|
|
|
| |
| | | |
V Reacties op de poezie van Trefossa
| | | | | |
1. Paul Rodenko: Poëzie bij de donkere oorsprong.
Recensie gepubliceerd in NRC, 1957.
Wat de moderne, nomadische dichter in de poëzie der primitieven trekt is,
zoals ik in mijn vorige artikel opmerkte, de eenheid van dichten en
taalscheppen; in deze poëzie is er echter meer van een sacraal besef van
taalschepping sprake (het besef dat ieder gedicht werkelijk nieuw is, de
oorspronkelijke taalschepping herneemt, en daarmee de schepping van
werkelijkheden in de tot de dondergod gerichte Navahozang de werkelijkheid
regen) dan dat men de taalschepping in haar actualiteit betrapt.
Dit laatste is wel het geval met de zeer boeiende en belangwekkende kleine
gedichtenbundel Troki van de Surinamer Trefossa (met vertaling en verklarende aantekeningen van dr.
Jan Voorhoeve), een uitgave die verschenen is
als deel van de Publications of the Bureau for Linguistic Research in
Surinam. Trefossa (een schuilnaam) dicht namelijk in het Negerengels van
Suriname - een taal die niet alleen geen literaire standing heeft, maar die
in veler ogen zelfs helemaal geen taal is, althans niet meer dan een uiterst
primitief communicatiemiddel, geen taal in culturele zin, zoals zelfs de
talen der primitiefste volkeren het ten slotte zijn. Voor Trefossa is
dichten dus in de meest letterlijke zin tevens taalscheppen: is zijn poëzie
als poëzie geslaagd, dan heeft hij daarmee tevens een nieuwe cultuurtaal
geschapen (vandaar de titel van zijn bundel: ‘troki’ betekent in de
Surinaamse muziekfolklore zoveel als ‘aanheffen’: een solist of gangmaker
heft aan, waarna het koor invalt).
Voor vele Europese dichters moet de situatie van Trefossa iets
benijdenswaardigs hebben; al meer dan vijftig jaar lang hebben in Europa
dichters getracht zich | | | | door het scheppen van een eigen
kunsttaal in de situatie te verplaatsen van een dichter die met zijn poëzie
zijn instrument moet uitvinden, en zo iets van de primitieve,
werkelijkheidscheppende magie terug te veroveren. Reeds Stefan George
construeerde een eigen ‘Lingua romana’ (een persoonlijke taal, gebaseerd op
in hoofdzaak romaanse taalvormen), waarin hij bijvoorbeeld het gedicht Rosa gelba schreef, waarvan ik voor de curiositeit enkele
regels aanhaal:
En la atmosfera calida tremulante de odores
En la luz argentea de un diffallaz
Ella respira circunfundida de un gelbofulgor
Envelata toto en una seta galba
Multo vagamente conaria extranea
Nu lassando deomar distinctas formas
De Russische futuristen schiepen een ‘zaoemnyj jazyk’ (een ‘taal voorbij de
rede’), Scheerbart, Kurt
Schwitters, Hugo Ball en laatstelijk
de lettristen experimenteerden met een eigen ‘taal’ van pure klanken; en de
volgende regels:
zouden van Kurt Schwitters of van de lettrist Isidore Isou kunnen zijn: maar
ze zijn van Trefossa en ze hebben een functie, een zin, een betekenis, ze
staan in een ‘bezield verband’ of geven althans aan een bestaand verband
‘bezieling’. Het is geen persoonlijke kunsttaal, maar een werkelijke taal
die de dichter schept, die hij van een primitief communicatiemiddel tot
cultuurtaal omschept.
| | | |
Het Surinaamse Negerengels van Trefossa is een
zeer doorzichtige taal (evenals de ‘lingua romana’ van George, die ook op
bekende elementen berust; maar nogmaals: de lingua romana is een steriele
eenlingstaal, terwijl Trefossa in de meest letterlijke zin voor een hele
bevolkingsgroep nieuwe werkelijkheden ontsluit); wanneer men de helft van de
gedichten met de letterlijke vertaling van dr. Jan
Voorhoeve gelezen heeft, is de rest bijna zonder vertaling te
volgen: en men merkt al spoedig dat men met een waarachtig en belangrijk
dichter te maken heeft die alle registers te bespelen weet, van de simpelste
ontroeringen tot modern-mystieke ervaringen, van een op tamtamritmen
geïnspireerd danslied tot sonnetten toe.
Deze laatste zijn enigszins in tegenspraak met wat de inleiders, de
professoren Hellinga en Pée, schrijven: dat ‘de vormgeving van Trefossa niet gericht is op
adaptatie van westerse taalcultuurvormen, maar op de mogelijkheden van eigen
taalbezit...’. Het sonnet is hier wel degelijk een adaptatie van een
westerse vorm en blijkt dan ook minder geslaagd: het sterke overwegen van de
een- en tweelettergrepige woorden geeft het Negerengels iets
staccato-achtigs, dat niet met de gebonden, regelmatig voortschrijdende vorm
van het sonnet overeenkomt, wel daarentegen met allerlei ritmisch gebroken
en gesyncopeerde versvormen. Maar het is op zichzelf begrijpelijk dat
Trefossa, om de literaire mogelijkheden van zijn taal aan te tonen, bij
wijze van culturele ‘meesterproef’ het Negerengels ook aan deze
hoogliteraire vorm heeft willen toetsen.
Ik wil twee gedichten van Trefossa citeren (gevolgd door de vertaling van dr.
Voorhoeve: van de vertaling uit wordt ook het origineel herkenbaar in zijn
aan het Engels, Nederlands en Spaans ontleende elementen) en wel een dat als
het ware nog geheel ingebed ligt in | | | | de folklore, of althans
een literaire transpositie van een in de folklore gegeven thema vormt, en
een dat een zeer modern accent draagt. Het eerste draagt als titel Gronmama, hetgeen grondmoeder betekent (ieder stuk grond
heeft volgens het Surinaamse volksgeloof zijn eigen ‘gronmama’ die aan die
grond gebonden is):
na ini den doesoen tité foe mi skin.
mi gronmama, te na joe ati.
joe gersi na ini mi djodjo.
(ik ben niet ik/zolang mijn bloed/voor jou niet vertroebelt/in de duizenden
draden van mijn lijf.//ik ben niet ik/zolang mijn wortels/niet zakken, niet
schieten,/ mijn grondmoeder, tot in jouw hart.//ik ben niet ik/zolang ik
niet klaar sta/om te verbergen, om te dragen/ jouw beeltenis in mijn ziel.//
ik ben niet ik/zolang jij niet schreeuwt/van genot of pijn/in mijn stem.)
| | | |
Het andere draagt de titel Santa (d.i. heilig) en maakt in
zijn concentratie op het proces van het dichten zelf, en met name zijn
aandacht voor het papier zelf waarop het vers geschreven wordt (sinds
Mallarmé kenmerkend voor veel moderne poëzie), een ook voor ons zeer
‘eigentijdse’ indruk.
Het grote verschil tussen Trefossa en de
primitieven ligt trouwens ook hierin dat Trefossa een ontwikkeld en
modern-gecultiveerd mens is; wanneer ik mij niet vergis moet hij goed thuis
zijn in de moderne Spaanse poëzie, die van Alberti, Lorca, Guillén, Maar
alweer: wanneer het papier voor Trefossa ‘heilig’ is, dan is het dat in een
zeer veel fundamentelere zin dan het ooit voor een Europees dichter zou
kunnen zijn: het is ‘heilig’ omdat het het begin van een totaal nieuwe
cultuur betekent; wat Trefossa schrijft moet voor de Negerengels sprekende
in feite dezelfde sacrale betekenis hebben als voor de oudste mensheid de
hiërogliefen: het zijn heilige, want werkelijkheidscheppende tekenen. In
Trefossa voltrekt zich een synthese van moderniteit en creatieve
oorspronkelijkheid in de meest directe zin, die zijn poëzie uitermate
boeiend maakt. Hier volgt dan het tweede gedicht:
foe tjari den marki foe mi jeje,
begi foe mi no man tingga moro
no wan sma sa sab na sari f' dati,
| | | |
foe di m' no doekroen fara nofo
(dit stuk papier/dat afwacht met geduld/om de tekens van mijn geest te
dragen,/is heilig,/ 't is heilig als Gods gelaat.//als zelfs kreupelen,/mijn
gebed niet meer kan kreupelen/om te gaan tasten Gods geheugen,/zal niemand
de droefheid daarvan kennen,/niemand.//niemand/zal mijn droefheid kennen,
/als dit heldere papier/zal wachten voor niets/omdat ik niet ver genoeg
gedoken ben/om mijn pen te vullen/met het zwart/van mijn diepe bloed.)
| |
2. Jan Voorhoeve: Het lezen van Surinaamse poëzie een
stilistische studie over het gedicht Kopenhagen.
