Ala poewema foe Trefossa


auteur: H.F. de Ziel


editeur: Jan Voorhoeve


bron: Trefossa, Ala poewema foe Trefossa (samenstelling Jan Voorhoeve). Bureau Volkslectuur, Paramaribo 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 93]

IV
Commentaar

[p. 94]

Troki (aanhef) is de eerste bundel Surinaamse gedichten. Zij bevat 19 gedichten, die tussen 1946 en 1956 ontstaan zijn. Het oudste gedicht uit de bundel, bro, is vermoedelijk omstreeks 1949 ontstaan. De bundel werd opgedragen aan J.G.A. Koenders, de redacteur van het blad Foetoe-boi, en verscheen in 1957 bij de Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij als onderdeel van de Publications of the Bureau for Linguistic Research in Surinam van de Universiteit van Amsterdam.

 

1.

opo naki is een term, gebruikt bij militaire oefeningen, waarin men afwisselend moet opstaan en liggen.
aswa, streven, wedijveren.

 

2. wan troe poewema

Aroesoebanja was de naam van een thans door het stuwmeer verdwenen stroomversnelling in de Surinamerivier en staat hier voor de problemen van het leven.

 

3. santa

tingga, kreupel lopen.
meri, aanraken.

 

4.

bro wordt over het algemeen gezien als het eerste gepubliceerde gedicht van Trefossa. Het werd voor het eerst gepubliceerd in een onderwijzersblad. Koenders nam het op in Foetoe boi, september 1951. Er had al eerder een gedicht van H. de Ziel gestaan in Foetoe-boi, juni 1946, opnieuw afgedrukt in het nummer van maart 1956. Dit gedicht werd gepubliceerd onder de titel Tangi foe boen na kodja, ondertekend met leki H. de Ziel,

[p. 95]

wat betekent dat het in het Surinaams vertaald werd (vermoedelijk door Koenders). Dit gedicht luidt als volgt:

 
Mi sweti nanga broedoe
 
de lon foe hen kon goedoe.
 
Paiman foe dati, o san mi si?
 
Langa wipi de kroisi mi.
 
 
 
Boesi toe, a no soso switi,
 
ogri dape toe mi sa miti,
 
toch: go dape mi sa lon,
 
pe paiman a no fonfon.
 
 
 
Foefroektoe! Di neti sa poeroe
 
mi na ondro joe katibo,
 
na boesi - friman doti -, mi sa go.
 
 
 
Dja mi no de tan moro, no wan joeroe.
 
Adjosi kompe, adjosi masa nengre,
 
fri mi wani ofoe... friman dede.

In de nalatenschap van De Ziel werd een tweede, enigszins verschillende, vertaling aangetroffen:

 
mi sweti nanga broedoe
 
de lon foe hen kon goedoe.
 
Foe paiman, o san mi si?
 
Langa wipi a gi mi.
 
 
 
Boesi toe a no de switi.
 
Ogri toe mi sa miti.
 
Toch: go dape mi sa lon
 
gi hen hati leki ston.
[p. 96]
 
Foefroektoe! Di neti sa poeroe
 
mi na ondro joe katibo.
 
Na boesi, frimankondre, mi de go.
 
 
 
Dja mi n' e tan, no wan joeroe.
 
Adjosi kompe, masa nengre,
 
fri mi wani of friman dede!

Het originele Nederlandse gedicht werd ook teruggevonden, met de aantekening ‘jeugdvers’.

 
Mij - die jou rijk maakt! - mij heb jij geslagen.
 
En toen ik om het waarom wilde vragen,
 
met roeden reet jij open toen mijn rug.
 
Jij witte pier, je ziet mij nooit terug.
 
 
 
In 't bos wachten mij zeker bange dagen,
 
toch liever ga 'k der broedren vrijheid schragen
 
dan hier te zijn bij jou, wiens kleinste kuch
 
ons beven doet, wiens hart is ijzerstug.
 
 
 
Ellendeling, de nacht die schenkt verkwikking
 
aan jou, laat mij ontkomen aan de greep
 
van slavernij, die me op jouw land beneep.
 
 
 
Vaarwel dan, al dreige ook verschrikking!
 
Wie blijft, 'k was vroeger slechts zijn lotgenoot.
 
Ginds wacht of vrijheid of de vrije dood.

5.

m' ben sab wan singi... werd voor het eerst gepubliceerd in Foetoe-boi, februari 1955.
nofi-nofi boi, kleuter. Ook gespeld njofi, heel klein.
smés, smijten.
lonton, lange houten goot waarin rivierzand ge-
[p. 97]
wassen wordt om het goud van het zand te scheiden.

