[p. 20]
[Een veren matras en een wollen deken]
Een veren matras en een wollen deken
Die wilden de burgemeester spreken.
Zijn vrouw vond het geval niet pluis
En zei: ‘Mijn man die is niet thuis.’
Toen zei de deken tot de matras:
‘Ik wou dat ik geen deken was.
Want, naar het schijnt, is voor een deken
Een burgemeester niet te spreken.’