Gedichten, zo zegt men terecht, moeten voor zichzelf spreken. Ook in de
moderne wetenschap die stilistiek genoemd wordt1), heeft men
zich principieel op dit standpunt gesteld. Men heeft het gedicht losgemaakt
van de dichter met zijn biografische bijzonderheden en | | | | zijn
eventuele bedoelingen met het gedicht, en eveneens van de toevallige lezer
met zijn persoonlijk bepaalde verhouding tot het gedicht.1) Dit bleek een uiterst
vruchtbare discipline.2) Men is het gedicht
opnieuw gaan lezen als een tekst, die in zichzelf alle noodzakelijke
informatie bevat. Van alle informatie buiten de tekst om werd bewust afstand
gedaan.3)
Gedichten moeten voor zichzelf spreken. Waarom dan deze studie over het lezen
van Surinaamse poëzie? Dichter en uitgever beschouwden deze eerste uitgave
van Surinaamse poëzie enigszins als een waagstuk. Men is in Suriname niet
gewend aan Surinaamse poëzie. Zou men dan dadelijk een juiste instelling
tegenover deze lang niet eenvoudige poëzie mogen verwachten? Mag men
verwachten dat het Surinaamse publiek niet alleen met gerechtvaardigde trots
kennis neemt van het bestaan van deze gedichten, maar zich ook de moeite
getroost deze gedichten te lezen zoals dat moet, als poëzie van de hoogste
orde?
Daarom wordt nu in deze studie één der gedichten aan de lezers voorge‘lezen’.
En met dit ‘lezen’ tussen aan- | | | | halingstekens bedoelen wij dan
het stap voor stap volgen van het gedicht, het zich bij ieder woord
rekenschap afleggen van wat het gedicht hier de lezer aan informatie
aanbiedt. Wanneer het gedicht met het laatste woord en het laatste leesteken
volledig uitgesproken is, kan ieder voor zichzelf, herlezend en zich
herinnerend, het gedicht als eenheid volledig beleven.
Voor mij was dit een moeilijke opgave. Ik ben geen geboren Surinamer en moet
mij dus door informatie bij andere Surinamers de noodzakelijke kennis
verwerven omtrent de gebruikte taalvormen, zowel lexicaal als grammaticaal,
en omtrent de cultuurwereld, waarin dit gedicht is ontstaan.1) Ik moet dus
een gedicht lezen en zelfs anderen voor-lezen, dat valt buiten de mij door
geboorte vertrouwde cultuurwereld.2)
Wij kozen het gedicht Kopenhagen, dat wij op bladzijde 142
van deze studie nog eens lieten afdrukken met een nummering der versregels
en een woord-voor-woord-vertaling in het Nederlands, om het de medelezers
gemakkelijk te maken het betoog stap voor stap te volgen in het gedicht. Wij
hebben zelf, en de lezers wellicht met ons, het gedicht Kopenhagen reeds enkele malen argeloos gelezen en geconstateerd,
dat het een gedicht was, handelend over de Surinaamse watermoeder. Wij
moeten nu al de argeloos verworven kennis weer afleggen, om helemaal nieuw
te kunnen beginnen. | | | | Zo lezen wij dan de eerste regel: Kopenhagen.
Dit woord, dat wij kennen als naam van de hoofdstad van Denemarken in zijn
Nederlandse vorm, wordt door wit gescheiden van de andere lettertekens op
het blad en staat cursief gedrukt. Door deze typografische eigenaardigheden
doet het zich voor als titel boven een tekst.1) Wij weten uit
ervaring, dat er verband bestaat tussen titel en tekst. De titel projecteert
bepaalde verwachtingen vooruit omtrent de volgende tekst. In de eerste
plaats verwachten wij na een titel een samenhangend taalaanbod. Wij
verwachten geen titel boven een reeks losse notities. Na deze titel
verwachten wij een tekst, die ergens verband zal houden met de stad
Kopenhagen.
Regel A1 vormt een in zichzelf gesloten grammatische
constructie, waarvan het einde gemarkeerd wordt door een vraagteken.
Blijkbaar wordt het zinsbegin in dit gedicht niet aangegeven door een
hoofdletter. De hoofdletter blijkt gereserveerd te zijn voor namen, zoals
men bijvoorbeeld ziet in de titel Kopenhagen. Regel A1 bevat dus een vraag.
Wij onderscheiden in het Surinaams allereerst twee soorten vragen: de
vraag-om-informatie (waarop een antwoord verwacht wordt) en de
vraag-in-verbazing (waarop geen antwoord verwacht wordt). A1 bevat in zichzelf geen uitsluitsel omtrent de aard van de gestelde
vraag. Er wordt gevraagd (wij weten nog niet aan wie | | | | en of er
antwoord verwacht wordt): san dja na mofo se? (wat is-hier
bij de haven?). Het object waarnaar gevraagd wordt, wordt door middel van
twee plaatsbepalingen gelocaliseerd: dja + na
mofo se. Een enkele plaatsbepaling was voldoende geweest: san de na mofo se? (wat is bij de haven?). Het woord dja zou een min of meer toevallige precisering van de kunnen zijn, wanneer deze regel niet varieerde op een
bekend Surinaams volksliedje: Peroen, Peroen, mi patron.
De beginregel van dit volkslied treft men in de literatuur1) aan in de volgende vorm: Sien, san de na mofo,
sien de kom? Deze tekst is zonder deskundige toelichting in deze
vorm onbegrijpelijk. Men begrijpt met name het woord sien
niet, dat tweemaal voorkomt. Waarschijnlijk daarom zingt de jeugd van
Paramaribo tegenwoordig: Sien, san de na mofo se de kom?
De variant se na mofo is een normale variant in het
Surinaams. Betekenis heeft echter wel de variant dja in
plaats van de. dja wordt nu door het meespreken van de
genoemde regel uit het volkslied in deze vorm geaccentueerd. Het krijgt
eigen betekenis naast na mofo se en kan niet hiernaar
verwijzen. Het blijft echter een wijswoord en moet nu dus terugverwijzen
naar de titel Kopenhagen. De vraag in A1 luidt dus niet: san dja, namelijk na
mofo se?, maar: san dja (= in Kopenhagen) + na mofo se?, ofwel: wat is in de
haven van Kopenhagen?
Het feitenaanbod van A1 projecteert zich terug naar de
titel. Allereerst leren wij nu de titel zien als een noodzakelijke
informatie binnen de tekst, dus als onderdeel van de tekst.2) Verder worden de
verwachtingen om- | | | | trent de tekst nauwer bepaald: de tekst
handelt over de haven van Kopenhagen. Wat is in die haven? vraagt regel A1. En wij kunnen bijvoorbeeld als antwoord krijgen:
schepen, kademuren, hijskranen, loodsen, etc.
In plaats van zulk een antwoord krijgen wij nu in A2 de
verbaasde uitroep eh-eh! Dit leert ons dat A1 geen vraag-om-informatie bevatte, maar een vraag-in-verbazing
naar de aard van enig object bij de haven van Kopenhagen, dat deze verbazing
teweeg brengt. Deze nieuwe conclusie projecteert zich weer terug naar de
titel. Wij mogen nu verwachten dat de tekst zal handelen over iets
opvallends in de haven van Kopenhagen. Dit kan iets zijn dat ook de inwoners
van Kopenhagen in verbazing brengt, of iets waardoor de haven van Kopenhagen
zich onderscheidt van soortgelijke havens.
In A3-4 wordt weer een vraag gesteld. Anders dan in A1 wordt hier de persoon, tot wie de vraag gericht is,
expliciet genoemd: Watramama. Dit eerste woord van A3 verschaft een overvloed aan informatie. De watermoeder
is een personage uit de Surinaamse folklore, die ons door de bosneger Johannes King1) beschreven | | | | wordt als van boven vrouw, van beneden vis. Zij heeft grote
betekenis in het Surinaamse volksgeloof.1) Dit woord geeft tenslotte de titel ook zijn volle reliëf.