 

6.

wai werd voor het eerst gepubliceerd in Foetoeboi, mei 1955.
loefroe, roffelen (op de apinti).
wai, uit de weg! opzij!
peti, put.
toeka, aanraken.

 

7. gronmama

tité, aderen.
djodjo, ziel verbonden met de grond.
gersi, beeltenis.

 

8. pkin pré

meri, aanraken.
kenki speri, van beurt verwisselen (de drum aan een andere drummer overgeven).
fika, achterblijven. Bedoeld is dat de wisseling van drummers de danser, bezeten door zijn winti, in de steek laat.

 

9. Sranan

kramnari, ribbenkast. De dichter heeft hier ws. voor ogen een wrede straf die er uit bestond de slaaf of slavin aan een vleeshaak door de ribben op te hangen.
nja, een woord dat de intensiteit van ‘rood’ aangeeft.
monjo, overvloedig zijn.

 

10. x x x

Met pembadoti-wan worden ws. de blanken bedoeld. Het gedicht handelt in dat geval over de
[p. 98]
gevoelens van een gediscrimineerde.
koniman, de wijzen uit het Oosten uit het Kerstverhaal.
wèrder, wild.
Boen. De hoofdletter duidt erop dat hier in de eerste plaats aan Christus is gedacht, vlak na zijn geboorte.

 

11.

a joeroe dis... Zie de studie van J. Voorhoeve, Tweeluik van de tijd (pp. 142-148).

 

12.

wan enkri gado-momenti... Zie de studie van J. Voorhoeve, Tweeluik van de tijd.

 

13.

Kalfaria, naam van de plaats waar Christus gekruisigd werd.
totro, voorouders.
katibo, slavernij.
Gorgata, Golgota.
marki, taak.

 

14. neti

pipit, goudklompje.
spenki-spenki, glinsteren.

 

15.

Kopenhagen. Zie de studie van J. Voorhoeve, Het lezen van Surinaamse poëzie (pp. 127-141).

 

16.

servus is een afscheidsgroet in Oostenrijk.
wenter, winter.

 

17.

lènte, lente.
kopro beki, koperen bekkens, waarin op een Surinaams verjaarsfeest bloemen en geschenken worden aangeboden.
[p. 99]
dogla wenke, meisje van gemengde Creoolse en Hindoestaanse afkomst.
wiri, opgewonden.

 

18.

mi go - m' e kon werd voor het eerst gepubliceerd in Foetoe-boi, april 1946. De titel duidt op de beginregels van een Surinaams liedje ‘Spokendans’, aanprijzing van een kermisattractie:
 
mi go, mi kon.
 
Spokendans.
 
Bigi sens wan loekoe.
 
Spokendans.
troki, aanheffen. Een technische term die de solistische voorzang aanduidt, waarop het koor antwoordt (piki).
Mawnidan, Mahonielaan in Paramaribo.
Bose, Creoolse naam voor het dorp Onverwacht in de Para.
kirkiri, overtreffen.
taki...mofo, een bezweringsformule uiten.

 

19.

boda, feest, banket, bruiloft. Zie de uitdrukking boda kaba, het is uit met de pret.
fesa, feest. Hier als werkwoord gebruikt.
wowojo, markt. Hier als werkwoord gebruikt met de betekenis ‘krioelen’.
bogo-bogo, in overvloed. Hier als werkwoord gebruikt.
ten-ten, tinnen blikken.

 

Tra poewema bevat de gedichten en vertalingen die Trefossa ofwel afzonderlijk publiceerde na Troki, ofwel nooit gepubliceerd heeft. De volgorde werd niet door de dichter zelf aangegeven.

[p. 100]

1.

grasbarki (glazenmaker, libelle) ontstond omstreeks 1958 en werd niet gepubliceerd, omdat het inhoudelijk een herhaling was van de gedichten wan troe poewema... en santa uit Troki.
lanki, rand.
temekoe, vloek, last.
tripa, ingewand, binnenste.

 

2.

man nanga moen werd gepubliceerd in Tongoni 1 (Vox Guyanae 3, 1), p. 5.
foegoe-foegoe, wollig, rul.
soen-soen, het geruis, geritsel.
korki, kolibri.
fra-fra, vluchtig, heel zwak.

 

3.

Granaki werd gepubliceerd in Tongoni 2 (Vox Guyanae 3, 6), p. 7. Met deze titel (lett. granaatsteen) wordt de naam van een meisje aangeduid.
lanpresi, landingsplaats, steiger.
tompoe-tompoe, boomstronken.
timba, overloop, plank over een goot.
drompoe, drempel.

 

4.

Amimba, meisjesnaam. Het gedicht werd aangetroffen in een potloodschets met vele verbeteringen. Het had ws. nog geen voor de dichter bevredigende vorm ontvangen.
toeka, aanraken.

