[p. 7]
[Er stond een hond te vissen]
Er stond een hond te vissen
Aan zee bij
Callandsoog
.
En telkens als zijn dobber zonk,
Dan ging zijn staart omhoog.
En telkens als het mis was,
Dan rammelde zijn maag,
Dan kwam de dobber boven
En ging zijn staart omlaag.