Niet over de haven van Kopenhagen handelt deze tekst, maar over het beeld
van Andersen's zeemeermin, door Edvard Eriksen, waardoor deze haven beroemd
is en dat deze haven onderscheidt van soortgelijke havens. Dit woord
verklaart ook de verbaasde uitroep in A2, een verbazing
opgewekt doordat in Kopenhagen (buiten Suriname) de typisch Surinaamse
watermoeder gevonden wordt.
De vraag zelf in A3-4 is eigenaardig. Aan een expliciet
genoemde figuur en in diens zichtbare tegenwoordigheid wordt gevraagd: na joe (ben jij 't?). Ook dit kan geen vraag-om-informatie
zijn. Men kan iemand alleen deze vraag stellen wanneer men twijfelt aan zijn
identiteit, en wel twijfelt omdat men zich verbaast deze persoon daar aan te
treffen. Uit de vraag blijkt dus verbazing en twijfel. joe
(jij) wijst terug naar Watramama en wordt nader bepaald
door sidon/na ston (gezeten op steen). ston is geen stofnaam, maar een concreet brok steen of brokken steen,
echter door het ontbreken van een bepaald lidwoord onbepaald en getalloos
gegeven als iets van de soort steen.2)
Men zou nu aan kunnen nemen - en zo reageerde inderdaad een onzer informanten
- dat de verbazing die uit deze vraag spreekt wel in de eerste plaats teweeg
gebracht wordt door de aanwezigheid der watermoeder | | | | in
Kopenhagen, maar mede wordt veroorzaakt door haar aanwezigheid aldaar op
steen. Dit laatste is echter in het geheel niet verwonderlijk. Men verwacht
de Surinaamse watermoeder niet anders dan op steen of in water.
Er is een andere lezing mogelijk. na kan hier
samengetrokken zijn uit voorzetsel na + bepaald lidwoord
a. Dit samengetrokken na herkent men
in de spreektaal, omdat het de intonatie heeft van een tweelettergrepig
woord: na heeft dan twee toonkernen in plaats van één. De
betekenis van de vraag met samengetrokken na < na + a wordt nu: watermoeder, ben jij
het werkelijk, die daar op die steen zit? En met die steen kan dan niets
anders bedoeld zijn dan de steen in Kopenhagen, waarop Andersen's zeemeermin
is opgesteld. Het samengetrokken lidwoord wijst dus terug naar de door tal
van informaties uit A1-3 steeds nauwer omschreven titel.
Maar ook zonder dat lijkt ons het ontbreken van een bepaald lidwoord in deze
constructie niet dezelfde betekenis te hebben als in het Nederlands. Men
moet na ston vergelijken met het Nederlandse ‘op straat’.
In bepalingen als a strati (op straat), a
stoepoe (op stoep), a trapoe (op trap), etc. is
in het Sranan geen bepaald lidwoord nodig. Ook zonder bepaald lidwoord is de
vraag: na joe sidon / na ston? (gesteld
aan iemand die inderdaad gezeten is op een steen) duidelijk genoeg. Er kan
dus niets anders dan die steen bedoeld zijn.
Regel B1-2 wordt opnieuw tot de watermoeder gericht, die
hiervoor nog niet als zodanig met zekerheid herkend was. In B1 treedt ook een nieuwe persoon op, mi (ik), die
zich doet kennen als de vraagsteller in A. De ‘ik’ van dit gedicht zegt tot
de watermoeder: mi sabi joe, / troe-troe
(ik ken je, werkelijk).
| | | |
Wij weten dat wij een samenhangende tekst onderzoeken en verwachten dus
samenhang tussen deze losse mededeling en alles wat het gedicht verder
aanbiedt.1) Zolang wij B1-2 als een losse mededeling beschouwen, deelt hier de ‘ik’ van
het gedicht de intieme relatie mee, die tussen hem en de watermoeder
bestaat. Na de voorafgaande twijfel omtrent haar identiteit in A3-4 geeft hij hier tevens te kennen, dat bij hem nu alle
twijfel is opgeheven. Hij herkent Andersen's zeemeermin nu als de hem zo
vertrouwde Surinaamse watermoeder.
Wat hierna overblijft is de van twijfel gezuiverde ontroerde verbazing over
haar aanwezigheid in Kopenhagen. B3-4 vormt grammatikaal
één geheel door de puntjes en de regel wit na B4. De
mededelingsvorm is nu echter bijzonder lapidair geworden: het noemen van de
naam van de watermoeder, en daarmee door de komma verbonden een uitroep, die
verbazing en ontroering beide uitdrukt. Door de komma op het einde van B3 wordt de ontroerde verbazing direct betrokken op de
watermoeder van B3 en via de vorige regels op haar
aanwezigheid in Kopenhagen.
De substantiefgroep waarmee C1 opent, wordt blijkens het
gebruik van joe (waarmee in B1 en A3 ook de watermoeder bedoeld werd) betrokken op de
watermoeder. Wanneer de verbaasd-ontroerde uitroep van B4 in de stippeltjes verklonken is, is het eerste woord dat de ‘ik’ van
het gedicht naar de lippen welt: joe gowtoe kan-kan (je
gouden kam). Om de voorkeur voor juist dit attribuut van de watermoeder te
begrijpen moeten wij terug naar het beeld van de watermoeder in de
Surinaamse folklore.
| | | |
De gouden kam van de watermoeder blijkt een bijzonder eigenaardig attribuut.
Men verwacht niet de watermoeder met dit attribuut te zien. Ze heeft de
gouden kam niet in de hand. Het is juist meer een attribuut dat zij
verborgen houdt. Toch brengt de gouden kam geluk, want hij die de gouden kam
vindt zal geluk hebben in zijn leven. Wanneer de ‘ik’ van het gedicht dus in
C1-2 vraagt: pe / a
de? (waar is die?), dan vraagt hij naar de plaats van het geluk.
De constructie van deze vraag (eerst in los verband joe gowtoe
kan-kan en dan pronominaal daarnaar verwijzend de eigenlijke vraag
pe / a de?) wijst op een zekere
plotselinge aandacht voor dit geluksobject. Een dergelijke constructie treft
men aan bij plotselinge schrik. Men vergelijke de Nederlandse
vraag-in-schrik: En je beurs, waar is die? De ‘ik’ van het gedicht herinnert
zich plotseling met schrik, na de herkenning en ontroerde verbazing, de
gouden kam.
De vraag naar de verblijfplaats van de gouden kam in pe
(C1) is in deze context geen vraag naar ‘waar ter
wereld’. De verbazing in A geldt het feit, dat de ‘ik’ van dit gedicht de
watermoeder in Kopenhagen (d.i. niet-Suriname) ontmoet. Zodra hij dit
verwonderlijke feit voor waar erkend heeft in B, vraagt hij in C met schrik
naar de verblijfplaats van de gouden kam. Tot nog toe is slechts expliciet
Kopenhagen (Europa) en impliciet Suriname genoemd. De verbazing bleek zelfs te berusten op deze
geografische tegenstelling. Wanneer hij dus hierna vraagt pe, vraagt hij binnen deze zelfde tegenstelling: Europa of Suriname?
Hoezeer dit nu wel een vraag-om-informatie is, wordt nog geaccentueerd
doordat de ‘ik’ van het gedicht aandringt op antwoord in C3-4. Hij gaat zelfs zover, dat hij nu in de vorm van aanspraak de
watermoeder herinnert aan hun intimiteit. Hij spreekt haar in C3 aan als mi
| | | |
goedoe-goedoe. mi goedoe (mijn schat) is een afgesleten
vleiwoord in Suriname, dat te pas en te onpas uit louter vriendelijkheid
wordt gebruikt, ook waar een weinig innige menselijke verhouding bestaat. De
reduplicatie herstelt de oorspronkelijke innige betekenis. De reduplicatie
kan namelijk in het Surinaams een intensivering van het enkelvoudige woord
tot stand brengen.1)
Eigenaardig is ook de toevoeging in C4
mi w'wan (mij alleen) als nadere bepaling van het object
mi in C3. Hiermee wordt een
tegenstelling geschapen tussen ‘ik’ (met de innig op hem betrokken
watermoeder) en de ‘anderen’. In het hele gedicht werden tot nog toe slechts
mi en joe (= Watermoeder) expliciet
genoemd. Op deze plaats worden impliciet de anderen genoemd als degenen die
buiten dit intiem verbond staan. Op deze geografische plaats in Europa
worden daarmee in de eerste plaats de Europeanen genoemd.