 

5.

joe ai werd gepubliceerd in de Gids 133, 9 (1970), 309.
sjebi, slijpen, polijsten.
kontren, gebied, omgeving.
armakti, almachtig.
loen, ruimte. Vergelijk de uitdrukking gi mi loen, geef mij de ruimte.
[p. 101]
sebintara, sterrenbeeld De Pleiaden. Een vroegere versie had hier
merkipasi, melkweg.

 

6. a fosi liba

biten-biten, tijdig.
genti, branding, tegenstroom.
sripsi, rakelings langs gaan.
foktoe, bevochtigen.

 

7.

Opo! Kondreman... vormt het 2e couplet van het volkslied van Suriname, zoals dit op 8 december 1959 bij Landsverordening werd vastgesteld (G.B. 1959, no. 106).

Bij de ontwerp-landsverordening staat bij de Surinaamse tekst ‘Trefosa’ vermeld. In deze tekst staan ook de leestekens die hier overgenomen zijn. In de Bijlage bij het G.B. wordt geen naam gegenoemd en vinden we, behalve de uitroeptekens, geen leestekens.

In de Memorie van Toelichting bij de betreffende ontwerp-landsverordening wordt o.m. gezegd:

‘Daarnaast is een Surinaamse tekst, van de dichter Trefosa, in de bijlage van het ontwerp opgenomen. Dit is niet alleen geschied met het oog op diegenen van het volk, die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar vooral ook omdat deze tekst naar het oordeel van de Regering de nationale gevoelens welke het Surinaamse volk bezielen, voortreffelijk vertolkt.’

Over de wordingsgeschiedenis van dit couplet het volgende. In 1959 besloot de Surinaamse Regering de nationale symbolen vlag, wapen en volks-

[p. 102]

lied officieel vast te stellen, Voorgesteld werd de melodie van het traditionele volkslied te handhaven en het 2e couplet van de oude tekst (in 1893 door Ds. Hoekstra gedicht) tot officiële tekst te verheffen. De Raad van Ministers achtte het toen wenselijk een couplet in het Surinaams toe te voegen. Een van de ministers (Essed) benaderde daarop Henny de Ziel, aan wie hij verzocht een Surinaams couplet te dichten, waarbij als enige voorwaarde werd gesteld, dat dit de eenheid van het Surinaamse volk en de verbondenheid met het grondgebied zou benadrukken. Reeds op de volgende vergadering van de Raad werd de tekst aan de ministers voorgelegd en op 7 december 1959 is zij aangenomen door de Staten van Suriname met algemene (18) stemmen.

Interessant voor de houding in die tijd ten opzichte van het Sranan Tongo is hetgeen Lachmon in de Staten opmerkt ten aanzien van het nieuwe Surinaamse couplet:

‘Indien het mogelijk ware, was het mij natuurlijk aangenaam dat de taal die mijn moeder uit India heeft meegenomen ook in een couplet van dit lied voorkwam, maar omdat het niet geschieden kon om bepaalde redenen - een ieder kan Surinaams spreken en begrijpen - beschouw ik het meer als een voorrecht aan de Hindostanen dat wij dit lied, vertaald in het Surinaams kunnen begrijpen. Omgekeerd zou het niet mogelijk zijn. Was dit lied vertaald in het Hindostaans dan zouden mijn Creoolse en Indonesische broeders niets ervan begrepen hebben, en dit zou betekenen dat toevoeging van een lied in het Hindo-
[p. 103]
staans alleen zou gelden voor een bepaald deel van de bevolking. Waar de Surinaamse taal door de groepering die ik hier vertegenwoordig voor 99% wordt begrepen en verstaan, vind ik het een voorrecht om dit in de verbroedering te kunnen brengen en te zeggen: Gij zijt een grote groepering, neemt U dit voorrecht, het lied in Uw taal, want wij verstaan Uw taal en beschouwen deze taal ook als de onze.’ (Handelingen Staten van Suriname van 7 december 1959).

In een In memoriam Henri Frans de Ziel vermeldt Ronny Klimsop dat De Ziel het 2e couplet zou hebben geschreven onder de indruk van het vliegtuigongeluk waarbij de piloten Kappel en Fajks om het leven kwamen en waardoor de hele bevolking diep verslagen was en zich verbonden voelde. Het is niet onmogelijk dat De Ziel Opo! Kondreman... in portefeuille had op het moment dat Essed hem opzocht. Het snelle tempo waarin aan diens verzoek werd voldaan, pleit hiervoor.

 

Ook aan de tegenwoordige eerste (Nederlandse) strofe is door Trefossa gewerkt. De tekst van Ds. Hoekstra luidde:

 
God zij met ons Suriname,
 
Hij verheff' ons heerlijk land.
 
