nog nooit gehoord heb. Het mysterie van 't donkere woud wil ik beleven en wil een geheimzinnige vrees gevoelen bij 't aanschouwen van vreemd machtige dingen.
Uren in de verte moet ik 't horen ruisen. En bij 't naderen moet de ruising toenemen... steeds... steeds... tot ineens een geluid van verrukking mij moet ontsnappen... voor 't eerst een waterval te zien! Een echte waterval! Wit wild-neerschuimend water, wit woelend daaronder, witglanzend door 't daarop schijnend zonnelicht... Ik moet een berg zien, Zijn hoogte moet mij in de verte aantrekken. Een warm jubelgevoel moet in mijn borst geboren worden. Het moet zwellen en groter worden. En mijn voeten die reeds wilden rusten, moeten rapper worden in hun bewegingen: die berg moet beklommen. Moeizaam wil ik klimmen. Hijgend onder mijn last. Ik wil zijn kruin bereiken om vandaar uit het grote groen te aanschouwen.
O! weg van het alledaagse! Elken dag iets nieuws: Nieuwe gezichten. Nieuw geluk. Nieuwe vreugde. Verheuging om 't nieuwe, waarover het nieuwgebo-
[p. 23]
ren zonnelicht zal schijnen in de nieuwgeboren morgen.
Weg! weg!! wèg van het alledaagse!!! Plotseling duikelt hij òp, die drang, die mij wegdrijft met dringende gebaren. Zwellen doet het mijn kleine blijdschap, dat zwerversgeluk, dat alleen in mijn dromen zweeft...’

Eén van zijn oud-onderwijzers uit die periode, zijn latere vriend en collega L.A. Lauriers, vertelde mij het volgende:

‘Ik heb Henny de Ziel leren kennen in 1932. In 1932 was ik namelijk voor één jaar aan de Graaf van Zinzendorfschool uitgeleend. Henny behoorde toen tot één van mijn leerlingen (6e klas). Hij viel op door zijn beschaafdheid en vriendelijkheid. Hij heeft nooit straf van mij gehad. Hij hield veel van speechen. Toen hij in de 7e en 8e klas zat, hebben we elkaar uit het oog verloren. Later - op de onderwijzersopleiding voor de vierde rang - heeft hij les van mij gekregen (Nederlands). Nog later werd hij mijn collega. Ik was toen hoofd van de Selecta (een ulo-school der Evangelische Broedergemeente). Sedert is de band tussen ons gegroeid en steeds hechter geworden. Hij sprak veel en veelvuldig over de dood. Hij bezat de gave om op een bepaalde manier zijn standpunten te formuleren en te verdedigen. In z'n gedichten en artikelen - verschenen in “Onze Gids” (periodiek van de Christelijke Onderwijzersvereniging “Broederschap”) heeft hij vaak een boodschap willen brengen òf zich verdedigen tegen lasterpraat. Vaak bleef hij echter onbegrepen. Hij was een uiterst gevoelige jongeman die onnoemelijk veel gaf om “goede”
[p. 24]
vriendschap. Onze houding evolueerde langzaam maar zeker van die van onderwijzer-leerling tot die van collega tot collega. Hij kwam mij vaak om raad vragen inzake intermenselijke verhoudingen, en omdat wij elkaar goed kenden en bovenal vertrouwden, gaf ik hem mijn mening omtrent het een en ander. Henny had veel vrouwengezelschap, ook al vanwege zijn verschijning als populaire jongeman. In feite werd hij door die vrouwen “lastig” gevallen. En toch, hij was zeer op hen gesteld. Voor de vrouw koesterde hij een zeer hoge achting, een soort verering haast. Dit maakte hem dan ook schichtig.’