Door deze nadruk op mi wordt echter tevens de vorige vraag
naar de verblijfplaats van het geluk (Suriname of Europa?) op de ‘ik’ van
het gedicht betrokken. Hij persoonlijk vraagt naar zijn bestemming: Suriname
of Europa? Niet: waar ligt het geluk in het algemeen? maar: waar ligt mijn
geluk? Dit verklaart ook de schrik, die bleek uit de constructie van de
vraag in C1-2. Door zijn ontmoeting met de watermoeder
in Kopenhagen is zijn vroegere, vanzelfsprekende mening omtrent de eigen
bestemming aan het wankelen gebracht.
In C1-2 werd een vraag-om-informatie gesteld. In C3-4 werd op antwoord aangedrongen. Hierdoor worden
verwachtingen gewekt op een onmiskenbaar antwoord | | | | in D. Het
antwoord wordt op eigenaardige wijze gegeven in het woord waki (D1); met een nadere bepaling so pi-i-i
... (D2), welke iedere mogelijkheid op een antwoord in
woorden verder uitsluit. Na D2 wordt men als het ware
teruggedreven naar het schijnbaar antwoordloze waki in
D1. Men kan de preciese betekenis van waki het best bepalen door het af te tekenen tegenover loekoe (kijken). waki = loekoe met nog iets anders: het is een actief, intens en
doelgericht kijken, waarbij de toeschouwer niets ontgaat. Wij weten dat het
antwoord volledig in waki gegeven moet zijn. Het actieve
en doelgerichte waki maakt onmogelijk het achterwege
blijven van een antwoord in woorden uit ongeïnteresseerdheid van de
watermoeder. Er blijft dan slechts één antwoord zonder woorden over: het
zwijgen, dat uitdrukt: wat dacht je dan? hoe kun je zo'n vreemde vraag
stellen?
En onmiddellijk reageert de ‘ik’ van het gedicht met ènhè,
een toestemmend gemompel met de betekenis: ‘natuurlijk’. Pas dan wordt het
antwoord zonder woorden vertaald: Sranan (Suriname). Hier
in D4 wordt dan tenslotte Suriname ook expliciet
genoemd, waardoor de reeds geconstateerde tegenstelling Kopenhagen: Sranan expliciet gegeven is, ook in de vorm als begin
en einde van het gedicht.
Een gedicht is meer dan een mededeling van feiten, in woorden of constructies
gegeven. In een gedicht worden de feiten gegeven in een bepaalde vorm. Het
is niet zonder betekenis, dat de vraag in A3-4 over twee
regels verdeeld is. Deze typografische indeling stemt overeen met het
metrisch schema van het gedicht. Poëzie is hier mededeling in een metrisch
schema, dat op eigen wijze zinrijk is naast de zakelijke inhoud van het
gedicht. Dit laatste is slechts een betrekkelijke waarheid. Dat met name de
afwijkingen op het metrische schema functio- | | | | neel voor het
feitenaanbod kunnen zijn, kan men in dit gedicht duidelijk zien.
Dit gedicht is opgebouwd uit vier strofen met een overeenkomstig metrisch
schema:1)
De variaties op dit schema schijnen talrijker dan ze zijn. De afwijkingen in
de woorden (watra)mama, kan-kan en goedoe-goedoe beschouwen wij niet als zodanig. Dit zijn namelijk
reduplicaties (wij beschouwen ook ma-ma als reduplicatie)
en bij reduplicaties wordt in het Surinaams het spreektempo versneld.
Dikwijls zelfs zodanig, dat de onbeklemtoonde lettergreep verdwijnt. Een
voorbeeld daarvan vindt men in C4, waar de reduplicatie
wan-wan gereduceerd wordt tot w'wan.
Hiermee willen wij niet zeggen, dat nu ook m'ma, k'kan, en
g'goedoe gelezen moet worden. Reeds de notering van
w'wan sluit deze mogelijkheid uit. Men moet echter
door de versnelling van het tempo in deze reduplicaties de onbeklem- | | | | toonde lettergrepen min of meer als voorslagen in muziek
beschouwen. Zij kunnen binnen het metrisch schema verwaarloosd worden.
Wel vinden wij duidelijke afwijkingen in B3 en C1. B3 wijkt af omdat de metrisch
verwachte regel na -' niet verder linguistisch wordt gevuld; en dit juist op
een plaats, waar de taalvorming, zoals boven werd opgemerkt, lapidair bleef
door de uiterste verbazing van de ‘ik’ van het gedicht. Na de lange pauze,
opgelegd door het ontbreken van woorden - wij zouden in dit verband zelfs
kunnen spreken van het tekortschieten van woorden - waar zij metrisch
verwacht worden, volgt dan ook in C4 - met het
voorgaande in verband door de komma - een aangehouden uitroep van verbazing.
C1 wijkt af door het ontbreken van een onbeklemtoonde
lettergreep tussen (kan-)kan en pe. De
eigenaardige constructie van de vraag in C1-2, namelijk
het voorafgaan van het subject van de volgende vraag, maakt hier een pauze
noodzakelijk, die aangegeven wordt door de komma en geaccentueerd door het
uitblijven van de verwachte onbeklemtoonde lettergreep. Deze metrisch
geaccentueerde pauze draagt ertoe bij het voorlopig subject te scheiden van
de eigenlijke vraag. Hierdoor wordt de ongerustheid of schrik van de ‘ik’
van het gedicht omtrent de gouden kam opgeroepen. Wij kunnen dus
constateren, dat de afwijkingen op het metrisch schema duidelijk parallel
lopen met de inhoud van het gedicht en dus een duidelijke functie hebben in
het gedicht.
Ieder kent het soort gidsen met het hart op de tong, waaraan wij ons op
tentoonstellingen terecht zo plegen te ergeren. Zij menen ons babbelend te
moeten inlichten omtrent de bedoelingen van de schilder en de uitwerking van
zijn schilderijen op het eigen gemoed. Ook wij hebben de lezers tot gids
gediend in de wereld van dit | | | | ene gedicht. Maar wij hebben
getracht - en dit tevoren principieel verantwoord - slechts het gedicht te
laten spreken. Dichter en lezer gingen ons niet aan. Dat wil niet zeggen,
dat hier geen problemen zouden kunnen liggen en dat het creatieproces of de
reacties van het publiek geen object van onderzoek zouden kunnen vormen. De
dichter heeft zeker bepaalde bedoelingen en slaagt er meer of minder goed in
zijn bedoelingen te realiseren in het gedicht. Het wonderlijke creatieproces
kan er zelfs toe leiden, dat de dichter dingen zegt die hem pas later bewust
worden. Men leze de veelzeggende slotregels van wan troe
poewema... in deze bundel.1)
Ook de reacties van de lezer op het gedicht zijn uitermate belangrijk. Wij
hebben slechts de weg geëffend voor een zuivere dialoog tussen lezer en
gedicht. Wij hebben getracht het gedicht alles te laten zeggen wat het
zeggen wilde. Maar daarmee is niet alles ‘gezegd’. Een gedicht verwacht een
antwoord van iedere lezer persoonlijk, al wordt dit nog zo kort geformuleerd
als ‘mooi’ of ‘lelijk’. Te velen nog, ook in Suriname, menen dat dit
antwoord gegeven moet worden door de ‘deskundige’. Gedichten zijn er niet
voor deskundigen, zij zijn er voor mensen. Hun antwoord kan niet door een
ander geformuleerd worden. Daarom houdt hier dan ook de taak van uw gids op.
| | | |
|
KOPENHAGEN
|
|
|
KOPENHAGEN
|
| wat is-hier bij de haven? |
A |
1 |
san dja na mofo se? |
| hee! |
|
2 |
eh-eh! |
| Watermoeder ben jij ('t) gezeten |
|
3 |
Watramama na joe sidon |
| op (die) steen? |
|
4 |
na ston? |
| |
|
|
|
| Watermoeder ik ken je, |
B |
1 |
Watramama mi sabi joe, |
| werkelijk. |
|
2 |
troe-troe. |
| Watermoeder, |
|
3 |
Watramama, |
| wel-wel... |
|
4 |
tjeba-a-a... |
| |
|
|
|
| je gouden kam, waar |
C |
1 |
joe gowtoe kan-kan, pe |
| is die? |
|
2 |
a de? |
| mijn liefje zeg ('t) me dan, |
|
3 |
mi goedoe-goedoe taig mi dan, |
| mij alleen. |
|
4 |
mi w'wan. |
| |
|
|
|
| Watermoeder je beziet me |
D |
1 |
Watramama j'e waki mi |
| zo muisstil... |
|
2 |
so pi-i-i... |
| m'm, ik weet waar die is: |
|
3 |
ènhè, mi sab p' aj tan: |
| Suriname! |
|
4 |
Sranan! |
| |
3. Jan Voorhoeve: Tweeluik van de tijd.
Bespreking van twee gedichten (Troki 11 en 12) in het
Nederlandse tijdschrift ‘gedicht’, no. 7, oktober
1975.