Doch dat elk zich dan ook schame
 
Die zijn ere maakt te schand!
 
Recht en waarheid te betrachten,
 
Zeed'lijk rein en vroom en vrij,
 
Al wat slecht is te verachten,
 
Dat geeft aan ons land waardij.
[p. 104]

Trefossa meende dat de inhoud te negatief was en hij stelde de volgende gewijzigde versie voor (de leestekens zijn toegevoegd door de commentator):

 
God zij met ons Suriname,
 
Hij verheff' ons heerlijk Land.
 
Hoe wij hier ook samen kwamen
 
Aan zijn grond zijn wij verpand.
 
Strijdend houden we in gedachten:
 
Recht en waarheid maken vrij:
 
Al wat goed is te betrachten,
 
Dat geeft aan ons Land waardij.

Deze wijziging vond weerklank in de Raad van Ministers, alleen wenste men ‘strijdend’ te veranderen in ‘werkend’.

De minister-president vreesde te veel weerstand, indien naast het Surinaamse couplet ook nog een wijziging in het Nederlandse zou worden voorgesteld. Hij nam daarom de nieuwe versie niet op in de ontwerp-landsverordening, maar speelde deze door naar de NPS-fraktie van de Staten, waar fractieleider J.A. Pengel de tekst indient (met ‘werkend’ in plaats van ‘strijdend’), welk voorstel direct door de Regering wordt overgenomen. De Landsverordening betreffende het volkslied trad op 15 december 1959 in werking. Bij het onafhankelijk worden van Suriname is het in dezelfde vorm gehandhaafd.

 

8.

Joli-Coeur was één der opstandingenleiders die op het einde van de 18de eeuw het Cottica-gebied onveilig maakten. Er bestaan twee versies van dit gedicht. Trefossa zocht na Troki een eenvoudiger, minder abstract type poëzie, voor iedereen te be-
[p. 105]
grijpen. Hij experimenteerde rond 1958 met sonnetten die grote figuren uit de vrijheidsstrijd van de slaven behandelden. Hij kwam hiermee terug op een thema dat hij al eerder behandelde (zie de aantekeningen onder bro uit de bundel Troki). Pas veel later vond hij de zo lang gezochte oplossing in de religieuze poëzie die hij op het einde van zijn leven schreef (zie in deze afdeling de gedichten 15 tot 19).
blankofsiri, blankofficier, blanke opzichter. In een vroegere versie stond hier gran driktoro.
sabaten, avond, periode na zonsondergang.
kis pontoe, zwaar worden.
prontoe, prompt, direct. Een vroegere versie heeft: a broko go na wan f' den kamra prontoe.
wenke. Een vroegere versie heeft wenke en oema in omgekeerde volgorde.
nang' en. Een vroegere versie heeft na en.
ma tok... Deze regel bestaat in verschillende versies: Jostisi tok gi reti na driktoro
ete jostisi gi reti na driktoro
ete bakra kis let a lanti doro
ete bakra kis let a kroetoe doro.
kroetoe-doro, rechtbank.
lala, rauw. Hier duidt het op de intensiteit van de straf.
baja. In vroegere versies nengre en jonkman.
katibo, slaaf.
te m' e go naki. In een eerdere versie te mi sa naki.

 

9.

refensi, wraak. Een gedicht over Baron, die samen met Joli-Coeur (zie boven) de plantages aan de Cottica onveilig maakte. Er bestaat van dit gedicht een zeer afwijkende versie, die in deze aantekeningen wordt gegeven:
[p. 106]
Refensi
 
Foe tek refensi dat Baron ben wani
 
Kir den jobo, na so en sten b'e kari
 
na Kotkasé, mannengre sondro sari
 
oen rampener den kadami abani.
 
 
 
Den man ben soetoe faja gi den prani.
 
Den djomp anga atibron na ala djari.
 
Na ini driktoro oso skreki bari.
 
Wan blaka smoko tapoe ala sani.
 
 
 
En di den kis wan bakra libi-libi
 
den har en srep en go na Baron fesi
 
foe mek a psa wan toemsi bita tesi.
 
 
 
Ma san Baron ben taki ... joe sa bribi?
 
‘Djaso na kondre i no de langa ete
 
foe doe wi ogri, go foe joe, gowe.’
jobo, blanke, meester.
no mek nowàn jo-hari. Een andere versie heeft:
no mek wan sort jo-hari.
jo-hari, ontsnappen (?).
oen rampener. Andere versie: ma rampener.
rampener, vernietigen.
kadami abani, vervloekte (van Engels goddamn) schurken.
frambo, flambouwen (om de plantage in brand te steken).
bigi b'bari. Andere versie: foeroe b'bari.
feti. Andere versie heeft skreki.
prèp, klanknabootsing om het knappen van het hout aan te geven. Hier als werkwoord gebruikt.
Andere versie heeft bron.
Baron ben tak. De woorden van Baron zijn in vele
[p. 107]
versies weergegeven.