3. Na de studie

De 18-jarige Henny de Ziel had twee voor hem waardevolle papieren op zak: een mulo-diploma en een hulp-onderwijzersakte (vierde rang). Hij mocht voor de klas staan, maar de crisis (een gevolg van de mondiale crisis der dertiger jaren, waarbij rigoreus versoberd moest worden, o.a. bij het onderwijs) werkte frusterend, niet voor hem alleen, maar voor velen van zijn tijdgenoten, die aankeken tegen een bijna uitzichtloze toekomst. In een artikel van de hand van zijn vriend Fred. W. Ormskirk (‘Nog iets over Henny De Ziel’) in een Surinaams dagblad wordt deze periode goed beschreven:

‘De Ziel was niet zo gelukkig dat hij zich - zoals nu vaak gebeurt - de weelde kon veroorloven van detachering naar een afgelegen post buiten Paramaribo te weigeren. Wie van ons kon dat toen wel, in de tijd van grote werkloosheid en van bezuinigingen (versoberingen) op het onderwijs aan de lopende band, tenzij hij de voorkeur gaf aan migratie naar de Antillen of naar het toenmalige Nederlands Oost Indië? Niet voor iedereen gold echter het ge-
[p. 25]
zegde: Ubi bene, ibi patria (waar het mij goed gaat, daar is mijn vaderland). En zelfs wanneer je er noodgedwongen naar toe wou, dan ontbraken je veelal de middelen daarvoor. En uitzending naar een ander gebiedsdeel, dus voor rekening van het Rijk, geschiedde alleen vanuit Nederland.
Velen bleven dan ook werkloos hier achter en moesten zich tevreden stellen met een baantje in een andere richting dan waarvoor zij hadden gestudeerd. Onder zulke omstandigheden kwam De Ziel als bezitter van de onderwijzersakte in 's Lands Hospitaal te werken als aspirant ziekenverpleger en schreef hij zich in op de opleidingscursus voor het diploma A. Ziekenverpleging. Hoe groot zijn aanpassingsvermogen ook was, het laat zich verstaan dat hij, toen eindelijk de gelegenheid zich voordeed om bij het onderwijs te worden geplaatst, aan Ganse en later Catharina Sophia in Saramacca als standplaatsen de voorkeur gaf boven de betrekking in de ziekeninrichting, waarover hij echter wel met waardering sprak later, vooral t.a.v. de opleidingscursus. Dit laatste was typerend voor zijn opvattingen als mens: hij wist altijd de goede zijde der dingen te ontdekken en trachtte steeds het beste ervan te maken. In zijn filosofie verstond hij wel de kunst om geduldig te wachten op het moment van de grote oversteek.’

Het besluit om verpleger te worden viel hem niet gemakkelijk. Hij werd door zijn onderwijzers gewezen op deze mogelijkheid, toen hij studeerde voor de derde rang. In januari 1936 solliciteerde hij en kon per 1/2 1936 in dienst treden. Op 19/1 1936 schrijft hij in zijn dagboek:

‘Gisteravond slechts 3½ uur geslapen. Worstelde
[p. 26]
met de vraag of ik goed of slecht gedaan had met te besluiten in dienst te gaan. Bleef tenslotte bij m'n besluit. Want juist dezer dagen kwam geweldige drang in me op om te werken en geld te verdienen, omdat ik niet langer kan aanzien de armoede en ellende, waarin moeder verkeert. En deze dienst was ook niet een grijpen wat je grijpen kunt, integendeel mijn beginsel zat erin. Ik had n.l. altijd gehoopt met mensen om te gaan en niet met dooie dingen. In 't hospitaal nu kan ik met mensen omgaan; ook minder poëtisch werk moeten doen, maar wat geeft dat. Misschien zelfs dat verpleger beter is dan onderwijzer, want om met de jeugd om te gaan moet men zelf toch ook een jeugd, een zonnige jeugd gehad hebben. Men begrijpt dan de kinderen beter. Maar helaas, waar is mijn jeugd, mijn zonnige jeugd. Ik heb er geen. Altijd stil geweest en ouwelijk. Misschien voordat ik naar 't internaat ging, dus voor mijn 13e jaar, dat er nog wat frisheid was, maar nadien was 't ook gedaan er mee. Het weten dat ik kosteloos op 't internaat was, kosteloos de mulo bezocht, kortom alles kosteloos kreeg, deed me mijn uiterste best doen om nooit ook maar iemand te mishagen. Dit had tot gevolg dat ik me krampachtig binnen mezelf hield. Nooit met anderen speelde, vooral niet als ze ondeugende streken uithaalden. Van nature wat sentimenteel hield ik me graag bezig met 't lezen van gedichten en dan liefst gedichten over lijden, graf en dood. De uitgeschalde juichende pret in kinderversjes, enz. kende ik niet, voelde ik niet. Toch wilde ik met mensen omgaan en onderwijzer worden. Door een diepgaande studie zou ik in de jeugd kunnen dringen. En nu wordt mij aangeboden met mensen om te gaan, niet speciaal met kinderen, maar met zieken, Dit zou waar-
[p. 27]
schijnlijk beter samengaan met m'n karakter. Kan ik dan hier niet spreken van hogere leiding? Ik blijf bij m'n besluit, ik word verpleger.’