Op 3 februari stierf de Surinaamse dichter Trefossa, pseudoniem van Henri Frans de
Ziel. Hij was als dichter in Nederland weinig bekend, omdat de taal
waarin hij schreef (het Sranan Tongo of Surinaams) hier slechts weinig
bekend is.
In Suriname werd hij echter beschouwd als een groot dichter die bovendien de
literaire mogelijkheden van het Surinaams voor het eerst aantoonde. Het
lijkt mij niet onmogelijk om de grote literaire kwaliteiten van zijn werk
voor anderstaligen te demonstreren. Ik zal dit proberen door de twee
centrale gedichten uit zijn bundel
Troki
uit 1957 via het Nederlands te verklaren.
| | | |
Men stelt soms dat een gedicht een in zichzelf besloten tekst is, die alle
voor de interpretatie noodzakelijke informatie bevat. Ik meen te kunnen
aantonen, dat het in dit geval niet zo is. De beide gedichten kunnen alleen
in onderlinge samenhang begrepen worden.
Deze beide gedichten nemen een centrale plaats in in de bundel Troki en dragen geen titel. De pseudotitels die zij in de bundel
meekregen, zijn niet meer dan handzame etiketten, bestaande uit de eerste
drie woorden van de beginregel.
De samenhang tussen beide gedichten blijkt uit een strikt volgehouden
parallellie, maar kan ook op eenvoudiger wijze aangetoond worden. Regel 7
van het tweede gedicht roept de moeder aan met de woorden agen
mi moe kari joe nen (weer moet ik je naam noemen). In de gehele
bundel wordt verder nog slechts éénmaal de moeder aangeroepen, en wel in het
voorgaande gedicht (regel 17). Om de parallellie aan te tonen, moet men de
beide gedichten in onderlinge samenhang lezen.
Het eerste gedicht opent met de regel a joeroe dis e bradi so
soe-oe-oen... (dit uur verwijdt zich zo suizend...). De
schrijfwijze van soe-oe-oen is afwijkend en lijkt toegepast om een gerekte
oe-klank aan te geven. Gerekte klanken komen in het Surinaams slechts voor
in een speciale categorie van intensiveringswoorden (in Afrikaanse talen
ideofonen genoemd), die geen duidelijke eigen betekenis dragen, maar een
kwaliteit of intensiteit van het voorgaande woord uitdrukken. Het
intensiveringswoord wordt in het Surinaams meestal voorafgegaan door so (zo). In regel 10 treft men nog een intensiveringswoord
aan, nu zonder gerekte klinker, namelijk kodo, wat een
intensiteit van het alleen zijn uitdrukt. Met soe-oe-oen
wordt een intense (suizende) stilte aangegeven. In de openingsregel wordt
dus gezegd | | | | dat een beperkte tijdsduur uitdijt tot
oneindigheid. Het kan vreemd aandoen dat het woord joeroe
(uur) deze beperkte tijdsduur uitdrukt en niet bv. momenti
(ogenblik), zoals in de eerste regel van het tweede gedicht. Het woord joeroe kan in het Surinaams echter aldus gebruikt worden,
zoals in a joeroe ten dati (letterlijk het uur tijd dat),
wat wil zeggen ‘op dat moment’. De puntjes op het einde van de regel worden
later besproken. In de drie volgende regels (2-4) wordt telkens een
tegenstelling gepresenteerd: bigin, kroboi (begin,
einde1) hé nanga dipi (hoogte en
diepte), kroektoe-, letsé (links, rechts). Deze drie tegenstellingen,
waarvan de eerste betrekking heeft op de tijd en de beide laatste op twee
dimensies in de ruimte, worden als gelijksoortig voorgesteld. Samen vormen
zij het onderwerp van het daarop volgende gezegde: e dans-dansi
gwe (dansen heen). De reduplicatie duidt vaak een repeterende
handeling aan en sluit daarom de interpretatie uit dat de genoemde
tegenstellingen al dansend verdwijnen. Een repeterende beweging wordt door
toenemende snelheid langzamerhand aan de waarneming onttrokken. Dit vreemde
oplossen in het niets wordt in de volgende regels (6-8) nader omschreven in
een vergelijking, ingeleid door lek te (zoals wanneer). Er
wordt een vergelijking gemaakt met het trillende zonlicht op de savanna (een
zandvlakte zonder schaduwgevende bomen).
Het eerste couplet lijkt zo een afgeronde mededeling te bevatten: een
tijdsmoment dijt uit tot iets waarin alle grenzen van tijd en ruimte
vervagen. Ritme en rijm vervagen op dezelfde manier. De drie paren
tegenstellingen (2-4) veranderen een kort-lang in een lang-kort ritme. | | | | Wanneer men de door gedachtenstrepen afgezonderde
plaatsbepaling na sabana (op de savanna) buiten
beschouwing laat, ziet men een intens e-rijm (begin- en
eindrijm van regels 5 en 6) oplossen in een on-rijm
(hoewel e als beginrijm in regel 8 gehandhaafd blijft).
Het eerste couplet van het tweede gedicht drukt een tegengestelde beweging
uit. Het begint ook hier met één moment, waarvan het unieke op drie manieren
beklemtoond wordt: wan enkri (één enkel), no
moro (niet meer dan één), en het intensiverende gado (god), vergelijkbaar met het woord ‘god’ in de Nederlandse
uitdrukking ‘het is een godswonder’.
Dit unieke moment is onderwerp van het werkwoord poko, dat
de snel draaiende beweging van een tol aanduidt. Dit zou kunnen doen denken
aan het werkwoord dans-dansi (op en neer dansen) uit het
eerste gedicht. Daar echter voert de snelle beweging tot een vervagen van
grenzen, hier wordt het tegengestelde effect bereikt: de roterende beweging
voert tot verdichting van het moment. Daarom ook opent de derde regel met
het tegenstellende ma (maar), dat alleen in tegenstelling
tot het voorgaande gedicht kan gelezen worden. Het woord meti (dier, vlees) kan niet anders opgevat worden in verband met het
woord ‘moment’, dan als ‘substantie’. Men zie ook de slotregel, waarin
gesproken wordt van boeba foe ten (de huid van de tijd).
Ook hier wordt de mededeling toegelicht met een vergelijking, ingeleid door
lek te (zoals wanneer): alsof honderd jaren zijn
samengesnoerd in één.1) Hier wordt dus uitgedrukt dat het moment zich
verdicht: een tot moment samengebalde oneindigheid.
In het tweede gedicht wordt hierna een individu als mi
| | | | (ik) geïntroduceerd. De parallellie tussen beide gedichten
lijkt hier verbroken, want mi verschijnt in het eerste
gedicht pas in het derde couplet. Daaraan vooraf gaat een objectiverend joe (je, men). Het tweede couplet in het eerste gedicht is
echter dubbelzinnig door het woordje te, dat zowel het
onderschikkend voegwoord ‘wanneer’ als het nevenschikkend voegwoord ‘totdat’
kan uitdrukken. In de onderschikkende interpretatie wordt gezegd: wanneer je
moederziel alleen over blijft, is het leven wit als dauw. In de
nevenschikkende interpretatie: (het moment verwijdt zich) totdat je
moederziel alleen over blijft en het leven wit is als dauw.