 

In de hier gevolgde vermoedelijk jongste versie is pis ten verbeterd in sjat ten. Een eerdere versie heeft oorspronkelijk so langa i no ben kon na kondr' ete, go foe joe blankofsiri. Joe n'abi fowtoe, go, joe broedoe diri. In potlood vindt men allereerst een wijziging van so langa i no ben kon in toe moen nomo d' i kon. Verder op hetzelfde blad een geheel gewijzigde versie van de laatste terzine:

 
Baron ben tak: Den toe moen d' i ben kon
 
na kondre dja, joe nó ben ab prisiri
 
na in wi sari, go, jóe broedoe diri.

10.

Afiba een vrouwennaam. In dit gedicht probeert Trefossa oude verhalen uit de slaventijd weer te geven, zoals hij ook deed in zijn verhaal
Owroekoekoe ben kari uit Tongoni 2 (Vox Guyanae 3, 6), pp. 29-31.
gongosa, geroddel, gemurmel.
hesi-hasti is vermoedelijk een nieuwvorming op basis van hesi (snel) en
hasti (haasten): snel naderbij komen.
drib'oedoe, drijfhout, drijvend stuk hout of boomstam. Het verhaal gaat dat een drijvende boomstam, waar bloed uit vloeit, tegen de stroom in drijft op de Saramakarivier. Dit wordt in dit gedicht in verband gebracht met de zelfmoord van een zwangere slavin, lang geleden.
katibo, slavernij.
griooo, klacht, weeroep.
bereman, zwangere vrouw.
tjoeboen, geluidsnabootsing voor een plons in het water.
broko genti, tegen de stroom in gaan.
[p. 108]

11.

troes ede, steek je hoofd naar binnen, kom even binnen.
masanga, hut.
namkoe, voornamelijk.
In een eerste versie zijn doengroe en doistri omgewisseld.
panta, een lichte houtsoort waarvan de steunbalken gemaakt worden, waarop het dak van troeli bladeren rust.
wan-wan foe den bre-brenki fo joe ... Een eerdere versie heeft: wàn-wàn f' joe bre-brenki, moksi nang' a pkin gowtoe-asogri foe mi gron, sa fas densrefi lek pis-pis faja na ondro mi noko.
asogri, gerecht dat aan beschuitkruim doet denken. Het duidt hier het zand op de vloer van de hut aan.
troeli, een soort bladeren, waarvan de dakbedekking gemaakt wordt.
ef a bradi en prasoro foenpéri. Andere lezingen: ef a span en prasoro foenpéri / ef a panja en prasoro foenpéri.
foenpéri (of finpéri), vuurpijl, vuurwerk. De dichter schetst hier het beeld van een parasolsgewijs uitspattende vuurpijl.

 

12.

moro de verscheen in De Ware Tijd, 29 september 1962 met het volgend commentaar: ‘De Surinaamse letterkunde heeft nog niet veel te presenteren. Een poging om de Surinaamse dichters en schrijvers de gelegenheid te geven hun pennevruchten in druk te kunnen laten verschijnen was de oprichting van het letterkundig tijdschrift Soela, waarvan reeds twee uitgaven zijn verschenen. Loulou van Buren en Trefossa, twee lettervrienden die Soela in stand helpen houden, kwamen elkaar on-

[p. 109]

langs op straat tegen in de buurt van een gebouw waar een belangrijke receptie werd gehouden. Kijkend naar de in avondkostuum en -toilet gestoken hoogwaardigheidsbekleders, peinsde Trefossa hardop dat een mens tenslotte maar wat beenderen en enkele liters bloed is. Geïnspireerd door deze overpeinzing schreef Loulou van Buren een gedichtje opgedragen aan Trefossa dat in het weekblad Omhoog de vorige week is opgenomen en luidt:

Mens
 
Wat beenderen en liters
 
bloed?
 
Kom nou,
 
waar blijft de Ziel
 
die door en met
 
de zorg om brood
 
voor het lijf
 
naar vrede zoekt
 
ontstijgend rukt
 
aan materiaal geweld
 
en vindt
 
bij het Kruis.

In antwoord hierop schreef Trefossa het gedicht mora de.