Zijn onderwijzers vinden het jammer dat hij zijn studie niet kan afmaken. Door tussenkomst van Freule van Lynden wordt de datum van indiensttreding verschoven tot 1 november van dat jaar. Een zelf door hem in 1943 opgesteld overzicht vermeldt 1/3 1937 als datum van indiensttreding. Ormskirk meldt dat hij blij was later bij 't onderwijs te kunnen worden geplaatst, eerst in Ganse, later in Catharina Sophia.

De Ziel vertelde mij zelf dat hij aanvankelijk te werk werd gesteld op een school te Paramaribo voor door lepra aangetaste kinderen. Dit moet in 1940 geweest zijn. Hiervoor had hij nog enkele maanden dienst genomen in het leger. Daaraan herinnert zijn inleidende gedicht opo naki in de bundel Troki. Nadien (in 1941) werd hij geplaatst te Catharina Sophia (Saramacca) en tenslotte in Ganse (vermoedelijk in 1943). Het bovenstaande kan worden opgemaakt uit het volgende op 9/5 1946 door de Ziel opgestelde overzicht:

[p. 28]

Betrekking Tijdelijk of vast Tijdstip van ingang Tijdstip van beëindiging Bedrag der bezoldiging (p.j.) Andere voordelen
leerling verpleger tijdelijk 1/3 '37 14/6 '39    
kwekeling ter beschikking tijdelijk 26/3 '40 31/10 '40 ƒ270  
hoofd tijdelijk 1/1 '41 31/12 '42 ƒ900 woningtoelage ƒ270.-
          Hoofdel. toelage ƒ240.-
          Detach. toelage ƒ45.-
hoofd tijdelijk 1/1 '43 30/6 '43 ƒ1000 woningtoelage ƒ300.-
          Hoofdel. toelage ƒ300.-
          Detach. toelage ƒ50.-
hoofd tijdelijk 1/7 '43 31/7 '43 ƒ1080 woningtoelage ƒ300.-
          Hoofdel. toelage ƒ300.-
          Detach. toelage ƒ50.-
onderwijzer vast 1/9 '43      

De laatste periode als onderwijzer met vaste aanstelling moet hebben geduurd tot 1953, toen hij voor de eerste maal naar Nederland vertrok voor verdere studie als bibliothecaris.

[p. 29]

4. Verdere studie en functies binnen het CCS

In het hierboven aangehaalde artikel van Ormskirk staat: ‘De Ziel was een kundig leraar, maar geen aktenjager. Zijn grote intelligentie had hem anders wel in staat gesteld als onderwijzer een reeks van bevoegdheden te behalen. Hij liet het bij de hoofdonderwijzersakte en een lagere akte Frans.’ Een eenvoudig onderzoek leert mij dat Henny de volgende diploma's heeft weten te behalen (waarbij niet opgenomen de lagere akte Frans):

 

1.Akte van Bekwaamheid als Hulp-Onderwijzer (Vierde Rang), behaald op 24/10 1934 (nauwelijks een maand na het behalen van zijn Mulo-diploma op 27/8 1934)
2.Akte van Bekwaamheid als Onderwijzer (Derde Rang), behaald op 27/10 1936.
3.Akte van Bekwaamheid als Hoofdonderwijzer (Hoofdakte), behaald op 8/8 1956 te Haarlem (Nederland).
4.Assistents-diploma Bibliothecaris D.L.B., Centrale Vereniging van Openbare Leeszalen en Biblotheken, behaald 1956 in Nederland.
5.Nederlands L.O. (een lager akte Nederlands in Suriname), behaald op 29/11 1965 te Paramaribo (De Ziel was tevens als leraar Biblotheekwezen verbonden aan deze zelfde cursus).
6.Diploma D. Voortgezette Bibliotheek Opleiding (Nederlands Instituut voor documentatie en registratie), behaald op 11/11 1967 in Nederland.