De onderschikkende interpretatie wordt gesteund door de punt op het einde van
het eerste couplet en de regel wit daarna. De nevenschikkende interpretatie
wordt gesteund door de puntjes op het einde van de eerste regel (die in het
tweede couplet wordt voortgezet) en door het feit dat de onderschikkende
interpretatie slecht past bij de angst die het derde couplet verwoordt.
Wanneer de nevenschikkende interpretatie wordt aanvaard, is de parallellie
tussen de beide gedichten hersteld. Het tweede couplet vormt dan grammatisch
een onderdeel van het eerste, en in beide gedichten wordt de ik-figuur
geïntroduceerd na een openingszin. Het eerste en tweede couplet drukken nu
tesamen uit dat een tijdsmoment uitdijt - waarbij alle grenzen van tijd en
ruimte vervagen - totdat de mens moederziel alleen over blijft en het leven
wit als dauw is geworden.
Opvallend is hier de keuze van het woord ‘dauw’. In een tropisch land als
Suriname heeft men uiteraard niet de beschikking over vergelijkingen met
‘sneeuw’ of ‘rijp’, maar de intensiteit van het wit kan zeer wel door een
intensiveringswoord als wan worden uitgedrukt. Door hier
een vergelijking met ‘dauw’ te maken schijnt daarom eerder de doorschijnende
kwaliteit van het ‘wit’ te | | | | worden uitgedrukt. Het is alsof in
deze uitdijende tijd het leven substantie verliest en doorschijnend wordt.
Op dit punt vindt men in beide gedichten de caesuur, waarna de ik-figuur
wordt geïntroduceerd. In het eerste gedicht blijkt hij ten prooi aan een
hevige angst. Dat blijkt uit zijn houding: de armen om de knieën geslagen,
het hoofd gebogen. Gaat het hier nog in zekere zin om een objectiverende
beschrijving, in de volgende regels breekt de ik-figuur los in
ongecoördineerde uitroepen: wervelwind! duizeling bevangt me. In het laatste
couplet wordt het ronduit een roep om hulp: Moeder! Help je kind...
Het gedicht eindigt in puntjes. Het is verleidelijk om ook dit te zien als
een verwijzing naar een tweede gedicht dat volgen zal en het tweeluik van de
tijd moet voltooien, en daar dan inderdaad op een punt eindigt.
Ik heb een aantal argumenten aangevoerd om de beide gedichten in onderlinge
samenhang te beschouwen. De voorstelling van de tijd is completerend
(uitdijen en inkrimpen). Het woordje ma (maar) in de derde
regel van het tweede gedicht schept een tegenstelling met het voorgaande
gedicht. Het woordje agen (opnieuw) in regel 7 van het
tweede gedicht verwijst expliciet naar het eerste. Bovendien vindt men de
caesuur op een overeenkomstig moment in beide gedichten.
Na de caesuur wordt het parallellisme echter verbroken. In het eerste gedicht
wordt eerst de angst beschreven en dan pas de moeder aangeroepen. In het
tweede wordt eerst de moeder aangeroepen en pas hierna de reden genoemd. Die
reden is eigenaardig. De ik-figuur noemt zich een pijl die hierheen
afgeschoten komt (mi na wan péri / di soetoe
kon dja). In plaats van een individu dat in de uitdijende tijd het
bewustzijn dreigt te verliezen en in de hulpkreten desintegreert (zoals in
het eerste gedicht), nu een pijl die het verdichtende moment dreigt te | | | | missen. Uit de inkrimpende oneindigheid komt iets met grote
snelheid naderbij. Er is duidelijk angst, want de volgende regel zegt eloe foe mi (wee mij). De pijl kan zijn doel missen, zeker
een zo snel inkrimpend doel.
Het opgeven van de parallellie na de caesuur lijkt er eerder toe bij te
dragen de beide gedichten tot een eenheid te maken. In het eerste gedicht
dreigt het individu zijn bewustzijn te verliezen, te desintegreren. Het
tweede gedicht heeft het resultaat van het eerste tot uitgangspunt. Het
individu wordt met een roep om hulp geïntroduceerd als iets (een pijl) wat
nog geen bewustzijn bezit en individualiteit moet krijgen door het zich
verdichtende tijdsmoment binnen te dringen.
Ik meen dat in dit tweeluik van de tijd de kern is neergelegd van de bundel
Troki
, zodat het niet toevallig is dat deze gedichten een centrale plaats
in de bundel innemen. Het ritme van verwijding en inkrimping is als een
hartslag die men overal elders in deze bundel terug vindt. Wij weten nu dat
de dichter Trefossa een aangeboren hartafwijking
had, waaraan hij ook is gestorven. Het is wellicht niet ter zake deze
pre-occupatie in zijn poëzie te herkennen. In deze studie, die een groot
Surinaams dichter wil herdenken, mag het toch een plaats vinden.
| |
4. Albert Helman: Bij Trefossa's laatste(?) gedicht.
Het is een goede gedachte geweest, bij het ‘In Memoriam’ dat prof. Voorhoeve in het eerste nummer van 1975 van het
Sticusa-Journaal aan Henny de Ziel wijdde, ook
het gedicht op te nemen dat - naar zijn weten - het laatste was dat Trefossa
schreef. Dit gebeurde zowel in het Sranan - helaas met een aantal storende
drukfouten in de twee eerste strofen - als in een Ne- | | | | derlandse
vertaling, die geest en gedachte van het origineel goed weergeeft. Geen
betere wijze om een kunstenaar te eren, dan door grotere bekendheid te geven
aan zijn werk. En Henny de Ziel was - ondanks het weinig-omvangrijke van
zijn gepubliceerd oeuvre, een dichter bij de gratie der Muzen, en inderdaad
- zoals Voorhoeve bij herhaling betoogd heeft - een baanbreker onder de
‘moderne’ dichters in het Sranan.
In dezelfde geest van respectvolle sympathie zijn de hiernavolgende
opmerkingen bij het origineel van ‘Hoemor in Excelsis’ bedoeld. Want al is
dit zeker niet een van Trefossa's beste gedichten, het is een prachtige
illustratie van zijn kunnen en kennen, en bovenal van zijn bedoelingen als
mede-schepper van een literair-bruikbaar Sranan-tongo, in staat om aan te
tonen hoe groot nu ook de ‘amplitude’ is van deze snel-groeiende, zich snel
aanpassende en wellicht ook snel ontwikkelbare taal.
Het eerste wat opvalt in ‘Hoemor in Excelsis’, is de vorm. Het is de zuivere
vorm van het ‘klassieke’, West-europese sonnet: veertien
elf-lettergrepige regels, een even knap als angstvallig vastgehouden
rijmschema: a-b-a-b, a-b-a-b voor de twee kwatrijnen, en c-c-d, e-e-d voor
de terzinen. Volkomen conventioneel. Dat de twee gebruikte latijnse woorden
alleen in de zwakke, en niet in de betoonde lettergrepen van het eindrijm
corresponderen, heeft een veeleer speelse dan storende werking. Zoals zo
vaak, wanneer met opzet woorden uit een geheel andere taal ‘citerenderwijze’
worden gebruikt. Dat deed reeds de Archipoeta in de late Middeleeuwen, met
veel succes, en tot op heden weten coryfeeën als T.S. Eliot ervan mee te
praten. Geen literaire fijnproever die niet blij moet meelachen bij het
horen van de Surinaamse ‘aartspoëtische’ engelen, wanneer ze zingen: ‘libi
de pro vobis’.
| | | |
Maar op die pure sonnet-vorm, een van de meest conventionele Westerse vormen
die zich door de eeuwen heen gehandhaafd hebben, behoeven wij ons niet te
verkijken. Deze mogelijkheid in het Sranan is al enige tientallen jaren
geleden bewezen door Koenders - de man van ‘Wi Eegi Sani’, in wiens
voetsporen Trefossa trad. Reeds Koenders
vertaalde vormgetrouw Kloos in het Sranan, in de
eerste plaats wel met de bedoeling om de ‘ongelovigen’ ervan te overtuigen,
dat ook in die ongeëerde’ taal ‘anything goes’ - wat wel niet helemaal waar
is, maar in ieder geval een overtuigend bewijs - toen noodzakelijk, vandaag
niet meer - dat ook de formele mogelijkheden in het Sranan niet onderschat
mogen worden, en bovendien ... bruikbaar zijn.