 

bonjo èn broedoe. In een andere versie: bonjo anga broedoe.
trarki, tralies.
lanpe, landingsplaats, oever.
barki, complot, samenzwering.
marki, tekenen.
fara, eb.
greni, grendels.
[p. 110]

13.

srefidensi, zelfstandigheid. Dit is een nieuwvorming van Trefossa, gebruikt in een onvoltooid en niet gepubliceerd gedicht, die direct heeft aangeslagen. Het hier gepubliceerde gedicht had geen titel en werd op een kladblaadje gevonden. Deze titel werd door anderen voorgesteld.
jar-hondro, eeuw.
In een andere versie luidde dit couplet:
pipel, ef lé lai joe chromosome, sort wini sa de n' a jari-kaba? In potlood hierbij de lezing:
pipel, ef a oni foe lé kon lai joe chromosome,... oni, honing. Bedoeld schijnt te zijn: als je de honing van de leugen oplikt tot die je chromosomen vervult,...
kaseri, ritueel reinigen.
mofo boeba, lippen.

 

14. nanga wan ai.

boemoe, goed (?).
kibri-sí-man-kandra, de kaars van mensen die verborgen dingen zien. Een woordspel op libima-kandra, samenleving.
goinosiso, ws. eveneens een woordspel: go, i no si so, vooruit, je hebt het niet gezien.
kadami, schurken.
prefoerman, durvers, moedigen.
djoe, uitroep om iemand te laten schrikken.

 

15.

hoemor in èksèlsis. Zie de studie van Albert Helman over dit gedicht op p. 148 e.v. Dit is één der laatste gedichten van Trefossa, geschreven rond Kerstmis 1973. In dit gedicht en de vier volgende gedichten realiseerde Trefossa een nieuw type poëzie, waarin hij op veel directer wijze zich probeerde uit te drukken.
[p. 111]

16. Jozef ori-tjar Maria

Trefossa trachtte in deze laatste gedichten dikwijls werkwoordverbindingen te vinden, die wel ongebruikelijk, maar toch direct verstaanbaar waren. Met de verbinding ori-tjar probeert hij het begrip ‘ondersteunen’ uit te drukken.
den no kisi asisteri. Variant: den no feni asisteri.
speri, verwanten, soortgenoten.
wins den aksi f' ala speri. Variant: wins den aksi ala speri.
loen, ruimte.
bereman, zwangere vrouw.
hila, vele. Een woord ontleend aan het Saramakaans.
nomo hila engel singi. Variant: wantron hila engel singi.
njanpré, feest vieren.
wiri, opgetogen zijn.
skapoeman na firi wiri ... Variant: skapoeman na firi dringi glori kmoto te foe hé.
boensi-boensi, zonder aanleiding.
faro, feest vieren.
kria, voortbrengen.
fia, geheel en al. Een woord ontleend aan het Saramakaans.
jarhondro, eeuw.

 

17. bébi-boi

nofi, klein, nietig. Ook gespeld njofi.
boerkaw, stier.
tanfoeroe, verbaasd.
ohin, klanknabootsing voor het balken van een ezel.
[p. 112]

18.

skapoeman, herders.
mofinawan, armen.
dangra, bijwoord bij soekoe: op ingewikkelde manier onderzoeken. Bedoeld is: wat geen enkel ingewikkeld onderzoeken ... kan oplossen.
masanga, hut, stal.
fika, achterlaten, achterblijven.
ertintin, staat hier voor ‘vertellingen’, ‘sprookjes’.

 

19. pin-pin Jesus

Dit gedicht is ook omstreeks Kerstmis 1973 ontstaan, zoals de vorige. Het is het enige gedicht van de serie dat niet werd uitgetikt, wat er op duidt dat het òf later dan de andere werd geschreven, òf nog niet tot tevredenheid van de dichter was voltooid. Een eerste kladversie met zeer veel varianten bleef bewaard in een kladblok.
Daarnaast nog een net versie, waarin enkele verbeteringen werden aangebracht. Zonder deze verbeteringen zouden de terzinen als volgt luiden:
 
Awins Herodes angri f' drai a tori,
 
a lasi krin-krin foe di star tan sori
 
na pasi doro te na Bethlehem.
 
 
 
Masanga tap bre-brenki star tan tiri:
 
- Nanga lespeki koniman-maniri
 
dri kownoe jere pin-pin Jesus sten.
pin-pin, heel klein (?).
sjoebi, schommelend voortgaan (?).

 

20.

foe joe is een vertaling van het gedicht Moederken van Guido Gezelle, geschreven in 1891.
[p. 113]
 
't En is van u
 
hiernederwaard
 
geschilderd of
 
geschreven,
 
mij, moederken,
 
geen beeltenis,
 
geen beeld van u
 
gebleven.
 
 
 
Geen teekening,
 
geen lichtdrukmaal.
 
geen beitelwerk
 
van steene,
 
't en zij dat beeld
 
in mij, dat gij
 
gelaten hebt,
 
alleene.
 