 

In 1953 vertrok hij naar Nederland om opgeleid te worden voor bibliothecaris. Hij profiteerde van zijn verblijf aldaar om tevens de hoofdakte te behalen. Eind 1956 kwam hij naar Suriname terug om de leiding op zich te nemen van de CCS-bibliotheek. Het jaar daarop

[p. 30]

verscheen zijn enige bundel Troki. Bij zijn terugkomst in Paramaribo schreef L.A. Lauriers het volgende artikel in het dagblad De West:

‘Over enkele dagen keert de heer Henny de Ziel, die in opdracht van de regering onder auspiciën van en in samenwerking met Sticusa in Nederland studeerde, als Directeur-Bibliothecaris naar z'n Vaderland terug.
Er zullen waarschijnlijk maar weinigen in Suriname gevonden worden, die zich een juiste voorstelling van deze studie kunnen maken, waarvoor als vóóropleiding middelbare scholing of een daaraan-gelijkte-stellen ontwikkeling wordt vereist. Men denke echter niet gering erover, al heeft de hr. De Ziel in diezelfde tijd nog kans gezien - met succes - de hoofdakte als nevenstudie erbij te doen. Deze prestatie is onloochenbaar het resultaat van uitgesproken begaafdheid, persoonlijke interesse en ontembare werkdrift.
Over deze dubbele studie met hem pratende, merkte De Z. (op de hem eigen bescheiden wijze) op: dat, toen hij eenmaal de stof van z'n opdracht ernstig had doorgewerkt, het heus geen probleem meer vormde, daaruit te lichten, wat voor de hoofdakte speciaal nodig was.
Nu staat hij op het punt z'n nieuwe taak in Suriname ter hand te nemen en het is te hopen, dat hij in ruime mate begrip en good-will voor die arbeid aantreft, zowel bij publiek als overheid!
Het volk moet snel gaan inzien, dat Landsbibliotheken en Openbare leeszalen niet uitsluitend het domein zijn van 'n geprivilegiëerde groep in de samenleving, maar dat zij instituten zijn voor Volksopvoeding in de ruimste zin van het woord, waar iedereen vrij kan binnenlopen, gratis rondsnuffelen
[p. 31]
en zich op prettige wijze laten inlichten.
Van de Overheid wordt verwacht, dat zij ontvankelijk zij voor de adviezen en aanbevelingen van haar alleszins deskundige Bibliothecaris en dat de Wetgever welwillend zij bij het vaststellen van de gewenste subsidies, opdat niet bestuurlijk misverstand en schraalheid van budget de noodzakelijke reorganisatie en ontwikkeling van het bibliotheekwezen in Suriname doen uitblijven of remmen. Waar Suriname in de gelukkige omstandigheid verkeert, dat de Dir.-Bibliothecaris tevens 'n buitengewoon geschikte onderwijsman is, die op voortreffelijke wijze de binding met de jeugd via de school zal weten tot stand te brengen, kan - bij vlotte medewerking - succes niet uitblijven. Succes in deze zin: dat al het gedrukte aan cultuurbezit voor het Volk worde opgengesteld en onder haar bereik worde gebracht! Persoonlijk wensen wij de heer De Ziel geluk en vreugde bij de arbeid!!’

Het zal niet toevallig zijn, dat de Heer Lauriers precies voorvoelde, welk ideaal De Ziel zich stelde in zijn nieuwe werkkring. Hij had in Nederland ontdekt, hoeveel in feite in geschrifte bekend was over Suriname, met name over de geschiedenis. Hij wist welk een potentiële interesse voor deze onderwerpen in de volksmassa aanwezig was. Zijn kantoor was voortdurend bereikbaar voor ieder en men zag hem op ieder niveau inlichtingen verschaffen, die later werden teruggevonden, verwerkt in het volkstoneel of op andere wijze. Ook van de kinderbibliotheek werd druk gebruik gemaakt. Henny's streven tijdens deze periode was er vooral op gericht de lagere volksklasse tot lezen te stimuleren: er moest een lees-attitude bij de mensen ontwikkeld worden. Het Surinaamse kind vooral had zijn bijzondere aandacht.