Heeft Trefossa met zijn ‘schools’ sonnet ‘Hoemor in Excelsis’ nu een terugweg
bewandeld? Ik geloof van niet. Want hier schreef hij geen ‘vertaling’, maar
een allerorigineelst sonnet, met een taalgebruik waarover nog allerlei te
zeggen valt. Dat de eerste aanzet van de gedachtengang ietwat doet denken
aan Schiller's meer episch-verhalend en veel langer gedicht:
‘Die Araber hatten ihr Feld bestellt,
Da kam der Teufel herbei mit Eil,
Und sagte: Mir gehört die halbe Welt,
Ich will auch von Eure Ernte mein Teil’...
is een van die curieuze toevalligheden die telkens voorkomen. Als je 't over
de duivel hebt, trap je op zijn staart, - dat leert ons al de volksmond.
‘Hoemor in excelsis’
Didibri fir a fart tak bigi grani
bjo psa grontapoe her-es, mofo-jari.
A manpikin f' Gado, so Tata ben wani,
bjo tron wan libisma. - Oh gran frijari!
| | | |
‘M' e por a pré, m' e blèkout alasani.’
Na so didibri opo mofo bari.
‘M' e kot den drat a tap a heri plani,
d' e tjar elèktrik powa gi den stari.’
Ma ... wroets! sjatsroiti panja branti-faja.
Didibri kori hen krabjasi, baja!
A bron hen langa barba-kakoembe.
En engel singi: hoemor in excelsis!
Den lafoe kwa-kwa: libi de pro vobis!
En bébi-Jesus kré a fosi: jè-è-è.
‘Humor in excelsis’
De duivel kreeg het in de smiezen
dat - en nog voor het eind van 't jaar -
God's zoon - het was des Vader's wens -
een mens zou worden. Wat verrukking!
‘Dat nooit. Ik wil geen licht meer zien’
snoefde de duivel met zijn grote bek.
‘Ik leg de stroomvoorziening stil
van het hele firmament met al zijn sterren’.
Maar ... oei! kortsluiting strooide vonken.
De duivel keek raar op zijn neus.
Hij schroeide lelijk baard en bakkes.
De engelstemmen zongen ‘Humor in excelsis’.
Ze giechelden ondeugend: Leve zij pro vobis
En baby Jezus slaakte de eerste kreet.
Maar de bedrogen duivel bij Trefossa wordt op een
heel wat hoger, heel wat diepzinniger en heel wat dichterlijker plan
‘genomen’ dan bij Schiller, en hij is in zijn reacties bovendien een echt
Surinaamse duivel: een spelbederver (‘M'e por a pré’) en een kind van deze, | | | | na-oorlogse tijd, die opzettelijke
stadsverduistering (‘blèkout’) kent, en daarvoor dan ook een heel modern
woord gebruikt, zoals hij dat ook doet met nieuwe, linguistisch volkomen
verantwoorde termen als ‘drat’ (stroomdraad), ‘elèktrik powa’ (electrische
stroomvoorziening) en ‘sjatsroiti’ (een uitstekende, letterlijke vertaling
van ‘kortsluiting’, dat op zichzelf weer een voortreffelijk Nederlands
neologisme is). En hiermee doet Trefossa niet alleen aan taalverrijking,
maar tevens iets, wat terecht door zovelen bewonderd wordt in het oeuvre van
dichters - zoals Gerrit Achterberg -, het
onverwachte, nieuwe en tevens poëtische gebruik van moderne technische
termen. Als bij Achterberg bijvoorbeeld:
‘De hersencellen zijn getrouw
in hun perceptieweefgetouw.
Helioscopen wentelen tegen
gedachtenissen allerwegen.’
Trefossa zou echter geen rasechte Surinamer zijn als hij niet (op analoge
wijze als Achterberg de ‘geleende’ term ‘perceptie’ verbindt met de
ouderwetse naam ‘weefgetouw’) op al die kortsluitende electrotechniek niet
een echte, ouderwetse, ideomatisch ‘diepe’ uitdrukking liet volgen: ‘Didibri
kori hen krabasi’, - letterlijk: hij heeft zijn eigen kalebas, zijn kop met
hersenen, belazerd’. Waarvan een variant is: ‘kori hen krabjasi’, -
letterlijk: ‘hij bedotte zijn schurft’. Hebben wij hier met een drukfout,
een verschrijving, of een variant te doen? Hoe dan ook, het rijmwoord ‘baja’
(weet je) dat onmiddellijk hierop volgt, zou elders een stoplap geweest
zijn. Hier juist niet, door het voorafgaande, het gemeenzame.
Evenals in zoveel West-afrikaanse talen die aan het | | | | Sranan ten
grondslag liggen, is laatstgenoemde taal rijk aan zgn. ‘onomatopeeën’, dat
zijn: woorden die door hun klankwaarde een directe
suggestie geven van het object of gebeuren dat ze ‘betekenen’. Ze hebben
bijna alle een zekere humoristische connotatie en zetten grote levendigheid
bij aan elke goede vertelling in het Sranan. In de veertien regels van
‘Hoemor in Excelsis’ gaat Trefossa er dan ook kwistig mee om: ‘Wroets’ om de
knetterflits van de kortsluiting aan te geven: ‘kwa-kwa’ voor de
bijwoordelijke versterking van het lachen der engelen; en ‘jè-è-è’ voor het
eerste krijsen van de zuigeling Jezus. Het is een telkens, binnen de korte
spanne der twee terzinen, even onderbroken opeenvolging van klanken: luidere
vocalen, verminderende medeklinkers. Het geheel is van een bijzondere
musicaliteit; musicaliteit waarin het Sranan door weinig andere talen
overtroffen wordt, al heeft het die met tal van andere creolentalen gemeen.
Het valt ook op, dat in de aanzet van het sonnet, in het eerste kwatrijn,
Trefossa tweemaal het bij mijn weten meer in het plantage-Sranan, dan in het
Stadscreools gebruikte woordje ‘bjo’ aanwendt. Waarmee hij het geheel als
het ware meteen uit de steedse, theologische sfeer, naar een landelijke,
bucolische trekt. De geboorte, de hele grappige gebeurtenis er omheen, vindt
ergens in het district plaats; kennelijk ergens waar men nog maar pas over
electriciteit beschikt, waar het nog iets heel nieuws is. Onbewust - want
elke ware dichter werkt in hoofdzaak onbewust - rechtvaardigt hij zo het
anachronisme, waarmee zijn gedicht een gebeurtenis van tweeduizend jaar
geleden, met vandaag verbindt.
Dit versterkt hij nog door de geboorte - wanneer er nog geen sprake van een
‘frijari’ kan zijn, tóch zo te noemen, en wel een ‘gran frijari’, een heel
bijzondere hoog- | | | | tijdag, een ongelooflijk blij feest, - zoals 25
december al sinds vele eeuwen is.
De geboortedag is de verjaardag voor een ieder die ‘levend’
blijft. En voor Trefossa is de incarnatie van
Jezus iets heel levends, waarover hij tot lachens toe blij is. Was Jezus
niet reeds tevoren ‘de zoon’? De dichter heeft ook niet het minste
medelijden met de duivel, wiens bekende baardje niet alleen in brand vliegt,
maar die daarbij ook nog zijn kin verbrandt, - wat Trefossa op de beknopst
mogelijke wijze uitdrukt door de ongewone (maar met het verbindingstekentje
verantwoorde) wijze van woordschikking: eerst ‘barba’, dan ‘kakoembe’. Zo
gaat hij met deze middelen tot aan de uiterste grammaticale en syntactische
uitdrukkingsmogelijkheden van het Sranan. Of liever: hij weet ze volledig
uit te buiten door zijn grote taalgevoeligheid, die in de bundel ‘Troki’ een
tot dusver door geen enkele dichter in die taal bereikt hoogtepunt gevonden
heeft.
Tenslotte nog iets over de inhoud van het gedicht. Er is in het Sranan geen
woord voor ‘humor’. Voor Trefossa geen bezwaar. Humor, maar van een verheven
soort, terecht ‘in excelsis’, is hetgeen hij beoogt. Geen ‘lokale humor’,
geen grapjasserij’, maar een Bijbels-bucolische lach-scène, even
folkloristisch getint als een episode uit Timmermans' ‘Het kindeke Jezus in
Vlaanderen’. Evenwel uitlopend in een onverwacht-prachtige slotregel, die
het geheel opeens omhoogtrekt in een zuiverpoëtische sfeer, een sfeer van
vertedering ook.
