|
De blikken fluit
Inhoudsopgave[In Amsterdam bij de Muiderpoort] [Tien nikkers woonden in een boom] [Twee knieën knielden in het gras] [Er staat een huis met een rieten dak] [‘Piep,’ zei de muis bij het keukenraam] [Een oude snoek zwom langzaam] [Een veren matras en een wollen deken] [Het jagertje dat reed te paard] [Er voer een kleine kolenboot] [Er woonden twee witte muizen] [Een koster had een linkerbeen] [Een nijlpaard dat op dansles ging] [Een lama vroeg aan een nachtegaal] [Dicht bij Haarlem staat een huisje] [Ach Jantje, heb je mijn hondje gezien?] [De zon en de maan en een meteoor] |