 
 
o Moge ik, u
 
onweerdig, nooit
 
die beeltenis
 
bederven,
 
maar eerzaam laat
 
ze leven in
 
mij, eerzaam in
 
mij sterven.

 

21.

Kristus e dede is een vertaling van het gedicht Christus stervende van Heiman Dullaert. De vertaling verscheen in de Kerkbode van de EBGS van zondag 26 maart 1967. Het gedicht van Dullaert luidt als volgt:
 
Die alles troost en laaft, verzucht, bezwijmt, ontverft!
 
Die alles ondersteunt, geraakt, o mij! aan 't wijken.
[p. 114]
 
Een doodsche donkerheit komt voor zijne oogen strijken,
 
Die quijnen, als een roos die dauw en warmte derft.
 
 
 
Ach werelt, die nu al van zijne volheit erft:
 
Gestarnten, Engelen, met uwe Hemelrijken;
 
Bewoonderen der aarde, ey! toeft gij te bezwijken,
 
Nu Jezus vast bezwijkt, nu uwe Koning sterft?
 
 
 
Daar hij het leven derft, wil ik het ook gaan derven:
 
Maar hoe hij meerder sterft, en ik meer wil gaan sterven,
 
Hoe mij een voller stroom van leven overvloeit.
 
 
 
O hooge wonderen, wat geest is zoo bedreven,
 
Die vat hoe zoo veel sterkte uit zoo veel zwakte groeit,
 
En hoe het leven sterft om dooden te doen leven?
stotoe, stutten. In een manuscript heeft Trefossa dit verbeterd in foenda.
en dede wan mi f' meri is een verbetering in het handschrift van de dichter voor en dede, mi wan meri, aangebracht op een overdruk van de Kerkbode.

 

22.

a no den Djoe is een vertaling van het gedicht Hij droech onse smerten van Jacobus Revius. Het verscheen in het Protestantenblad van 14 april 1973. De oorspronkelijke tekst luidt:
 
T'en zijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
 
Noch die verradelijck u togen voort gericht,
 
Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,
 
Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,
 
 
 
T'en sijn de crijchs-luy niet die met haer felle vuysten
[p. 115]
 
Den rietstock hebben of den hamer opgelicht,
 
Of het vervloeckte hout op Golgotha gesticht,
 
Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:
 
 
 
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaan,
 
Ick ben de swaren boom die u had overlaen,
 
Ick ben de taeye streng daermee ghij ginct geboden,
 
 
 
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,
 
De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:
 
Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

 

23.

oh man f'pina is een vertaling van het gedicht O man van smarten van Albert Verwey. Het verscheen in de Kerkbode van de EBGS van 15 april 1973. De oorspronkelijke tekst luidt:
 
O man van smarten met de doornenkroon,
 
O bleek bebloed gelaat dat in den nacht
 
Gloeit als een grote bleke vlam, wat macht
 
Van eindloos lijden maakt Uw beeld zo schoon?
 
 
 
Glanzende liefde in enen damp van hoon,
 
Wat zijn Uw lippen stil, hoe zonder klacht
 
Staart ge af van het kruis, wat lacht ge soms zo zacht,
 
God van mysterie, Gods bemindste zoon!
 
 
 
O vlam van passie in dit koud heelal!
 
Schoonheid van smarten op deez' donkre aard!
 
Wonder van liefde dat geen sterfling weet!
 
 
 
Ai mij! Ik hoor aldoor den droeven val
 
Van droplen bloeds; en tot den morgen staart
 
Hij me aan met grote liefde en eindloos leed.
[p. 116]
gran-sikrit. Variant: hé-sikrit.
krin-doe foe pen. Variant: krin-doe f' mofina.

 

24.

boen fréda is een vertaling van het gedicht Goede Vrijdag van Willem de Mérode:
 
Heer, weer dit visioen van Golgotha!
 
'k Zie U verslappen onder 't zonnebranden.
 
De zwarte gaten walmen in uw handen.
 
Men slaat uw sterven fel genietend ga.
 
 
 
Met hoofd en vuisten schuddend, roept men: Ha,
 
Koning! Zoon Gods! wring U van 't hout der schande!
 
Men steekt de tong uit, knarst de wreede tanden
 
En bauwt uw bange kreten spottend na.
 
 
 
O God, en alle dagen zie ik weer
 
Dat Gij mij aanstaart en oneindig teer,
 
Mijn zoon! gij bij de spotters! schijnt te fluistren.
 
 
 
Ja Heer! 'k sta midden 't woedende gemeen,
 
Maar laster niet, mijn God, waar zal ik heen?
 
Ik wacht vergeving eer uw oogen duistren.