Als om met een half dozijn woorden alles goed te maken, wat anders als
oneerbiedig of heiligschennend door Trefossa's geestverwanten beschouwd zou
kunnen worden. Nu kan zelfs de meest bigotte lezer er geen aanstoot aan
nemen. En zo is het - door die slotregel - plotseling ook een gedicht van
niveau, en niet langer meer ‘een aardigheid’. De dichter als homo faber be- | | | | geeft zich inderdaad ‘in excelsis’,
hier juist door zijn karakter als homo ludens.
In elke Surinamer, dus ook in elke Surinaamse dichter, durf ik te beweren,
leeft een grote dosis humor. Maar of die er ooit uitkomt - en dan
dichterlijk! - is een heel andere zaak. Hiervoor is een ver-voortgeschreden
literaire ontwikkeling, een grote mate van ‘bevrijding’ en ‘zelfbevrijding’
nodig. Een afstand-nemen (en afstand doen) waartoe nog weinigen in hun
bloedige nationalistische ernst in staat zijn. Dit is geen verwijt, want het
is vooralsnog iets onontkoombaars. Zulk een vergevorderd stadium hebben de
schrijvers en dichters van nog maar enkele ontwikkelingslanden bereikt.
Trefossa echter heeft hier reeds ‘het beloofde land’ aanschouwd. Daar hij
weinig of geen ‘nationalistische’ gedichten op zijn naam heeft staan, als
wij zijn ‘bruikbare’ parafrase van ‘Suriname's trotse stromen’ buiten
beschouwing laten, maar ‘slechts’ - gelukkig! - een dik dozijn uitstekende
gedichten in het literaire Sranan-Tongo dat hij hielp scheppen, loopt hij
helaas de kans vandaag in eigen land over het hoofd gezien, of althans
onderschat te worden. En hij is, als zoveel voortreffelijke dichters, tot op
zekere hoogte onvertaalbaar; of liever: slechts tot op zekere hoogte
vertaalbaar.
Geen nood. Zijn waarde, zijn betekenis, is al tijdens zijn leven ‘the happy
few’ niet ontgaan. Indien de grote massa zijn werk spoedig leert ontdekken
en kennen (uit het hoofd opzeggen!) - zoveel te beter.
Zijn tijd komt in ieder geval, vroeg of laat. Wij zijn dankbaar dat hij
bestaan heeft. Het stemt droevig dat hij er niet meer is, en dat er nu al
sprake is van zijn ‘laatste’ gedicht.
Tobago, 28 februari 1975
| | | | |
1)Op
vele plaatsen in Europa en Amerika wordt op dit gebied gewerkt. De
grondslagen van de stilistische methode zoals die aan de Universiteit
van Amsterdam wordt gedoceerd, vindt men in W. Gs Hellinga en H. van der
Merwe Scholtz, Kreatiewe analise van taalgebruik. Prinsipes
van stilistiek op linguistiese grondslag. Amsterdam-Pretoria,
1955. Zie daar ook een bespreking van andere methoden.
1)Deze stilistische grondprincipes noodzaken tot het gebruik
van een op het eerste gezicht wellicht wat vreemde terminologie. Zo
moeten wij spreken over het feitenaanbod van een woord of regel, of over
de informatie die een woord verschaft, om de tegenwoordig nog voor de
hand liggende verwarring met ‘de bedoelingen van de dichter’ of ‘de
indruk op de lezer’ te vermijden.
2)Men zie voor een opgave van
de door de methode-Hellinga-Scholtz gestimuleerde stilistische studies
in Nederland en Zuid-Afrika een der jongste en beste studies op dit
gebied: Elize Lindes, Veelheid en binding. 'n Bydrae tot
die onderzoek van die eenheidsprobleem in die
literatuurwetenskap. Amsterdam, 1956.
3)De gebruikte woorden bieden
vanzelfsprekend ook informatie aan uit de cultuurwereld waarin de tekst
is ontstaan.
1)Onze informanten waren Mej. U.M. Lichtveld van het Bureau
voor Taalonderzoek in Suriname (Universiteit van Amsterdam) en de
dichter zelf, die schuil wenst te gaan achter de naam Trefossa. Wij zijn
ook dankbaar voor de hulp van mevrouw F. Balk-Smit Duyzentkunst, die het
manuscript kritisch met ons heeft willen doornemen.
2)Dit is geen
principiële onmogelijkheid. Zie W. Gs Hellinga en H. van der Merwe
Scholtz, Kreatiewe analise van taalgebruik, pp.
29-31.
1)Wij
doen er goed aan vooraf te stellen, dat iedere in de loop van het
onderzoek getrokken conclusie die niet herroepen wordt in verband met
een later feitenaanbod, pas na beëindiging van het onderzoek geldigheid
verkrijgt. Naast het woord-voor-woord aanbod van de tekst (dat wij hier
onderzoeken) bestaat ook het feitenaanbod van de tekst als geheel. Dit
laatste maakt onze restrictie noodzakelijk.
1)Theod. A.C. Comvalius, Twee historische
liederen in Suriname. West-Ind. Gids XX (1938), pp.
291-295.
2)Dit is niet bij iedere titel het geval. Er bestaan ook
gedichten die in zichzelf alle noodzakelijke informatie bevatten en waar
de titel dus meer op zichzelf staat.
1)Johannes King (ca. 1830-1899) was een bekeerde
bosneger-zendeling, die zijn Europese medezendelingen schriftelijke
mededelingen deed over het Surinaamse volksgeloof. Zijn geschriften
worden in de archieven van de Broedergemeente bewaard. De hier gebruikte
passages luiden:
wan speri sani de liebi na
ini liba a habi hede nanga hanoe mofo bobi jesi hede, wiwiri,
langa so leki ingi wiwiri... ...dem soema
di ben si watramama dem taki tapoesei vo hem de libisoema. Ma
tog vo go na ondrosei dati de fisi, en grati fisi.
(verschillende wezens leven in de rivieren; het heeft hoofd en
handen, mond, borsten, oren, hoofdharen, zo lang als
Indianenhaar... ...de mensen die watermoeder zagen zeggen dat
haar bovenlichaam mens is; maar toch van onderen is zij vis, en
ongeschubde vis.) Men late zich niet door de afwijkende
interpunctie in de tekst van King afleiden.
1)Niet
alleen in het volksgeloof der Creolen. Zie voor haar betekenis bij de
Surinaamse Indianen W.-G. Hellinga, Pétroglyphes caraïbes:
problème sémiologique. Lingua vol. IV (1954), pp.
121-165.
2)J. Voorhoeve,
Voorstudies tot een beschrijving van het Sranan Tongo,
Negerengels van Suriname (Amsterdam, 1953), pp. 56-58.
1)Wij onderzoeken hier niet de
structuurmiddelen van een gedicht in het algemeen en kunnen dus uitgaan
van wat ons omtrent poëzie bekend is: het betrokken zijn van alle
afzonderlijke mededelingen op elkaar.
1)A.
Donicie, De Creolentaal van Suriname.
Spraakkunst. Met medewerking van W. Campagne, Ph. van
Daal e.a. (Paramaribo, 1954), pp. 72-75.
1)Het metrisch schema van een gedicht
wordt bepaald door de door het woordaccent in meerlettergrepige woorden
en de door het zinsaccent in woordgroepen dwingend gegeven accenten. Zo
liggen in couplet A de accenten in mofo (-' -), mama (- -') en sidon (- -') vast als
woordaccent. Bovendien bij de voorzetselgroepen de accenten in na mofo (- -' -), na joe (- -') en
na ston (- -'). Wanneer het gedicht op een
regelmatig schema is gebouwd, kan men de ontbrekende accenten
invullen.
1Dit oude woord kroboi
vindt men nog terug in het hedendaagse kriboi (vliering). Vroeger werd het woord als afscheidsformule
gebruikt. In oude bijbelvertalingen vindt men het als aanduiding van
de eindtijd.
1)sinta is een oud
woord dat in het Saramakaans nog voorkomt in de betekenis van
‘gordel’.
|
|