[p. 32]

Ik herinner mij nog goed zijn lange fietstochten dwars door Paramaribo (vooral in de echte volksbuurten als ‘Van Dijk’, Abrabroki, Frimangron, enz.) Ook zijn talrijke reizen naar de districten Coronie, Marowijne, Commewijne en vooral Nickerie, waar het C.C.N. (Cultureel Centrum Nickerie) gesitueerd is. In Paramaribo zocht hij naar centraal gelegen gebouwen, liefst in de buurt van volkscentra. Toen hij bovendien nog tot directeur van het C.C.S. werd benoemd, hoopten velen dat hij in staat zou zijn een ‘Surinamicentrische’ cultuurpolitiek te voeren. Hij schreef in 1957:

‘Suriname koerst naar een eigen cultuur. Maar hiervan zal geen sprake zijn, wanneer de eigen verwerking onvoldoende is. Niet het denken en doen als anderen bezorgt ons een eigen cultuur. Hierdoor kunnen we ons hoogstens een tamelijk goed gelijkende vorm verwerven, zonder werkelijk levende inhoud. De import kan bevruchtend werken, het is echter de creatie of uitbouw van iets eigens, dat cultuur maakt tot eigen cultuur. Wij mogen, en moeten zelfs, ons openstellen voor wat ingevoerde literatuur ons te zeggen heeft; wij kunnen er informatie, inspiratie en recreatie uit putten; maar willen wij een eigen cultuur, dan moeten wij ons nooit laten verleiden tot klakkeloze imitatie.’

Het zal de ingewijde niet zijn ontgaan, dat hij met deze ideeën zijn tijd vooruit was. Op 30/6 1958 schreef hij zijn ontslagbrief naar het Bestuur van het CCS. Hij gaf zijn zwakke gezondheid op als de reden voor zijn ontslag, maar in wezen was hij teleurgesteld in de mogelijkheden die het CCS hem bood om zijn idealen te verwezenlijken. Ormskirk schreef er als volgt over:

‘Wij dachten, toen hij later als volledig opgeleide bibliothecaris uit Nederland teruggekeerd was en
[p. 33]
de betrekking van directeur van het Cultureel Centrum Suriname had aanvaard, dat hij daarmede de oversteek gemaakt had, maar deze betrekking, waarover hij zich nimmer misprijzend heeft uitgelaten, schonk hem blijkbaar niet de voldoening welke hij daarvan verwacht had. Hij gaf deze positie vrijwillig op en keerde terug naar de school. Een betere leraar konden zijn pupillen zich niet wensen.’

5. Terug naar school

Henny de Ziel keerde terug binnen de schoolmuren, waar hij - op grond van zijn ‘roeping’ - ook thuis hoorde. Hij werd benoemd tot leraar op de CR. Froweinschool (de tweede mulo-school van de Evangelische Broedergemeente in Paramaribo). Onder de bezielende leiding van eerst J. Verkuyl en later V. Orna heeft hij er prettig kunnen werken. Op deze school vooral heeft hij zich doen kennen als een geboren pedagoog. Hij heeft zijn leerlingen op een voor Suriname en wellicht ook voor Nederland unieke wijze taalles (Nederlands) gegeven. Hij begreep voor welke ontzaglijke moeilijkheden onze Surinaamse leerlingen komen te staan bij hun kennismaking met de Nederlandse taal en cultuur. Henny's toegepaste methodieken waren uniek voor Suriname. Hij was zich goed bewust van de innige samenhang die bestaat tussen taal en denken en van de invloed der huistalen (Sranan Tongo, Hindi, Javaans enz.) op het Nederlands. Hij hield zich dagelijks bezig met het probleem van de tweetaligheid van zijn leerlingen. Hij zocht voortdurend naar methoden om de remmingen te overwinnen, die het Surinaamse schoolkind belemmerden zich vrij in het Nederlands te uiten. In een gesprek dat ik met hem mocht voeren over deze problemen zei hij: ‘Onze onzekerheid m.b.t. het Nederlands brengen wij op onze leerlingen over zonder het zelf te beseffen.

[p. 34]

Het pijnlijke is dat velen van ons niet weten of niet willen weten, dat we in onze houding t.o.v. het Nederlands onzeker zijn. Wij hanteren die taal anders dan de geboren Nederlander en dat is volgens mij de meest natuurlijke zaak van de wereld, maar wij moeten bereid gevonden worden om konsekwenties hieraan te verbinden.’