 

25. m'e kré foe bromki

is een vertaling van het bekende gedicht van Willem Kloos:
 
Ik ween om bloemen in den knop gebroken
 
En vóór den uchtend van haar bloei vergaan.
 
Ik ween om liefde, die niet is ontloken,
 
En om mijn harte dat niet werd verstaan.
 
 
 
Gij kwaamt, en 'k wist - gij zijt weer heengegaan...
[p. 117]
 
Ik heb het nauw gezien, geen woord gesproken:
 
Ik zat weer roerloos nà dien korten waan
 
In de eeuwge schaduw van mijn smart gedoken:
 
 
 
Zoo als een vogel in den stillen nacht
 
Op ééns ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
 
En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,
 
 
 
Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gansch ontsluit,
 
Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
 
Door 't sluimerend geblaarte een zwakke klacht.

 

Dit gedicht is belangrijk geweest in de ontwikkeling van de Surinaamse literatuur. Het gerucht gaat dat in een radiotoespraak een onderwijsdeskundige verklaarde dat het ondenkbaar was dat gedichten als die van Kloos in het Surinaams zouden ontstaan zijn. Het antwoord van Koenders hierop was de vertaling van dit sonnet van Kloos, gepubliceerd in Foetoe-boi van mei 1954:

 
M' e sari foe bromki, di broko bifosi den opo.
 
Di lasi den prodo, bifo a komopo.
 
M' e sari foe lobi, di langa no tan,
 
bikasi mi ati a no ben froestan.
 
 
 
Joe kon - mi sabi - joe drai, joe go,
 
mi mofo no opo foe bar joe: no!
 
Mi sidon, moemoe, mi ati de kré.
 
Doengroe foe sari sidon na mi sé.
 
 
 
Leki wan fowroe na neti, di brenki stari
 
kori taki na dé,
 
opo en mofo, a wani foe kari,
[p. 118]
 
ma ai, di hebi foe sribi fadon
 
na mindri na tiri, di lontoe den bon
 
wan soktoe joe jere - na fowroe de kré.

Het is begrijpelijk dat Trefossa wilde tonen dat het gedicht van Kloos ook zonder technische onvolkomenheden vertaald kon worden.

 

Drie gedichten zijn niet in de afdeling Tra poewema opgenomen. Twee daarvan zijn in de nalatenschap opgenomen met de aantekening ‘onvoltooid’. De teksten volgen hier:

1.
 
Now di dré-gron
 
e las ensrefi
 
in bradi foe pasralontoe,
 
loen nanga leti
 
e moksi tron dé.
 
 
 
Winti e panja poeiri f' den bromki
 
di lai nanga powa
 
foe generasi-generasi.
 
 
 
Ete pkin-moro,
 
dan djamant' faja-krakti sa béfi
 
fo foeroe den foegoe
2.
 
Na neti hila-hila stari
 
e kroipi kon
 
lek na moenkenki
 
broko pikin.
 
 
 
Loen nanga leti...
 
loekoe fa moesdé
 
e langa en finga
 
foe anda mi ede.
[p. 119]

Het derde gedicht is wel volledig, zeker van oudere datum (omstreeks 1965), en in twee zeer verschillende versies bewaard gebleven, beide versies met verbeteringen en varianten. Het is niet duidelijk welke versie de laatste is.

3a.
 
‘Djaso mi de...
 
tra fasi mi no man
 
gado moe jepi mi;
 
da so!
 
 
 
Dat na san màn taki
 
di den poes go te n' a kroboi pasralontoe
 
foe kaseri konsjensi.
 
 
 
Gazon na wan!
 
Heri historia e toeka
 
naga (= nanga?) den
 
lek nanga krodon
 
di tranga moro ston.
 
 
 
Ala san di kon boen
 
e tjari n' in den siri/tjari n' in den koko bere
 
konsjensi-feti f' wan man
 
di no dribi
 
te genti b' e kon,
 
ma di tan...
 
donkedam
 
en wawan.
3b. Bongopita
 
Wortoe ben taki
 
na mofo foe màn
 
di ben sjoeki go
[p. 120]
 
te n' a kroboi pasralontoe
 
foe kaseri
 
prakseri.
 
 
 
‘Tra fas no de...’
 
 
 
Let drape historia e kren
 
pe skin tan klar-klari
 
foe sroiti en jari
 
nanga brenki
 
f' konsjensi.
 
 
 
Ala san di kon boen,
 
en siri e tjari
 
marki foe wàn
 
di no dribi
 
ma di tan
 
donkedam
 
en wawan.

Het laatste couplet moest gereconstrueerd worden uit een tekst met vele doorhalingen en verbeteringen in potlood en drie kleuren inkt. Er is aan dit gedicht dus duidelijk veel gewerkt. Het manuscript van 3b wordt in reproductie toegevoegd.