Henny's ideeën over het taalonderwijs in Suriname heeft hij uitgesproken in een rede tijdens een congres voor taalleraren in Suriname (19-20 dec. 1963), getiteld ‘Over de normering van de Surinaams-Nederlandse idiotismen’. Vanwege het belang van deze rede, zal ik er hier een gedeelte van citeren:

‘Een andere weerstand bij het streven goed onderwijs te geven in Nederlands kan de lesgever zelf zijn. Niet lang geleden heeft een deskundige, wiens oordeel in Suriname zeer op prijs wordt gesteld, gezegd, dat het nog maar al te zeer zo is dat de Surinamer zich onzeker gevoelt in zijn taalgebruik. De lesgevers zijn hierbij niet uitgesloten. Vanwaar anders de huivering bij vele jonge Surinaamse onderwijskrachten om het vak Nederlands te verzorgen. Bij het lesgeven kan men veel camoufleren door degelijke voorbereiding en door een houding aan te nemen waaruit niets dan zekerheid spreekt; tòch ondergaan de leerlingen suggesties van de leerkracht zoals hij is en niet zoals hij zich voordoet. De leerlingen ondergaan dus inwerking van de leerkracht plus zijn onzekerheid, wat onmogelijk kan resulteren in een trefzeker taalgebruik. Vandaar de mening van sommigen dat het Nederlands taal-onderwijs liever overgelaten kan worden aan blanke Nederlanders van Overzee. Dit heeft zijn voordelen. Alvast zijn zij vrij van de typische, Surinaamse onzekerheid, maar het goedbedoelde en uit de aard der zaak vaak herhaalde “Dit is geen Nederlands”, juist
[p. 35]
van die zijde, kan dermate ontmoedigend werken, dat er een gevoel van onmacht optreedt bij de leerlingen.
Zo heeft alles zijn voor en zijn tegen en het taalprobleem rust op ons als een hypotheek (deze beeldspraak is oorspronkelijk niet van mij). De geconstateerde algemene onzekerheid bv., waar komt die vandaan? Naar mijn bescheiden mening is dit niet een probleem voortvloeiend uit de meertaligheid alleen, maar er zit meer aan vast. Het is een cultuurkwestie. Wij zijn omringd door scheppingen, die teruggebracht kunnen worden tot slechts twee groepen: scheppingen die zonder medewerking van de mens voorhanden zijn en scheppingen die ontstaan zijn uit het menselijk vernuft. Taal is dus ook een cultuurverschijnsel, ontstaan uit de behoefte van een gemeenschap om zichzelf tot uitdrukking te brengen. In vele afgesloten gebieden ontstonden over het algemeen talen die van elkaar verschillen. Het Nederlands ontstond uit de duizendvoudige wisselwerking van omstandigheden, uit de inhoud van die gemeenschap, op dát plekje dat Nederland heet. Daar leidt het Nederlands ook zijn zelfstandig bestaan, zich ontwikkelend naar zijn eigen aard en naar de behoeften van die gemeenschap, daar aan de Noordzee.
Wat gebeurde er in Suriname? Suriname kent eveneens zijn eigen cultuursituatie die gebonden is aan déze grond. Als algemene taal kregen we kantklaar uit Nederland een Europese taal, die geboren is uit een cultuursituatie die van de onze verschilt. Neem alleen maar de omstandigheden die uit het klimaat voortvloeien.
Wanneer nu de voorwaarden die de behoefte doen ontstaan om zich in taal uit te drukken identiek wa-
[p. 36]
ren, kon men wellicht een gelijk gebruik van het Nederlands in Suriname verwachten, en eveneens een gelijke ontwikkeling. Maar (en hier zit naar mijn mening de knoop) de cultuursituaties zijn niet identiek, en hierdoor zal in Suriname altijd de neiging tot afwijking bestaan. Er zullen zich idiotismen blijven vormen, hoe goed ook het onderwijs in Nederlands zal gegeven worden. De cultuursituatie in Suriname heeft in het wezen van de Surinaamse mens een taalstructuur (habitus) doen ontstaan die niet identiek is aan de taalstructuur van de Nederlander.
De wegen waarlangs men het Nederlands verstaat en waarlangs men zich in het Nederlands uitdrukt zijn bij Nederlander en Surinamer niet hetzelfde. De Surinamer kan zich dus in zijn taalgebruik nooit ontmoeten, als hij zich zonder meer op het Nederlands verlaat, want tussen taalstructuur en taalgebruik treden er spanningen op. Daarom zoekt hij in zijn taalgebruik steun, steun die hij van zijn omgeving niet onmiddellijk zal krijgen of accepteren. En dit heeft onzekerheid tot gevolg. (Precies zo onzeker voelt een Europeaan zich ook, wanneer hij zich in een van de hier gebruikte talen wil uiten.)
Mede uit dit gebied nu van de onzekerheid ontstaan de idiotismen.
Willen wij ons Nederlands - de voertaal - op peil houden, dan moeten wij ons voortdurend op Nederland oriënteren en niet op de cultuursfeer van de eigen omgeving. Hoe verdienstelijk dan ons Nederlands wordt, er gebeurt iets met ons gevoel van eigenwaarde. Je bent nooit jezelf, je moet altijd trachten een ander te zijn. Immers het Nederlands is voor ons belangrijk, maar wij zijn niet belangrijk voor het Nederlands. Een schrijver uit Trinidad
[p. 37]
heeft gezegd: “Jullie fout is, dat je het Nederlands niet tot eigen taal hebt gemaakt.” Scheppingen die hier ontstaan zijn, blijven maar idiotismen en maken geen kans in het Nederlands van Overzee opgenomen te worden en zijn dus weer in het onderwijs hier taboe. Sommigen zeggen: “Wij hebben het Nederlands van Nederland nodig, omdat dat voor ons van praktisch nut is.” Maar in de ontwikkeling die we nu doormaken is niet alleen praktisch nut van belang. De volle mens die tot zijn recht komt door intense wisselwerking met zijn eigen omgeving is ook wat waard.’

En even verder zegt hij, sprekend over het Sranan Tongo:

‘Het is diep immoreel om een cultuurverschijnsel (een taal) geboren uit wisselwerking en geschiedenis van de gehele gemeenschap, te verwaarlozen of te doden. Om geen enkele reden zou men dat mogen doen, dus ook niet omdat het aan onze problemen nog enkele zou toevoegen.’

Toen Henny zijn toespraak beëindigd had, was zijn auditorium even muisstil. Hij was er zich van bewust dat hij met zijn referaat een knuppel in het hoenderhok had gegooid. Hij wist ook dat er reactie zou komen. Het was dus een stilte die vooraf ging aan de storm. Men protesteerde fel. De nationalist Henny de Ziel had de oude (koloniale) vesting aangevallen. De bewoners (zijn collega's) werden op hardhandige wijze wakker geschud uit hun koloniale droom. Hij vroeg hun een keuze te maken tussen een koloniaal en een nationaal cultuurideaal. Vooral van de Surinaamse leerkrachten die het ‘vak’ Nederlands plachten te geven kreeg hij kritiek te verduren. Ook van Nederlandse zijde werd hevig tegenge-

[p. 38]

stribbeld. Er vielen uitlatingen als ‘Dit is taal-vervalsing’, ‘Dit leidt onherroepelijk tot verval’, ‘Dit zal de (taal) ontwikkeling in Suriname remmen’. Later op de - avond zei hij tegen me: ‘Wat mij het meest spijt is, dat mijn landgenoten de tekenen des tijds nog niet verstaan.’

Henny heeft met zijn inleiding weer eens ondubbelzinnig zijn ideeën over onafhankelijkheid van Suriname gedemonstreerd. Hij zag de onafhankelijkheid van Suriname niet slechts als het signeren en contrasigneren van protocollen en andere gewichtige papieren ter realisering van Surinames soevereiniteit op het volkenrechtelijke dan wel staatkundige vlak. Hij wees op de werkelijke onafhankelijkheid van ons land. Hij heeft altijd begrepen dat de ondergeschikte positie van Suriname binnen de relatie Suriname-Nederland één is van culturele aard en niet - zoals telkenmale beweerd wordt - van sociale, economische en staatkundige aard. Zijn hele leven wordt gekenmerkt door zijn streven naar een eigen Surinaams gezicht. Drie dagen voor zijn dood zei hij mij in een telefoongesprek: ‘Het probleem van Suriname is niet zozeer sociaal-economisch, ook is het geen rassenkwestie, maar bepaald een culturele kwestie.’

6. Ziekte, huwelijk en dood.

Op 9/1 1966 vertrok Henny voor de tweede keer naar Nederland. Hij deed een aanvullende studie en behaalde het diploma als directeur-bibliothecaris in 1967. Hij keerde in 1968 naar Suriname terug om, zoals hij mij mededeelde, te werken tot zijn pensioen. Hij was nauwelijks een jaar in Suriname, of hij keerde naar Holland terug. Zijn gezondheid was aanmerkelijk achteruit gegaan, terwijl de politieke spanningen in Suriname en de morele decadentie van mensen die hij vroeger zeer waardeerde, loodzwaar op hem drukten. Toch wilde hij dit

[p. 39]

ziekteverlof nog dienstbaar maken aan Suriname, en in overleg met Prof. Jan Voorhoeve begon hij te werken aan een uitgave van de dagboeken van Johannes King. De uitgave van één ervan, in 1973, heeft hij nog mogen beleven. Hij was echter inmiddels zo ziek geworden, dat hij in het Academisch Ziekenhuis te Leiden moest worden opgenomen (einde 1970). Zijn toestand was zo critiek dat voor het ergste werd gevreesd. In 1971 werd hij ontslagen als blijvende invalide en ondergebracht in het herstellingsoord ‘Zonneduin’ te Bloemendaal, dat stond onder leiding van Hulda Walser, een Zwitserse, die zijn echtgenote zou worden.

In 1973 zou Henny tegen mij zeggen: ‘Dat ik vandaag nog leef moet als een wonder worden beschouwd. Dit heb ik in de eerste plaats aan God en in de tweede plaats aan de kundige behandeling van de dokters van het Academisch Ziekenhuis te Leiden te danken. Voor de rest is mijn dank aan Hulda groot. Zij namelijk heeft mij liefdevol en met grote toewijding verpleegd op een tijdstip dat ik me verlaten voelde. Ik werd a.h.w. door deze vrouw gefascineerd, omdat ik eigenschappen in haar ontdekte die met de mijne overeenstemden. Soms had ik het gevoel alsof ik haar allang kende.’

Op 27/4 1974 verbond Henri Frans de Ziel zich in de echt met Hulda Walser. Voor beiden was het een eerste huwelijk. Beiden wisten dat het een huwelijk in de marge van het leven moest zijn. De huwelijksdag in Haarlem was een manifestatie van genegenheid voor het bruidspaar. Het huwelijk heeft 9 maanden mogen duren en was van een intensiteit die de vrienden verheugde. De betekenis die Hulda voor Henny had blijkt uit het gedicht Auffahrtikon dat Henny voor Hulda (in dit gedicht Engeline genoemd) schreef. Ik ben dankbaar dat toestemming verleend werd om dit zeer persoonlijke gedicht te publiceren. Het drukt beter uit dan wat ook de

[p. 40]

geest waarin Henny de Ziel zijn laatste levensjaren heeft beleefd.

[p. 41]
Auffahrtikon
 
Uberall
 
wo wir Menschen
 
einander anfassten
 
- im flachen Lande -
 
hat 's Weh gegeben.
 
 
 
Beim Steigen obwohl
 
ein seliges Weh
 
jeh hoher
 
jeh seliger.
 
 
 
Bis im nebeligen Gipfel
 
übrig blieb
 
fast nur Seligkeit.
 
 
 
Das Entsteigen...
 
... ich freute mich schon sehr...
 
 
 
Da sagte mir die Engeline
 
‘Geh zurück hinunter
 
zwischen die Menge...’
 
 
 
Ich weisz nicht
 
wie ich denn geguckt habe,
 
dann ein Wenig nachher
 
sagte sie:
 
‘Fürchte dich nicht...
 
... ich gehe mit...’
 
 
 
Trefossa, 4 Mai 1972.
[p. 42]

Op zijn grafsteen in Haarlem staat de volgende inscriptie:

h.f. de ziel
15 jan. 1916 - 3 febr. 1975
srefidensi
fri, rostoe en lobi
fil. 3:20/21

Srefidensi (zelfstandigheid), een woord geschapen door deze schepper van het Sranan Tongo, deze dichter van het Surinaamse volkslied, tegelijkertijd het motto van zijn leven.

terug  begin  verder